Elohim Bijbel

Exodus 17

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

Water uit de rots en de strijd tegen Amalek

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Water uit de rots in Refidim

1Heel de gemeenschap van de zonen van Israël brak op uit de woestijn Sin, van etappe naar etappe, op bevel van Yahweh, en legerde zich in Refidim. Maar daar was geen water voor het volk om te drinken.
וַ֠יִּסְעוּ
(vayisu)
en braken op
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֨ת
(adat)
de gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֧ל
(yisrael)
Israël
מִמִּדְבַּר
(mimidbar)
uit de woestijn van
סִ֛ין
(sin)
Sin
לְמַסְעֵיהֶ֖ם
(lemaseihem)
volgens hun tochten
עַל
(al)
op
פִּ֣י
(pi)
bevel van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיַּחֲנוּ֙
(vayachanu)
en legerden zich
בִּרְפִידִ֔ים
(birfidim)
in Refidim
וְאֵ֥ין
(veein)
en er was geen
מַ֖יִם
(mayim)
water
לִשְׁתֹּ֥ת
(lishtot)
om te drinken
הָעָֽם
(haam)
voor het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Refidim lag vermoedelijk in het zuiden van het Sinaïschiereiland, niet ver van de berg Horeb; de precieze ligging is onbekend.

Zie Num. 33:14.

Zie Woestijn Sin: De woestijn Sin ligt tussen Elim en de Sinaï.

De traditionele ligging is de kustvlakte aan de westkant van het schiereiland Sinaï.

2Het volk twistte met Mozes en zei: „Geef ons water, zodat wij kunnen drinken.” Mozes zei tot hen: „Waarom twisten jullie met mij? Waarom stellen jullie Yahweh op de proef?”
וַיָּ֤רֶב
(vayarev)
en twistte
הָעָם֙
(haam)
het volk
עִם
(im)
met
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
תְּנוּ
(tenu)
geef
לָ֥נוּ
(lanu)
ons
מַ֖יִם
(mayim)
water
וְנִשְׁתֶּ֑ה
(venishte)
dat wij drinken
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
מַה
(ma)
wat
תְּרִיבוּן֙
(terivun)
twisten jullie
עִמָּדִ֔י
(imadi)
met mij
מַה
(ma)
wat
תְּנַסּ֖וּן
(tenasun)
stellen jullie op de proef
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het volk twist (רִיב, riv) met Mozes en stelt Yahweh op de proef (נִסָּה, nissah).

Beide woorden geven de plaatsnamen in vers 7: Massa (‘proeven’) en Meriba (‘twist’).

Zie Deut. 6:16; 9:22; 33:8; Ps. 95:8–9.

3Daar had het volk dorst naar water. Het volk morde tegen Mozes en zei: „Waarom hebt u ons uit Egypte laten optrekken, om mij, mijn zonen en mijn vee van dorst te laten sterven?”
וַיִּצְמָ֨א
(vayitsma)
en dorstte
שָׁ֤ם
(sham)
daar
הָעָם֙
(haam)
het volk
לַמַּ֔יִם
(lamayim)
naar water
וַיָּ֥לֶן
(vayalen)
en morde
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
עַל
(al)
tegen
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
זֶּה֙
(ze)
dit
הֶעֱלִיתָ֣נוּ
(heelitanu)
hebt u ons laten optrekken
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
לְהָמִ֥ית
(lehamit)
om te doden
אֹתִ֛י
(oti)
mij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנַ֥י
(banay)
mijn zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִקְנַ֖י
(miqnay)
mijn vee
בַּצָּמָֽא
(batsama)
met dorst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

4Mozes riep tot Yahweh: „Wat moet ik met dit volk doen? Nog even, en zij stenigen mij.”
וַיִּצְעַ֤ק
(vayitsaq)
en riep
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
מָ֥ה
(ma)
wat
אֶעֱשֶׂ֖ה
(eese)
zal ik doen
לָעָ֣ם
(laam)
met het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
ע֥וֹד
(od)
nog
מְעַ֖ט
(meat)
een weinig
וּסְקָלֻֽנִי
(useqaluni)
en zij zullen mij stenigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Yahweh zei tot Mozes: „Ga voor het volk uit en neem enkele oudsten van Israël met je mee. Neem ook je staf in je hand, waarmee je de Nijl hebt geslagen, en ga.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
עֲבֹר֙
(avor)
ga
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְקַ֥ח
(veqach)
en neem
אִתְּךָ֖
(itekha)
met je
מִזִּקְנֵ֣י
(miziqnei)
van de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּמַטְּךָ֗
(umatekha)
en je staf
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarmee
הִכִּ֤יתָ
(hikita)
je sloeg
בּוֹ֙
(bo)
daarmee
אֶת
(et)
(obj.)
הַיְאֹ֔ר
(hayor)
de Nijl
קַ֥ח
(qach)
neem
בְּיָדְךָ֖
(beyadekha)
in je hand
וְהָלָֽכְתָּ
(vehalakhta)
en ga
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

