Elohim Bijbel

Genesis 6

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Het kwaad vóór de vloed

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zonen van Elohim en de dochters van de mens

1Toen de mens zich op de grond begon te vermenigvuldigen en er dochters aan hen geboren werden,
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כִּֽי
(ki)
toen
הֵחֵ֣ל
(hechel)
begon
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
לָרֹ֖ב
(larov)
te vermenigvuldigen
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
הָֽאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
וּבָנ֖וֹת
(uvanot)
en dochters
יֻלְּד֥וּ
(yuledu)
werden geboren
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel.

Met lidwoord, dus geen eigennaam.

2zagen de zonen van Elohim dat de dochters van de mens mooi waren. Zij namen zich vrouwen uit allen die zij kozen.
וַיִּרְא֤וּ
(vayiru)
en zagen
בְנֵי
(benei)
zonen van
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
כִּ֥י
(ki)
dat
טֹבֹ֖ת
(tovot)
goed
הֵ֑נָּה
(hena)
zij
וַיִּקְח֤וּ
(vayiqchu)
en namen
לָהֶם֙
(lahem)
voor zichzelf
נָשִׁ֔ים
(nashim)
vrouwen
מִכֹּ֖ל
(mikol)
uit alle
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בָּחָֽרוּ
(bacharu)
zij kozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי הָאֱלֹהִים (bene ha’Elohim), ‘zonen van Elohim’, wordt op drie manieren gelezen: hemelse wezens (zo ook in Job 1:6, 2:1 en 38:7), mannen uit de lijn van Seth, of heersers.

הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel.

Met lidwoord, dus geen eigennaam.

Lezing

Wie dat zo leest, verbindt het met 2 Petr. 2:4 en Jud. 6; dat is een lezing.

Aanvullend

Jubileeën 7:21 en Henoch 6:2 lezen: engelen die zich vrouwen kozen.

Jubileeën 4:22 zegt dat Henoch tegen deze Wachters optrad; volgens 5:10 worden zij gebonden.

Henoch 7:1–2 beschrijft hoe zij zich vrouwen nemen.

Jasher 4:19 zegt dat de rechters en beambten van de mensen met geweld vrouwen namen van onder hun echtgenoten vandaan; Genesis noemt de zonen van Elohim.

3Yahweh zei: „Mijn Geest zal niet voor altijd in de mens blijven, want hij is vlees. Zijn dagen zullen 120 jaar zijn.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
יָד֨וֹן
(yadon)
zal oordelen
רוּחִ֤י
(ruchi)
Mijn Geest
בָֽאָדָם֙
(baadam)
in de mens
לְעֹלָ֔ם
(leolam)
voor altijd
בְּשַׁגַּ֖ם
(beshagam)
omdat ook
ה֣וּא
(hu)
hij
בָשָׂ֑ר
(basar)
vlees
וְהָי֣וּ
(vehayu)
en zullen zijn
יָמָ֔יו
(yamav)
zijn dagen
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֖ים
(veesrim)
en twintig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יָדוֹן (yadon) is onzeker: ‘blijven’, ‘oordelen’ of ‘twisten’.

Ook בְּשַׁגַּם (beshagam) is onzeker; het staat hier als ‘want hij is vlees’.

De 120 jaar kan de termijn tot de vloed zijn of de bovengrens van het leven; beide kan.

בָּאָדָם (ba’adam) is voorzetsel + lidwoord (‘in de mens’) en betekent hier de mensheid: het gaat om alle mensen, die ‘vlees’ zijn.

De persoon Adam is niet bedoeld.

Aanvullend

Jasher 5:8 en 5:11 maken van de honderdtwintig jaar een termijn die Yahweh de mensen geeft om zich te bekeren.

