De vervolging, Filippus in Samaria en de eunuch uit Ethiopië
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Vervolging en verspreiding
1Saulus stemde in met zijn dood. Op die dag brak er een zware vervolging uit tegen de gemeente in Jeruzalem. Allen werden verspreid over de streken van Judea en Samaria, behalve de apostelen.
Σαῦλος
(Saulos)
Saulus
δὲ
(de)
nu
ἦν
(en)
was
συνευδοκῶν
(syneudokon)
instemmend
τῇ
(te)
met de
ἀναιρέσει
(anairesei)
doding
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Ἐγένετο
(Egeneto)
ontstond
δὲ
(de)
nu
ἐν
(en)
op
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
τῇ
(te)
de
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
διωγμὸς
(diogmos)
vervolging
μέγας
(megas)
grote
ἐπὶ
(epi)
tegen
τὴν
(ten)
de
ἐκκλησίαν
(ekklesian)
gemeente
τὴν
(ten)
die
ἐν
(en)
in
Ἱεροσολύμοις
(Hierosolymois)
Jeruzalem
πάντες
(pantes)
allen
δὲ
(de)
nu
διεσπάρησαν
(diesparesan)
werden verspreid
κατὰ
(kata)
over
τὰς
(tas)
de
χώρας
(choras)
streken
τῆς
(tes)
van
Ἰουδαίας
(Ioudaias)
Judea
καὶ
(kai)
en
Σαμαρείας
(Samareias)
Samaria
πλὴν
(plen)
behalve
τῶν
(ton)
de
ἀποστόλων
(apostolon)
apostelen
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.
Het komt overeen met het oude Juda.
Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever.
Uitleg
Σαῦλος (Saulos), ‘Saulus’: zie 7:58.
De naam Paulus volgt pas in 13:9. συνευδοκέω (syneudokeo), ‘instemmen’: Saulus keurde de doding van Stefanus goed. διωγμός (diogmos), ‘vervolging’.
2Vrome mannen droegen Stefanus weg en hielden een grote rouwklacht over hem.
συνεκόμισαν
(synekomisan)
droegen weg
δὲ
(de)
nu
τὸν
(ton)
de
Στέφανον
(Stephanon)
Stefanus
ἄνδρες
(andres)
mannen
εὐλαβεῖς
(eulabeis)
vrome
καὶ
(kai)
en
ἐποίησαν
(epoiesan)
hielden
κοπετὸν
(kopeton)
rouwklacht
μέγαν
(megan)
grote
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
συγκομίζω (sygkomizo), ‘wegdragen’: waarschijnlijk om Stefanus te begraven; het Grieks zegt dat niet. εὐλαβής (eulabes), ‘vroom’: iemand die Elohim met ontzag dient. κοπετός (kopetos), ‘rouwklacht’: luide rouw met klagen.
3Saulus richtte de gemeente te gronde. Hij ging huis na huis binnen, sleepte mannen en vrouwen mee en leverde hen over aan de gevangenis.
4Zij die verspreid waren, trokken dus rond en brachten het woord als goede boodschap.
Οἱ
(Hoi)
de
μὲν
(men)
wel
οὖν
(oun)
dus
διασπαρέντες
(diasparentes)
verspreid zijnde
διῆλθον
(dielthon)
trokken rond
εὐαγγελιζόμενοι
(euangelizomenoi)
de goede boodschap brengend
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
Bron: SBLGNT
5Filippus ging naar de stad van Samaria af en verkondigde hun de Messias.
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
δὲ
(de)
nu
κατελθὼν
(katelthon)
afgedaald
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
πόλιν
(polin)
stad
τῆς
(tes)
van
Σαμαρείας
(Samareias)
Samaria
ἐκήρυσσεν
(ekeryssen)
verkondigde
αὐτοῖς
(autois)
hun
τὸν
(ton)
de
χριστόν
(christon)
Messias
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Samaria (de stad; Sebaste?; ligging onzeker): Het Grieks zegt ‘de stad van Samaria’.
Bedoeld is vermoedelijk de stad Samaria (door Herodes Sebaste genoemd, bij het huidige Sebastiya) of een andere stad in Samaria.
Dit is niet zeker.
Uitleg
‘De stad van Samaria’: het Grieks heeft een lidwoord en noemt geen andere naam.
Het kan de stad Samaria zijn of een stad in het gebied Samaria; de tekst zegt het niet. κηρύσσω (kerysso), ‘verkondigen’.
6De menigten schonken eensgezind aandacht aan wat Filippus zei, toen zij hem hoorden en de tekenen zagen die hij deed.
