Elohim Bijbel

Jesaja 4

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Een heilig overblijfsel in Sion

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zeven vrouwen en één man

1Zeven vrouwen grijpen op die dag één man vast. Zij zeggen: „Ons brood eten wij en onze kleren dragen wij. Laat alleen jouw naam over ons uitgeroepen worden. Neem onze smaad weg.”
וְהֶחֱזִיקוּ֩
(vehecheziqu)
en zullen vastgrijpen
שֶׁ֨בַע
(sheva)
zeven
נָשִׁ֜ים
(nashim)
vrouwen
בְּאִ֣ישׁ
(beish)
een man
אֶחָ֗ד
(echad)
één
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לַחְמֵ֣נוּ
(lachmenu)
ons brood
נֹאכֵ֔ל
(nokhel)
eten wij
וְשִׂמְלָתֵ֖נוּ
(vesimlatenu)
en onze kleren
נִלְבָּ֑שׁ
(nilbash)
dragen wij
רַ֗ק
(raq)
alleen
יִקָּרֵ֤א
(yiqare)
laat uitgeroepen worden
שִׁמְךָ֙
(shimkha)
jouw naam
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
אֱסֹ֖ף
(esof)
neem weg
חֶרְפָּתֵֽנוּ
(cherpatenu)
onze smaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers sluit aan op het einde van hoofdstuk 3, waar de mannen vallen (Jes. 3:25–26).

Er zijn dan veel meer vrouwen dan mannen.

יִקָּרֵא שִׁמְךָ עָלֵינוּ (yikkare shimkha aleinu), ‘laat jouw naam over ons uitgeroepen worden’: de vrouwen willen met de naam van de man genoemd worden, dus zijn vrouw zijn.

חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad’: schande. Hier is het de schande van ongehuwd en kinderloos te zijn.

De spruit van Yahweh

2Op die dag zal de spruit van Yahweh tot sieraad en heerlijkheid zijn. De vrucht van het land zal tot trots en luister zijn voor de ontkomenen van Israël.
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יִֽהְיֶה֙
(yihye)
zal zijn
צֶ֣מַח
(tsemach)
de spruit van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לִצְבִ֖י
(litsvi)
tot sieraad
וּלְכָב֑וֹד
(ulekhavod)
en tot heerlijkheid
וּפְרִ֤י
(uferi)
en de vrucht van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
לְגָא֣וֹן
(legaon)
tot trots
וּלְתִפְאֶ֔רֶת
(uletiferet)
en tot luister
לִפְלֵיטַ֖ת
(lifleitat)
voor de ontkomenen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֶמַח יְהוָה (tsemach Yahweh), ‘spruit van Yahweh’: tsemach is wat uit de grond opkomt.

Het staat naast ‘de vrucht van het land’, en daarom kan het gaan om de groei van het land zelf.

Later wordt ‘Spruit’ een naam voor een koning uit het huis van David (Jer. 23:5, 33:15 en Zach. 3:8, 6:12).

Wij schrijven ‘spruit’ met een kleine letter en laten de keuze open.

פְּלֵיטָה (peletah), ‘ontkomenen’: wie aan een ramp ontsnapt. Dit is een ander woord dan שְׁאֵרִית (she’erit), ‘overblijfsel’.

3Wie in Sion overblijft en wie in Jeruzalem achterblijft, zal heilig worden genoemd: ieder die voor het leven is opgeschreven in Jeruzalem.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
הַנִּשְׁאָ֣ר
(hanishar)
wie overblijft
בְּצִיּ֗וֹן
(betsiyon)
in Sion
וְהַנּוֹתָר֙
(vehanotar)
en wie achterblijft
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
קָד֖וֹשׁ
(qadosh)
heilig
יֵאָ֣מֶר
(yeamer)
zal worden genoemd
ל֑וֹ
(lo)
hem
כָּל
(kal)
ieder
הַכָּת֥וּב
(hakatuv)
die is opgeschreven
לַחַיִּ֖ים
(lachayim)
voor het leven
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

הַנִּשְׁאָר (hannish’ar) en הַנּוֹתָר (hannotar), ‘wie overblijft’ en ‘wie achterblijft’: twee werkwoorden voor ‘overblijven’.

Het gaat om de rest die de ramp overleeft.

הַכָּתוּב לַחַיִּים (hakkatuv lachayyim), ‘ieder die voor het leven is opgeschreven’: ingeschreven in de lijst van de levenden. Vergelijk het boek in Exod. 32:32 en Ps. 69:29. Het Hebreeuws laat open of ‘in Jeruzalem’ bij ‘opgeschreven’ hoort of bij ‘het leven’.

