Elohim Bijbel

Jeremia 32

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

De koop van de akker bij Anatot en de belofte van terugkeer

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jeremia is opgesloten tijdens het beleg

1Het woord dat van Yahweh tot Jeremia kwam in het tiende jaar van Zedekia, de koning van Juda. Dat was het achttiende jaar van Nebukadnezar.
הַדָּבָ֞ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הָיָ֤ה
(haya)
kwam
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֨הוּ֙
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּשָּׁנָה֙
(bashana)
in het jaar
הָעֲשִׂרִ֔ית
(haasirit)
tiende
לְצִדְקִיָּ֖הוּ
(letsidqiyahu)
van Zedekia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
הִ֧יא
(hi)
dat
הַשָּׁנָ֛ה
(hashana)
het jaar
שְׁמֹנֶֽה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵ֥ה
(esre)
tien
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
לִנְבֽוּכַדְרֶאצַּֽר
(linvukhadretsar)
van Nebukadnezar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het tiende jaar van Zedekia is het achttiende jaar van Nebukadnezar.

Jeruzalem werd ingenomen in het elfde jaar van Zedekia (Jer. 39:2).

Jeremia koopt dus een akker terwijl de stad belegerd wordt.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) בַּשָּׁנָה (bashanah), ‘in het jaar’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft בשנת (bishnat), ‘in het jaar van’, met dezelfde betekenis.

2Het leger van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem. De profeet Jeremia zat opgesloten op de binnenplaats van de wacht, die bij het huis van de koning van Juda lag.
וְאָ֗ז
(veaz)
en toen
חֵ֚יל
(cheil)
leger van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
צָרִ֖ים
(tsarim)
belegerend
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְיִרְמְיָ֣הוּ
(veyirmeyahu)
en Jeremia
הַנָּבִ֗יא
(hanavi)
de profeet
הָיָ֤ה
(haya)
was
כָלוּא֙
(kalu)
opgesloten
בַּחֲצַ֣ר
(bachatsar)
op de binnenplaats van
הַמַּטָּרָ֔ה
(hamatara)
de wacht
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בֵּֽית
(beit)
in het huis van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חֲצַר הַמַּטָּרָה (chatsar hammattarah), ‘binnenplaats van de wacht’: een ruimte in het paleis waar Jeremia onder bewaking werd gehouden.

Hij zat niet in een kerker.

Zie ook Jer. 37:21 en 38:6.

3Zedekia, de koning van Juda, had hem opgesloten. Hij had gezegd: „Waarom profeteer jij en zeg je: ‘Zo zegt Yahweh: Zie, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel. Hij zal haar innemen.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
כְּלָא֔וֹ
(kelao)
had hem opgesloten
צִדְקִיָּ֥הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מַדּוּעַ֩
(madua)
waarom
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
נִבָּ֜א
(niba)
profeteer je
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
נֹתֵ֜ן
(noten)
ben die geeft
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֛את
(hazot)
deze
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וּלְכָדָֽהּ
(ulekhadah)
en hij zal haar innemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Zedekia citeert hier de woorden van Jeremia.

Omdat een mens de woorden van Yahweh aanhaalt, staan ze zwart, tussen enkele aanhalingstekens (verzen 3–5).

4Zedekia, de koning van Juda, zal niet ontkomen aan de hand van de Chaldeeën. Want hij zal zeker in de hand van de koning van Babel gegeven worden. Hij zal van mond tot mond met hem spreken, en zijn ogen zullen zijn ogen zien.
וְצִדְקִיָּ֨הוּ֙
(vetsidqiyahu)
en Zedekia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמָּלֵ֖ט
(yimalet)
zal ontkomen
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
הַכַּשְׂדִּ֑ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
כִּ֣י
(ki)
want
הִנָּתֹ֤ן
(hinaton)
zeker gegeven worden
יִנָּתֵן֙
(yinaten)
hij zal gegeven worden
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְדִבֶּר
(vediber)
en hij zal spreken
פִּ֣יו
(piv)
zijn mond
עִם
(im)
met
פִּ֔יו
(piv)
zijn mond
וְעֵינָ֖יו
(veeinav)
en zijn ogen
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינָ֥יו
(einav)
zijn ogen
תִּרְאֶֽינָה
(tireina)
zullen zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

דִּבֶּר פִּיו עִם פִּיו (dibber piv im piv), ‘van mond tot mond spreken’: persoonlijk, van aangezicht tot aangezicht.

Zie ook Jer. 34:3.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וְעֵינָיו (ve’einav), ‘en zijn ogen’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft het enkelvoud, ‘en zijn oog’.