4De Nefilim waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen van Elohim tot de dochters van de mens kwamen en zij hun kinderen kregen. Dat waren de helden van vroeger, mannen met een naam.
הַנְּפִלִ֞ים
(hanefilim)
de Nefilim
הָי֣וּ
(hayu)
waren
בָאָרֶץ֮
(baarets)
op de aarde
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵם֒
(hahem)
die
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֗ן
(ken)
dit
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
toen
יָבֹ֜אוּ
(yavou)
kwamen
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
אֶל
(el)
tot
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
הָֽאָדָ֔ם
(haadam)
de mens
וְיָלְד֖וּ
(veyaledu)
en ze baarden
לָהֶ֑ם
(lahem)
aan hen
הֵ֧מָּה
(hema)
zij
הַגִּבֹּרִ֛ים
(hagiborim)
de helden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מֵעוֹלָ֖ם
(meolam)
van oudsher
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
הַשֵּֽׁם
(hashem)
de naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנְּפִלִים (ha-Nefilim) komt van נָפַל (nafal), ‘vallen’: ‘gevallenen’.

De Septuaginta vertaalt ‘reuzen’.

Num. 13:33 noemt de Nefilim opnieuw.

הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel.

Met lidwoord, dus geen eigennaam.

Aanvullend

Jubileeën 7:21–22 noemt de Nafidim, de zonen van de Wachters; Henoch 7:2–6 noemt de reuzen en beschrijft hun geweld.

Het kwaad en het berouw van Yahweh

5Yahweh zag dat de slechtheid van de mens groot was op de aarde, en dat elke neiging van de gedachten van zijn hart de hele dag alleen maar slecht was.
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
dat
רַבָּ֛ה
(raba)
groot was
רָעַ֥ת
(raat)
kwaad van
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
op de aarde
וְכָל
(vekhal)
en alle
יֵ֨צֶר֙
(yetser)
neiging van
מַחְשְׁבֹ֣ת
(machshevot)
gedachten van
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
רַ֥ק
(raq)
alleen maar
רַ֖ע
(ra)
kwaad
כָּל
(kal)
de hele
הַיּֽוֹם
(hayom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel.

Met lidwoord, dus geen eigennaam.

6Yahweh had berouw dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en Hij werd verdrietig in Zijn hart.
וַיִּנָּ֣חֶם
(vayinachem)
en had berouw
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
dat
עָשָׂ֥ה
(asa)
Hij maakte
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָֽאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
op de aarde
וַיִּתְעַצֵּ֖ב
(vayitatsev)
en Hij werd bedroefd
אֶל
(el)
in
לִבּֽוֹ
(libo)
Zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּנָּחֶם (vayinnachem), ‘en Hij had berouw’, is menselijke taal voor Yahweh’s verdriet.

וַיִּתְעַצֵּב (vayitatsev), ‘en Hij werd verdrietig’, heeft dezelfde wortel als עִצָּבוֹן (itsavon), de ‘moeite’ in 3:16 en 5:29.

הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: de mensheid als geheel.

Met lidwoord, dus geen eigennaam.

7Yahweh zei: „Ik zal de mens die Ik geschapen heb van de grond wegvegen, van mens tot vee, tot kruipende dieren en tot de vogels van de hemel. Want Ik heb er berouw van dat Ik hen gemaakt heb.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶמְחֶ֨ה
(emche)
Ik zal uitwissen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָדָ֤ם
(haadam)
de mens
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּרָ֨אתִי֙
(barati)
Ik schiep
מֵעַל֙
(meal)
van op
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
מֵֽאָדָם֙
(meadam)
van mens
עַד
(ad)
tot
בְּהֵמָ֔ה
(behema)
vee
עַד
(ad)
tot
רֶ֖מֶשׂ
(remes)
kruipend gedierte
וְעַד
(vead)
en tot
ע֣וֹף
(of)
vogel van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
כִּ֥י
(ki)
want
נִחַ֖מְתִּי
(nichamti)
Ik heb berouw
כִּ֥י
(ki)
dat
עֲשִׂיתִֽם
(asitim)
Ik hen maakte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָדָם (adam) in ‘van mens tot vee’ staat zonder lidwoord en noemt de mens als soort, tegenover de dieren.

De persoon Adam is niet bedoeld.

