Elohim Bijbel

Psalmen 73

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

De welvaart van de goddelozen en de nabijheid van Elohim

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elohim is goed voor wie zuiver van hart zijn

1Een psalm van Asaf. Elohim is werkelijk goed voor Israël, voor wie zuiver van hart zijn.
מִזְמ֗וֹר
(mizmor)
psalm
לְאָ֫סָ֥ף
(leasaf)
van Asaf
אַ֤ךְ
(akh)
zeker
ט֭וֹב
(tov)
goed
לְיִשְׂרָאֵ֥ל
(leyisrael)
voor Israël
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
לְבָרֵ֥י
(levarei)
voor zuiveren van
לֵבָֽב
(levav)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַךְ (akh), ‘zeker, werkelijk’: het woord opent de psalm en keert terug in vers 13 en 18.

Het kan ook ‘toch’ betekenen: de dichter erkent wat hij tegen alle schijn in vasthoudt.

Ik was jaloers op de goddelozen

2Maar ik: bijna waren mijn voeten uitgeweken, bijna waren mijn stappen weggegleden.
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en ik
כִּ֭מְעַט
(kimat)
bijna
נָטָ֣יוּ
(natayu)
zijn uitgeweken
רַגְלָ֑י
(raglay)
mijn voeten
כְּ֝אַ֗יִן
(keayin)
bijna
שֻׁפְּכ֥וּ
(shupekhu)
zijn weggegleden
אֲשֻׁרָֽי
(ashuray)
mijn stappen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven Hebreeuws (ketiv) heeft bij de werkwoorden ‘waren uitgeweken’ en ‘waren weggegleden’ een andere vorm (נטוי en שפכה); de gelezen vorm (qere) is נָטָיוּ en שֻׁפְּכוּ.

De betekenis blijft gelijk.

Wij volgen de qere.

3Want ik was jaloers op de overmoedigen, toen ik de vrede van de goddelozen zag.
כִּֽי
(ki)
want
קִ֭נֵּאתִי
(qineti)
ik was jaloers
בַּֽהוֹלְלִ֑ים
(baholelim)
op de overmoedigen
שְׁל֖וֹם
(shelom)
vrede van
רְשָׁעִ֣ים
(reshaim)
goddelozen
אֶרְאֶֽה
(ere)
ik zag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: hier ‘welzijn, voorspoed’.

Wij houden ‘vrede’.

הוֹלְלִים (holelim), ‘overmoedigen’: mensen die opscheppen. Vergelijk Ps. 75:5.

4Want zij kennen geen pijnen tot aan hun dood, en hun lichaam is gezond en vet.
כִּ֤י
(ki)
want
אֵ֖ין
(ein)
niet
חַרְצֻבּ֥וֹת
(chartsubot)
pijnen
לְמוֹתָ֗ם
(lemotam)
bij hun dood
וּבָרִ֥יא
(uvari)
en gezond
אוּלָֽם
(ulam)
hun lichaam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַרְצֻבּוֹת (chartsubbot), ‘pijnen’: het woord komt ook voor in Jes. 58:6, maar de betekenis is onzeker.

Het tweede deel van het vers is moeilijk; wij vertalen ‘hun lichaam is gezond en vet’.

5Zij delen niet in de moeite van de mens, en zij worden niet geplaagd zoals andere mensen.
בַּעֲמַ֣ל
(baamal)
in moeite van
אֱנ֣וֹשׁ
(enosh)
mens
אֵינֵ֑מוֹ
(einemo)
zij zijn niet
וְעִם
(veim)
en met
אָ֝דָ֗ם
(adam)
mensen
לֹ֣א
(lo)
niet
יְנֻגָּֽעוּ
(yenugau)
worden geplaagd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Daarom is hoogmoed hun halsketting, en een kleed van geweld hult hen in.
לָ֭כֵן
(lakhen)
daarom
עֲנָקַ֣תְמוֹ
(anaqatmo)
is hun halsketting
גַאֲוָ֑ה
(gaava)
hoogmoed
יַעֲטָף
(yaataf)
bedekt
שִׁ֝֗ית
(shit)
kleed van
חָמָ֥ס
(chamas)
geweld
לָֽמוֹ
(lamo)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁית (shit), ‘kleed’: het woord komt elders niet voor; de betekenis volgt uit de zin.

