Elohim Bijbel

Psalmen 78

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

De geschiedenis van Israël als les voor de volgende generatie

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Luister naar de wet van de dichter

1Een Maskil van Asaf. Luister, mijn volk, naar mijn wet; neig jullie oor naar de woorden van mijn mond.
מַשְׂכִּ֗יל
(maskil)
een Maskil
לְאָ֫סָ֥ף
(leasaf)
van Asaf
הַאֲזִ֣ינָה
(haazina)
luister
עַ֭מִּי
(ami)
mijn volk
תּוֹרָתִ֑י
(torati)
naar mijn wet
הַטּ֥וּ
(hatu)
neigt
אָ֝זְנְכֶ֗ם
(azenekhem)
jullie oor
לְאִמְרֵי
(leimrei)
naar de woorden van
פִֽי
(pi)
mijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַשְׂכִּיל (Maskil): een soort psalm of lied.

De betekenis van het woord is onzeker; het kan ‘onderwijzend lied’ betekenen.

תּוֹרָתִי (torati), ‘mijn wet’: torah betekent ook ‘onderwijs’. Hier spreekt de dichter, die het onderwijs doorgeeft uit de geschiedenis van het volk.

2Ik open mijn mond met een spreuk; ik laat raadsels uit de oudheid stromen,
אֶפְתְּחָ֣ה
(eftecha)
ik open
בְמָשָׁ֣ל
(bemashal)
met een spreuk
פִּ֑י
(pi)
mijn mond
אַבִּ֥יעָה
(abia)
ik laat stromen
חִ֝יד֗וֹת
(chidot)
raadsels
מִנִּי
(mini)
uit
קֶֽדֶם
(qedem)
de oudheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָשָׁל (mashal), ‘spreuk’: een gezegde of les in beeldende taal.

חִידוֹת (chidot), ‘raadsels’: verborgen betekenis die uitleg nodig heeft.

Matt. 13:35 haalt dit vers aan.

3wat wij hebben gehoord en gekend, en wat onze vaders ons hebben verteld.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
שָׁ֭מַעְנוּ
(shamanu)
wij hebben gehoord
וַנֵּדָעֵ֑ם
(vanedaem)
en wij kennen het
וַ֝אֲבוֹתֵ֗ינוּ
(vaavoteinu)
en onze vaders
סִפְּרוּ
(siperu)
hebben verteld
לָֽנוּ
(lanu)
ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Wij verbergen het niet voor hun zonen. Aan de volgende generatie vertellen wij de lof van Yahweh, Zijn kracht en Zijn wonderen die Hij deed.
לֹ֤א
(lo)
niet
נְכַחֵ֨ד
(nekhached)
wij verbergen het
מִבְּנֵיהֶ֗ם
(mibeneihem)
voor hun zonen
לְד֥וֹר
(ledor)
aan generatie
אַחֲר֗וֹן
(acharon)
latere
מְֽ֭סַפְּרִים
(mesaperim)
vertellend
תְּהִלּ֣וֹת
(tehilot)
lof van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וֶעֱזוּז֥וֹ
(veezuzo)
en Zijn kracht
וְ֝נִפְלְאוֹתָ֗יו
(venifleotav)
en Zijn wonderen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָֽׂה
(asa)
Hij deed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּהִלּוֹת (tehillot), ‘lof’: lofwaardige daden die men bezingt.

5Hij richtte een getuigenis op in Jakob en stelde een wet in Israël. Die gebood Hij onze vaders aan hun zonen bekend te maken,
וַיָּ֤קֶם
(vayaqem)
en Hij richtte op
עֵד֨וּת
(edut)
getuigenis
בְּֽיַעֲקֹ֗ב
(beyaaqov)
in Jakob
וְתוֹרָה֮
(vetora)
en wet
שָׂ֤ם
(sam)
stelde Hij
בְּיִשְׂרָ֫אֵ֥ל
(beyisrael)
in Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
צִ֭וָּה
(tsiva)
Hij gebood
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבוֹתֵ֑ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
לְ֝הוֹדִיעָ֗ם
(lehodiam)
om bekend te maken
לִבְנֵיהֶֽם
(livneihem)
aan hun zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6opdat de volgende generatie het zou kennen, de zonen die nog geboren zouden worden. Dezen zouden opstaan en het aan hun zonen vertellen,
לְמַ֤עַן
(lemaan)
opdat
יֵדְע֨וּ
(yedeu)
zij zouden kennen
דּ֣וֹר
(dor)
generatie
אַ֭חֲרוֹן
(acharon)
latere
בָּנִ֣ים
(banim)
zonen
יִוָּלֵ֑דוּ
(yivaledu)
die geboren zouden worden
יָ֝קֻ֗מוּ
(yaqumu)
zij zouden opstaan
וִֽיסַפְּר֥וּ
(visaperu)
en vertellen
לִבְנֵיהֶֽם
(livneihem)
aan hun zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7zodat zij hun vertrouwen op Elohim zouden stellen, de daden van El niet zouden vergeten en Zijn geboden zouden bewaren.
וְיָשִׂ֥ימוּ
(veyasimu)
en zij zouden stellen
בֵֽאלֹהִ֗ים
(bElohim)
op Elohim
כִּ֫סְלָ֥ם
(kislam)
hun vertrouwen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִ֭שְׁכְּחוּ
(yishkechu)
zij zouden vergeten
מַֽעַלְלֵי
(maallei)
daden van
אֵ֑ל
(el)
El
וּמִצְוֺתָ֥יו
(umitsvotav)
en Zijn geboden
יִנְצֹֽרוּ
(yintsoru)
zij zouden bewaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zij zouden niet zijn zoals hun vaders, een weerspannige en opstandige generatie. Een generatie die haar hart niet standvastig maakte en wier geest niet trouw was aan El.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יִהְי֨וּ
(yihyu)
zouden zijn
כַּאֲבוֹתָ֗ם
(kaavotam)
zoals hun vaders
דּוֹר֮
(dor)
generatie
סוֹרֵ֪ר
(sorer)
weerspannig
וּמֹ֫רֶ֥ה
(umore)
en opstandig
דּ֭וֹר
(dor)
generatie
לֹא
(lo)
niet
הֵכִ֣ין
(hekhin)
maakte standvastig
לִבּ֑וֹ
(libo)
haar hart
וְלֹא
(velo)
en niet
נֶאֶמְנָ֖ה
(neemna)
was trouw
אֶת
(et)
aan
אֵ֣ל
(el)
El
רוּחֽוֹ
(rucho)
haar geest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zonen van Efraïm keren om