6Zie, Ik zal daar voor je staan op de rots bij Horeb. Je moet op de rots slaan, en er zal water uit komen, zodat het volk kan drinken.” Mozes deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël.
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie, Ik
עֹמֵד֩
(omed)
staande
לְפָנֶ֨יךָ
(lefaneikha)
voor je
שָּׁ֥ם
(sham)
daar
עַֽל
(al)
op
הַצּוּר֮
(hatsur)
de rots
בְּחֹרֵב֒
(bechorev)
bij Horeb
וְהִכִּ֣יתָ
(vehikita)
en je zult slaan
בַצּ֗וּר
(batsur)
op de rots
וְיָצְא֥וּ
(veyatseu)
en zullen uitgaan
מִמֶּ֛נּוּ
(mimenu)
daaruit
מַ֖יִם
(mayim)
water
וְשָׁתָ֣ה
(veshata)
en zal drinken
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en deed
כֵּן֙
(ken)
zo
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De rots bij Horeb: Yahweh staat ‘daar’ voor Mozes.

Horeb wordt hier genoemd vóór de aankomst bij de Sinaï (19:1–2); sommigen zien Horeb en Sinaï als twee namen van dezelfde berg.

Uitleg

Paulus noemt in 1 Kor. 10:4 de rots ‘de Messias’.

7Hij noemde die plaats Massa en Meriba, vanwege de twist van de zonen van Israël en omdat zij Yahweh op de proef hadden gesteld met de woorden: „Is Yahweh in ons midden of niet?”
וַיִּקְרָא֙
(vayiqra)
en noemde
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
הַמָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
מַסָּ֖ה
(masa)
Massa
וּמְרִיבָ֑ה
(umeriva)
en Meriba
עַל
(al)
vanwege
רִ֣יב
(riv)
twist van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְעַ֨ל
(veal)
en vanwege
נַסֹּתָ֤ם
(nasotam)
hun op de proef stellen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הֲיֵ֧שׁ
(hayesh)
is er
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּקִרְבֵּ֖נוּ
(beqirbenu)
in ons midden
אִם
(im)
of
אָֽיִן
(ayin)
niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Massa en Meriba werden de naam van de plaats; de ligging is onbekend.

Zie ook Num. 20:13.

De strijd tegen Amalek

8Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Refidim.
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en kwam
עֲמָלֵ֑ק
(amaleq)
Amalek
וַיִּלָּ֥חֶם
(vayilachem)
en streed
עִם
(im)
met
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בִּרְפִידִֽם
(birfidim)
in Refidim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Refidim: Refidim wordt van oudsher gezocht in Wadi Feiran, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Dit is een traditionele identificatie.

Uitleg

Amalek was een volk van nomaden, afstammelingen van Ezau (Gen. 36:12, 16), dat in de Negev en op het Sinaïschiereiland leefde.

Deut. 25:17–19 herinnert aan deze aanval.

9Mozes zei tot Jozua: „Kies mannen voor ons uit en trek uit om tegen Amalek te strijden. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan, met de staf van Elohim in mijn hand.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
בְּחַר
(bechar)
kies
לָ֣נוּ
(lanu)
voor ons
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
וְצֵ֖א
(vetse)
en trek uit
הִלָּחֵ֣ם
(hilachem)
strijd
בַּעֲמָלֵ֑ק
(baamaleq)
tegen Amalek
מָחָ֗ר
(machar)
morgen
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
ik
נִצָּב֙
(nitsav)
sta
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
de top van
הַגִּבְעָ֔ה
(hagiva)
de heuvel
וּמַטֵּ֥ה
(umate)
en de staf van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
בְּיָדִֽי
(beyadi)
in mijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de eerste keer dat Jozua wordt genoemd; hij is de legeraanvoerder (zie Num. 13:8, 16).

10Jozua deed zoals Mozes hem had gezegd, om tegen Amalek te strijden; Mozes, Aäron en Chur klommen naar de top van de heuvel.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en deed
יְהוֹשֻׁ֗עַ
(yehoshua)
Jozua
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
אָֽמַר
(amar)
zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
לְהִלָּחֵ֖ם
(lehilachem)
om te strijden
בַּעֲמָלֵ֑ק
(baamaleq)
tegen Amalek
וּמֹשֶׁה֙
(umoshe)
en Mozes
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
וְח֔וּר
(vechur)
en Chur
עָל֖וּ
(alu)
klommen
רֹ֥אשׁ
(rosh)
de top van
הַגִּבְעָֽה
(hagiva)
de heuvel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zolang Mozes zijn hand omhoog hield, had Israël de overhand; en wanneer hij zijn hand liet zakken, had Amalek de overhand.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
wanneer
יָרִ֥ים
(yarim)
opheft
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
וְגָבַ֣ר
(vegavar)
dan overwon
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְכַאֲשֶׁ֥ר
(vekhaasher)
en wanneer
יָנִ֛יחַ
(yaniach)
hij neerlegt
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
וְגָבַ֥ר
(vegavar)
dan overwon
עֲמָלֵֽק
(amaleq)
Amalek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De opgeheven hand van Mozes met de staf van Elohim is een teken van Yahweh’s hulp.