7Hun ogen puilen uit van het vet. De inbeeldingen van hun hart gaan alle grenzen over.
יָ֭צָא
(yatsa)
komt uit
מֵחֵ֣לֶב
(mechelev)
van vet
עֵינֵ֑מוֹ
(einemo)
hun ogen
עָ֝בְר֗וּ
(averu)
gaan over
מַשְׂכִּיּ֥וֹת
(maskiyot)
inbeeldingen van
לֵבָֽב
(levav)
hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zij spotten en spreken kwaadaardig. Van boven af spreken zij onderdrukking.
יָמִ֤יקוּ
(yamiqu)
zij spotten
וִידַבְּר֣וּ
(vidaberu)
en spreken
בְרָ֣ע
(bera)
met kwaad
עֹ֑שֶׁק
(osheq)
onderdrukking
מִמָּר֥וֹם
(mimarom)
van de hoogte
יְדַבֵּֽרוּ
(yedaberu)
spreken zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun tong wandelt over de aarde.
שַׁתּ֣וּ
(shatu)
zij zetten
בַשָּׁמַ֣יִם
(bashamayim)
in de hemel
פִּיהֶ֑ם
(pihem)
hun mond
וּ֝לְשׁוֹנָ֗ם
(uleshonam)
en hun tong
תִּֽהֲלַ֥ךְ
(tihalakh)
wandelt
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
over de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Daarom keert Zijn volk zich hiertoe, en water in overvloed wordt voor hen uitgewrongen.
לָכֵ֤ן
(lakhen)
daarom
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
keert terug
עַמּ֣וֹ
(amo)
Zijn volk
הֲלֹ֑ם
(halom)
hiertoe
וּמֵ֥י
(umei)
en water van
מָ֝לֵ֗א
(male)
volheid
יִמָּ֥צוּ
(yimatsu)
wordt uitgewrongen
לָֽמוֹ
(lamo)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is moeilijk en de betekenis is onzeker.

Wij nemen aan dat het volk van Elohim zich tot de goddelozen wendt en meedrinkt van hun overvloed.

Lezing

Het geschreven Hebreeuws (ketiv) heeft ‘Hij brengt Zijn volk terug’; de gelezen vorm (qere) heeft ‘Zijn volk keert terug’.

Wij volgen de qere.

Zie ookPs 75:9
11Zij zeggen: „Hoe zou El het weten? Is er kennis bij de Allerhoogste?”
וְֽאָמְר֗וּ
(veameru)
en zij zeggen
אֵיכָ֥ה
(eikha)
hoe
יָדַֽע
(yada)
weet
אֵ֑ל
(el)
El
וְיֵ֖שׁ
(veyesh)
en is er
דֵּעָ֣ה
(dea)
kennis
בְעֶלְיֽוֹן
(beelyon)
bij de Allerhoogste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶלְיוֹן (Eljon), ‘de Allerhoogste’: een naam van Elohim, zoals in Gen. 14:18–22.

12Zie, zo zijn de goddelozen: eeuwig onbezorgd vermeerderen zij hun rijkdom.
הִנֵּה
(hine)
zie
אֵ֥לֶּה
(ele)
dezen
רְשָׁעִ֑ים
(reshaim)
goddelozen
וְשַׁלְוֵ֥י
(veshalvei)
en onbezorgd
ע֝וֹלָ֗ם
(olam)
eeuwig
הִשְׂגּוּ
(hisgu)
vermeerderen
חָֽיִל
(chayil)
rijkdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Tevergeefs?

13Zeker, het was tevergeefs dat ik mijn hart zuiver hield en mijn handen in onschuld waste.
אַךְ
(akh)
zeker
רִ֭יק
(riq)
tevergeefs
זִכִּ֣יתִי
(zikiti)
ik hield zuiver
לְבָבִ֑י
(levavi)
mijn hart
וָאֶרְחַ֖ץ
(vaerchats)
en ik waste
בְּנִקָּי֣וֹן
(beniqayon)
in onschuld
כַּפָּֽי
(kapay)
mijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Want de hele dag werd ik geslagen, en elke morgen kwam mijn straf.
וָאֱהִ֣י
(vaehi)
en ik werd
נָ֭גוּעַ
(nagua)
geslagen
כָּל
(kal)
de hele
הַיּ֑וֹם
(hayom)
dag
וְ֝תוֹכַחְתִּ֗י
(vetokhachti)
en mijn straf
לַבְּקָרִֽים
(labeqarim)
elke morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De dichter was juist ‘de hele dag’ geplaagd: het beeld sluit aan op de gezonde, onbezorgde goddelozen in vers 4–5.

