Elohim Bijbel

Zacharia 11

1234567891011121314

De herder van de kudde die voor de slacht bestemd is

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Open je deuren, Libanon

1Open je deuren, Libanon, en laat vuur je ceders verteren.
פְּתַ֥ח
(petach)
open
לְבָנ֖וֹן
(levanon)
Libanon
דְּלָתֶ֑יךָ
(delateikha)
je deuren
וְתֹאכַ֥ל
(vetokhal)
en laat verteren
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
בַּאֲרָזֶֽיךָ
(baarazeikha)
je ceders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְבָנוֹן (Levanon), ‘Libanon’: hier de bergen met hun ceders.

De deuren zijn de bergpassen of de poorten; het vuur zal het woud verteren.

Het vers opent met een beeld van verwoesting, ceders en cipressen als trotse bomen.

De ‘deuren’ van Libanon en het ‘vuur’ zijn dichterlijke taal. De tekst noemt geen vijand.

2Jammer, cipres, want de ceder is gevallen, omdat de machtigen verwoest zijn. Jammer, eiken van Basan, want het woud van de druivenoogst is neergestort.
הֵילֵ֤ל
(heilel)
jammer
בְּרוֹשׁ֙
(berosh)
cipres
כִּֽי
(ki)
want
נָ֣פַל
(nafal)
is gevallen
אֶ֔רֶז
(erez)
de ceder
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
omdat
אַדִּרִ֖ים
(adirim)
de machtigen
שֻׁדָּ֑דוּ
(shudadu)
zijn verwoest
הֵילִ֨ילוּ֙
(heililu)
jammer
אַלּוֹנֵ֣י
(alonei)
eiken van
בָשָׁ֔ן
(bashan)
Basan
כִּ֥י
(ki)
want
יָרַ֖ד
(yarad)
is neergestort
יַ֥עַר
(yaar)
het woud
הַבָּצִֽיר
(habatsir)
de druivenoogst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרוֹשׁ (berosh), ‘cipres’: een naaldboom; de betekenis is niet helemaal zeker.

אֶרֶז (erez), ‘ceder’: de bekende boom van de Libanon.

אַלּוֹנֵי (alonei Bashan), ‘eiken van Basan’: zoals in Jes. 2:13.

De bomen staan hier voor de machtigen. אַדִּרִים (adirim), ‘de machtigen’: ook ‘de prachtigen’.

יַעַר הַבָּצִיר (hayaar habbatsir), ‘het woud van de druivenoogst’: zie de Lezing-voetnoot.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is הבצור (habbatsur), ‘het ondoordringbare’; het te lezen woord (qere) is הַבָּצִיר (habbatsir), ‘de druivenoogst’.

Wij volgen de qere en vertalen ‘het woud van de druivenoogst’.

Wie het ketiv volgt, of de qere als bijvorm van hetzelfde woord leest, vertaalt ‘het ondoordringbare woud’.

3Hoor het gejammer van de herders, want hun pracht is verwoest. Hoor het gebrul van de jonge leeuwen, want de trots van de Jordaan is verwoest.
ק֚וֹל
(qol)
geluid van
יִֽלְלַ֣ת
(yillat)
gejammer van
הָרֹעִ֔ים
(haroim)
de herders
כִּ֥י
(ki)
want
שֻׁדְּדָ֖ה
(shudeda)
is verwoest
אַדַּרְתָּ֑ם
(adartam)
hun pracht
ק֚וֹל
(qol)
geluid van
שַׁאֲגַ֣ת
(shaagat)
gebrul van
כְּפִירִ֔ים
(kefirim)
jonge leeuwen
כִּ֥י
(ki)
want
שֻׁדַּ֖ד
(shudad)
is verwoest
גְּא֥וֹן
(geon)
trots van
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִלְלַת הָרֹעִים (qol yelalat haro’im), ‘het gejammer van de herders’: hier herders van schapen, die hun weiland verliezen.

Het kan ook leiders bedoelen, zoals in vers 4.