5Hij zal Zedekia naar Babel brengen, en daar zal hij blijven tot Ik naar hem omzie, godsspraak van Yahweh. Als jullie tegen de Chaldeeën strijden, zullen jullie niet slagen.’”
וּבָבֶ֞ל
(uvavel)
en naar Babel
יוֹלִ֤ךְ
(yolikh)
hij zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
צִדְקִיָּ֨הוּ֙
(tsidqiyahu)
Zedekia
וְשָׁ֣ם
(vesham)
en daar
יִֽהְיֶ֔ה
(yihye)
hij zal zijn
עַד
(ad)
tot
פָּקְדִ֥י
(paqedi)
Ik naar omzie
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֧י
(ki)
want
תִֽלָּחֲמ֛וּ
(tilachamu)
jullie zullen strijden
אֶת
(et)
(obj.)
הַכַּשְׂדִּ֖ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
לֹ֥א
(lo)
niet
תַצְלִֽיחוּ
(tatslichu)
jullie zullen slagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

פָּקְדִי (poqdi), ‘Ik naar hem omzie’: het werkwoord פָּקַד (paqad) betekent ‘zich bekommeren om, naar iemand omzien’.

Het kan voor goed of voor kwaad zijn.

Zie ook Jer. 27:22.

De akker van Chanamel

6Jeremia zei: Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
יִרְמְיָ֑הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הָיָ֥ה
(haya)
was
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier vertelt Jeremia zelf, tot en met vers 25.

Het Hebreeuws zegt ‘Jeremia zei’.

Wij laten de aanhalingstekens weg, omdat het verhaal doorloopt.

Zie ookJer 32:25
7„Zie, Chanamel, de zoon van Sjallum, je oom, komt naar je toe. Hij zegt: ‘Koop voor jezelf mijn akker bij Anatot. Want jij hebt het recht van lossing om te kopen.’”
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
חֲנַמְאֵ֗ל
(chanamel)
Chanamel
בֶּן
(ben)
zoon van
שַׁלֻּם֙
(shalum)
Sjallum
דֹּֽדְךָ֔
(dodekha)
je oom
בָּ֥א
(ba)
komt
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
naar je
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
קְנֵ֣ה
(qene)
koop
לְךָ֗
(lekha)
voor jezelf
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂדִי֙
(sadi)
mijn akker
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּעֲנָת֔וֹת
(baanatot)
bij Anatot
כִּ֥י
(ki)
want
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
מִשְׁפַּ֥ט
(mishpat)
het recht van
הַגְּאֻלָּ֖ה
(hageula)
de lossing
לִקְנֽוֹת
(liqnot)
om te kopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

חֲנַמְאֵל (Chanam’el), ‘Chanamel’: de zoon van Jeremia’s oom, zie vers 8.

מִשְׁפַּט הַגְּאֻלָּה (mishpat hage’ullah), ‘het recht van lossing’: de naaste verwant had het recht, en ook de plicht, een verkocht stuk familiegrond terug te kopen, zodat het in de familie bleef. Zie Lev. 25:25–28 en Ruth 4:1–6. Het woord is verwant met גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’.

Anatot is de plaats waar Jeremia vandaan komt (Jer. 1:1). De woorden van Yahweh staan rood; Chanamels woorden daarin staan tussen enkele aanhalingstekens.

8Chanamel, de zoon van mijn oom, kwam naar mij toe op de binnenplaats van de wacht, zoals Yahweh gezegd had. Hij zei tot mij: „Koop toch mijn akker bij Anatot, in het land Benjamin. Want jij hebt het erfrecht en het recht van lossing. Koop hem voor jezelf.” Toen wist ik dat het het woord van Yahweh was.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
אֵ֠לַי
(elay)
naar mij
חֲנַמְאֵ֨ל
(chanamel)
Chanamel
בֶּן
(ben)
zoon van
דֹּדִ֜י
(dodi)
mijn oom
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
volgens het woord van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
חֲצַ֣ר
(chatsar)
de binnenplaats van
הַמַּטָּרָה֒
(hamatara)
de wacht
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלַ֡י
(elay)
tot mij
קְנֵ֣ה
(qene)
koop
נָ֠א
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂדִ֨י
(sadi)
mijn akker
אֲשֶׁר
(asher)
die
בַּעֲנָת֜וֹת
(baanatot)
bij Anatot
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
בִּנְיָמִ֗ין
(binyamin)
Benjamin
כִּֽי
(ki)
want
לְךָ֞
(lekha)
voor jou
מִשְׁפַּ֧ט
(mishpat)
het recht van
הַיְרֻשָּׁ֛ה
(hayrusha)
het erfrecht
וּלְךָ֥
(ulekha)
en voor jou
הַגְּאֻלָּ֖ה
(hageula)
de lossing
קְנֵה
(qene)
koop
לָ֑ךְ
(lakh)
voor jezelf
וָאֵדַ֕ע
(vaeda)
en ik wist
כִּ֥י
(ki)
dat
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

מִשְׁפַּט הַיְרֻשָּׁה (mishpat hayerushah), ‘het erfrecht’: het recht om het land te erven.