15Als ik had gezegd: „Ik zal het zo vertellen”, zie, dan had ik het geslacht van Uw kinderen verraden.
אִם
(im)
als
אָ֭מַרְתִּי
(amarti)
ik had gezegd
אֲסַפְּרָ֥ה
(asapera)
ik zal vertellen
כְמ֑וֹ
(kemo)
zo
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
ד֭וֹר
(dor)
geslacht van
בָּנֶ֣יךָ
(baneikha)
Uw kinderen
בָגָֽדְתִּי
(bagadti)
ik had verraden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Ik probeerde dit te begrijpen, maar het was moeizaam in mijn ogen,
וָֽ֭אֲחַשְּׁבָה
(vaachasheva)
en ik dacht na
לָדַ֣עַת
(ladaat)
om te begrijpen
זֹ֑את
(zot)
dit
עָמָ֖ל
(amal)
moeite
ה֣וּא
(hu)
het is
בְעֵינָֽי
(beeinay)
in mijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is היא (hi); de te lezen vorm (qere) is הוּא (hu), ‘het is’.

Wij volgen de qere.

In het heiligdom van El

17totdat ik binnenging in het heiligdom van El. Toen lette ik op hun einde.
עַד
(ad)
totdat
אָ֭בוֹא
(avo)
ik binnenging
אֶל
(el)
in
מִקְדְּשֵׁי
(miqdeshei)
heiligdom van
אֵ֑ל
(el)
El
אָ֝בִ֗ינָה
(avina)
ik lette op
לְאַחֲרִיתָֽם
(leacharitam)
hun einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְדְּשֵׁי־אֵל (miqdeshe El), ‘de heiligdommen van El’: het woord staat in het meervoud.

Dat wijst op de hele plaats van de tempel; wij vertalen ‘het heiligdom’.

Pas in het heiligdom ziet de dichter hun einde (vers 18–20). De wending van de psalm ligt hier.

18Zeker, op gladde grond zet U hen. U laat hen vallen in de ondergang.
אַ֣ךְ
(akh)
zeker
בַּ֭חֲלָקוֹת
(bachalaqot)
op gladde grond
תָּשִׁ֣ית
(tashit)
zet U
לָ֑מוֹ
(lamo)
hen
הִ֝פַּלְתָּ֗ם
(hipaltam)
U laat hen vallen
לְמַשּׁוּאֽוֹת
(lemashuot)
in ondergang
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲלָקוֹת (chalaqot), ‘gladde plaatsen’: een plaats waar men uitglijdt.

19Hoe zijn zij in een oogwenk tot een ruïne geworden! Zij zijn weggevaagd, ten einde door verschrikkingen.
אֵ֤יךְ
(eikh)
hoe
הָי֣וּ
(hayu)
zijn zij geworden
לְשַׁמָּ֣ה
(leshama)
tot ruïne
כְרָ֑גַע
(keraga)
in een oogwenk
סָ֥פוּ
(safu)
weggevaagd
תַ֝֗מּוּ
(tamu)
ten einde
מִן
(min)
door
בַּלָּהֽוֹת
(balahot)
verschrikkingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Als een droom na het ontwaken, mijn Heer: als U opstaat, veracht U hun beeld.
כַּחֲל֥וֹם
(kachalom)
als een droom
מֵהָקִ֑יץ
(mehaqits)
na het ontwaken
אֲ֝דֹנָי
(adonay)
mijn Heer
בָּעִ֤יר
(bair)
bij het opstaan
צַלְמָ֬ם
(tsalmam)
hun beeld
תִּבְזֶֽה
(tivze)
veracht U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: de aanspreking van Yahweh.

Zie ook vers 28.

צֶלֶם (tselem), ‘beeld’: hier de schijn, het schaduwbeeld van de goddelozen, dat verdwijnt als een droom. Hetzelfde woord als ‘beeld’ in Gen. 1:26–27.

Dom als een dier

21Toen mijn hart zuur werd en het mij in mijn nieren stak,
כִּ֭י
(ki)
want
יִתְחַמֵּ֣ץ
(yitchamets)
werd zuur
לְבָבִ֑י
(levavi)
mijn hart
וְ֝כִלְיוֹתַ֗י
(vekhilyotay)
en mijn nieren
אֶשְׁתּוֹנָֽן
(eshtonan)
stak het mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלָיוֹת (kelayot), ‘nieren’: in de Bijbel de plaats van diepe gevoelens.

22was ik dom en begreep ik niets. Een groot dier was ik bij U.
וַאֲנִי
(vaani)
en ik
בַ֭עַר
(baar)
dom
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֵדָ֑ע
(eda)
wist ik
בְּ֝הֵמ֗וֹת
(behemot)
groot dier
הָיִ֥יתִי
(hayiti)
ik was
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּהֵמוֹת (behemot), ‘groot dier’: het woord staat in het meervoud.

