Open in de app Alle boeken Psalmen ← 72 74 → Psalmen 73 De welvaart van de goddelozen en de nabijheid van Elohim
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Elohim is goed voor wie zuiver van hart zijn 1 Een psalm van Asaf. Elohim is werkelijk goed voor Israël, voor wie zuiver van hart zijn.
לְאָ֫סָ֥ף
(leasaf)
van Asaf
לְיִשְׂרָאֵ֥ל
(leyisrael)
voor Israël
לְבָרֵ֥י
(levarei)
voor zuiveren van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַךְ (akh), ‘zeker, werkelijk’: het woord opent de psalm en keert terug in vers 13 en 18.
Het kan ook ‘toch’ betekenen: de dichter erkent wat hij tegen alle schijn in vasthoudt.
Ik was jaloers op de goddelozen 2 Maar ik: bijna waren mijn voeten uitgeweken, bijna waren mijn stappen weggegleden.
נָטָ֣יוּ
(natayu)
zijn uitgeweken
רַגְלָ֑י
(raglay)
mijn voeten
שֻׁפְּכ֥וּ
(shupekhu)
zijn weggegleden
אֲשֻׁרָֽי
(ashuray)
mijn stappen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven Hebreeuws (ketiv) heeft bij de werkwoorden ‘waren uitgeweken’ en ‘waren weggegleden’ een andere vorm (נטוי en שפכה ); de gelezen vorm (qere) is נָטָיוּ en שֻׁפְּכוּ .
De betekenis blijft gelijk.
Wij volgen de qere.
3 Want ik was jaloers op de overmoedigen, toen ik de vrede van de goddelozen zag.
קִ֭נֵּאתִי
(qineti)
ik was jaloers
בַּֽהוֹלְלִ֑ים
(baholelim)
op de overmoedigen
שְׁל֖וֹם
(shelom)
vrede van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: hier ‘welzijn, voorspoed’.
Wij houden ‘vrede’.
הוֹלְלִים (holelim), ‘overmoedigen’: mensen die opscheppen. Vergelijk Ps. 75:5.
4 Want zij kennen geen pijnen tot aan hun dood, en hun lichaam is gezond en vet.
חַרְצֻבּ֥וֹת
(chartsubot)
pijnen
לְמוֹתָ֗ם
(lemotam)
bij hun dood
וּבָרִ֥יא
(uvari)
en gezond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַרְצֻבּוֹת (chartsubbot), ‘pijnen’: het woord komt ook voor in Jes. 58:6, maar de betekenis is onzeker.
Het tweede deel van het vers is moeilijk; wij vertalen ‘hun lichaam is gezond en vet’.
5 Zij delen niet in de moeite van de mens, en zij worden niet geplaagd zoals andere mensen.
בַּעֲמַ֣ל
(baamal)
in moeite van
אֵינֵ֑מוֹ
(einemo)
zij zijn niet
יְנֻגָּֽעוּ
(yenugau)
worden geplaagd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 Daarom is hoogmoed hun halsketting, en een kleed van geweld hult hen in.
עֲנָקַ֣תְמוֹ
(anaqatmo)
is hun halsketting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁית (shit), ‘kleed’: het woord komt elders niet voor; de betekenis volgt uit de zin.
7 Hun ogen puilen uit van het vet. De inbeeldingen van hun hart gaan alle grenzen over.
מֵחֵ֣לֶב
(mechelev)
van vet
עֵינֵ֑מוֹ
(einemo)
hun ogen
עָ֝בְר֗וּ
(averu)
gaan over
מַשְׂכִּיּ֥וֹת
(maskiyot)
inbeeldingen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Zij spotten en spreken kwaadaardig. Van boven af spreken zij onderdrukking.
יָמִ֤יקוּ
(yamiqu)
zij spotten
וִידַבְּר֣וּ
(vidaberu)
en spreken
עֹ֑שֶׁק
(osheq)
onderdrukking
מִמָּר֥וֹם
(mimarom)
van de hoogte
יְדַבֵּֽרוּ
(yedaberu)
spreken zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9 Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun tong wandelt over de aarde.
שַׁתּ֣וּ
(shatu)
zij zetten
בַשָּׁמַ֣יִם
(bashamayim)
in de hemel
וּ֝לְשׁוֹנָ֗ם
(uleshonam)
en hun tong
תִּֽהֲלַ֥ךְ
(tihalakh)
wandelt
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
over de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Daarom keert Zijn volk zich hiertoe, en water in overvloed wordt voor hen uitgewrongen.
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
keert terug
יִמָּ֥צוּ
(yimatsu)
wordt uitgewrongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk en de betekenis is onzeker.
Wij nemen aan dat het volk van Elohim zich tot de goddelozen wendt en meedrinkt van hun overvloed.