גְּאוֹן הַיַּרְדֵּן (ge’on haYarden), ‘de trots van de Jordaan’: het dichte struikgewas langs de rivier, waar leeuwen woonden (vergelijk Jer. 12:5).

כְּפִירִים (kefirim), ‘jonge leeuwen’: hun hol is verwoest.

De kudde die voor de slacht bestemd is

4Zo zegt Yahweh, mijn Elohim: „Weid de kudde die voor de slacht bestemd is.
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑י
(elohay)
mijn Elohim
רְעֵ֖ה
(ree)
weid
אֶת
(et)
(obj.)
צֹ֥אן
(tson)
kudde van
הַהֲרֵגָֽה
(haharega)
de slacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה אֱלֹהָי (Yahweh Elohai), ‘Yahweh, mijn Elohim’: de profeet spreekt.

Vanaf hier beschrijft hij een tekenhandeling: hij speelt de herder.

De opdracht van Yahweh aan de profeet is rood.

רְעֵה אֶת צֹאן הַהֲרֵגָה (re’eh et tson haharegah), ‘weid de kudde die voor de slacht bestemd is’: het woord הֲרֵגָה (haregah) komt van ‘doden’, zoals in Jer. 12:3. De kudde is bestemd om geslacht te worden.

5Hun kopers slachten hen en worden niet schuldig bevonden. Hun verkopers zeggen: ‘Gezegend is Yahweh, ik word rijk!’ En hun herders sparen hen niet.
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
קֹנֵיהֶ֤ן
(qoneihen)
hun kopers
יַֽהֲרְגֻן֙
(yahargun)
slachten hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יֶאְשָׁ֔מוּ
(yeshamu)
worden schuldig bevonden
וּמֹכְרֵיהֶ֣ן
(umokhereihen)
en hun verkopers
יֹאמַ֔ר
(yomar)
zeggen
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וַאעְשִׁ֑ר
(vashir)
en ik word rijk
וְרֹ֣עֵיהֶ֔ם
(veroeihem)
en hun herders
לֹ֥א
(lo)
niet
יַחְמ֖וֹל
(yachmol)
sparen
עֲלֵיהֶֽן
(aleihen)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹנֵיהֶן יַהֲרְגֻן (qonehen), ‘hun kopers’, en וּמֹכְרֵיהֶן (mokhreihen), ‘hun verkopers’: wie de kudde koopt en verkoopt.

Hier zijn het de machthebbers die het volk uitbuiten.

יֶאְשָׁמוּ (ye’shamu), ‘worden schuldig bevonden’: ook ‘schuld op zich laden’. Zij blijven vrij van straf.

בָּרוּךְ יְהוָה (barukh Yahweh), ‘gezegend is Yahweh’: dank aan Yahweh voor de winst; een vroom woord bij onrecht.

Vers 5 blijft in dezelfde rode toespraak (zie vers 4 en 6).

6Want Ik zal de bewoners van het land niet meer sparen, godsspraak van Yahweh. Zie, Ik lever de mensen uit, ieder in de hand van zijn naaste en in de hand van zijn koning. Zij zullen het land verbrijzelen, en Ik zal niemand uit hun hand bevrijden.”
כִּ֠י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶחְמ֥וֹל
(echmol)
zal Ik sparen
ע֛וֹד
(od)
meer
עַל
(al)
over
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
אָנֹכִ֜י
(anokhi)
Ik
מַמְצִ֣יא
(mamtsi)
lever uit
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָדָ֗ם
(haadam)
de mensen
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
רֵעֵ֨הוּ֙
(reehu)
zijn naaste
וּבְיַ֣ד
(uveyad)
en in de hand van
מַלְכּ֔וֹ
(malko)
zijn koning
וְכִתְּתוּ֙
(vekhitetu)
en zij zullen verbrijzelen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אַצִּ֖יל
(atsil)
zal Ik bevrijden
מִיָּדָֽם
(miyadam)
uit hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie de Uitleg bij Zach. 1:3.

De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood.

מַמְצִיא (mamtsi), ‘Ik lever uit’: letterlijk ‘Ik laat vinden’, dus ‘Ik laat ieder in de hand vallen van’. Het werkwoord is zeldzaam.

