Elohim Bijbel

Psalmen 141

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Mijn gebed als reukwerk

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Haast U, Yahweh

1Een psalm van David. Yahweh, ik heb U aangeroepen. Kom haastig naar mij. Luister naar mijn stem als ik tot U roep.
מִזְמ֗וֹר
(mizmor)
een psalm
לְדָ֫וִ֥ד
(ledavid)
van David
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
קְ֭רָאתִיךָ
(qeratikha)
ik heb U aangeroepen
ח֣וּשָׁה
(chusha)
haast U
לִּ֑י
(li)
naar mij
הַאֲזִ֥ינָה
(haazina)
luister
ק֝וֹלִ֗י
(qoli)
naar mijn stem
בְּקָרְאִי
(beqarei)
als ik roep
לָֽךְ
(lakh)
tot U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִזְמוֹר (mizmor), ‘psalm’: een lied met snarenspel.

2Moge mijn gebed voor Uw aangezicht gereedstaan als reukwerk, het opheffen van mijn handen als het avondgraanoffer.
תִּכּ֤וֹן
(tikon)
moge gereedstaan
תְּפִלָּתִ֣י
(tefilati)
mijn gebed
קְטֹ֣רֶת
(qetoret)
als reukwerk
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
מַֽשְׂאַ֥ת
(masat)
het opheffen van
כַּ֝פַּ֗י
(kapay)
mijn handen
מִנְחַת
(minchat)
als graanoffer van
עָֽרֶב
(arev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְטֹרֶת (qetoret), ‘reukwerk’, en מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: het gebed stijgt op zoals de rook van het reukwerk (Exod. 30:7–8) en zoals het avondoffer (Exod. 29:41).

Het opheffen van de handen is de gebedshouding.

Bewaak mijn mond

3Zet een wacht, Yahweh, voor mijn mond. Bewaak de deur van mijn lippen.
שִׁיתָ֣ה
(shita)
zet
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
שָׁמְרָ֣ה
(shamera)
een wacht
לְפִ֑י
(lefi)
voor mijn mond
נִ֝צְּרָ֗ה
(nitsera)
bewaak
עַל
(al)
over
דַּ֥ל
(dal)
de deur
שְׂפָתָֽי
(sefatay)
van mijn lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דַּל (dal), ‘deur’: een zeldzaam woord voor ‘deur’ of ‘poort’.

Het beeld is een wachter bij de deur van de lippen.

4Laat mijn hart niet neigen tot iets kwaads, tot het plegen van goddeloze daden met mannen die onrecht doen. Laat mij niet eten van hun lekkernijen.
אַל
(al)
niet
תַּט
(tat)
laat neigen
לִבִּ֨י
(libi)
mijn hart
לְדָבָ֪ר
(ledavar)
tot een zaak
רָ֡ע
(ra)
kwaad
לְהִתְע֘וֹלֵ֤ל
(lehitolel)
om te plegen
עֲלִל֨וֹת
(alilot)
daden
בְּרֶ֗שַׁע
(beresha)
in goddeloosheid
אֶת
(et)
met
אִישִׁ֥ים
(ishim)
mannen
פֹּֽעֲלֵי
(poalei)
die doen
אָ֑וֶן
(aven)
onrecht
וּבַל
(uval)
en niet
אֶ֝לְחַ֗ם
(elcham)
laat mij eten
בְּמַנְעַמֵּיהֶֽם
(bemanameihem)
van hun lekkernijen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַנְעַמִּים (man’ammim), ‘lekkernijen’: heerlijk eten.

Het eten van hun lekkernijen betekent: meedoen met hun tafel en hun daden.

Lezing

Het werkwoord אֶלְחַם (elcham) kan ‘eten’ of ‘strijden’ betekenen.

Door de samenhang (lekkernijen) kiezen wij ‘eten’.

Laat de rechtvaardige mij terechtwijzen

5Moge een rechtvaardige mij slaan: dat is trouw. Moge hij mij terechtwijzen: dat is olie op het hoofd. Mijn hoofd mag dat niet weigeren. Want nog altijd is mijn gebed tegen hun kwaad.
יֶֽהֶלְמֵֽנִי
(yehelmeni)
moge slaan mij
צַדִּ֨יק
(tsadiq)
een rechtvaardige
חֶ֡סֶד
(chesed)
trouw
וְֽיוֹכִיחֵ֗נִי
(veyokhicheni)
en moge terechtwijzen mij
שֶׁ֣מֶן
(shemen)
olie van
רֹ֭אשׁ
(rosh)
hoofd
אַל
(al)
niet
יָנִ֣י
(yani)
moge weigeren
רֹאשִׁ֑י
(roshi)
mijn hoofd
כִּי
(ki)
want
ע֥וֹד
(od)
nog
וּ֝תְפִלָּתִ֗י
(utefilati)
en mijn gebed
בְּרָעוֹתֵיהֶֽם
(beraoteihem)
tegen hun kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de persoon zelf, met zijn leven (vers 8).