9De zonen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden zich om op de dag van de strijd.
בְּֽנֵי
(benei)
zonen van
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
נוֹשְׁקֵ֥י
(nosheqei)
gewapenden
רוֹמֵי
(romei)
schutters van
קָ֑שֶׁת
(qashet)
boog
הָ֝פְכ֗וּ
(hafekhu)
keerden om
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
קְרָֽב
(qerav)
strijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Welke gebeurtenis bedoeld wordt met de omkering van de zonen van Efraïm, is onzeker.

Efraïm kan hier staan voor het noordelijke rijk of voor de stam zelf; zie ook vers 67.

רוֹמֵי (romei), ‘schutters’: het woord betekent ‘werpers’ of ‘schutters’.

10Zij hielden het verbond van Elohim niet en weigerden te wandelen in Zijn wet.
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁ֭מְרוּ
(shameru)
hielden
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וּ֝בְתוֹרָת֗וֹ
(uvetorato)
en in Zijn wet
מֵאֲנ֥וּ
(meanu)
weigerden
לָלֶֽכֶת
(lalekhet)
te wandelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zij vergaten Zijn daden en Zijn wonderen, die Hij hun had laten zien.
וַיִּשְׁכְּח֥וּ
(vayishkechu)
en zij vergaten
עֲלִילוֹתָ֑יו
(alilotav)
Zijn daden
וְ֝נִפְלְאוֹתָ֗יו
(venifleotav)
en Zijn wonderen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֶרְאָֽם
(heram)
Hij liet zien aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wonderen in Egypte en in de woestijn

12Voor de ogen van hun vaders deed Hij wonderen in het land Egypte, in het veld van Soan.
נֶ֣גֶד
(neged)
voor
אֲ֭בוֹתָם
(avotam)
hun vaders
עָ֣שָׂה
(asa)
deed Hij
פֶ֑לֶא
(pele)
wonder
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֣יִם
(mitsrayim)
Egypte
שְׂדֵה
(sede)
veld van
צֹֽעַן
(tsoan)
Soan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Soan: Soan (Tanis) lag in de noordoostelijke Nijldelta, bij het huidige San el-Hagar.

Uitleg

De ‘tekenen’ in Egypte worden in de verzen 43–51 uitgewerkt.

Zie Exod. 7–12.

13Hij spleet de zee en liet hen erdoor trekken; Hij liet het water staan als een dam.
בָּ֣קַע
(baqa)
spleet
יָ֭ם
(yam)
zee
וַיַּֽעֲבִירֵ֑ם
(vayaavirem)
en liet hen doortrekken
וַֽיַּצֶּב
(vayatsev)
en liet staan
מַ֥יִם
(mayim)
water
כְּמוֹ
(kemo)
als
נֵֽד
(ned)
een dam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵד (ned), ‘dam’: een opgehoopte muur van water.

Zie Exod. 15:8.

14Overdag leidde Hij hen met een wolk, en de hele nacht met het licht van vuur.
וַיַּנְחֵ֣ם
(vayanchem)
en leidde hen
בֶּעָנָ֣ן
(beanan)
met een wolk
יוֹמָ֑ם
(yomam)
overdag
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַ֝לַּ֗יְלָה
(halayla)
de nacht
בְּא֣וֹר
(beor)
met licht van
אֵֽשׁ
(esh)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De wolk en het vuur zijn de wolkkolom en de vuurkolom van Exod. 13:21.

15Hij spleet rotsen in de woestijn en gaf hun te drinken als uit de grote oerdiepten.
יְבַקַּ֣ע
(yevaqa)
spleet
צֻ֭רִים
(tsurim)
rotsen
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
וַ֝יַּ֗שְׁקְ
(vayashq)
en gaf te drinken
כִּתְהֹמ֥וֹת
(kithomot)
als uit oerdiepten
רַבָּֽה
(raba)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Exod. 17:6 en Num. 20:11.

כִּתְהֹמוֹת (kitehomot), ‘als uit oerdiepten’: de dichter vergelijkt de stroom uit de rots met een eindeloze waterbron.

16Hij liet stromen uit de rots komen en liet water afdalen als rivieren.
וַיּוֹצִ֣א
(vayotsi)
en bracht voort
נוֹזְלִ֣ים
(nozelim)
stromen
מִסָּ֑לַע
(misala)
uit de rots
וַיּ֖וֹרֶד
(vayored)
en liet afdalen
כַּנְּהָר֣וֹת
(kaneharot)
als rivieren
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Opstand in de woestijn

17Toch bleven zij tegen Hem zondigen en in opstand komen tegen de Allerhoogste in de dorre grond.
וַיּוֹסִ֣יפוּ
(vayosifu)
en zij bleven
ע֭וֹד
(od)
nog
לַחֲטֹא
(lachato)
zondigen
ל֑וֹ
(lo)
tegen Hem
לַֽמְר֥וֹת
(lamrot)
in opstand komen tegen
עֶ֝לְי֗וֹן
(elyon)
de Allerhoogste
בַּצִּיָּֽה
(batsiya)
in de dorre grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶלְיוֹן (Eljon), ‘de Allerhoogste’: een titel van Elohim, ‘de hoogste’ boven alles.