וְכִתְּתוּ (vekhattetu), ‘zij zullen verbrijzelen’: zoals een vijand een land vertrapt en verbrijzelt.

אַצִּיל (atsil), ‘Ik zal bevrijden’: het werkwoord (hitsil) staat voor ‘bevrijden uit de hand van’.

Twee staven: Gunst en Banden

7Ik weidde de kudde die voor de slacht bestemd was, juist de ellendigen van de kudde. Ik nam twee staven. De ene noemde ik Gunst en de andere noemde ik Banden. Zo weidde ik de kudde.
וָֽאֶרְעֶה֙
(vaere)
en ik weidde
אֶת
(et)
(obj.)
צֹ֣אן
(tson)
kudde van
הַֽהֲרֵגָ֔ה
(haharega)
de slacht
לָכֵ֖ן
(lakhen)
daarom
עֲנִיֵּ֣י
(aniyei)
de ellendigen van
הַצֹּ֑אן
(hatson)
de kudde
וָאֶקַּֽח
(vaeqach)
en ik nam
לִ֞י
(li)
voor mij
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
מַקְל֗וֹת
(maqlot)
staven
לְאַחַ֞ד
(leachad)
de ene
קָרָ֤אתִי
(qarati)
noemde ik
נֹ֨עַם֙
(noam)
Gunst
וּלְאַחַד֙
(uleachad)
en de andere
קָרָ֣אתִי
(qarati)
noemde ik
חֹֽבְלִ֔ים
(chovelim)
Banden
וָאֶרְעֶ֖ה
(vaere)
en ik weidde
אֶת
(et)
(obj.)
הַצֹּֽאן
(hatson)
de kudde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier vertelt de profeet in de ik-vorm; de woorden staan zwart.

לָכֵן (laken), ‘daarom’: dit woord betekent gewoonlijk ‘daarom’, maar past hier slecht. Het kan ook ‘juist’ betekenen. Sommige oude vertalingen lezen anders (‘de kooplieden’). Wij vertalen ‘juist’.

נֹעַם (Noam), ‘Gunst’: het woord betekent ‘gunst, bevalligheid, aangenaamheid’. חֹבְלִים (Chovelim), ‘Banden’: letterlijk ‘touwen’. De twee staven betekenen Gods gunst en de band tussen Juda en Israël (vers 14).

8In één maand roeide ik de drie herders uit. Mijn ziel verloor het geduld met hen, en ook hun ziel had een afkeer van mij.
וָאַכְחִ֛ד
(vaakhchid)
en ik roeide uit
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלֹ֥שֶׁת
(sheloshet)
drie
הָרֹעִ֖ים
(haroim)
de herders
בְּיֶ֣רַח
(beyerach)
in een maand
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וַתִּקְצַ֤ר
(vatiqtsar)
en verloor het geduld
נַפְשִׁי֙
(nafshi)
mijn ziel
בָּהֶ֔ם
(bahem)
met hen
וְגַם
(vegam)
en ook
נַפְשָׁ֖ם
(nafsham)
hun ziel
בָּחֲלָ֥ה
(bachala)
had een afkeer
בִֽי
(bi)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁלֹשֶׁת הָרֹעִים (sheloshet haro’im), ‘de drie herders’: wie zij zijn, is onbekend.

Er zijn vele voorstellen gedaan.

Wij noemen er geen.

וַתִּקְצַר נַפְשִׁי (vatiqtsar nafshi), ‘mijn ziel verloor het geduld’: letterlijk ‘mijn ziel werd kort’, met haar geduld aan het eind.

בָּחֲלָה (bachalah), ‘had een afkeer’: dit werkwoord komt alleen hier voor; de betekenis volgt de samenhang.