Lezing

Dit vers is moeilijk.

Het Hebreeuws zegt: ‘laat een rechtvaardige mij slaan, trouw, en laat hem mij terechtwijzen, olie van het hoofd; mijn hoofd mag dat niet weigeren’.

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: een slag van een rechtvaardige wordt een daad van trouw genoemd.

Het slot van de zin (‘want nog altijd is mijn gebed tegen hun kwaad’) is onzeker: het kan ook luiden ‘mijn gebed is nog bij hun rampen’.

6Hun rechters zijn langs de rots omlaag geworpen. Dan horen zij mijn woorden, want die zijn aangenaam.
נִשְׁמְט֣וּ
(nishmetu)
zijn geworpen
בִֽידֵי
(bidei)
langs de zijkanten van
סֶ֭לַע
(sela)
rots
שֹׁפְטֵיהֶ֑ם
(shofeteihem)
hun rechters
וְשָׁמְע֥וּ
(veshameu)
en zij zullen horen
אֲ֝מָרַ֗י
(amaray)
mijn woorden
כִּ֣י
(ki)
want
נָעֵֽמוּ
(naemu)
zij zijn aangenaam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֶלַע (sela), ‘rots’: hier geen muziekterm maar een gewone rots.

De betekenis van de hele zin is onzeker: de rechters of leiders van de goddelozen worden langs een rotswand omlaag geworpen.

7Zoals men de aarde klieft en splijt, zo zijn onze beenderen verspreid aan de mond van de Sjeol.
כְּמ֤וֹ
(kemo)
zoals
פֹלֵ֣חַ
(poleach)
een die klieft
וּבֹקֵ֣עַ
(uvoqea)
en splijt
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
de aarde
נִפְזְר֥וּ
(nifzeru)
zijn verspreid
עֲ֝צָמֵ֗ינוּ
(atsameinu)
onze beenderen
לְפִ֣י
(lefi)
aan de mond van
שְׁאֽוֹל
(sheol)
Sjeol
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk.

Het beeld is dat van de aarde die opengesneden wordt: de beenderen liggen verspreid, als bij een open graf.

Mijn ogen zijn op U gericht

8Want naar U, Yahweh, mijn Heer, zijn mijn ogen gericht. Bij U schuil ik. Stort mijn ziel niet uit.
כִּ֤י
(ki)
want
אֵלֶ֨יךָ
(eleikha)
naar U
יְהֹוִ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
mijn Heer
עֵינָ֑י
(einay)
mijn ogen
בְּכָ֥ה
(bekha)
bij U
חָ֝סִ֗יתִי
(chasiti)
ik schuil
אַל
(al)
niet
תְּעַ֥ר
(tear)
stort uit
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּעַר (ter), ‘stort uit’: giet leeg, ontbloot.

Bedoeld is: laat mij niet sterven, laat mijn leven niet leeg lopen.

9Behoed mij voor de greep van de valstrik die zij voor mij leggen, en voor de strikken van wie onrecht doen.
שָׁמְרֵ֗נִי
(shamereni)
behoed mij
מִ֣ידֵי
(midei)
voor de greep van
פַ֭ח
(pach)
valstrik
יָ֣קְשׁוּ
(yaqeshu)
zij leggen
לִ֑י
(li)
voor mij
וּ֝מֹקְשׁ֗וֹת
(umoqeshot)
en voor de strikken van
פֹּ֣עֲלֵי
(poalei)
die doen
אָֽוֶן
(aven)
onrecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Laat de goddelozen samen in hun netten vallen, terwijl ik zelf voorbijga.
יִפְּל֣וּ
(yipelu)
laat vallen
בְמַכְמֹרָ֣יו
(bemakhmorav)
in hun netten
רְשָׁעִ֑ים
(reshaim)
goddelozen
יַ֥חַד
(yachad)
samen
אָ֝נֹכִ֗י
(anokhi)
ik zelf
עַֽד
(ad)
terwijl
אֶעֱבֽוֹר
(eevor)
ik voorbijga
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt ‘in zijn netten’ (enkelvoud): elke goddeloze in zijn eigen net.

Wij vertalen ‘hun netten’.

עַד אֶעֱבוֹר (ad e’evor), ‘terwijl ik voorbijga’: ook ‘totdat ik voorbijgegaan ben’.