18Zij stelden El op de proef in hun hart door voedsel te eisen voor hun ziel.
וַיְנַסּוּ
(vaynasu)
en zij stelden op de proef
אֵ֥ל
(el)
El
בִּלְבָבָ֑ם
(bilvavam)
in hun hart
לִֽשְׁאָל
(lishal)
door te eisen
אֹ֥כֶל
(okhel)
voedsel
לְנַפְשָֽׁם
(lenafsham)
voor hun ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de eetlust en het verlangen.

Wij houden ‘ziel’ aan, zoals elders.

19Zij spraken tegen Elohim. Zij zeiden: „Kan El een tafel toebereiden in de woestijn?
וַֽיְדַבְּר֗וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
בֵּֽאלֹ֫הִ֥ים
(bElohim)
tegen Elohim
אָ֭מְרוּ
(ameru)
zij zeiden
הֲי֣וּכַל
(hayukhal)
kan
אֵ֑ל
(el)
El
לַעֲרֹ֥ךְ
(laarokh)
toebereiden
שֻׁ֝לְחָ֗ן
(shulchan)
een tafel
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het verhaal van de klachten van het volk om voedsel staat in Exod. 16 en Num. 11.

20Zie, Hij sloeg de rots, en water stroomde eruit en beken overstroomden. Kan Hij ook brood geven? Of kan Hij vlees bereiden voor Zijn volk?”
הֵ֤ן
(hen)
zie
הִכָּה
(hika)
Hij sloeg
צ֨וּר
(tsur)
rots
וַיָּז֣וּבוּ
(vayazuvu)
en stroomden
מַיִם֮
(mayim)
water
וּנְחָלִ֪ים
(unechalim)
en beken
יִ֫שְׁטֹ֥פוּ
(yishtofu)
overstroomden
הֲגַם
(hagam)
ook
לֶ֭חֶם
(lechem)
brood
י֣וּכַל
(yukhal)
kan Hij
תֵּ֑ת
(tet)
geven
אִם
(im)
of
יָכִ֖ין
(yakhin)
kan Hij bereiden
שְׁאֵ֣ר
(sheer)
vlees
לְעַמּֽוֹ
(leamo)
voor Zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De toorn van Yahweh en het manna

21Daarom hoorde Yahweh het en werd woedend. Een vuur werd aangestoken tegen Jakob, en ook toorn steeg op tegen Israël,
לָכֵ֤ן
(lakhen)
daarom
שָׁמַ֥ע
(shama)
hoorde
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיִּתְעַבָּ֥ר
(vayitabar)
en werd woedend
וְ֭אֵשׁ
(veesh)
en vuur
נִשְּׂקָ֣ה
(niseqa)
werd aangestoken
בְיַעֲקֹ֑ב
(beyaaqov)
tegen Jakob
וְגַם
(vegam)
en ook
אַ֝֗ף
(af)
toorn
עָלָ֥ה
(ala)
steeg op
בְיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
tegen Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22want zij geloofden Elohim niet en vertrouwden niet op Zijn redding.
כִּ֤י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
הֶ֭אֱמִינוּ
(heeminu)
zij geloofden
בֵּאלֹהִ֑ים
(bElohim)
Elohim
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
בָ֝טְח֗וּ
(batechu)
zij vertrouwden
בִּֽישׁוּעָתֽוֹ
(bishuato)
op Zijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Toch gebood Hij de wolken boven, en de deuren van de hemel opende Hij.
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en Hij gebood
שְׁחָקִ֣ים
(shechaqim)
wolken
מִמָּ֑עַל
(mimaal)
boven
וְדַלְתֵ֖י
(vedaltei)
en deuren van
שָׁמַ֣יִם
(shamayim)
hemel
פָּתָֽח
(patach)
opende Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De deuren van de hemel’ zijn de sluizen waaruit het manna, de regen, valt.

Zie Exod. 16:4.

24Hij liet manna op hen regenen om te eten en gaf hun graan van de hemel.
וַיַּמְטֵ֬ר
(vayamter)
en Hij liet regenen
עֲלֵיהֶ֣ם
(aleihem)
op hen
מָ֣ן
(man)
manna
לֶאֱכֹ֑ל
(leekhol)
om te eten
וּדְגַן
(udegan)
en graan van
שָׁ֝מַ֗יִם
(shamayim)
hemel
נָ֣תַן
(natan)
gaf Hij
לָֽמוֹ
(lamo)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָן (man), ‘manna’: het brood uit de hemel in de woestijn.

Zie Exod. 16:15.

25Ieder at het brood van de sterken; Hij zond hun voedsel tot verzadiging.
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood van
אַ֭בִּירִים
(abirim)
sterken
אָ֣כַל
(akhal)
at
אִ֑ישׁ
(ish)
ieder
צֵידָ֬ה
(tseida)
voedsel
שָׁלַ֖ח
(shalach)
zond Hij
לָהֶ֣ם
(lahem)
hun
לָשֹֽׂבַע
(lasova)
tot verzadiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַבִּירִים (abbirim), ‘sterken’: machtigen of hemelse wezens.

Het ‘brood van de sterken’ is dus brood dat uit de hemel komt of waarvan sterken eten.

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘engelen’.

Wij houden ‘sterken’ aan.