9Toen zei ik: „Ik zal jullie niet weiden. Wat sterft, moet sterven. Wat uitgeroeid wordt, moet uitgeroeid worden. De overgeblevenen zullen elkaar verslinden, de een het vlees van de ander.”
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
לֹ֥א
(lo)
niet
אֶרְעֶ֖ה
(ere)
zal ik weiden
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
הַמֵּתָ֣ה
(hameta)
wat sterft
תָמ֗וּת
(tamut)
moet sterven
וְהַנִּכְחֶ֨דֶת֙
(vehanikhchedet)
en wat uitgeroeid wordt
תִּכָּחֵ֔ד
(tikached)
moet uitgeroeid worden
וְהַ֨נִּשְׁאָר֔וֹת
(vehanisharot)
en de overgeblevenen
תֹּאכַ֕לְנָה
(tokhalna)
zullen verslinden
אִשָּׁ֖ה
(isha)
de een
אֶת
(et)
(obj.)
בְּשַׂ֥ר
(besar)
vlees van
רְעוּתָֽהּ
(reutah)
de ander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier laat de profeet het weiden varen.

Het volk wordt aan zijn lot overgelaten: sterven, uitroeien, elkaar verslinden.

אִשָּׁה אֶת בְּשַׂר רְעוּתָהּ (ishah et besar re’utah), ‘de een het vlees van de ander’: letterlijk ‘een vrouw het vlees van haar vriendin’. De schapen zijn vrouwelijk.

10Ik nam mijn staf Gunst en brak hem in stukken, om mijn verbond te verbreken dat ik met alle volken had gesloten.
וָאֶקַּ֤ח
(vaeqach)
en ik nam
אֶת
(et)
(obj.)
מַקְלִי֙
(maqli)
mijn staf
אֶת
(et)
(obj.)
נֹ֔עַם
(noam)
Gunst
וָאֶגְדַּ֖ע
(vaegda)
en ik brak
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
לְהָפֵיר֙
(lehafeir)
om te verbreken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֔י
(beriti)
mijn verbond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
כָּרַ֖תִּי
(karati)
ik had gesloten
אֶת
(et)
met
כָּל
(kal)
alle
הָעַמִּֽים
(haamim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַקְלִי (maqli), ‘mijn staf’: de herdersstaf.

Dit is de staf Gunst (vers 7).

לְהָפֵיר אֶת בְּרִיתִי אֲשֶׁר כָּרַתִּי אֶת כָּל הָעַמִּים (lehafer et beriti asher karatti et kol ha’ammim), ‘om mijn verbond te verbreken dat ik met alle volken had gesloten’: het verbond is niet nader beschreven. Mogelijk is het de bescherming die Yahweh de volken om Israël heen gaf.

11Het werd verbroken op die dag. Zo wisten de ellendigen van de kudde die op mij letten, dat dit het woord van Yahweh was.
וַתֻּפַ֖ר
(vatufar)
en het werd verbroken
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַיֵּדְע֨וּ
(vayedeu)
en zij wisten
כֵ֜ן
(ken)
zo
עֲנִיֵּ֤י
(aniyei)
de ellendigen van
הַצֹּאן֙
(hatson)
de kudde
הַשֹּׁמְרִ֣ים
(hashomerim)
die letten
אֹתִ֔י
(oti)
op mij
כִּ֥י
(ki)
dat
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַתֻּפַר (vatuffar), ‘het werd verbroken’: het verbond van vers 10.

עֲנִיֵּי הַצֹּאן (aniyyei hatson), ‘de ellendigen van de kudde’: dezelfde mensen als in vers 7.

כִּי דְבַר יְהוָה הוּא (ki dvar Yahweh hu), ‘dat het het woord van Yahweh was’: de tekenhandeling blijkt een woord van Yahweh te zijn.

De dertig stukken zilver

12Ik zei tot hen: „Als het goed is in jullie ogen, geef mij mijn loon. Zo niet, laat het.” Toen wogen zij mijn loon af: dertig stukken zilver.
וָאֹמַ֣ר
(vaomar)
en ik zei
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tot hen
אִם
(im)
als
ט֧וֹב
(tov)
goed is
בְּעֵינֵיכֶ֛ם
(beeineikhem)
in jullie ogen
הָב֥וּ
(havu)
geef
שְׂכָרִ֖י
(sekhari)
mijn loon
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֣א
(lo)
niet
חֲדָ֑לוּ
(chadalu)
laat het
וַיִּשְׁקְל֥וּ
(vayishqelu)
en zij wogen af
אֶת
(et)
(obj.)
שְׂכָרִ֖י
(sekhari)
mijn loon
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
כָּֽסֶף
(kasef)
zilver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִם טוֹב בְּעֵינֵיכֶם (im tov be’eineikhem), ‘als het goed is in jullie ogen’: een beleefde vraag.