Het is hetzelfde woord als in Job 40:15, waar het een bepaald groot dier aanduidt.

Hier: de dichter was als een redeloos dier bij Elohim.

Toch altijd bij U

23Toch ben ik altijd bij U. U hebt mijn rechterhand vastgehouden.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
תָמִ֣יד
(tamid)
altijd
עִמָּ֑ךְ
(imakh)
bij U
אָ֝חַ֗זְתָּ
(achazta)
U hebt vastgehouden
בְּיַד
(beyad)
bij de hand van
יְמִינִֽי
(yemini)
mijn rechter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24U leidt mij met Uw raad, en daarna neemt U mij op in heerlijkheid.
בַּעֲצָתְךָ֥
(baatsatekha)
met Uw raad
תַנְחֵ֑נִי
(tancheni)
leidt U mij
וְ֝אַחַ֗ר
(veachar)
en daarna
כָּב֥וֹד
(kavod)
heerlijkheid
תִּקָּחֵֽנִי
(tiqacheni)
neemt U mij op
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לָקַח (laqach), ‘nemen, opnemen’: het werkwoord staat ook bij Henoch (Gen. 5:24) en Elia (2 Kon. 2:9–11).

Of de dichter hier denkt aan opname bij Elohim na de dood, is niet zeker; het Hebreeuws zegt alleen ‘U neemt mij op in heerlijkheid’.

25Wie heb ik in de hemel? En naast U verlang ik op aarde niets.
מִי
(mi)
wie
לִ֥י
(li)
voor mij
בַשָּׁמָ֑יִם
(bashamayim)
in de hemel
וְ֝עִמְּךָ֗
(veimekha)
en naast U
לֹא
(lo)
niet
חָפַ֥צְתִּי
(chafatsti)
verlang ik
בָאָֽרֶץ
(baarets)
op aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Mijn vlees en mijn hart bezwijken, maar Elohim is de rots van mijn hart en mijn deel, voor eeuwig.
כָּלָ֥ה
(kala)
bezwijkt
שְׁאֵרִ֗י
(sheeri)
mijn vlees
וּלְבָ֫בִ֥י
(ulevavi)
en mijn hart
צוּר
(tsur)
rots van
לְבָבִ֥י
(levavi)
mijn hart
וְחֶלְקִ֗י
(vechelqi)
en mijn deel
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צוּר (tsur), ‘rots’, en חֵלֶק (cheleq), ‘deel’: Elohim zelf is het erfdeel van de dichter.

Vergelijk Num. 18:20.

Wie ver van U is, gaat verloren

27Want zie, wie ver van U zijn, gaan verloren. U vernietigt ieder die van U weg hoereert.
כִּֽי
(ki)
want
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
רְחֵקֶ֣יךָ
(recheqeikha)
die ver van U zijn
יֹאבֵ֑דוּ
(yovedu)
gaan verloren
הִ֝צְמַ֗תָּה
(hitsmata)
U vernietigt
כָּל
(kal)
ieder
זוֹנֶ֥ה
(zone)
die hoereert
מִמֶּֽךָּ
(mimeka)
van U weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זוֹנֶה (zoneh), ‘hoererend’: het beeld van een volk of mens dat Elohim ontrouw is, zoals een vrouw haar man.

Vergelijk Hos. 1–2.

28Maar voor mij is het goed dicht bij Elohim te zijn. Ik heb mijn Heer Yahweh tot mijn toevlucht gemaakt, om al Uw werken te vertellen.
וַאֲנִ֤י
(vaani)
en ik
קִֽרֲבַ֥ת
(qiravat)
nabijheid van
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
לִ֫י
(li)
voor mij
ט֥וֹב
(tov)
goed
שַׁתִּ֤י
(shati)
ik heb gesteld
בַּאדֹנָ֣י
(badonay)
bij mijn Heer
יְהֹוִ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
מַחְסִ֑י
(machsi)
mijn toevlucht
לְ֝סַפֵּ֗ר
(lesaper)
om te vertellen
כָּל
(kal)
al
מַלְאֲכוֹתֶֽיךָ
(malakhoteikha)
Uw werken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De laatste regel gaat van ‘mij’ naar ‘U’.

Een deel van de oude vertalingen voegt hier toe: ‘in de poorten van de dochter van Sion’; wij volgen de Masoretische tekst.