26Hij liet de oostenwind opsteken aan de hemel en dreef met Zijn kracht de zuidenwind aan.
יַסַּ֣ע
(yasa)
liet opsteken
קָ֭דִים
(qadim)
oostenwind
בַּשָּׁמָ֑יִם
(bashamayim)
aan de hemel
וַיְנַהֵ֖ג
(vaynaheg)
en dreef aan
בְּעֻזּ֣וֹ
(beuzo)
met Zijn kracht
תֵימָֽן
(teiman)
zuidenwind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Hij liet vlees op hen regenen als stof, en gevleugelde vogels als het zand van de zeeën.
וַיַּמְטֵ֬ר
(vayamter)
en liet regenen
עֲלֵיהֶ֣ם
(aleihem)
op hen
כֶּעָפָ֣ר
(keafar)
als stof
שְׁאֵ֑ר
(sheer)
vlees
וּֽכְח֥וֹל
(ukhechol)
en als zand van
יַ֝מִּ֗ים
(yamim)
zeeën
ע֣וֹף
(of)
vogels
כָּנָֽף
(kanaf)
gevleugelde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit gaat om de kwartels.

Zie Num. 11:31.

28Hij liet het vallen midden in hun kamp, rondom hun woningen.
וַ֭יַּפֵּל
(vayapel)
en liet vallen
בְּקֶ֣רֶב
(beqerev)
midden in
מַחֲנֵ֑הוּ
(machanehu)
hun kamp
סָ֝בִ֗יב
(saviv)
rondom
לְמִשְׁכְּנֹתָֽיו
(lemishkenotav)
hun woningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Zij aten en werden zeer verzadigd; wat zij begeerden, bracht Hij hun.
וַיֹּאכְל֣וּ
(vayokhlu)
en zij aten
וַיִּשְׂבְּע֣וּ
(vayisbeu)
en werden verzadigd
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וְ֝תַֽאֲוָתָ֗ם
(vetaavatam)
en hun begeerte
יָבִ֥א
(yavi)
bracht Hij
לָהֶֽם
(lahem)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Zij waren nog niet afgekeerd van hun begeerte, hun voedsel was nog in hun mond,
לֹא
(lo)
niet
זָר֥וּ
(zaru)
waren afgekeerd
מִתַּאֲוָתָ֑ם
(mitaavatam)
van hun begeerte
ע֝֗וֹד
(od)
nog
אָכְלָ֥ם
(akhelam)
hun voedsel
בְּפִיהֶֽם
(befihem)
in hun mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31toen de toorn van Elohim tegen hen opsteeg. Hij doodde de vetsten onder hen en wierp de jongemannen van Israël neer.
וְאַ֤ף
(veaf)
en toorn van
אֱלֹהִ֨ים
(Elohim)
Elohim
עָ֘לָ֤ה
(ala)
steeg op
בָהֶ֗ם
(bahem)
tegen hen
וַֽ֭יַּהֲרֹג
(vayaharog)
en Hij doodde
בְּמִשְׁמַנֵּיהֶ֑ם
(bemishmaneihem)
onder hun vetsten
וּבַחוּרֵ֖י
(uvachurei)
en jongemannen van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
הִכְרִֽיעַ
(hikhria)
wierp Hij neer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Num. 11:33.

Ontrouw ondanks Zijn ontferming

32Bij dit alles zondigden zij nog steeds en geloofden zij Zijn wonderen niet.
בְּכָל
(bekhal)
bij
זֹ֭את
(zot)
dit alles
חָֽטְאוּ
(chateu)
zondigden zij
ע֑וֹד
(od)
nog
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הֶ֝אֱמִ֗ינוּ
(heeminu)
zij geloofden
בְּנִפְלְאוֹתָֽיו
(benifleotav)
Zijn wonderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Daarom liet Hij hun dagen vergaan in damp en hun jaren in schrik.
וַיְכַל
(vaykhal)
en Hij liet vergaan
בַּהֶ֥בֶל
(bahevel)
in damp
יְמֵיהֶ֑ם
(yemeihem)
hun dagen
וּ֝שְׁנוֹתָ֗ם
(ushenotam)
en hun jaren
בַּבֶּהָלָֽה
(babehala)
in schrik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Wanneer Hij hen doodde, zochten zij Hem; zij keerden terug en zochten El met ijver.
אִם
(im)
wanneer
הֲרָגָ֥ם
(haragam)
Hij hen doodde
וּדְרָשׁ֑וּהוּ
(uderashuhu)
dan zochten zij Hem
וְ֝שָׁ֗בוּ
(veshavu)
en zij keerden terug
וְשִֽׁחֲרוּ
(veshicharu)
en zochten ijverig
אֵֽל
(el)
El
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁחֲרוּ (shichru), ‘zochten ijverig’: het woord komt van ‘morgen’ en betekent: vroeg en gretig zoeken.

35Zij dachten eraan dat Elohim hun rots was, en El, de Allerhoogste, hun losser.
וַֽ֭יִּזְכְּרוּ
(vayizkeru)
en zij dachten eraan
כִּֽי
(ki)
dat
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
Elohim
צוּרָ֑ם
(tsuram)
hun rots
וְאֵ֥ל
(veel)
en El
עֶ֝לְיוֹן
(elyon)
de Allerhoogste
גֹּאֲלָֽם
(goalam)
hun losser
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹּאֵל (goel), ‘losser’: degene die een familielid vrijkoopt, zoals Boaz in het boek Ruth.

Hier is Elohim de losser van Zijn volk.