προσεῖχον
(proseichon)
schonken aandacht
δὲ
(de)
nu
οἱ
(hoi)
de
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
τοῖς
(tois)
aan wat
λεγομένοις
(legomenois)
gezegd werd
ὑπὸ
(hypo)
door
τοῦ
(tou)
de
Φιλίππου
(Philippou)
Filippus
ὁμοθυμαδὸν
(homothymadon)
eensgezind
ἐν
(en)
toen
τῷ
(to)
het
ἀκούειν
(akouein)
horen
αὐτοὺς
(autous)
zij
καὶ
(kai)
en
βλέπειν
(blepein)
zien
τὰ
(ta)
de
σημεῖα
(semeia)
tekenen
ἃ
(ha)
die
ἐποίει
(epoiei)
hij deed
Bron: SBLGNT
7Want bij velen die onreine geesten hadden, gingen die geesten uit, schreeuwend met luide stem. Ook veel verlamden en kreupelen werden genezen.
πολλοὶ
(polloi)
velen
γὰρ
(gar)
want
τῶν
(ton)
van hen die
ἐχόντων
(echonton)
hadden
πνεύματα
(pneumata)
geesten
ἀκάθαρτα
(akatharta)
onreine
βοῶντα
(boonta)
schreeuwend
φωνῇ
(phone)
met stem
μεγάλῃ
(megale)
luide
ἐξήρχοντο
(exerchonto)
gingen uit
πολλοὶ
(polloi)
velen
δὲ
(de)
nu
παραλελυμένοι
(paralelymenoi)
verlamden
καὶ
(kai)
en
χωλοὶ
(choloi)
kreupelen
ἐθεραπεύθησαν
(etherapeuthesan)
werden genezen
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft bij ‘schreeuwend’ een onzijdige vorm: het zijn de geesten die schreeuwen, niet de mensen.
8Er was grote vreugde in die stad.
ἐγένετο
(egeneto)
ontstond
δὲ
(de)
nu
πολλὴ
(polle)
grote
χαρὰ
(chara)
vreugde
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πόλει
(polei)
stad
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
Bron: SBLGNT
Simon de magiër
9Er was in de stad al eerder een man met de naam Simon, die magie bedreef en het volk van Samaria verbijsterde. Hij zei dat hij zelf iemand groots was.
Ἀνὴρ
(Aner)
een man
δέ
(de)
nu
τις
(tis)
zekere
ὀνόματι
(onomati)
met de naam
Σίμων
(Simon)
Simon
προϋπῆρχεν
(prouperchen)
was er al eerder
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πόλει
(polei)
stad
μαγεύων
(mageuon)
magie bedrijvend
καὶ
(kai)
en
ἐξιστάνων
(existanon)
verbijsterend
τὸ
(to)
het
ἔθνος
(ethnos)
volk
τῆς
(tes)
van
Σαμαρείας
(Samareias)
Samaria
λέγων
(legon)
zeggend
εἶναί
(einai)
te zijn
τινα
(tina)
iemand
ἑαυτὸν
(heauton)
hijzelf
μέγαν
(megan)
groots
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever.
Uitleg
μαγεύω (mageuo), ‘magie bedrijven’: van μάγος (magos), zoals de ‘magiërs’ in Matt. 2:1. ἔθνος (ethnos), ‘volk’: het volk van Samaria.
10Allen, van klein tot groot, schonken hem aandacht. Zij zeiden: „Deze is de Kracht van Elohim, die de Grote wordt genoemd.”
ᾧ
(ho)
aan wie
προσεῖχον
(proseichon)
schonken aandacht
πάντες
(pantes)
allen
ἀπὸ
(apo)
van
μικροῦ
(mikrou)
klein
ἕως
(heos)
tot
μεγάλου
(megalou)
groot
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Οὗτός
(Houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ἡ
(he)
de
Δύναμις
(Dynamis)
Kracht
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἡ
(he)
die
καλουμένη
(kaloumene)
genoemd wordt
Μεγάλη
(Megale)
de Grote
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἡ Δύναμις τοῦ θεοῦ ἡ καλουμένη Μεγάλη (he Dynamis tou theou he kaloumene Megale), ‘de Kracht van Elohim, die de Grote wordt genoemd’: men hield Simon voor een verschijning van de kracht van Elohim.
11Zij schonken hem aandacht, omdat hij hen al geruime tijd met zijn magie had verbijsterd.
