Elohim Bijbel

Psalmen 1

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

De twee wegen: de rechtvaardige en de goddelozen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De gelukkige man

1Gelukkig de man die niet leeft naar de raad van goddelozen. Hij staat niet op de weg van zondaars en zit niet in de kring van spotters.
אַ֥שְֽׁרֵי
(ashrei)
gelukkig
הָאִ֗ישׁ
(haish)
de man
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
לֹ֥א
(lo)
niet
הָלַךְ֮
(halakh)
wandelt
בַּעֲצַ֪ת
(baatsat)
in de raad van
רְשָׁ֫עִ֥ים
(reshaim)
goddelozen
וּבְדֶ֣רֶךְ
(uvederekh)
en op de weg van
חַ֭טָּאִים
(chataim)
zondaars
לֹ֥א
(lo)
niet
עָמָ֑ד
(amad)
staat
וּבְמוֹשַׁ֥ב
(uvemoshav)
en in de kring van
לֵ֝צִ֗ים
(letsim)
spotters
לֹ֣א
(lo)
niet
יָשָֽׁב
(yashav)
zit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַשְׁרֵי (ashre), ‘gelukkig’: gelukkig is wie in goede verhouding met Yahweh leeft.

Psalm 2 eindigt met hetzelfde woord: ‘Gelukkig allen die bij Hem schuilen’ (Ps. 2:12).

Het boek Psalmen heeft vijf delen. Psalm 1 tot en met 41 vormen het eerste deel.

2Maar zijn lust is de wet van Yahweh, en over Zijn wet overpeinst hij dag en nacht.
כִּ֤י
(ki)
maar
אִ֥ם
(im)
juist
בְּתוֹרַ֥ת
(betorat)
in de wet van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
חֶ֫פְצ֥וֹ
(cheftso)
zijn lust
וּֽבְתוֹרָת֥וֹ
(uvetorato)
en over Zijn wet
יֶהְגֶּ֗ה
(yehge)
overpeinst hij
יוֹמָ֥ם
(yomam)
overdag
וָלָֽיְלָה
(valayela)
en 's nachts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’.

Het gaat om wat Yahweh Zijn volk leert, vooral in de wet van Mozes.

יֶהְגֶּה (yehgeh), ‘overpeinst’: zacht voor zich uit lezen of prevelen en er tegelijk over nadenken. Vergelijk Joz. 1:8.

3Hij is als een boom, geplant aan waterlopen, die op zijn tijd zijn vrucht geeft. Zijn blad verwelkt niet. Alles wat hij doet, lukt.
וְֽהָיָ֗ה
(vehaya)
en hij is
כְּעֵץ֮
(keets)
als een boom
שָׁת֪וּל
(shatul)
geplant
עַֽל
(al)
aan
פַּלְגֵ֫י
(palgei)
waterlopen van
מָ֥יִם
(mayim)
water
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
פִּרְי֨וֹ
(piryo)
zijn vrucht
יִתֵּ֬ן
(yiten)
geeft
בְּעִתּ֗וֹ
(beito)
op zijn tijd
וְעָלֵ֥הוּ
(vealehu)
en zijn blad
לֹֽא
(lo)
niet
יִבּ֑וֹל
(yibol)
verwelkt
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יַעֲשֶׂ֣ה
(yaase)
hij doet
יַצְלִֽיחַ
(yatsliach)
lukt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De goddelozen zijn als kaf

4Zo zijn de goddelozen niet, maar zij zijn als kaf dat de wind wegjaagt.
לֹא
(lo)
niet
כֵ֥ן
(ken)
zo
הָרְשָׁעִ֑ים
(hareshaim)
de goddelozen
כִּ֥י
(ki)
maar
אִם
(im)
juist
כַּ֝מֹּ֗ץ
(kamots)
als kaf
אֲֽשֶׁר
(asher)
dat
תִּדְּפֶ֥נּוּ
(tidefenu)
wegjaagt
רֽוּחַ
(ruach)
wind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Daarom houden goddelozen geen stand in het gericht, en zondaars niet in de gemeenschap van rechtvaardigen.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֤ן
(ken)
(zo)
לֹא
(lo)
niet
יָקֻ֣מוּ
(yaqumu)
zullen opstaan
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
בַּמִּשְׁפָּ֑ט
(bamishpat)
in het gericht
וְ֝חַטָּאִ֗ים
(vechataim)
en zondaars
בַּעֲדַ֥ת
(baadat)
in de gemeenschap van
צַדִּיקִֽים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat) betekent meestal ‘recht’.

Hier gaat het om de rechtszaak waarin Yahweh oordeelt; daarom vertalen wij ‘gericht’.

לֹא יָקֻמוּ (lo yaqumu), ‘zij staan niet op’: zij houden geen stand.

6Want Yahweh kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de goddelozen gaat verloren.
כִּֽי
(ki)
want
יוֹדֵ֣עַ
(yodea)
kent
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
צַדִּיקִ֑ים
(tsadiqim)
rechtvaardigen
וְדֶ֖רֶךְ
(vederekh)
maar de weg van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
תֹּאבֵֽד
(toved)
gaat verloren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹדֵעַ (yodea), ‘kent’: ‘kennen’ is hier erkennen en zorg dragen voor.

Wie Yahweh kent, wordt door Hem gekend; de weg van de goddelozen loopt dood.