36Maar zij vleiden Hem met hun mond en logen tegen Hem met hun tong.
וַיְפַתּ֥וּהוּ
(vayfatuhu)
en zij vleiden Hem
בְּפִיהֶ֑ם
(befihem)
met hun mond
וּ֝בִלְשׁוֹנָ֗ם
(uvilshonam)
en met hun tong
יְכַזְּבוּ
(yekhazevu)
logen zij
לֽוֹ
(lo)
tegen Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Hun hart was niet standvastig bij Hem, en zij waren niet trouw aan Zijn verbond.
וְ֭לִבָּם
(velibam)
en hun hart
לֹא
(lo)
niet
נָכ֣וֹן
(nakhon)
standvastig
עִמּ֑וֹ
(imo)
bij Hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נֶ֝אֶמְנ֗וּ
(neemnu)
waren trouw
בִּבְרִיתֽוֹ
(bivrito)
aan Zijn verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Maar Hij is barmhartig. Hij doet verzoening voor de schuld en richt niet te gronde. Vaak hield Hij Zijn toorn terug. Hij wekte niet heel Zijn woede op.
וְה֤וּא
(vehu)
en Hij
רַח֨וּם
(rachum)
barmhartig
יְכַפֵּ֥ר
(yekhaper)
doet verzoening voor
עָוֺן֮
(avon)
schuld
וְֽלֹא
(velo)
en niet
יַ֫שְׁחִ֥ית
(yashchit)
richt te gronde
וְ֭הִרְבָּה
(vehirba)
en vaak
לְהָשִׁ֣יב
(lehashiv)
hield Hij terug
אַפּ֑וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָ֝עִיר
(yair)
wekte Hij op
כָּל
(kal)
heel
חֲמָתֽוֹ
(chamato)
Zijn woede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַחוּם (rachum), ‘barmhartig’: de woorden sluiten aan bij Exod. 34:6–7.

כִּפֶּר (kipper), ‘verzoening doen’: schuld bedekken of uitwissen.

39Hij dacht eraan dat zij vlees zijn, een wind die heengaat en niet terugkeert.
וַ֭יִּזְכֹּר
(vayizkor)
en Hij dacht eraan
כִּי
(ki)
dat
בָשָׂ֣ר
(basar)
vlees
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
ר֥וּחַ
(ruach)
wind
ה֝וֹלֵ֗ךְ
(holekh)
die heengaat
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָשֽׁוּב
(yashuv)
terugkeert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘wind’: hier gaat het om de wind die voorbijgaat, een beeld van de vergankelijkheid van de mens.

40Hoe vaak waren zij tegen Hem opstandig in de woestijn en bedroefden zij Hem in de woestenij!
כַּ֭מָּה
(kama)
hoe vaak
יַמְר֣וּהוּ
(yamruhu)
waren zij opstandig tegen Hem
בַמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
יַ֝עֲצִיב֗וּהוּ
(yaatsivuhu)
bedroefden zij Hem
בִּֽישִׁימֽוֹן
(bishimon)
in de woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Steeds weer stelden zij El op de proef en tergden zij de Heilige van Israël.
וַיָּשׁ֣וּבוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיְנַסּ֣וּ
(vaynasu)
en stelden op de proef
אֵ֑ל
(el)
El
וּקְד֖וֹשׁ
(uqedosh)
en de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
הִתְווּ
(hitvu)
tergden zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִתְווּ (hitvu), ‘tergden’: de betekenis van dit werkwoord is onzeker.

Het komt van een woord dat ‘teken’ of ‘grens’ betekent.

Het kan zijn: ‘zij stelden Hem grenzen’ of ‘zij kwetsten Hem’.

Wij kiezen ‘tergden’, naar de samenhang.

42Zij dachten niet aan Zijn hand, aan de dag waarop Hij hen vrijkocht van de tegenstander,
לֹא
(lo)
niet
זָכְר֥וּ
(zakheru)
zij dachten aan
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֑וֹ
(yado)
Zijn hand
י֝֗וֹם
(yom)
de dag
אֲֽשֶׁר
(asher)
waarop
פָּדָ֥ם
(padam)
Hij hen vrijkocht
מִנִּי
(mini)
van
צָֽר
(tsar)
tegenstander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De tekenen in Egypte

43toen Hij Zijn tekenen in Egypte stelde en Zijn wonderen in het veld van Soan.
אֲשֶׁר
(asher)
waarop
שָׂ֣ם
(sam)
Hij stelde
בְּ֭מִצְרַיִם
(bemitsrayim)
in Egypte
אֹֽתוֹתָ֑יו
(ototav)
Zijn tekenen
וּ֝מוֹפְתָ֗יו
(umofetav)
en Zijn wonderen
בִּשְׂדֵה
(bisde)
in het veld van
צֹֽעַן
(tsoan)
Soan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Soan: Soan (Tanis) lag in de noordoostelijke Nijldelta, bij het huidige San el-Hagar.

44Hij veranderde hun Nijlstromen in bloed, en hun beken konden zij niet drinken.
וַיַּהֲפֹ֣ךְ
(vayahafokh)
en Hij veranderde
לְ֭דָם
(ledam)
in bloed
יְאֹרֵיהֶ֑ם
(yeoreihem)
hun Nijlstromen
וְ֝נֹזְלֵיהֶ֗ם
(venozeleihem)
en hun beken
בַּל
(bal)
niet
יִשְׁתָּיֽוּן
(yishtayun)
konden zij drinken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Uitleg

יְאֹרֵיהֶם (ye’orehem), ‘hun Nijlstromen’: de armen en kanalen van de Nijl.

Zie Exod. 7:20.

45Hij zond zwermen onder hen, die hen opaten, en kikkers, die hen verdierven.
יְשַׁלַּ֬ח
(yeshalach)
Hij zond
בָּהֶ֣ם
(bahem)
onder hen
עָ֭רֹב
(arov)
zwermen
וַיֹּאכְלֵ֑ם
(vayokhlem)
en die aten hen
וּ֝צְפַרְדֵּ֗עַ
(utsefardea)
en kikkers
וַתַּשְׁחִיתֵֽם
(vatashchitem)
en die verdierven hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרֹב (arov), ‘zwermen’: wij houden de vertaling van Exodus aan (Exod. 8:17).