προσεῖχον
(proseichon)
schonken aandacht
δὲ
(de)
nu
αὐτῷ
(auto)
hem
διὰ
(dia)
vanwege
τὸ
(to)
het
ἱκανῷ
(hikano)
geruime
χρόνῳ
(chrono)
tijd
ταῖς
(tais)
met de
μαγείαις
(mageiais)
magie
ἐξεστακέναι
(exestakenai)
verbijsterd te hebben
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
12Filippus bracht de goede boodschap over het koninkrijk van Elohim en de naam van Yeshua de Messias. Toen zij hem geloofden, werden mannen en vrouwen gedoopt.
ὅτε
(hote)
toen
δὲ
(de)
nu
ἐπίστευσαν
(episteusan)
zij geloofden
τῷ
(to)
aan
Φιλίππῳ
(Philippo)
Filippus
εὐαγγελιζομένῳ
(euangelizomeno)
die de goede boodschap bracht
περὶ
(peri)
over
τῆς
(tes)
het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
τοῦ
(tou)
de
ὀνόματος
(onomatos)
naam
Ἰησοῦ
(Iesou)
van Yeshua
Χριστοῦ
(Christou)
de Messias
ἐβαπτίζοντο
(ebaptizonto)
werden gedoopt
ἄνδρες
(andres)
mannen
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
als
γυναῖκες
(gynaikes)
vrouwen
Bron: SBLGNT
Uitleg
βασιλεία τοῦ θεοῦ (basileia tou theou), ‘het koninkrijk van Elohim’.
‘De naam van Yeshua de Messias’: Χριστός (Christos) is hier ‘Messias’, zoals in de evangeliën.
13Ook Simon zelf geloofde. Nadat hij gedoopt was, bleef hij Filippus vergezellen. Toen hij tekenen en grote krachten zag gebeuren, stond hij versteld.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
nu
Σίμων
(Simon)
Simon
καὶ
(kai)
ook
αὐτὸς
(autos)
zelf
ἐπίστευσεν
(episteusen)
geloofde
καὶ
(kai)
en
βαπτισθεὶς
(baptistheis)
gedoopt
ἦν
(en)
was
προσκαρτερῶν
(proskarteron)
zich houdend
τῷ
(to)
aan
Φιλίππῳ
(Philippo)
Filippus
θεωρῶν
(theoron)
aanschouwend
τε
(te)
en
σημεῖα
(semeia)
tekenen
καὶ
(kai)
en
δυνάμεις
(dynameis)
krachten
μεγάλας
(megalas)
grote
γινομένας
(ginomenas)
gebeurend
ἐξίστατο
(existato)
stond versteld
Bron: SBLGNT
Uitleg
δύναμις (dynamis), ‘kracht’: meervoud, ‘krachtige daden’; wij schrijven ‘krachten’, zoals in Matt. 11:20. ἐξίστημι (existemi), ‘versteld staan’: buiten zichzelf zijn van verbazing; hetzelfde woord als ‘verbijsteren’ in 8:9.
15Toen zij waren afgedaald, baden zij voor hen dat zij de Heilige Geest zouden ontvangen.
οἵτινες
(hoitines)
die
καταβάντες
(katabantes)
afgedaald
προσηύξαντο
(proseyxanto)
baden
περὶ
(peri)
voor
αὐτῶν
(auton)
hen
ὅπως
(hopos)
opdat
λάβωσιν
(labosin)
zij zouden ontvangen
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
ἅγιον
(hagion)
Heilige
Bron: SBLGNT
16Want de Geest was nog op niemand van hen neergekomen. Zij waren alleen gedoopt in de naam van de Heer Yeshua.
οὐδέπω
(oudepo)
nog niet
γὰρ
(gar)
want
ἦν
(en)
was
ἐπ’
(ep’)
op
οὐδενὶ
(oudeni)
niemand
αὐτῶν
(auton)
van hen
ἐπιπεπτωκός
(epipeptokos)
neergekomen
μόνον
(monon)
alleen
δὲ
(de)
maar
βεβαπτισμένοι
(bebaptismenoi)
gedoopt
ὑπῆρχον
(hyperchon)
waren zij
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
ὄνομα
(onoma)
naam
τοῦ
(tou)
van de
κυρίου
(kyriou)
Heer
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft geen onderwerp: ‘het was nog op niemand neergekomen’.
De onzijdige vorm ἐπιπεπτωκός (epipeptokos) verwijst naar πνεῦμα (pneuma), ‘Geest’, in vers 15; wij schrijven ‘de Geest’. κυρίου Ἰησοῦ (kyriou Iesou), ‘de Heer Yeshua’: κύριος is hier een titel van Yeshua.
17Toen legden zij hun de handen op, en zij ontvingen de Heilige Geest.
