Elohim Bijbel

Psalmen 15

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Wie mag wonen op Uw heilige berg?

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De vraag: wie mag verblijven bij Yahweh?

1Een psalm van David. Yahweh, wie mag als gast verblijven in Uw tent? Wie mag wonen op Uw heilige berg?
מִזְמ֗וֹר
(mizmor)
een psalm
לְדָ֫וִ֥ד
(ledavid)
van David
יְ֭הֹוָה
(Yahweh)
Yahweh
מִי
(mi)
wie
יָג֣וּר
(yagur)
mag als gast verblijven
בְּאָהֳלֶ֑ךָ
(beaholekha)
in Uw tent
מִֽי
(mi)
wie
יִ֝שְׁכֹּ֗ן
(yishkon)
mag wonen
בְּהַ֣ר
(behar)
op de berg van
קָדְשֶֽׁךָ
(qadeshekha)
Uw heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֹהֶל (ohel), ‘tent’: de tent van Yahweh, vergelijk de tent die David voor de ark neerzette (2 Sam. 6:17).

‘Uw heilige berg’ is de berg van Yahweh, Sion.

גּוּר (gur), ‘als gast verblijven’: de verblijfplaats van een gast of vreemdeling. שָׁכַן (shakan), ‘wonen’: blijvend wonen.

Het antwoord: wie oprecht leeft

2Wie onberispelijk wandelt, gerechtigheid doet en in zijn hart de waarheid spreekt.
הוֹלֵ֣ךְ
(holekh)
wie wandelt
תָּ֭מִים
(tamim)
onberispelijk
וּפֹעֵ֥ל
(ufoel)
en doet
צֶ֑דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
וְדֹבֵ֥ר
(vedover)
en spreekt
אֱ֝מֶ֗ת
(emet)
waarheid
בִּלְבָבֽוֹ
(bilvavo)
in zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Wie niet lastert met zijn tong, zijn naaste geen kwaad doet en geen smaad opneemt tegen zijn verwant.
לֹֽא
(lo)
niet
רָגַ֨ל
(ragal)
lastert
עַל
(al)
met
לְשֹׁנ֗וֹ
(leshono)
zijn tong
לֹא
(lo)
niet
עָשָׂ֣ה
(asa)
doet
לְרֵעֵ֣הוּ
(lereehu)
aan zijn naaste
רָעָ֑ה
(raa)
kwaad
וְ֝חֶרְפָּ֗ה
(vecherpa)
en smaad
לֹא
(lo)
niet
נָשָׂ֥א
(nasa)
opneemt
עַל
(al)
tegen
קְרֹֽבוֹ
(qerovo)
zijn verwant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָגַל (ragal), ‘lasteren’: letterlijk ‘rondgaan’ (met kwaad over iemand).

Zie ook 2 Sam. 19:28.

נָשָׂא חֶרְפָּה (nasa cherpah), ‘smaad opnemen’: een schimpwoord over iemand aannemen en doorgeven.

4In wiens ogen de verworpene veracht is, maar die degenen eert die Yahweh vrezen. Wie zweert tot eigen nadeel en niet terugkomt op zijn woord.
נִבְזֶ֤ה
(nivze)
verachtelijk
בְּֽעֵ֘ינָ֤יו
(beeinav)
in zijn ogen
נִמְאָ֗ס
(nimas)
de verworpene
וְאֶת
(veet)
en
יִרְאֵ֣י
(yirei)
die vrezen
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
יְכַבֵּ֑ד
(yekhabed)
hij eert
נִשְׁבַּ֥ע
(nishba)
hij zweert
לְ֝הָרַ֗ע
(lehara)
tot nadeel
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָמִֽר
(yamir)
hij verandert
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהָרַע (lehara), ‘tot kwaad’: tot eigen nadeel.

Wie een eed heeft gezworen, houdt hem, ook als dat hem kost.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘aan zijn naaste’ (lere’ehu); de medeklinkers verschillen weinig.

Wij volgen de Masoretische tekst.

5Wie zijn geld niet op rente uitleent en geen steekpenning neemt tegen de onschuldige. Wie dit doet, zal nooit wankelen.
כַּסְפּ֤וֹ
(kaspo)
zijn geld
לֹא
(lo)
niet
נָתַ֣ן
(natan)
geeft
בְּנֶשֶׁךְ֮
(beneshekh)
op rente
וְשֹׁ֥חַד
(veshochad)
en steekpenning
עַל
(al)
tegen
נָקִ֗י
(naqi)
de onschuldige
לֹ֥א
(lo)
niet
לָ֫קָ֥ח
(laqach)
neemt
עֹֽשֵׂה
(ose)
wie doet
אֵ֑לֶּה
(ele)
dit
לֹ֖א
(lo)
niet
יִמּ֣וֹט
(yimot)
zal wankelen
לְעוֹלָֽם
(leolam)
tot in eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶשֶׁךְ (neshech), ‘rente’: letterlijk ‘beet’.

Zie Exod. 22:24; Lev. 25:36; Deut. 23:20.

שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: een geschenk om recht te buigen. Zie Deut. 16:19.

Het slot, ‘zal nooit wankelen’, vergelijk Ps. 16:8.