Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Israël mort in de woestijn Sin
1Zij braken op uit Elim. Heel de gemeenschap van de zonen van Israël kwam in de woestijn Sin, die tussen Elim en Sinaï ligt, op de vijftiende dag van de tweede maand na hun uittocht uit het land Egypte.
וַיִּסְעוּ֙
(vayisu)
en braken op
מֵֽאֵילִ֔ם
(meeilim)
van Elim
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en kwamen
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֤ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
מִדְבַּר
(midbar)
de woestijn van
סִ֔ין
(sin)
Sin
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בֵּין
(bein)
tussen
אֵילִ֖ם
(eilim)
Elim
וּבֵ֣ין
(uvein)
en tussen
סִינָ֑י
(sinay)
Sinaï
בַּחֲמִשָּׁ֨ה
(bachamisha)
op de vijf
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
יוֹם֙
(yom)
dag
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
לְצֵאתָ֖ם
(letsetam)
na hun uittocht
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De woestijn Sin lag in het westen van het Sinaïschiereiland, tussen Elim en Sinaï; de precieze ligging is onbekend.
Zij is niet dezelfde als de woestijn Zin bij Kades (Num. 20:1).
Zie Woestijn Sin: De woestijn Sin ligt tussen Elim en de Sinaï.
De traditionele ligging is de kustvlakte aan de westkant van het schiereiland Sinaï.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
De vijftiende van de tweede maand is een maand na de uittocht (12:2, 18).
3De zonen van Israël zeiden tot hen: „Was er maar een einde aan ons leven gekomen door de hand van Yahweh in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot we genoeg hadden! Want jullie hebben ons naar deze woestijn geleid om heel deze vergadering van honger te laten sterven.”
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מִֽי
(mi)
wie
יִתֵּ֨ן
(yiten)
geeft
מוּתֵ֤נוּ
(mutenu)
onze dood
בְיַד
(beyad)
door de hand van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּשִׁבְתֵּ֨נוּ֙
(beshivtenu)
toen wij zaten
עַל
(al)
bij
סִ֣יר
(sir)
de pot van
הַבָּשָׂ֔ר
(habasar)
het vlees
בְּאָכְלֵ֥נוּ
(beakhelenu)
toen wij aten
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
לָשֹׂ֑בַע
(lasova)
tot verzadiging
כִּֽי
(ki)
want
הוֹצֵאתֶ֤ם
(hotsetem)
jullie hebben uitgeleid
אֹתָ֨נוּ֙
(otanu)
ons
אֶל
(el)
naar
הַמִּדְבָּ֣ר
(hamidbar)
de woestijn
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
לְהָמִ֛ית
(lehamit)
om te doden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַקָּהָ֥ל
(haqahal)
de vergadering
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
בָּרָעָֽב
(baraav)
met honger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
De klacht van het volk laat zien hoe snel zij de slavernij vergeten zijn en het gevaar van honger vrezen.
4Yahweh zei tot Mozes: „Zie, Ik laat voor jullie brood uit de hemel regenen. Het volk moet uitgaan en elke dag de hoeveelheid van die dag verzamelen, opdat Ik hen op de proef stel of zij in Mijn wet wandelen of niet.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie, Ik
מַמְטִ֥יר
(mamtir)
laat regenen
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
מִן
(min)
uit
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
וְיָצָ֨א
(veyatsa)
en zal uitgaan
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
וְלָֽקְטוּ֙
(velaqetu)
en verzamelen
דְּבַר
(devar)
de hoeveelheid van
י֣וֹם
(yom)
een dag
בְּיוֹמ֔וֹ
(beyomo)
op zijn dag
לְמַ֧עַן
(lemaan)
opdat
אֲנַסֶּ֛נּוּ
(anasenu)
Ik hem op de proef stel
הֲיֵלֵ֥ךְ
(hayelekh)
of hij wandelt
בְּתוֹרָתִ֖י
(betorati)
in Mijn wet
אִם
(im)
of
לֹֽא
(lo)
niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het manna is de proef op de gehoorzaamheid aan de wet van Yahweh: Israël moet elke dag precies verzamelen wat nodig is.
7en morgen zullen jullie de heerlijkheid van Yahweh zien, omdat Hij jullie gemor tegen Yahweh heeft gehoord. Want wat zijn wij, dat jullie tegen ons morren?”
וּבֹ֗קֶר
(uvoqer)
en morgen
וּרְאִיתֶם֙
(ureitem)
dan zullen jullie zien
אֶת
(et)
(obj.)
כְּב֣וֹד
(kevod)
de heerlijkheid van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּשָׁמְע֥וֹ
(beshameo)
omdat Hij hoort
אֶת
(et)
(obj.)