8Maar Noach vond gunst in de ogen van Yahweh.
וְנֹ֕חַ
(venoach)
en Noach
מָ֥צָא
(matsa)
vond
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Noach wandelt met Elohim

9Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was een rechtvaardig man, onberispelijk onder de mensen van zijn tijd. Noach wandelde met Elohim.
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit
תּוֹלְדֹ֣ת
(toledot)
geschiedenis van
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
נֹ֗חַ
(noach)
Noach
אִ֥ישׁ
(ish)
man
צַדִּ֛יק
(tsadiq)
rechtvaardig
תָּמִ֥ים
(tamim)
onberispelijk
הָיָ֖ה
(haya)
hij was
בְּדֹֽרֹתָ֑יו
(bedorotav)
in zijn geslachten
אֶת
(et)
met
הָֽאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
הִֽתְהַלֶּךְ
(hithalekh)
wandelde
נֹֽחַ
(noach)
Noach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תָּמִים (tamim) is ‘onberispelijk, volkomen’.

בְּדֹרֹתָיו (bedorotav): onder zijn tijdgenoten, of: in zijn afstamming.

הִתְהַלֶּךְ (hithalekh), ‘wandelen’, is hetzelfde werkwoord als bij Henoch (5:24) en bij Yahweh Elohim in de tuin (3:8).

‘Onder de mensen van zijn tijd’ staat in het Hebreeuws als בְּדֹרֹתָיו (bedorotav), ‘in zijn generaties’; het woord ‘mensen’ is ter verduidelijking toegevoegd.

10Noach kreeg drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.
וַיּ֥וֹלֶד
(vayoled)
en hij verwekte
נֹ֖חַ
(noach)
Noach
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
בָנִ֑ים
(banim)
zonen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שֵׁ֖ם
(shem)
Sem
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
חָ֥ם
(cham)
Cham
וְאֶת
(veet)
en (lijdend voorwerp)
יָֽפֶת
(yafet)
Jafeth
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11De aarde was verdorven voor het aangezicht van Elohim, en de aarde was vol geweld.
וַתִּשָּׁחֵ֥ת
(vatishachet)
en werd verdorven
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָֽאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וַתִּמָּלֵ֥א
(vatimale)
en werd vol
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
חָמָֽס
(chamas)
geweld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Elohim zag de aarde, en zie: ze was verdorven, want alle vlees had zijn weg op de aarde verdorven.
וַיַּ֧רְא
(vayar)
en zag
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
נִשְׁחָ֑תָה
(nishchata)
ze was verdorven
כִּֽי
(ki)
want
הִשְׁחִ֧ית
(hishchit)
verdorven had
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֛ר
(basar)
vlees
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
דַּרְכּ֖וֹ
(darko)
zijn weg
עַל
(al)
op
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De opdracht om een ark te bouwen

13Elohim zei tegen Noach: „Het einde van alle vlees is voor Mij gekomen. Want door hen is de aarde vol geweld. Zie, Ik ga hen vernietigen, met de aarde.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
לְנֹ֗חַ
(lenoach)
tot Noach
קֵ֤ץ
(qets)
einde van
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂר֙
(basar)
vlees
בָּ֣א
(ba)
is gekomen
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor Mij
כִּֽי
(ki)
want
מָלְאָ֥ה
(malea)
is vol
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
de aarde
חָמָ֖ס
(chamas)
geweld
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
vanwege hen
וְהִנְנִ֥י
(vehinni)
en zie Ik
מַשְׁחִיתָ֖ם
(mashchitam)
ga hen vernietigen
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Maak voor jezelf een ark van goferhout. Maak kamers in de ark en bestrijk haar van binnen en van buiten met pek.
עֲשֵׂ֤ה
(ase)
maak
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
תֵּבַ֣ת
(tevat)
ark van
עֲצֵי
(atsei)
hout van
גֹ֔פֶר
(gofer)
gofer
קִנִּ֖ים
(qinim)
kamers
תַּֽעֲשֶׂ֣ה
(taase)
je zult maken
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַתֵּבָ֑ה
(hateva)
de ark
וְכָֽפַרְתָּ֥
(vekhafarta)
en je zult bestrijken
אֹתָ֛הּ
(otah)
haar
מִבַּ֥יִת
(mibayit)
van binnen
וּמִח֖וּץ
(umichuts)
en van buiten
בַּכֹּֽפֶר
(bakofer)
met pek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹפֶר (gofer) is een houtsoort die verder niet voorkomt, waarschijnlijk een harsrijk hout zoals cipres.