τότε
(tote)
toen
ἐπετίθεσαν
(epetithesan)
legden zij op
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτούς
(autous)
hen
καὶ
(kai)
en
ἐλάμβανον
(elambanon)
zij ontvingen
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
ἅγιον
(hagion)
Heilige
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐπιτίθημι τὰς χεῖρας (epitithemi tas cheiras), ‘de handen opleggen’: het gebaar uit 6:6.
18Toen Simon zag dat de Geest gegeven wordt door de handoplegging van de apostelen, bood hij hun geld aan
ἰδὼν
(idon)
ziend
δὲ
(de)
nu
ὁ
(ho)
de
Σίμων
(Simon)
Simon
ὅτι
(hoti)
dat
διὰ
(dia)
door
τῆς
(tes)
de
ἐπιθέσεως
(epitheseos)
oplegging
τῶν
(ton)
van de
χειρῶν
(cheiron)
handen
τῶν
(ton)
van de
ἀποστόλων
(apostolon)
apostelen
δίδοται
(didotai)
gegeven wordt
τὸ
(to)
de
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
προσήνεγκεν
(prosenenken)
bood aan
αὐτοῖς
(autois)
hun
χρήματα
(chremata)
geld
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐπίθεσις τῶν χειρῶν (epithesis ton cheiron), ‘handoplegging’. χρήματα (chremata), ‘geld’: bezit dat men gebruikt als betaalmiddel.
19en zei: „Geef ook mij dit gezag, zodat ieder aan wie ik de handen oplegt, de Heilige Geest ontvangt.”
λέγων
(legon)
zeggend
Δότε
(Dote)
geef
κἀμοὶ
(kamoi)
ook aan mij
τὴν
(ten)
het
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
ταύτην
(tauten)
dit
ἵνα
(hina)
zodat
ᾧ
(ho)
aan wie
ἐὰν
(ean)
ook maar
ἐπιθῶ
(epitho)
ik oplegt
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
λαμβάνῃ
(lambane)
hij ontvangt
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
ἅγιον
(hagion)
Heilige
Bron: SBLGNT
20Petrus zei tegen hem: „Je geld ga met jou naar het verderf, want je meende de gave van Elohim met geld te kunnen verwerven.
Πέτρος
(Petros)
Petrus
δὲ
(de)
nu
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
αὐτόν
(auton)
hem
Τὸ
(To)
het
ἀργύριόν
(argyrion)
geld
σου
(sou)
jouw
σὺν
(syn)
met
σοὶ
(soi)
jou
εἴη
(eie)
moge zijn
εἰς
(eis)
naar
ἀπώλειαν
(apoleian)
verderf
ὅτι
(hoti)
want
τὴν
(ten)
de
δωρεὰν
(dorean)
gave
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐνόμισας
(enomisas)
jij meende
διὰ
(dia)
door
χρημάτων
(chrematon)
geld
κτᾶσθαι
(ktasthai)
te verwerven
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀργύριον (argyrion), ‘geld’: letterlijk ‘zilver’, zoals in Luc. 22:5; in dit vers staan ἀργύριον en χρήματα (chremata) naast elkaar, beide ‘geld’. εἴη (eie), ‘moge zijn’: een wens of vloek in de vorm van een wens. δωρεά (dorea), ‘gave’: een geschenk dat men niet kan kopen.
22Bekeer je dus van deze slechtheid van jou en smeek de Heer of de bedoeling van je hart je misschien vergeven wordt.
μετανόησον
(metanoeson)
bekeer je
οὖν
(oun)
dus
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
κακίας
(kakias)
slechtheid
σου
(sou)
jouw
ταύτης
(tautes)
deze
καὶ
(kai)
en
δεήθητι
(deetheti)
smeek
τοῦ
(tou)
de
κυρίου
(kyriou)
Heer
εἰ
(ei)
of
ἄρα
(ara)
misschien
ἀφεθήσεταί
(aphethesetai)
vergeven zal worden
σοι
(soi)
aan jou
ἡ
(he)
de
ἐπίνοια
(epinoia)
bedoeling
τῆς
(tes)
van het
καρδίας
(kardias)
hart
σου
(sou)
jouw
Bron: SBLGNT
Uitleg
μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’: verandering van denken. κύριος (kyrios), ‘Heer’: Petrus zegt niet welke Heer hij bedoelt; wij houden ‘de Heer’ met hoofdletter, zoals in 8:16 en 8:24.
23Want ik zie dat je in de gal van bitterheid en in de boeien van onrecht verkeert.”