4Wanneer de Heer het vuil van de dochters van Sion heeft afgewassen en de bloedschuld van Jeruzalem uit haar midden heeft weggespoeld, door een geest van recht en een geest van verbranding,
אִ֣ם
(im)
wanneer
רָחַ֣ץ
(rachats)
heeft afgewassen
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
de Heer
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
צֹאַ֣ת
(tsoat)
het vuil van
בְּנוֹת
(benot)
de dochters van
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
דְּמֵ֥י
(demei)
de bloedschuld van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
יָדִ֣יחַ
(yadiach)
heeft weggespoeld
מִקִּרְבָּ֑הּ
(miqirbah)
uit haar midden
בְּר֥וּחַ
(beruach)
door een geest van
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
וּבְר֥וּחַ
(uveruach)
en door een geest van
בָּעֵֽר
(baer)
verbranding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

צֹאָה (tso’ah), ‘vuil’: een sterk woord voor viezigheid die onrein maakt.

דָּמִים (damim), ‘bloed’ in het meervoud: vergoten bloed, dus bloedschuld.

רוּחַ (ruach), ‘geest’: het woord kan ook ‘wind’ of ‘adem’ zijn.

בָּעֵר (be’er), ‘verbranding’: het werkwoord בער (ba’ar) betekent ‘branden’ en ‘verteren’. Het keert terug in 5:5 en 6:13.

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel van Yahweh. De zin met ‘wanneer’ loopt door in vers 5.

Wolk en vuur boven Sion

5dan schept Yahweh boven elke woonplaats op de berg Sion en boven haar samenkomsten overdag een wolk en rook, en 's nachts de glans van een vlammend vuur. Want over alle heerlijkheid is een overdekking.
וּבָרָ֣א
(uvara)
en Hij zal scheppen
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל֩
(al)
over
כָּל
(kal)
elke
מְכ֨וֹן
(mekhon)
woonplaats van
הַר
(har)
de berg
צִיּ֜וֹן
(tsiyon)
Sion
וְעַל
(veal)
en over
מִקְרָאֶ֗הָ
(miqraeha)
haar samenkomsten
עָנָ֤ן
(anan)
een wolk
יוֹמָם֙
(yomam)
overdag
וְעָשָׁ֔ן
(veashan)
en rook
וְנֹ֛גַהּ
(venogah)
en de glans van
אֵ֥שׁ
(esh)
een vuur
לֶהָבָ֖ה
(lehava)
vlammend
לָ֑יְלָה
(layela)
's nachts
כִּ֥י
(ki)
want
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
כָּב֖וֹד
(kavod)
heerlijkheid
חֻפָּֽה
(chupa)
een overdekking
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בָּרָא (bara), ‘scheppen’: hetzelfde werkwoord als in Gen. 1:1.

עָנָן (anan), ‘wolk’, en אֵשׁ (esh), ‘vuur’: zoals de wolkkolom en de vuurkolom in de woestijn (Exod. 13:21–22). De heerlijkheid van Yahweh vulde ook de tabernakel (Exod. 40:34–35).

מִקְרָא (miqra), ‘samenkomst’: een bijeenkomst van het volk, zoals bij de feesten.

חֻפָּה (chuppah), ‘overdekking’: een dak of baldakijn. Elders staat het woord voor de ‘bruidskamer’ (Joël 2:16 en Ps. 19:6).

6En een hut zal er zijn als schaduw overdag tegen de hitte, en als toevlucht en schuilplaats tegen de stortbui en de regen.
וְסֻכָּ֛ה
(vesuka)
en een hut
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zal zijn
לְצֵל
(letsel)
tot schaduw
יוֹמָ֖ם
(yomam)
overdag
מֵחֹ֑רֶב
(mechorev)
tegen de hitte
וּלְמַחְסֶה֙
(ulemachse)
en tot toevlucht
וּלְמִסְתּ֔וֹר
(ulemistor)
en tot schuilplaats
מִזֶּ֖רֶם
(mizerem)
tegen de stortbui
וּמִמָּטָֽר
(umimatar)
en tegen de regen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֻכָּה (sukkah), ‘hut’: een tijdelijk onderkomen van takken, zoals bij het feest van de hutten (Lev. 23:42).

חֹרֶב (chorev), ‘hitte’: de droge hitte van de dag.

זֶרֶם (zerem), ‘stortbui’: een hevige regenbui.