תֵּבָה (tevah), ‘ark’, betekent ‘kist’ en is ook het woord voor het mandje van Mozes (Ex. 2:3).

כֹּפֶר (kofer), ‘pek’, hangt samen met כָּפַר (kafar), ‘bedekken’, later ook ‘verzoenen’.

15Zo moet je haar maken: 300 el lang, 50 el breed en 30 el hoog.
וְזֶ֕ה
(veze)
en dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תַּֽעֲשֶׂ֖ה
(taase)
je zult maken
אֹתָ֑הּ
(otah)
haar
שְׁלֹ֧שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
אַמָּ֗ה
(ama)
el
אֹ֚רֶךְ
(orekh)
lengte van
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
חֲמִשִּׁ֤ים
(chamishim)
vijftig
אַמָּה֙
(ama)
el
רָחְבָּ֔הּ
(rachbah)
haar breedte
וּשְׁלֹשִׁ֥ים
(usheloshim)
en dertig
אַמָּ֖ה
(ama)
el
קוֹמָתָֽהּ
(qomatah)
haar hoogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַמָּה (amah), ‘el’: ongeveer 45 cm (korte el) of 52 cm (koningsel).

De ark is dan ongeveer 135 × 22,5 × 13,5 m, of ongeveer 156 × 26 × 15,6 m.

16Maak een lichtopening voor de ark en maak die af tot op een el van boven. Zet de ingang van de ark in haar zijkant. Maak een onderste, een tweede en een derde verdieping.
צֹ֣הַר
(tsohar)
lichtopening
תַּֽעֲשֶׂ֣ה
(taase)
je zult maken
לַתֵּבָ֗ה
(lateva)
voor de ark
וְאֶל
(veel)
en tot
אַמָּה֙
(ama)
een el
תְּכַלֶ֣נָּה
(tekhalena)
je zult haar voltooien
מִלְמַ֔עְלָה
(milmala)
van boven
וּפֶ֥תַח
(ufetach)
en ingang van
הַתֵּבָ֖ה
(hateva)
de ark
בְּצִדָּ֣הּ
(betsidah)
in haar zijkant
תָּשִׂ֑ים
(tasim)
je zult zetten
תַּחְתִּיִּ֛ם
(tachtiyim)
onderste
שְׁנִיִּ֥ם
(sheniyim)
tweede
וּשְׁלִשִׁ֖ים
(ushelishim)
en derde
תַּֽעֲשֶֽׂהָ
(taaseha)
je zult haar maken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֹהַר (tsohar) is onzeker: ‘lichtopening’, ‘raam’ of ‘dak’.

De bijzin ‘maak het af tot op een el van boven’ is onduidelijk.

Een el is ongeveer 45–52 cm.

17Zie, Ik zelf breng de vloed over de aarde, water, om alle vlees waarin de levensgeest is, onder de hemel te vernietigen. Alles wat op de aarde is, zal sterven.
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en Ik
הִנְנִי֩
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֨יא
(mevi)
breng
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַמַּבּ֥וּל
(hamabul)
de vloed
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
עַל
(al)
over
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
לְשַׁחֵ֣ת
(leshachet)
om te vernietigen
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֗ר
(basar)
vlees
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בּוֹ֙
(bo)
in hem
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
חַיִּ֔ים
(chayim)
leven
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
onder
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
כֹּ֥ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
op de aarde
יִגְוָֽע
(yigva)
zal sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמַּבּוּל (hamabul), ‘de vloed’, komt in de Schrift alleen voor bij deze vloed en in Ps. 29:10.