תְּלֻנֹּתֵיכֶ֖ם
(telunoteikhem)
jullie gemor
עַל
(al)
tegen
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנַ֣חְנוּ
(venachnu)
en wij
מָ֔ה
(ma)
wat
כִּ֥י
(ki)
dat
תַלִּ֖ינוּ
(talinu)
jullie morden
עָלֵֽינוּ
(aleinu)
tegen ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Mozes zei: „Wanneer Yahweh jullie ’s avonds vlees te eten geeft en ’s morgens brood tot verzadiging, omdat Yahweh jullie gemor heeft gehoord waarmee jullie tegen Hem morren — wat zijn wij? Jullie gemor is niet tegen ons, maar tegen Yahweh.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
בְּתֵ֣ת
(betet)
wanneer geeft
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֨ם
(lakhem)
aan jullie
בָּעֶ֜רֶב
(baerev)
in de avond
בָּשָׂ֣ר
(basar)
vlees
לֶאֱכֹ֗ל
(leekhol)
om te eten
וְלֶ֤חֶם
(velechem)
en brood
בַּבֹּ֨קֶר֙
(baboqer)
in de morgen
לִשְׂבֹּ֔עַ
(lisboa)
tot verzadiging
בִּשְׁמֹ֤עַ
(bishmoa)
omdat hoort
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
תְּלֻנֹּ֣תֵיכֶ֔ם
(telunoteikhem)
jullie gemor
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
מַלִּינִ֖ם
(malinim)
morren
עָלָ֑יו
(alav)
tegen Hem
וְנַ֣חְנוּ
(venachnu)
en wij
מָ֔ה
(ma)
wat
לֹא
(lo)
niet
עָלֵ֥ינוּ
(aleinu)
tegen ons
תְלֻנֹּתֵיכֶ֖ם
(telunoteikhem)
jullie gemor
כִּ֥י
(ki)
maar
עַל
(al)
tegen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het zinsverband is in het Hebreeuws onderbroken; wij vertalen met een gedachtestreep: ‘wat zijn wij?’ is de tussenzin.
9Mozes zei tot Aäron: „Zeg tot heel de gemeenschap van de zonen van Israël: ‘Kom naderbij, voor het aangezicht van Yahweh, want Hij heeft jullie gemor gehoord.’”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
אֱמֹ֗ר
(emor)
zeg
אֶֽל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
עֲדַת֙
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
קִרְב֖וּ
(qirvu)
kom nabij
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֣י
(ki)
want
שָׁמַ֔ע
(shama)
Hij heeft gehoord
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
תְּלֻנֹּתֵיכֶֽם
(telunoteikhem)
jullie gemor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Terwijl Aäron tot heel de gemeenschap van de zonen van Israël sprak, keerden zij zich naar de woestijn. En zie, de heerlijkheid van Yahweh verscheen in de wolk.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het geschiedde
כְּדַבֵּ֤ר
(kedaber)
toen sprak
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֣ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּפְנ֖וּ
(vayifnu)
en zij keerden zich
אֶל
(el)
naar
הַמִּדְבָּ֑ר
(hamidbar)
de woestijn
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
כְּב֣וֹד
(kevod)
de heerlijkheid van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נִרְאָ֖ה
(nira)
verscheen
בֶּעָנָֽן
(beanan)
in de wolk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘heerlijkheid van Yahweh’ (כְּבוֹד יְהוָה, kevod Yahweh) verschijnt in de wolk, zichtbaar voor het hele volk, voordat Hij tot Mozes spreekt.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12„Ik heb het gemor van de zonen van Israël gehoord. Spreek tot hen: ‘Tussen de twee avonden zullen jullie vlees eten en in de morgen zullen jullie met brood verzadigd worden. En jullie zullen weten dat Ik Yahweh ben, jullie Elohim.’”
שָׁמַ֗עְתִּי
(shamati)
Ik heb gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
תְּלוּנֹּת֮
(telunot)
het gemor van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
דַּבֵּ֨ר
(daber)
spreek
אֲלֵהֶ֜ם
(alehem)
tot hen
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
בֵּ֤ין
(bein)
tussen
הָֽעַרְבַּ֨יִם֙
(haarbayim)
de avonden
תֹּאכְל֣וּ
(tokhlu)
zullen jullie eten
בָשָׂ֔ר
(basar)
vlees
וּבַבֹּ֖קֶר
(uvaboqer)
en in de morgen
תִּשְׂבְּעוּ
(tisbeu)
zullen jullie verzadigd worden
לָ֑חֶם
(lachem)
met brood
וִֽידַעְתֶּ֕ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּ֛י
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15De zonen van Israël zagen het en zeiden tot elkaar: „Man hu?”, want zij wisten niet wat het was. Mozes zei tot hen: „Dit is het brood dat Yahweh jullie te eten heeft gegeven.