Het kan om steekvliegen of andere insecten gaan.

46Hij gaf hun oogst aan de afvreter en hun zwoegen aan de sprinkhaan.
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en Hij gaf
לֶחָסִ֣יל
(lechasil)
aan de afvreter
יְבוּלָ֑ם
(yevulam)
hun oogst
וִֽ֝יגִיעָ֗ם
(vigiam)
en hun zwoegen
לָאַרְבֶּֽה
(laarbe)
aan de sprinkhaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָסִיל (chasil), ‘afvreter’: een soort sprinkhaan of een larve van de sprinkhaan.

De precieze soort is onzeker.

אַרְבֶּה (arbeh) is de sprinkhaan, zoals in Exod. 10:12.

47Hij doodde hun wijnstokken met hagel en hun wilde vijgenbomen met vorst.
יַהֲרֹ֣ג
(yaharog)
Hij doodde
בַּבָּרָ֣ד
(babarad)
met hagel
גַּפְנָ֑ם
(gafnam)
hun wijnstokken
וְ֝שִׁקְמוֹתָ֗ם
(veshiqmotam)
en hun wilde vijgenbomen
בַּֽחֲנָמַֽל
(bachanamal)
met vorst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲנָמַל (chanamal), ‘vorst’: dit woord komt maar één keer in de Bijbel voor.

De betekenis ‘vorst’ is onzeker.

שִׁקְמוֹת (shiqmot), ‘wilde vijgenbomen’: sycomoren.

48Hij leverde hun vee uit aan de hagel en hun kudden aan de vlammen.
וַיַּסְגֵּ֣ר
(vayasger)
en Hij leverde uit
לַבָּרָ֣ד
(labarad)
aan de hagel
בְּעִירָ֑ם
(beiram)
hun vee
וּ֝מִקְנֵיהֶ֗ם
(umiqneihem)
en hun kudden
לָרְשָׁפִֽים
(lareshafim)
aan de vlammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְשָׁפִים (reshafim), ‘vlammen’: vlammen of bliksemschichten.

Zie ook Ps. 76:4.

49Hij zond de gloed van Zijn toorn tegen hen: grimmigheid, woede en nood, een gezantschap van onheilsengelen.
יְשַׁלַּח
(yeshalach)
Hij zond
בָּ֨ם
(bam)
onder hen
חֲר֬וֹן
(charon)
gloed van
אַפּ֗וֹ
(apo)
Zijn toorn
עֶבְרָ֣ה
(evra)
grimmigheid
וָזַ֣עַם
(vazaam)
en woede
וְצָרָ֑ה
(vetsara)
en nood
מִ֝שְׁלַ֗חַת
(mishlachat)
gezantschap van
מַלְאֲכֵ֥י
(malakhei)
engelen van
רָעִֽים
(raim)
onheil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאֲכֵי רָעִים (mal’akhe ra’im), ‘onheilsengelen’: boodschappers of engelen die onheil brengen.

De uitdrukking is onzeker.

50Hij maakte een pad voor Zijn toorn. Hij hield hun ziel niet terug van de dood en leverde hun leven uit aan de pest.
יְפַלֵּ֥ס
(yefales)
Hij maakte een pad
נָתִ֗יב
(nativ)
een weg
לְאַ֫פּ֥וֹ
(leapo)
voor Zijn toorn
לֹא
(lo)
niet
חָשַׂ֣ךְ
(chasakh)
hield Hij terug
מִמָּ֣וֶת
(mimavet)
van de dood
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun ziel
וְ֝חַיָּתָ֗ם
(vechayatam)
en hun leven
לַדֶּ֥בֶר
(ladever)
aan de pest
הִסְגִּֽיר
(hisgir)
leverde Hij uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְחַיָּתָם (vechayyatam) kan ‘en hun leven’ betekenen, maar ook ‘en hun vee’.

Wij kiezen ‘leven’.

51Hij sloeg alle eerstgeborenen in Egypte, de eerste van hun kracht in de tenten van Cham.
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en Hij sloeg
כָּל
(kal)
alle
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
רֵאשִׁ֥ית
(reshit)
eerste van
א֝וֹנִ֗ים
(onim)
kracht
בְּאָהֳלֵי
(beaholei)
in de tenten van
חָֽם
(cham)
Cham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit is de dood van de eerstgeborenen, Exod. 12:29.

‘Cham’ is hier een andere naam voor Egypte, zoals in Ps. 105:23.

אוֹנִים (onim), ‘kracht’: de eerste van hun mannelijke kracht, de eerste zoon.

De intocht in het land

52Hij liet Zijn volk opbreken als schapen en leidde hen als een kudde in de woestijn.
וַיַּסַּ֣ע
(vayasa)
en Hij liet opbreken
כַּצֹּ֣אן
(katson)
als schapen
עַמּ֑וֹ
(amo)
Zijn volk
וַֽיְנַהֲגֵ֥ם
(vaynahagem)
en leidde hen
כַּ֝עֵ֗דֶר
(kaeder)
als een kudde
בַּמִּדְבָּֽר
(bamidbar)
in de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53Hij leidde hen veilig, en zij vreesden niet; hun vijanden bedekte de zee.
וַיַּנְחֵ֣ם
(vayanchem)
en Hij leidde hen
לָ֭בֶטַח
(lavetach)
veilig
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
פָחָ֑דוּ
(pachadu)
zij vreesden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
א֝וֹיְבֵיהֶ֗ם
(oyeveihem)
hun vijanden
כִּסָּ֥ה
(kisa)
bedekte
הַיָּֽם
(hayam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
54Hij bracht hen naar het gebied van Zijn heiligdom, naar deze berg die Zijn rechterhand had verworven.
וַ֭יְבִיאֵם
(vayviem)
en Hij bracht hen
אֶל
(el)
naar
גְּב֣וּל
(gevul)
gebied van
קָדְשׁ֑וֹ
(qadesho)
Zijn heiligdom
הַר
(har)
berg
זֶ֝֗ה
(ze)
deze
קָנְתָ֥ה
(qaneta)
verwierf
יְמִינֽוֹ
(yemino)
Zijn rechterhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Deze berg’ is het heilige land of de berg Sion.