18Maar Mijn verbond zal Ik oprichten met jou. Je zult de ark ingaan, jij, je zonen, je vrouw en de vrouwen van je zonen met je.
וַהֲקִמֹתִ֥י
(vahaqimoti)
en Ik zal oprichten
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
בְּרִיתִ֖י
(beriti)
Mijn verbond
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
met jou
וּבָאתָ֙
(uvata)
en je zult komen
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
אַתָּ֕ה
(ata)
jij
וּבָנֶ֛יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
וְאִשְׁתְּךָ֥
(veishtekha)
en je vrouw
וּנְשֵֽׁי
(uneshei)
en vrouwen van
בָנֶ֖יךָ
(baneikha)
je zonen
אִתָּֽךְ
(itakh)
met jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרִית (berit), ‘verbond’, komt hier voor het eerst in de Schrift voor.

Het wordt uitgewerkt in 9:9–17.

Aanvullend

Jasher 5:38 noemt de vrouwen van Noachs zonen: de drie dochters van Eljakim, de zoon van Metuselach; Genesis noemt geen namen.

19Van alles wat leeft, van alle vlees, moet je twee van elk in de ark brengen om ze met jou in leven te houden. Mannelijk en vrouwelijk moeten ze zijn.
וּמִכָּל
(umikal)
en van alles
הָ֠חַי
(hachay)
het levende
מִֽכָּל
(mikal)
van alle
בָּשָׂ֞ר
(basar)
vlees
שְׁנַ֧יִם
(shenayim)
twee
מִכֹּ֛ל
(mikol)
van elk
תָּבִ֥יא
(tavi)
je zult brengen
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָ֖ה
(hateva)
de ark
לְהַחֲיֹ֣ת
(lehachayot)
om in leven te houden
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
met jou
זָכָ֥ר
(zakhar)
mannelijk
וּנְקֵבָ֖ה
(uneqeva)
en vrouwelijk
יִֽהְיֽוּ
(yihyu)
ze zullen zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Van de vogels naar zijn soort, van het vee naar zijn soort en van alle kruipende dieren van de grond naar zijn soort: twee van elk zullen naar je toe komen. Zo blijven ze in leven.
מֵהָע֣וֹף
(mehaof)
van de vogel
לְמִינֵ֗הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
וּמִן
(umin)
en van
הַבְּהֵמָה֙
(habehema)
het vee
לְמִינָ֔הּ
(leminah)
naar haar soort
מִכֹּ֛ל
(mikol)
van alle
רֶ֥מֶשׂ
(remes)
kruipend gedierte van
הָֽאֲדָמָ֖ה
(haadama)
de grond
לְמִינֵ֑הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
שְׁנַ֧יִם
(shenayim)
twee
מִכֹּ֛ל
(mikol)
van elk
יָבֹ֥אוּ
(yavou)
zullen komen
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
naar jou
לְהַֽחֲיֽוֹת
(lehachayot)
om in leven te blijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21En jij, neem voor jezelf van al het voedsel dat gegeten wordt, en leg een voorraad bij je aan. Het zal voor jou en voor hen tot voedsel zijn.”
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
קַח
(qach)
neem
לְךָ֗
(lekha)
voor jou
מִכָּל
(mikal)
van alle
מַֽאֲכָל֙
(maakhal)
voedsel
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יֵֽאָכֵ֔ל
(yeakhel)
gegeten wordt
וְאָסַפְתָּ֖
(veasafta)
en je zult verzamelen
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
bij jou
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
וְלָהֶ֖ם
(velahem)
en voor hen
לְאָכְלָֽה
(leakhela)
tot voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Noach deed het. Alles wat Elohim hem geboden had, zo deed hij.
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en deed
נֹ֑חַ
(noach)
Noach
כְּ֠כֹל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
כֵּ֥ן
(ken)
zo
עָשָֽׂה
(asa)
hij deed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)