Zie vers 12 en 15–16.

12Maar de handen van Mozes werden zwaar. Zij namen een steen en legden die onder hem, en hij ging erop zitten. Aäron en Chur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene kant, de ander aan de andere kant, zodat zijn handen standvastig bleven tot de zon onderging.
וִידֵ֤י
(videi)
en de handen van
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
כְּבֵדִ֔ים
(kevedim)
waren zwaar
וַיִּקְחוּ
(vayiqchu)
en zij namen
אֶ֛בֶן
(even)
een steen
וַיָּשִׂ֥ימוּ
(vayasimu)
en legden
תַחְתָּ֖יו
(tachtav)
onder hem
וַיֵּ֣שֶׁב
(vayeshev)
en hij zat
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
daarop
וְאַהֲרֹ֨ן
(veaharon)
en Aäron
וְח֜וּר
(vechur)
en Chur
תָּֽמְכ֣וּ
(tamekhu)
ondersteunden
בְיָדָ֗יו
(beyadav)
zijn handen
מִזֶּ֤ה
(mize)
aan deze kant
אֶחָד֙
(echad)
één
וּמִזֶּ֣ה
(umize)
en aan die kant
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en waren
יָדָ֛יו
(yadav)
zijn handen
אֱמוּנָ֖ה
(emuna)
standvastig
עַד
(ad)
tot
בֹּ֥א
(bo)
het komen van
הַשָּֽׁמֶשׁ
(hashamesh)
de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Jozua versloeg Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard.
וַיַּחֲלֹ֧שׁ
(vayachalosh)
en overwon
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמָלֵ֥ק
(amaleq)
Amalek
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָֽרֶב
(charev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Yahweh zei tot Mozes: „Schrijf dit op in een boek, tot gedachtenis, en prent het Jozua in: Ik zal de herinnering aan Amalek volledig uitwissen van onder de hemel.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
כְּתֹ֨ב
(ketov)
schrijf
זֹ֤את
(zot)
dit
זִכָּרוֹן֙
(zikaron)
tot gedachtenis
בַּסֵּ֔פֶר
(basefer)
in een boek
וְשִׂ֖ים
(vesim)
en leg
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
יְהוֹשֻׁ֑עַ
(yehoshua)
Jozua
כִּֽי
(ki)
dat
מָחֹ֤ה
(macho)
uitwissen
אֶמְחֶה֙
(emche)
Ik zal uitwissen
אֶת
(et)
(obj.)
זֵ֣כֶר
(zekher)
de herinnering aan
עֲמָלֵ֔ק
(amaleq)
Amalek
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
van onder
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Schrijf dit op in een boek’: Mozes schrijft ook elders op wat Yahweh gebiedt (24:4; 34:27; Num. 33:2).

15Mozes bouwde een altaar en noemde het: Yahweh is mijn banier.
וַיִּ֥בֶן
(vayiven)
en bouwde
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
מִזְבֵּ֑חַ
(mizbeach)
een altaar
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
נִסִּֽי
(nisi)
mijn banier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה נִסִּי (Yahweh nissi), ‘Yahweh is mijn banier’; נֵס (nes) is een signaalstaak.

Het woord lijkt op נִסָּה (nissah), ‘op de proef stellen’.

16Hij zei: „Een hand op de troon van Jah! Yahweh voert oorlog tegen Amalek, van generatie op generatie.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כִּֽי
(ki)
want
יָד֙
(yad)
een hand
עַל
(al)
op
כֵּ֣ס
(kes)
de troon van
יָ֔הּ
(yah)
Jah
מִלְחָמָ֥ה
(milchama)
oorlog
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
בַּֽעֲמָלֵ֑ק
(baamaleq)
tegen Amalek
מִדֹּ֖ר
(midor)
van generatie
דֹּֽר
(dor)
tot generatie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

כֵּס יָהּ (kes Yah) is letterlijk ‘de troon van Jah’; sommigen lezen נֵס (nes), ‘banier’, wat past bij vers 15: ‘een hand op de banier van Jah’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Het vers is onduidelijk; wij laten het zo.