Het loon is voor het werk van de herder.

שְׁלֹשִׁים כָּסֶף (sheloshim kesef), ‘dertig stukken zilver’: de prijs voor een slaaf die door een rund gedood is, volgens Exod. 21:32. Het was een laag bedrag. Matt. 27:9–10 verbindt dit met het verraad van Judas.

13Yahweh zei tot mij: „Werp het naar de pottenbakker, het prachtige bedrag waarop Ik door hen geschat ben.” Ik nam de dertig stukken zilver en wierp ze in het huis van Yahweh naar de pottenbakker.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
הַשְׁלִיכֵ֨הוּ֙
(hashlikhehu)
werp hem
אֶל
(el)
naar
הַיּוֹצֵ֔ר
(hayotser)
de pottenbakker
אֶ֣דֶר
(eder)
het prachtige
הַיְקָ֔ר
(hayqar)
de waarde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarop
יָקַ֖רְתִּי
(yaqarti)
ik ben geschat
מֵֽעֲלֵיהֶ֑ם
(mealeihem)
door hen
וָֽאֶקְחָה֙
(vaeqcha)
en ik nam
שְׁלֹשִׁ֣ים
(sheloshim)
dertig
הַכֶּ֔סֶף
(hakesef)
de stukken zilver
וָאַשְׁלִ֥יךְ
(vaashlikh)
en ik wierp
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
בֵּ֥ית
(beit)
in het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
הַיּוֹצֵֽר
(hayotser)
de pottenbakker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַיּוֹצֵר (hayyotser), ‘de pottenbakker’: een ambachtsman in of bij de tempel.

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘schatkamer’; wij volgen de Hebreeuwse tekst.

In Jer. 18–19 is de pottenbakker een beeld.

אֶדֶר הַיְקָר (addir hayeqar), ‘het prachtige bedrag’: ironisch bedoeld, het is een lage prijs. Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘de pracht van de waarde’.

יָקַרְתִּי (yaqarti), ‘waarop Ik geschat ben’: Yahweh spreekt over Zichzelf, het loon geldt Hem.

De woorden van Yahweh zijn rood; het verhaal erna is zwart.

14Daarna brak ik mijn tweede staf, Banden, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken.
וָֽאֶגְדַּע֙
(vaegda)
en ik brak
אֶת
(et)
(obj.)
מַקְלִ֣י
(maqli)
mijn staf
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
הַחֹֽבְלִ֑ים
(hachovelim)
Banden
לְהָפֵר֙
(lehafer)
om te verbreken
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽאַחֲוָ֔ה
(haachava)
de broederschap
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאַחֲוָה (ha’achuvah), ‘de broederschap’: de eenheid tussen Juda en Israël (het noorden).

Hun verbond met elkaar wordt verbroken.

הַחֹבְלִים (hachovelim), ‘Banden’: de tweede staf (vers 7).

De dwaze herder

15Yahweh zei tot mij: „Neem nog eens het gereedschap van een dwaze herder.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
ע֣וֹד
(od)
nog
קַח
(qach)
neem
לְךָ֔
(lekha)
voor jezelf
כְּלִ֖י
(keli)
gereedschap van
רֹעֶ֥ה
(roe)
een herder
אֱוִלִֽי
(evili)
dwaas
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלִי (kli), ‘gereedschap’: de uitrusting van de herder, zoals staf en tas.

אֱוִלִי (evili), ‘dwaas’: een herder zonder verstand, die slecht voor de kudde zorgt (vers 16).

Hier begint een nieuwe toespraak van Yahweh. Zij loopt door tot en met vers 17.