εἰς
(eis)
tot
γὰρ
(gar)
want
χολὴν
(cholen)
gal
πικρίας
(pikrias)
van bitterheid
καὶ
(kai)
en
σύνδεσμον
(syndesmon)
band
ἀδικίας
(adikias)
van onrecht
ὁρῶ
(horo)
ik zie
σε
(se)
jou
ὄντα
(onta)
zijnde
Bron: SBLGNT
Uitleg
χολὴ πικρίας (chole pikrias), ‘gal van bitterheid’: vergelijk Deut. 29:17, ‘een wortel die gif en alsem voortbrengt’. σύνδεσμος ἀδικίας (syndesmos adikias), ‘boei van onrecht’: vergelijk Jes. 58:6, ‘de ketenen van goddeloosheid’.
24Simon antwoordde: „Smeek jullie voor mij bij de Heer, zodat niets van wat jullie gezegd hebben, mij overkomt.”
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
nu
ὁ
(ho)
de
Σίμων
(Simon)
Simon
εἶπεν
(eipen)
zei
Δεήθητε
(Deethete)
smeek
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ὑπὲρ
(hyper)
voor
ἐμοῦ
(emou)
mij
πρὸς
(pros)
bij
τὸν
(ton)
de
κύριον
(kyrion)
Heer
ὅπως
(hopos)
opdat
μηδὲν
(meden)
niets
ἐπέλθῃ
(epelthe)
overkomt
ἐπ’
(ep’)
over
ἐμὲ
(eme)
mij
ὧν
(hon)
van wat
εἰρήκατε
(eirekate)
jullie hebben gezegd
Bron: SBLGNT
25Nadat zij nadrukkelijk getuigd en het woord van de Heer gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem. In veel dorpen van de Samaritanen brachten zij de goede boodschap.
Οἱ
(Hoi)
zij
μὲν
(men)
wel
οὖν
(oun)
dus
διαμαρτυράμενοι
(diamartyramenoi)
nadrukkelijk getuigd hebbend
καὶ
(kai)
en
λαλήσαντες
(lalesantes)
gesproken hebbend
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τοῦ
(tou)
van de
κυρίου
(kyriou)
Heer
ὑπέστρεφον
(hypestrephon)
keerden terug
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
πολλάς
(pollas)
veel
τε
(te)
en
κώμας
(komas)
dorpen
τῶν
(ton)
van de
Σαμαριτῶν
(Samariton)
Samaritanen
εὐηγγελίζοντο
(euengelizonto)
brachten de goede boodschap
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
ὁ λόγος τοῦ κυρίου (ho logos tou kyriou), ‘het woord van de Heer’: wij lezen hier de Heer Yeshua en schrijven ‘Heer’ met hoofdletter; vergelijk ‘het woord van Elohim’ in 8:14.
Filippus en de eunuch uit Ethiopië
26Een engel van Yahweh sprak tot Filippus. Hij zei: „Sta op en ga naar het zuiden, op de weg die van Jeruzalem naar Gaza afdaalt.” Deze weg is verlaten.
Ἄγγελος
(Angelos)
engel
δὲ
(de)
nu
κυρίου
(kyriou)
van Yahweh
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
πρὸς
(pros)
tot
Φίλιππον
(Philippon)
Filippus
λέγων
(legon)
zeggend
Ἀνάστηθι
(Anastethi)
sta op
καὶ
(kai)
en
πορεύου
(poreuou)
ga
κατὰ
(kata)
naar
μεσημβρίαν
(mesembrian)
het zuiden
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
de
ὁδὸν
(hodon)
weg
τὴν
(ten)
die
καταβαίνουσαν
(katabainousan)
afdaalt
ἀπὸ
(apo)
van
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
εἰς
(eis)
naar
Γάζαν
(Gazan)
Gaza
αὕτη
(haute)
deze
ἐστὶν
(estin)
is
ἔρημος
(eremos)
verlaten
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Gaza: Gaza ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het zuidwesten van het land.
Uitleg
ἄγγελος κυρίου (angelos kyriou), ‘engel van Yahweh’: zie 5:19. κατὰ μεσημβρίαν (kata mesembrian), ‘naar het zuiden’: het kan ook ‘op het middaguur’ betekenen. Γάζα (Gaza) ligt aan de kust, ten zuidwesten van Jeruzalem. αὕτη ἐστὶν ἔρημος (haute estin eremos), ‘deze is verlaten’: het Grieks zegt niet of de weg of de stad Gaza bedoeld is, en ook niet of de engel dit zegt of de verteller; wij zetten het buiten de aanhalingstekens.
27Hij stond op en ging. En zie: een Ethiopiër, een eunuch, hoge functionaris van Kandake, de koningin van de Ethiopiërs. Hij was over heel haar schatkist gesteld en was naar Jeruzalem gekomen om zich neer te buigen.