וַיִּרְא֣וּ
(vayiru)
en zagen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zeiden
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
tot
אָחִיו֙
(achiv)
zijn broer
מָ֣ן
(man)
wat is dat
ה֔וּא
(hu)
het
כִּ֛י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדְע֖וּ
(yadeu)
wisten zij
מַה
(ma)
wat
ה֑וּא
(hu)
het is
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
ה֣וּא
(hu)
het is
הַלֶּ֔חֶם
(halechem)
het brood
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
נָתַ֧ן
(natan)
gaf
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
לְאָכְלָֽה
(leakhela)
tot spijs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָן הוּא (man hu) kan ‘wat is dat?’ zijn of ‘het is manna’.
De tekst verbindt de naam ‘manna’ (vers 31) met die vraag; wij laten de vorm staan.
16Dit is het woord dat Yahweh geboden heeft: ‘Verzamel ervan, ieder naar wat hij eet, een gomer per hoofd, naar het aantal van jullie personen. Ieder moet nemen voor wie in zijn tent zijn.’”
זֶ֤ה
(ze)
dit is
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
צִוָּ֣ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לִקְט֣וּ
(liqtu)
verzamelt
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
ervan
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
לְפִ֣י
(lefi)
naar
אָכְל֑וֹ
(akhelo)
zijn eten
עֹ֣מֶר
(omer)
een gomer
לַגֻּלְגֹּ֗לֶת
(lagulgolet)
per hoofd
מִסְפַּר֙
(mispar)
het aantal van
נַפְשֹׁ֣תֵיכֶ֔ם
(nafshoteikhem)
jullie personen
אִ֛ישׁ
(ish)
ieder
לַאֲשֶׁ֥ר
(laasher)
voor degenen die
בְּאָהֳל֖וֹ
(beaholo)
in zijn tent
תִּקָּֽחוּ
(tiqachu)
zullen jullie nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Een עֹמֶר (omer) is ongeveer twee liter, een tiende van een efa (vers 36).
17De zonen van Israël deden zo, en zij verzamelden, de een veel, de ander weinig.
וַיַּעֲשׂוּ
(vayaasu)
en deden
כֵ֖ן
(ken)
zo
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיִּלְקְט֔וּ
(vayilqetu)
en verzamelden
הַמַּרְבֶּ֖ה
(hamarbe)
wie veel
וְהַמַּמְעִֽיט
(vehamamit)
en wie weinig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Toen zij het met de gomer maten, had wie veel had verzameld geen overschot, en wie weinig had verzameld had geen tekort. Ieder had verzameld naar wat hij at.
וַיָּמֹ֣דּוּ
(vayamodu)
en maten
בָעֹ֔מֶר
(baomer)
met de gomer
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הֶעְדִּיף֙
(hedif)
had overschot
הַמַּרְבֶּ֔ה
(hamarbe)
wie veel
וְהַמַּמְעִ֖יט
(vehamamit)
en wie weinig
לֹ֣א
(lo)
niet
הֶחְסִ֑יר
(hechsir)
had tekort
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְפִֽי
(lefi)
naar
אָכְל֖וֹ
(akhelo)
zijn eten
לָקָֽטוּ
(laqatu)
hadden zij verzameld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Maar zij luisterden niet naar Mozes, en sommigen lieten er iets van over tot de morgen. Toen kwamen er wormen in, en het ging stinken, en Mozes werd toornig op hen.
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁמְע֣וּ
(shameu)
luisterden zij
אֶל
(el)
naar
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
וַיּוֹתִ֨רוּ
(vayotiru)
en lieten overblijven
אֲנָשִׁ֤ים
(anashim)
mensen
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
ervan
עַד
(ad)
tot
בֹּ֔קֶר
(boqer)
morgen
וַיָּ֥רֻם
(vayarum)
en er kwamen
תּוֹלָעִ֖ים
(tolaim)
wormen
וַיִּבְאַ֑שׁ
(vayivash)
en het stonk
וַיִּקְצֹ֥ף
(vayiqtsof)
en werd toornig
עֲלֵהֶ֖ם
(alehem)
op hen
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij zei tot hen: „Dit is wat Yahweh gesproken heeft: ‘Morgen is een rustdag, een heilige sabbat voor Yahweh. Bak wat jullie willen bakken en kook wat jullie willen koken, en leg al wat overblijft apart, om het tot de morgen te bewaren.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
ה֚וּא
(hu)
dit is het
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
דִּבֶּ֣ר
(diber)
sprak
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שַׁבָּת֧וֹן
(shabaton)
rustdag
שַׁבַּת
(shabat)
sabbat van
קֹ֛דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
מָחָ֑ר
(machar)
morgen
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תֹּאפ֞וּ
(tofu)
jullie willen bakken
אֵפ֗וּ
(efu)
bak
וְאֵ֤ת
(veet)
en (obj.)