16Want zie, Ik laat in het land een herder opstaan. Naar wat verloren is, zal hij niet omzien. Het jonge dier zal hij niet zoeken. Het gebrokene zal hij niet genezen. Wat blijft staan, zal hij niet verzorgen. Hij zal het vlees van de vette dieren eten en hun hoeven afscheuren.
כִּ֣י
(ki)
want
הִנֵּֽה
(hine)
zie
אָנֹכִי֩
(anokhi)
Ik
מֵקִ֨ים
(meqim)
laat opstaan
רֹעֶ֜ה
(roe)
een herder
בָּאָ֗רֶץ
(baarets)
in het land
הַנִּכְחָד֤וֹת
(hanikhchadot)
wat verloren is
לֹֽא
(lo)
niet
יִפְקֹד֙
(yifqod)
zal hij omzien naar
הַנַּ֣עַר
(hanaar)
het jonge dier
לֹֽא
(lo)
niet
יְבַקֵּ֔שׁ
(yevaqesh)
zal hij zoeken
וְהַנִּשְׁבֶּ֖רֶת
(vehanishberet)
en het gebrokene
לֹ֣א
(lo)
niet
יְרַפֵּ֑א
(yerape)
zal hij genezen
הַנִּצָּבָה֙
(hanitsava)
wat blijft staan
לֹ֣א
(lo)
niet
יְכַלְכֵּ֔ל
(yekhalkel)
zal hij verzorgen
וּבְשַׂ֤ר
(uvesar)
en het vlees van
הַבְּרִיאָה֙
(haberia)
de vette dieren
יֹאכַ֔ל
(yokhal)
zal hij eten
וּפַרְסֵיהֶ֖ן
(ufarseihen)
en hun hoeven
יְפָרֵֽק
(yefareq)
zal hij afscheuren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנִּכְחָדוֹת (hannikchadot), ‘wat verloren is’: letterlijk ‘de uitgeroeide’.

Een vergelijkbare lijst staat in Ezech. 34:4.

הַנַּעַר (hanna’ar), ‘het jonge dier’: ook ‘het verstrooide’; de betekenis is onzeker.

הַנִּצָּבָה (hannetsabah), ‘wat blijft staan’: ook ‘het gezonde’ of ‘het sterke’; onzeker.

הַבְּרִיאָה (haberi’ah), ‘de vette’: het vette en gezonde dier. De slechte herder eet de beste dieren op en scheurt hun hoeven af, de hoeven die nog sterk zijn.

17Wee Mijn nietige herder, die de kudde verlaat! Het zwaard komt op zijn arm en op zijn rechteroog. Zijn arm zal volkomen verdorren, en zijn rechteroog zal volkomen verduisterd worden.”
ה֣וֹי
(hoy)
wee
רֹעִ֤י
(roi)
Mijn herder
הָֽאֱלִיל֙
(haelil)
de nietige
עֹזְבִ֣י
(ozevi)
die verlaat
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de kudde
חֶ֥רֶב
(cherev)
zwaard
עַל
(al)
op
זְרוֹע֖וֹ
(zeroo)
zijn arm
וְעַל
(veal)
en op
עֵ֣ין
(ein)
oog van
יְמִינ֑וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
זְרֹעוֹ֙
(zeroo)
zijn arm
יָב֣וֹשׁ
(yavosh)
volkomen
תִּיבָ֔שׁ
(tivash)
zal verdorren
וְעֵ֥ין
(veein)
en oog van
יְמִינ֖וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
כָּהֹ֥ה
(kaho)
verduisterd
תִכְהֶֽה
(tikhhe)
zal worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹעִי (ro’i), ‘Mijn herder’: Yahweh noemt deze herder de Zijne.

Hij is een nietige herder.

הָאֱלִיל (ha’elil), ‘de nietige’: hetzelfde woord als in ‘nietige goden’ (elilim). Een herder die niets waard is.

עַל זְרוֹעוֹ וְעַל עֵין יְמִינוֹ (al zero’o ve’al ein yemino), ‘op zijn arm en op zijn rechteroog’: de arm van de herder die de kudde beschermt en het oog dat uitkijkt. Beide worden onbruikbaar.