καὶ
(kai)
en
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
ἐπορεύθη
(eporeuthe)
ging
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἀνὴρ
(aner)
een man
Αἰθίοψ
(Aithiops)
Ethiopiër
εὐνοῦχος
(eunouchos)
eunuch
δυνάστης
(dynastes)
hoge functionaris
Κανδάκης
(Kandakes)
van Kandake
βασιλίσσης
(basilisses)
koningin
Αἰθιόπων
(Aithiopon)
van de Ethiopiërs
ὃς
(hos)
die
ἦν
(en)
was
ἐπὶ
(epi)
over
πάσης
(pases)
heel
τῆς
(tes)
de
γάζης
(gazes)
schatkist
αὐτῆς
(autes)
haar
ὃς
(hos)
die
ἐληλύθει
(elelythei)
gekomen was
προσκυνήσων
(proskyneson)
om zich neer te buigen
εἰς
(eis)
in
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Αἰθίοψ (Aithiops), ‘Ethiopiër’: in het Oude Testament heet dit gebied Kush (Jes. 18:1; Jer. 13:23), ten zuiden van Egypte; het is niet het huidige Ethiopië. εὐνοῦχος (eunouchos), ‘eunuch’: een hofbeambte; vergelijk Jes. 56:3–5, waar de ‘hofdienaar’ bij Yahweh hoort. Κανδάκη (Kandake): waarschijnlijk een titel van de koningin van dit rijk, geen eigennaam. γάζα (gaza), ‘schatkist’. προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’.
28Hij was op de terugweg, zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja.
ἦν
(en)
was
τε
(te)
en
ὑποστρέφων
(hypostrephon)
terugkerend
καὶ
(kai)
en
καθήμενος
(kathemenos)
zittend
ἐπὶ
(epi)
op
τοῦ
(tou)
de
ἅρματος
(harmatos)
wagen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἀνεγίνωσκεν
(aneginosken)
las
τὸν
(ton)
de
προφήτην
(propheten)
profeet
Ἠσαΐαν
(Esaian)
Jesaja
Bron: SBLGNT
29Toen zei de Geest tegen Filippus: „Ga erheen en sluit je aan bij deze wagen.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
nu
τὸ
(to)
de
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
τῷ
(to)
tegen
Φιλίππῳ
(Philippo)
Filippus
Πρόσελθε
(Proselthe)
ga erheen
καὶ
(kai)
en
κολλήθητι
(kolletheti)
sluit je aan
τῷ
(to)
bij
ἅρματι
(harmati)
wagen
τούτῳ
(touto)
deze
Bron: SBLGNT
Uitleg
τὸ πνεῦμα (to pneuma), ‘de Geest’: de Geest van Elohim, die hier spreekt.
Zijn woorden staan rood, als woorden van Elohim zelf.
30Filippus rende erheen, hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zei: „Begrijp je dan wel wat je leest?”
προσδραμὼν
(prosdramon)
toegerend
δὲ
(de)
nu
ὁ
(ho)
de
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
ἤκουσεν
(ekousen)
hoorde
αὐτοῦ
(autou)
hem
ἀναγινώσκοντος
(anaginoskontos)
lezend
Ἠσαΐαν
(Esaian)
Jesaja
τὸν
(ton)
de
προφήτην
(propheten)
profeet
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἆρά
(Ara)
dan
γε
(ge)
toch
γινώσκεις
(ginoskeis)
begrijp je
ἃ
(ha)
wat
ἀναγινώσκεις
(anaginoskeis)
je leest
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks maakt een woordspeling: ἀναγινώσκεις (anaginoskeis), ‘je leest’, en γινώσκεις (ginoskeis), ‘je begrijpt’.
31De eunuch zei: „Hoe zou ik dat kunnen, tenzij iemand mij de weg wijst?” En hij verzocht Filippus naar boven te komen en naast hem te gaan zitten.
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
nu
εἶπεν
(eipen)
zei
Πῶς
(Pos)
hoe
γὰρ
(gar)
want
ἂν
(an)
zou
δυναίμην
(dynaimen)
ik kunnen
ἐὰν
(ean)
als
μή
(me)
niet
τις
(tis)
iemand
ὁδηγήσει
(hodegesei)
zal leiden
με
(me)
mij
παρεκάλεσέν
(parekalesen)
verzocht hij
τε
(te)
en
τὸν
(ton)
de
Φίλιππον
(Philippon)
Filippus
ἀναβάντα
(anabanta)
opgestegen
καθίσαι
(kathisai)
te gaan zitten
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft hier ‘Hij’ (ὁ δέ); wij schrijven ‘de eunuch’ om verwarring met Filippus te voorkomen. ὁδηγέω (hodegeo), ‘de weg wijzen’.
