Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De slag op de Gilboa
1De Filistijnen streden tegen Israël. De mannen van Israël sloegen op de vlucht voor de Filistijnen. Zij vielen gesneuveld op de berg Gilboa.
וּפְלִשְׁתִּ֖ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
נִלְחָמִ֣ים
(nilchamim)
streden
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיָּנֻ֜סוּ
(vayanusu)
en vluchtten
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
de mannen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en zij vielen
חֲלָלִ֖ים
(chalalim)
gesneuveld
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
הַגִּלְבֹּֽעַ
(hagilboa)
Gilboa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Gilboa is het bergland ten zuiden van de vlakte van Jizreël (Israël en de Westelijke Jordaanoever).
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
Het Hebreeuws zegt ‘gesneuvelden’ (חללים, chalalim): wie door het zwaard is gevallen.
Zo komt uit wat in 1 Sam. 28:19 was aangekondigd: de nederlaag van Israël en de dood van Saul en zijn zonen.
4Saul zei tegen de jongen die zijn wapens droeg: „Trek je zwaard en steek mij ermee door. Anders komen deze onbesnedenen, steken mij door en mishandelen mij.” Maar de jongen die zijn wapens droeg, wilde het niet. Want hij was zeer bang. Toen nam Saul het zwaard en viel erop.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁאוּל֩
(shaul)
Saul
לְנֹשֵׂ֨א
(lenose)
tegen de drager van
כֵלָ֜יו
(kelav)
zijn wapens
שְׁלֹ֥ף
(shelof)
trek
חַרְבְּךָ֣
(charbekha)
je zwaard
וְדָקְרֵ֣נִי
(vedaqereni)
en steek mij door
בָ֗הּ
(bah)
ermee
פֶּן
(pen)
anders
יָ֠בוֹאוּ
(yavou)
zullen komen
הָעֲרֵלִ֨ים
(haarelim)
de onbesnedenen
הָאֵ֤לֶּה
(haele)
deze
וּדְקָרֻ֨נִי֙
(udeqaruni)
en mij doorsteken
וְהִתְעַלְּלוּ
(vehitalelu)
en mishandelen
בִ֔י
(bi)
mij
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
אָבָה֙
(ava)
wilde
נֹשֵׂ֣א
(nose)
de drager van
כֵלָ֔יו
(kelav)
zijn wapens
כִּ֥י
(ki)
want
יָרֵ֖א
(yare)
hij was bang
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij nam
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֶ֔רֶב
(hacherev)
het zwaard
וַיִּפֹּ֖ל
(vayipol)
en hij viel
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָעֲרֵלִים (ha’arelim), ‘de onbesnedenen’: zo heten de Filistijnen ook in 1 Sam. 14:6 en 17:26.
הִתְעַלֵּל (hit’allel), ‘mishandelen’: iemand pijn doen en vernederen.
דָּקַר (daqar), ‘doorsteken’: met een zwaard of speer doorboren.
Lezing
Het verhaal van Sauls dood verschilt van het verhaal van de Amalekiet in 2 Sam. 1:6–10.
Wij vertalen hier de tekst van dit hoofdstuk letterlijk.
7De mannen van Israël aan de overkant van het dal en aan de overkant van de Jordaan zagen dat de mannen van Israël gevlucht waren. Zij zagen ook dat Saul en zijn zonen dood waren. Zij verlieten de steden en vluchtten. De Filistijnen kwamen en gingen daarin wonen.
וַיִּרְא֣וּ
(vayiru)
en zagen
אַנְשֵֽׁי
(anshei)
de mannen van
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּעֵ֨בֶר
(beever)
aan de overkant van
הָעֵ֜מֶק
(haemeq)
het dal
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en die
בְּעֵ֣בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֗ן
(hayarden)
de Jordaan
כִּֽי
(ki)
dat
נָ֨סוּ֙
(nasu)
gevlucht waren
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְכִי
(vekhi)
en dat
מֵ֖תוּ
(metu)
dood waren
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
וּבָנָ֑יו
(uvanav)
en zijn zonen
וַיַּעַזְב֤וּ
(vayaazvu)
en zij verlieten
אֶת
(et)
(obj.)
הֶֽעָרִים֙
(hearim)
de steden
וַיָּנֻ֔סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en kwamen
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וַיֵּֽשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en woonden
בָּהֶֽן
(bahen)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
‘Het dal’ is waarschijnlijk de vlakte van Jizreël (Israël).
‘Aan de overkant van de Jordaan’ ligt ten oosten van de rivier.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
9Zij hakten zijn hoofd af en trokken hem zijn wapens uit. Zij stuurden boden rond in het land van de Filistijnen. Die brachten het goede nieuws aan het huis van hun afgoden en aan het volk.
וַֽיִּכְרְתוּ֙
(vayikhretu)
en zij hakten af
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיַּפְשִׁ֖יטוּ
(vayafshitu)
en zij kleedden uit
אֶת
(et)
(obj.)
כֵּלָ֑יו
(kelav)
zijn wapens
וַיְשַׁלְּח֨וּ
(vayshalechu)
en zij stuurden
בְאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
פְּלִשְׁתִּ֜ים
(pelishtim)
de Filistijnen
סָבִ֗יב
(saviv)
rondom
לְבַשֵּׂ֛ר
(levaser)
om goed nieuws te brengen
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
עֲצַבֵּיהֶ֖ם
(atsabeihem)
hun afgoden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
לְבַשֵּׂר (levasser), ‘goed nieuws brengen’: het werkwoord dat ook voor een blijde boodschap staat.
Hier is het nieuws goed voor de Filistijnen.
Het Hebreeuws noemt geen voorwerp bij ‘zij stuurden’; wij vullen ‘boden’ aan.
12Alle dappere mannen stonden op en liepen de hele nacht. Zij haalden het lichaam van Saul en de lichamen van zijn zonen van de muur van Bet-Sean. Zij kwamen in Jabes en verbrandden hen daar.
וַיָּק֜וּמוּ
(vayaqumu)
en zij stonden op
כָּל
(kal)
alle
אִ֣ישׁ
(ish)
mannen van
חַיִל֮
(chayil)
kracht
וַיֵּלְכ֣וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
כָל
(kal)
heel
הַלַּיְלָה֒
(halayla)
de nacht
וַיִּקְח֞וּ
(vayiqchu)
en zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
גְּוִיַּ֣ת
(geviyat)
het lichaam van
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
גְּוִיֹּ֣ת
(geviyot)
de lichamen van
בָּנָ֔יו
(banav)
zijn zonen
מֵחוֹמַ֖ת
(mechomat)
van de muur van
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
שָׁ֑ן
(shan)
Sean
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
יָבֵ֔שָׁה
(yavesha)
naar Jabes
וַיִּשְׂרְפ֥וּ
(vayisrefu)
en zij verbrandden
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bet-San: Bet-San (Beth-Sjean) ligt in het Jordaandal, ten zuiden van het meer van Galilea.
Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.
Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.
Uitleg
Gewoonlijk werden doden begraven (Gen. 23:19).
Hier verbranden de mannen de lichamen en begraven zij de beenderen.
Vergelijk 2 Sam. 2:4–7 en 2 Sam. 21:12–14, waar David hun daad prijst en de beenderen later naar het graf van Kis laat brengen.