Zie ook Exod. 15:17.

55Hij verdreef volken voor hen uit en liet hun het erfdeel toevallen met het meetsnoer; Hij liet de stammen van Israël in hun tenten wonen.
וַיְגָ֤רֶשׁ
(vaygaresh)
en Hij verdreef
מִפְּנֵיהֶ֨ם
(mipeneihem)
voor hen uit
גּוֹיִ֗ם
(goyim)
volken
וַֽ֭יַּפִּילֵם
(vayapilem)
en liet hun toevallen
בְּחֶ֣בֶל
(bechevel)
met het meetsnoer van
נַחֲלָ֑ה
(nachala)
erfdeel
וַיַּשְׁכֵּ֥ן
(vayashken)
en liet wonen
בְּ֝אָהֳלֵיהֶ֗ם
(beaholeihem)
in hun tenten
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּפִּילֵם (vayappilem), ‘liet hun toevallen’: letterlijk ‘liet hen vallen’, als bij het loten voor het erfdeel.

Opnieuw ontrouw

56Toch stelden zij Elohim, de Allerhoogste, op de proef en waren zij tegen Hem opstandig; Zijn getuigenissen hielden zij niet.
וַיְנַסּ֣וּ
(vaynasu)
en zij stelden op de proef
וַ֭יַּמְרוּ
(vayamru)
en waren opstandig tegen
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
Elohim
עֶלְי֑וֹן
(elyon)
de Allerhoogste
וְ֝עֵדוֹתָ֗יו
(veedotav)
en Zijn getuigenissen
לֹ֣א
(lo)
niet
שָׁמָֽרוּ
(shamaru)
zij hielden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
57Zij weken af en handelden trouweloos zoals hun vaders; zij draaiden om als een bedrieglijke boog.
וַיִּסֹּ֣גוּ
(vayisogu)
en zij weken af
וַֽ֭יִּבְגְּדוּ
(vayivgedu)
en handelden trouweloos
כַּאֲבוֹתָ֑ם
(kaavotam)
zoals hun vaders
נֶ֝הְפְּכ֗וּ
(nehpekhu)
zij draaiden om
כְּקֶ֣שֶׁת
(keqeshet)
als een boog
רְמִיָּֽה
(remiya)
bedrieglijke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
58Zij maakten Hem boos met hun offerhoogten en maakten Hem jaloers met hun gesneden beelden.
וַיַּכְעִיס֥וּהוּ
(vayakhisuhu)
en zij maakten Hem boos
בְּבָמוֹתָ֑ם
(bevamotam)
met hun offerhoogten
וּ֝בִפְסִילֵיהֶ֗ם
(uvifsileihem)
en met hun gesneden beelden
יַקְנִיאֽוּהוּ
(yaqniuhu)
maakten zij Hem jaloers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘offerhoogten’: heiligdommen op bergen, vaak voor afgoden.

59Elohim hoorde het en werd woedend; Hij verwierp Israël ten zeerste.
שָׁמַ֣ע
(shama)
hoorde
אֱ֭לֹהִים
(Elohim)
Elohim
וַֽיִּתְעַבָּ֑ר
(vayitabar)
en werd woedend
וַיִּמְאַ֥ס
(vayimas)
en verwierp
מְ֝אֹ֗ד
(meod)
zeer
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Silo wordt verlaten

60Hij verliet de woning in Silo, de tent waar Hij onder de mensen woonde.
וַ֭יִּטֹּשׁ
(vayitosh)
en Hij verliet
מִשְׁכַּ֣ן
(mishkan)
woning van
שִׁל֑וֹ
(shilo)
Silo
אֹ֝֗הֶל
(ohel)
tent
שִׁכֵּ֥ן
(shiken)
waar Hij woonde
בָּאָדָֽם
(baadam)
onder de mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

Silo was het heiligdom in het bergland van Efraïm, waar de tent van samenkomst stond.

Zie 1 Sam. 1:3 en 1 Sam. 4:11.

61Hij gaf Zijn kracht in gevangenschap en Zijn luister in de hand van de tegenstander.
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en Hij gaf
לַשְּׁבִ֣י
(lashevi)
in gevangenschap
עֻזּ֑וֹ
(uzo)
Zijn kracht
וְֽתִפְאַרְתּ֥וֹ
(vetifarto)
en Zijn luister
בְיַד
(beyad)
in de hand van
צָֽר
(tsar)
tegenstander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֻזּוֹ (uzzo), ‘Zijn kracht’, en תִּפְאַרְתּוֹ (tifarto), ‘Zijn luister’: dit is de ark van het verbond, die de Filistijnen namen (1 Sam. 4:11).