32Het gedeelte van de Schrift dat hij las, was dit: „Als een schaap werd hij ter slachting geleid, en als een lam dat stom is voor wie het scheert, zo opent hij zijn mond niet.
ἡ
(he)
het
δὲ
(de)
nu
περιοχὴ
(perioche)
gedeelte
τῆς
(tes)
van de
γραφῆς
(graphes)
Schrift
ἣν
(hen)
dat
ἀνεγίνωσκεν
(aneginosken)
hij las
ἦν
(en)
was
αὕτη
(haute)
dit
Ὡς
(Hos)
als
πρόβατον
(probaton)
schaap
ἐπὶ
(epi)
ter
σφαγὴν
(sphagen)
slachting
ἤχθη
(echthe)
werd geleid
καὶ
(kai)
en
ὡς
(hos)
als
ἀμνὸς
(amnos)
lam
ἐναντίον
(enantion)
voor
τοῦ
(tou)
wie
κείραντος
(keirantos)
scheert
αὐτὸν
(auton)
hem
ἄφωνος
(aphonos)
stom
οὕτως
(houtos)
zo
οὐκ
(ouk)
niet
ἀνοίγει
(anoigei)
opent
τὸ
(to)
de
στόμα
(stoma)
mond
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
Aanhaling van Jes. 53:7–8 in de Griekse vorm.
Het Hebreeuws heeft in vers 7: ‘Hij werd onderdrukt en hij werd vernederd … Als een lam wordt hij naar de slacht geleid, en als een ooi is hij stom voor haar scheerders’ en in vers 8: ‘Door onderdrukking en rechtspraak is hij weggenomen … hij is afgesneden uit het land van de levenden’.
De Griekse tekst heeft in 8:33 ‘In zijn vernedering werd zijn recht weggenomen’ en ‘zijn leven wordt van de aarde weggenomen’. ἄφωνος (afonos), ‘stom’.
33In zijn vernedering werd zijn recht weggenomen. Wie zal over zijn generatie vertellen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen.”
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
ταπεινώσει
(tapeinosei)
vernedering
ἡ
(he)
het
κρίσις
(krisis)
recht
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἤρθη
(erthe)
werd weggenomen
τὴν
(ten)
de
γενεὰν
(genean)
generatie
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τίς
(tis)
wie
διηγήσεται
(diegesetai)
zal vertellen
ὅτι
(hoti)
want
αἴρεται
(airetai)
wordt weggenomen
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
ἡ
(he)
het
ζωὴ
(zoe)
leven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
34De eunuch antwoordde Filippus: „Ik vraag je: over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over een ander?”
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
δὲ
(de)
nu
ὁ
(ho)
de
εὐνοῦχος
(eunouchos)
eunuch
τῷ
(to)
aan
Φιλίππῳ
(Philippo)
Filippus
εἶπεν
(eipen)
zei
Δέομαί
(Deomai)
ik vraag
σου
(sou)
jou
περὶ
(peri)
over
τίνος
(tinos)
wie
ὁ
(ho)
de
προφήτης
(prophetes)
profeet
λέγει
(legei)
zegt
τοῦτο
(touto)
dit
περὶ
(peri)
over
ἑαυτοῦ
(heautou)
zichzelf
ἢ
(e)
of
περὶ
(peri)
over
ἑτέρου
(heterou)
een ander
τινός
(tinos)
iemand
Bron: SBLGNT
Uitleg
δέομαι (deomai), ‘vragen, smeken’.
De eunuch vraagt of de profeet over zichzelf spreekt of over een ander; de tekst zelf noemt geen naam.
35Filippus opende zijn mond, begon bij dit Schriftgedeelte en bracht hem de goede boodschap van Yeshua.
ἀνοίξας
(anoixas)
openend
δὲ
(de)
nu
ὁ
(ho)
de
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
τὸ
(to)
de
στόμα
(stoma)
mond
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἀρξάμενος
(arxamenos)
beginnend
ἀπὸ
(apo)
bij
τῆς
(tes)
de
γραφῆς
(graphes)
Schrift
ταύτης
(tautes)
deze
εὐηγγελίσατο
(euengelisato)
bracht de goede boodschap
αὐτῷ
(auto)
hem
τὸν
(ton)
over
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀρξάμενος ἀπὸ τῆς γραφῆς ταύτης (arxamenos apo tes graphes tautes), ‘beginnend bij deze Schrift’: vergelijk Luc. 24:27, waar Yeshua uitlegt wat in de Schriften over Hem staat.