Lezing
Het geschreven Hebreeuws (ketiv) heeft ‘Hij brengt Zijn volk terug’; de gelezen vorm (qere) heeft ‘Zijn volk keert terug’.
Wij volgen de qere.
11 Zij zeggen: „Hoe zou El het weten? Is er kennis bij de Allerhoogste?”
וְֽאָמְר֗וּ
(veameru)
en zij zeggen
בְעֶלְיֽוֹן
(beelyon)
bij de Allerhoogste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֶלְיוֹן (Eljon), ‘de Allerhoogste’: een naam van Elohim, zoals in Gen. 14:18–22.
12 Zie, zo zijn de goddelozen: eeuwig onbezorgd vermeerderen zij hun rijkdom.
רְשָׁעִ֑ים
(reshaim)
goddelozen
וְשַׁלְוֵ֥י
(veshalvei)
en onbezorgd
הִשְׂגּוּ
(hisgu)
vermeerderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Tevergeefs? 13 Zeker, het was tevergeefs dat ik mijn hart zuiver hield en mijn handen in onschuld waste.
זִכִּ֣יתִי
(zikiti)
ik hield zuiver
לְבָבִ֑י
(levavi)
mijn hart
וָאֶרְחַ֖ץ
(vaerchats)
en ik waste
בְּנִקָּי֣וֹן
(beniqayon)
in onschuld
כַּפָּֽי
(kapay)
mijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Want de hele dag werd ik geslagen, en elke morgen kwam mijn straf.
וָאֱהִ֣י
(vaehi)
en ik werd
וְ֝תוֹכַחְתִּ֗י
(vetokhachti)
en mijn straf
לַבְּקָרִֽים
(labeqarim)
elke morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De dichter was juist ‘de hele dag’ geplaagd: het beeld sluit aan op de gezonde, onbezorgde goddelozen in vers 4–5.
15 Als ik had gezegd: „Ik zal het zo vertellen”, zie, dan had ik het geslacht van Uw kinderen verraden.
אָ֭מַרְתִּי
(amarti)
ik had gezegd
אֲסַפְּרָ֥ה
(asapera)
ik zal vertellen
בָּנֶ֣יךָ
(baneikha)
Uw kinderen
בָגָֽדְתִּי
(bagadti)
ik had verraden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Ik probeerde dit te begrijpen, maar het was moeizaam in mijn ogen,
וָֽ֭אֲחַשְּׁבָה
(vaachasheva)
en ik dacht na
לָדַ֣עַת
(ladaat)
om te begrijpen
בְעֵינָֽי
(beeinay)
in mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is היא (hi); de te lezen vorm (qere) is הוּא (hu), ‘het is’.
Wij volgen de qere.
In het heiligdom van El 17 totdat ik binnenging in het heiligdom van El. Toen lette ik op hun einde.
אָ֭בוֹא
(avo)
ik binnenging
מִקְדְּשֵׁי
(miqdeshei)
heiligdom van
אָ֝בִ֗ינָה
(avina)
ik lette op
לְאַחֲרִיתָֽם
(leacharitam)
hun einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִקְדְּשֵׁי־אֵל (miqdeshe El), ‘de heiligdommen van El’: het woord staat in het meervoud.
Dat wijst op de hele plaats van de tempel; wij vertalen ‘het heiligdom’.
Pas in het heiligdom ziet de dichter hun einde (vers 18–20). De wending van de psalm ligt hier.
18 Zeker, op gladde grond zet U hen. U laat hen vallen in de ondergang.
בַּ֭חֲלָקוֹת
(bachalaqot)
op gladde grond
הִ֝פַּלְתָּ֗ם
(hipaltam)
U laat hen vallen
לְמַשּׁוּאֽוֹת
(lemashuot)
in ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲלָקוֹת (chalaqot), ‘gladde plaatsen’: een plaats waar men uitglijdt.
19 Hoe zijn zij in een oogwenk tot een ruïne geworden! Zij zijn weggevaagd, ten einde door verschrikkingen.
הָי֣וּ
(hayu)
zijn zij geworden
לְשַׁמָּ֣ה
(leshama)
tot ruïne
כְרָ֑גַע
(keraga)
in een oogwenk
בַּלָּהֽוֹת
(balahot)
verschrikkingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20 Als een droom na het ontwaken, mijn Heer: als U opstaat, veracht U hun beeld.
כַּחֲל֥וֹם
(kachalom)
als een droom
מֵהָקִ֑יץ
(mehaqits)
na het ontwaken
אֲ֝דֹנָי
(adonay)
mijn Heer
בָּעִ֤יר
(bair)
bij het opstaan
צַלְמָ֬ם
(tsalmam)
hun beeld
תִּבְזֶֽה
(tivze)
veracht U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: de aanspreking van Yahweh.