62Hij leverde Zijn volk uit aan het zwaard en was woedend op Zijn erfdeel.
וַיַּסְגֵּ֣ר
(vayasger)
en Hij leverde uit
לַחֶ֣רֶב
(lacherev)
aan het zwaard
עַמּ֑וֹ
(amo)
Zijn volk
וּ֝בְנַחֲלָת֗וֹ
(uvenachalato)
en op Zijn erfdeel
הִתְעַבָּֽר
(hitabar)
was Hij woedend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
63Het vuur verslond hun jongemannen, en hun meisjes kregen geen bruiloftslied.
בַּחוּרָ֥יו
(bachurav)
hun jongemannen
אָֽכְלָה
(akhela)
verslond
אֵ֑שׁ
(esh)
vuur
וּ֝בְתוּלֹתָ֗יו
(uvetulotav)
en hun meisjes
לֹ֣א
(lo)
niet
הוּלָּֽלוּ
(hulalu)
kregen bruiloftslied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוּלָּלוּ (hullalu): letterlijk ‘werden geprezen’, dus ‘kregen een bruiloftslied’.

Er waren geen bruiloften.

64Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen konden niet wenen.
כֹּ֭הֲנָיו
(kohanav)
hun priesters
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
נָפָ֑לוּ
(nafalu)
vielen
וְ֝אַלְמְנֹתָ֗יו
(vealmenotav)
en hun weduwen
לֹ֣א
(lo)
niet
תִבְכֶּֽינָה
(tivkeina)
wenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het wakker worden van mijn Heer

65Toen ontwaakte mijn Heer als uit de slaap, als een held die jubelt na de wijn.
וַיִּקַ֖ץ
(vayiqats)
en ontwaakte
כְּיָשֵׁ֥ן
(keyashen)
als een slapende
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
mijn Heer
כְּ֝גִבּ֗וֹר
(kegibor)
als een held
מִתְרוֹנֵ֥ן
(mitronen)
die jubelt
מִיָּֽיִן
(miyayin)
na de wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: wij laten het zo staan, zoals in Genesis.

מִתְרוֹנֵן (mitronen), ‘die jubelt’: een held die schreeuwt van vreugde na de wijn. Het beeld is: Yahweh lijkt lang te hebben geslapen en staat dan krachtig op.

66Hij sloeg Zijn tegenstanders terug; eeuwige smaad gaf Hij hun.
וַיַּךְ
(vayakh)
en Hij sloeg
צָרָ֥יו
(tsarav)
Zijn tegenstanders
אָח֑וֹר
(achor)
terug
חֶרְפַּ֥ת
(cherpat)
smaad
ע֝וֹלָ֗ם
(olam)
eeuwige
נָ֣תַן
(natan)
gaf Hij
לָֽמוֹ
(lamo)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Juda, Sion en David

67Hij verwierp de tent van Josef en koos de stam van Efraïm niet.
וַ֭יִּמְאַס
(vayimas)
en Hij verwierp
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
de tent van
יוֹסֵ֑ף
(yosef)
Josef
וּֽבְשֵׁ֥בֶט
(uveshevet)
en de stam van
אֶ֝פְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
לֹ֣א
(lo)
niet
בָחָֽר
(bachar)
koos Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De tent van Josef’ en ‘de stam van Efraïm’: het noordelijke deel van het volk, waar Silo lag.

68Maar Hij koos de stam Juda, de berg Sion, die Hij liefhad.
וַ֭יִּבְחַר
(vayivchar)
en Hij koos
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַ֥ר
(har)
berg
צִ֝יּ֗וֹן
(tsiyon)
Sion
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אָהֵֽב
(ahev)
Hij liefhad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Sion is de berg van Jeruzalem, de heilige berg.

69Hij bouwde Zijn heiligdom als de hoogten, als de aarde die Hij voor eeuwig grondvestte.
וַיִּ֣בֶן
(vayiven)
en Hij bouwde
כְּמוֹ
(kemo)
als
רָ֭מִים
(ramim)
hoogten
מִקְדָּשׁ֑וֹ
(miqdasho)
Zijn heiligdom
כְּ֝אֶ֗רֶץ
(keerets)
als de aarde
יְסָדָ֥הּ
(yesadah)
Hij grondvestte haar
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
70Hij koos David, Zijn dienaar, en nam hem weg uit de schaapskooien.
וַ֭יִּבְחַר
(vayivchar)
en Hij koos
בְּדָוִ֣ד
(bedavid)
David
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
וַ֝יִּקָּחֵ֗הוּ
(vayiqachehu)
en nam hem
מִֽמִּכְלְאֹ֥ת
(mimikhleot)
uit de kooien van
צֹֽאן
(tson)
schapen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David was herder voor hij koning werd.

Zie 1 Sam. 16:11–13.

71Van achter de zogende ooien haalde Hij hem om Jakob, Zijn volk, te weiden, en Israël, Zijn erfdeel.
מֵאַחַ֥ר
(meachar)
van achter
עָל֗וֹת
(alot)
zogende ooien
הֱ֫בִיא֥וֹ
(hevio)
haalde Hij hem
לִ֭רְעוֹת
(lirot)
om te weiden
בְּיַעֲקֹ֣ב
(beyaaqov)
Jakob
עַמּ֑וֹ
(amo)
Zijn volk
וּ֝בְיִשְׂרָאֵ֗ל
(uveyisrael)
en Israël
נַחֲלָתֽוֹ
(nachalato)
Zijn erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het werkwoord ‘weiden’ staat hier in beeldtaal voor het koningschap: David wordt de herder van Jakob, het volk van Elohim.

72Hij weidde hen met een oprecht hart en leidde hen met de inzichten van zijn handen.
וַ֭יִּרְעֵם
(vayirem)
en hij weidde hen
כְּתֹ֣ם
(ketom)
met oprechtheid van
לְבָב֑וֹ
(levavo)
zijn hart
וּבִתְבוּנ֖וֹת
(uvitvunot)
en met inzichten van
כַּפָּ֣יו
(kapav)
zijn handen
יַנְחֵֽם
(yanchem)
leidde hij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)