36Terwijl zij langs de weg gingen, kwamen zij bij wat water. De eunuch zei: „Zie, water! Wat belet mij gedoopt te worden?”
ὡς
(hos)
toen
δὲ
(de)
nu
ἐπορεύοντο
(eporeuonto)
zij gingen
κατὰ
(kata)
langs
τὴν
(ten)
de
ὁδόν
(hodon)
weg
ἦλθον
(elthon)
kwamen zij
ἐπί
(epi)
bij
τι
(ti)
enig
ὕδωρ
(hydor)
water
καί
(kai)
en
φησιν
(phesin)
zegt
ὁ
(ho)
de
εὐνοῦχος
(eunouchos)
eunuch
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ὕδωρ
(hydor)
water
τί
(ti)
wat
κωλύει
(kolyei)
belet
με
(me)
mij
βαπτισθῆναι
(baptisthenai)
gedoopt te worden
Bron: SBLGNT
Uitleg
In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet.
Het versnummer 37 ontbreekt daarom.
38De eunuch beval de wagen stil te laten staan. Zij daalden beiden af in het water, Filippus en de eunuch, en Filippus doopte hem.
καὶ
(kai)
en
ἐκέλευσεν
(ekeleusen)
beval
στῆναι
(stenai)
stil te staan
τὸ
(to)
de
ἅρμα
(harma)
wagen
καὶ
(kai)
en
κατέβησαν
(katebesan)
daalden af
ἀμφότεροι
(amphoteroi)
beiden
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
ὕδωρ
(hydor)
water
ὅ
(ho)
de
τε
(te)
en
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
εὐνοῦχος
(eunouchos)
eunuch
καὶ
(kai)
en
ἐβάπτισεν
(ebaptisen)
doopte
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft hier alleen ‘hij’ (bij ‘beval’ en bij ‘doopte’); wij schrijven ‘de eunuch’ en ‘Filippus’ om verwarring te voorkomen.
39Toen zij uit het water omhoog kwamen, rukte de Geest van Yahweh Filippus weg, en de eunuch zag hem niet meer. Hij ging verheugd verder op zijn weg.
ὅτε
(hote)
toen
δὲ
(de)
nu
ἀνέβησαν
(anebesan)
zij opstegen
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
ὕδατος
(hydatos)
water
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
κυρίου
(kyriou)
van Yahweh
ἥρπασεν
(herpasen)
rukte weg
τὸν
(ton)
de
Φίλιππον
(Philippon)
Filippus
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
εἶδεν
(eiden)
zag
αὐτὸν
(auton)
hem
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
ὁ
(ho)
de
εὐνοῦχος
(eunouchos)
eunuch
ἐπορεύετο
(eporeueto)
ging
γὰρ
(gar)
want
τὴν
(ten)
de
ὁδὸν
(hodon)
weg
αὐτοῦ
(autou)
zijn
χαίρων
(chairon)
zich verheugend
Bron: SBLGNT
Uitleg
πνεῦμα κυρίου (pneuma kyriou), ‘Geest van Yahweh’: κυρίου is vertaald als Yahweh, naar het Oude Testament, waar de Geest van Yahweh iemand meeneemt (1 Kon. 18:12; Ezech. 3:14). ἁρπάζω (harpazo), ‘wegrukken’.
40Filippus werd aangetroffen in Asdod. Hij trok door alle steden en bracht de goede boodschap, totdat hij in Caesarea kwam.
Φίλιππος
(Philippos)
Filippus
δὲ
(de)
nu
εὑρέθη
(heurethe)
werd aangetroffen
εἰς
(eis)
in
Ἄζωτον
(Azoton)
Asdod
καὶ
(kai)
en
διερχόμενος
(dierchomenos)
doortrekkend
εὐηγγελίζετο
(euengelizeto)
bracht de goede boodschap
τὰς
(tas)
de
πόλεις
(poleis)
steden
πάσας
(pasas)
alle
ἕως
(heos)
totdat
τοῦ
(tou)
het
ἐλθεῖν
(elthein)
komen
αὐτὸν
(auton)
hij
εἰς
(eis)
in
Καισάρειαν
(Kaisareian)
Caesarea
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Asdod: Asdod lag aan de kust van de Middellandse Zee, tussen Askelon en Jafo.
Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv.
Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder.
Uitleg
Ἄζωτος (Azotos), ‘Asdod’: de Filistijnse stad uit het Oude Testament, aan de kust. Καισάρεια (Kaisareia), ‘Caesarea’: de havenstad aan de Middellandse Zee.