Zie ook vers 28.
צֶלֶם (tselem), ‘beeld’: hier de schijn, het schaduwbeeld van de goddelozen, dat verdwijnt als een droom. Hetzelfde woord als ‘beeld’ in Gen. 1:26–27.
Dom als een dier 21 Toen mijn hart zuur werd en het mij in mijn nieren stak,
יִתְחַמֵּ֣ץ
(yitchamets)
werd zuur
לְבָבִ֑י
(levavi)
mijn hart
וְ֝כִלְיוֹתַ֗י
(vekhilyotay)
en mijn nieren
אֶשְׁתּוֹנָֽן
(eshtonan)
stak het mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּלָיוֹת (kelayot), ‘nieren’: in de Bijbel de plaats van diepe gevoelens.
22 was ik dom en begreep ik niets. Een groot dier was ik bij U.
בְּ֝הֵמ֗וֹת
(behemot)
groot dier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּהֵמוֹת (behemot), ‘groot dier’: het woord staat in het meervoud.
Het is hetzelfde woord als in Job 40:15, waar het een bepaald groot dier aanduidt.
Hier: de dichter was als een redeloos dier bij Elohim.
Toch altijd bij U 23 Toch ben ik altijd bij U. U hebt mijn rechterhand vastgehouden.
אָ֝חַ֗זְתָּ
(achazta)
U hebt vastgehouden
בְּיַד
(beyad)
bij de hand van
יְמִינִֽי
(yemini)
mijn rechter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24 U leidt mij met Uw raad, en daarna neemt U mij op in heerlijkheid.
בַּעֲצָתְךָ֥
(baatsatekha)
met Uw raad
תַנְחֵ֑נִי
(tancheni)
leidt U mij
וְ֝אַחַ֗ר
(veachar)
en daarna
כָּב֥וֹד
(kavod)
heerlijkheid
תִּקָּחֵֽנִי
(tiqacheni)
neemt U mij op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לָקַח (laqach), ‘nemen, opnemen’: het werkwoord staat ook bij Henoch (Gen. 5:24) en Elia (2 Kon. 2:9–11).
Of de dichter hier denkt aan opname bij Elohim na de dood, is niet zeker; het Hebreeuws zegt alleen ‘U neemt mij op in heerlijkheid’.
25 Wie heb ik in de hemel? En naast U verlang ik op aarde niets.
בַשָּׁמָ֑יִם
(bashamayim)
in de hemel
וְ֝עִמְּךָ֗
(veimekha)
en naast U
חָפַ֥צְתִּי
(chafatsti)
verlang ik
בָאָֽרֶץ
(baarets)
op aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Mijn vlees en mijn hart bezwijken, maar Elohim is de rots van mijn hart en mijn deel, voor eeuwig.
שְׁאֵרִ֗י
(sheeri)
mijn vlees
וּלְבָ֫בִ֥י
(ulevavi)
en mijn hart
לְבָבִ֥י
(levavi)
mijn hart
וְחֶלְקִ֗י
(vechelqi)
en mijn deel
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צוּר (tsur), ‘rots’, en חֵלֶק (cheleq), ‘deel’: Elohim zelf is het erfdeel van de dichter.
Vergelijk Num. 18:20.
Wie ver van U is, gaat verloren 27 Want zie, wie ver van U zijn, gaan verloren. U vernietigt ieder die van U weg hoereert.
רְחֵקֶ֣יךָ
(recheqeikha)
die ver van U zijn
יֹאבֵ֑דוּ
(yovedu)
gaan verloren
הִ֝צְמַ֗תָּה
(hitsmata)
U vernietigt
זוֹנֶ֥ה
(zone)
die hoereert
מִמֶּֽךָּ
(mimeka)
van U weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זוֹנֶה (zoneh), ‘hoererend’: het beeld van een volk of mens dat Elohim ontrouw is, zoals een vrouw haar man.
Vergelijk Hos. 1–2.
28 Maar voor mij is het goed dicht bij Elohim te zijn. Ik heb mijn Heer Yahweh tot mijn toevlucht gemaakt, om al Uw werken te vertellen.
קִֽרֲבַ֥ת
(qiravat)
nabijheid van
שַׁתִּ֤י
(shati)
ik heb gesteld
בַּאדֹנָ֣י
(badonay)
bij mijn Heer
מַחְסִ֑י
(machsi)
mijn toevlucht
לְ֝סַפֵּ֗ר
(lesaper)
om te vertellen
מַלְאֲכוֹתֶֽיךָ
(malakhoteikha)
Uw werken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De laatste regel gaat van ‘mij’ naar ‘U’.
Een deel van de oude vertalingen voegt hier toe: ‘in de poorten van de dochter van Sion’; wij volgen de Masoretische tekst.