אֲשֶֽׁר
(asher)
wat
תְּבַשְּׁלוּ֙
(tevashelu)
jullie willen koken
בַּשֵּׁ֔לוּ
(bashelu)
kook
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
הָ֣עֹדֵ֔ף
(haodef)
wat overblijft
הַנִּ֧יחוּ
(hanichu)
leg neer
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
לְמִשְׁמֶ֖רֶת
(lemishmeret)
ter bewaring
עַד
(ad)
tot
הַבֹּֽקֶר
(haboqer)
de morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier komt het woord שַׁבָּת (sabbat) voor het eerst in de Bijbel voor.
De sabbat wordt hier dus al vóór Sinaï bekendgemaakt; zie 20:8–11 en 31:12–17.
29Zie, Yahweh heeft jullie de sabbat gegeven. Daarom geeft Hij jullie op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet blijven waar hij is; niemand mag op de zevende dag van zijn plaats weggaan.”
רְא֗וּ
(reu)
zie
כִּֽי
(ki)
dat
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
נָתַ֣ן
(natan)
gaf
לָכֶ֣ם
(lakhem)
aan jullie
הַשַּׁבָּת֒
(hashabat)
de sabbat
עַל
(al)
op
כֵּ֠ן
(ken)
zo
ה֣וּא
(hu)
Hij
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לָכֶ֛ם
(lakhem)
aan jullie
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַשִּׁשִּׁ֖י
(hashishi)
de zesde
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood van
יוֹמָ֑יִם
(yomayim)
twee dagen
שְׁב֣וּ
(shevu)
blijft
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
תַּחְתָּ֗יו
(tachtav)
onder zich
אַל
(al)
niet
יֵ֥צֵא
(yetse)
ga uit
אִ֛ישׁ
(ish)
ieder
מִמְּקֹמ֖וֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִֽי
(hashevii)
de zevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Mozes zei: „Dit is het woord dat Yahweh geboden heeft: ‘Een gomer vol ervan moet bewaard worden voor jullie generaties, opdat zij het brood zien dat Ik jullie in de woestijn te eten gaf toen Ik jullie uit het land Egypte leidde.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
זֶ֤ה
(ze)
dit is
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
צִוָּ֣ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מְלֹ֤א
(melo)
vol
הָעֹ֨מֶר֙
(haomer)
de gomer
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
ervan
לְמִשְׁמֶ֖רֶת
(lemishmeret)
ter bewaring
לְדֹרֹתֵיכֶ֑ם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
יִרְא֣וּ
(yiru)
zij zien
אֶת
(et)
(obj.)
הַלֶּ֗חֶם
(halechem)
het brood
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
הֶאֱכַ֤לְתִּי
(heekhalti)
Ik liet eten
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
בְּהוֹצִיאִ֥י
(behotsii)
toen Ik uitleidde
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
33Mozes zei tot Aäron: „Neem een kruik, doe daarin een gomer vol manna en leg die neer voor het aangezicht van Yahweh, om voor jullie generaties te bewaren.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
קַ֚ח
(qach)
neem
צִנְצֶ֣נֶת
(tsintsenet)
een kruik
אַחַ֔ת
(achat)
één
וְתֶן
(veten)
en doe
שָׁ֥מָּה
(shama)
daarin
מְלֹֽא
(melo)
vol
הָעֹ֖מֶר
(haomer)
de gomer
מָ֑ן
(man)
manna
וְהַנַּ֤ח
(vehanach)
en leg neer
אֹתוֹ֙
(oto)
het
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְמִשְׁמֶ֖רֶת
(lemishmeret)
ter bewaring
לְדֹרֹתֵיכֶֽם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De kruik met manna wordt ‘voor het aangezicht van Yahweh’ bewaard; later staat zij bij de ark (Hebr. 9:4).
35De zonen van Israël aten veertig jaar het manna, totdat zij in een bewoond land kwamen. Zij aten het manna totdat zij aan de rand van het land Kanaän kwamen.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אָֽכְל֤וּ
(akhelu)
aten
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּן֙
(haman)
het manna
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
עַד
(ad)
totdat
בֹּאָ֖ם
(boam)
zij kwamen
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
een land
נוֹשָׁ֑בֶת
(noshavet)
bewoond
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּן֙
(haman)
het manna
אָֽכְל֔וּ
(akhelu)
aten zij
עַד
(ad)
totdat
בֹּאָ֕ם
(boam)
zij kwamen
אֶל
(el)
naar
קְצֵ֖ה
(qetse)
de rand van
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
Het manna houdt op wanneer Israël het land binnentrekt (Joz. 5:12).