Het hoort bij het recht van lossing (vers 7).

וָאֵדַע כִּי דְבַר יְהוָה הוּא (va’eda ki devar Yahweh hu), ‘toen wist ik dat het het woord van Yahweh was’: de komst van Chanamel bevestigt wat Yahweh in vers 7 had gezegd.

9Ik kocht de akker van Chanamel, de zoon van mijn oom, bij Anatot. Ik woog het zilver voor hem af: 17 sikkel zilver.
וָֽאֶקְנֶה֙
(vaeqne)
en ik kocht
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
de akker
מֵאֵ֛ת
(meet)
van
חֲנַמְאֵ֥ל
(chanamel)
Chanamel
בֶּן
(ben)
zoon van
דֹּדִ֖י
(dodi)
mijn oom
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּעֲנָת֑וֹת
(baanatot)
bij Anatot
וָֽאֶשְׁקֲלָה
(vaeshqala)
en ik woog af
לּוֹ֙
(lo)
voor hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֔סֶף
(hakesef)
het zilver
שִׁבְעָ֥ה
(shiva)
zeven
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkel
וַעֲשָׂרָ֥ה
(vaasara)
en tien
הַכָּֽסֶף
(hakasef)
het zilver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

שִׁבְעָה שְׁקָלִים וַעֲשָׂרָה (shiv’ah shqalim va’asarah), ‘zeven sikkel en tien’: 17 sikkel.

Een sikkel is ongeveer 11,4 gram, dus 17 sikkel is ongeveer 194 gram zilver.

Het zilver werd afgewogen.

10Ik schreef het in de akte, verzegelde haar, riep getuigen aan en woog het zilver af op een weegschaal.
וָאֶכְתֹּ֤ב
(vaekhtov)
en ik schreef
בַּסֵּ֨פֶר֙
(basefer)
in de akte
וָֽאֶחְתֹּ֔ם
(vaechtom)
en ik verzegelde
וָאָעֵ֖ד
(vaaed)
en ik riep aan
עֵדִ֑ים
(edim)
getuigen
וָאֶשְׁקֹ֥ל
(vaeshqol)
en ik woog
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het zilver
בְּמֹאזְנָֽיִם
(bemoznayim)
op een weegschaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר (sefer), ‘akte’: een geschreven document.

De koopakte had twee exemplaren (vers 11).

מֹאזְנַיִם (moznayim), ‘weegschaal’: een balans waarop het zilver werd gewogen.

11Ik nam de koopakte, het verzegelde exemplaar met het gebod en de voorschriften, en het open exemplaar.
וָאֶקַּ֖ח
(vaeqach)
en ik nam
אֶת
(et)
(obj.)
סֵ֣פֶר
(sefer)
de akte van
הַמִּקְנָ֑ה
(hamiqna)
de koop
אֶת
(et)
(obj.)
הֶֽחָת֛וּם
(hechatum)
het verzegelde
הַמִּצְוָ֥ה
(hamitsva)
het gebod
וְהַחֻקִּ֖ים
(vehachuqim)
en de voorschriften
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגָּלֽוּי
(hagaluy)
het open exemplaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Er waren twee exemplaren van de koopakte.

Het verzegelde exemplaar bevatte ‘het gebod en de voorschriften’, de voorwaarden van de koop.

Het open exemplaar kon worden ingezien.

Zo kon de koop altijd worden bewezen.

12Ik gaf de koopakte aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Chanamel, mijn oom. Ik gaf haar ook voor de ogen van de getuigen die de koopakte hadden ondertekend en voor de ogen van alle Judeeërs die op de binnenplaats van de wacht zaten.
וָאֶתֵּ֞ן
(vaeten)
en ik gaf
אֶת
(et)
(obj.)
הַסֵּ֣פֶר
(hasefer)
de akte
הַמִּקְנָ֗ה
(hamiqna)
de koop
אֶל
(el)
aan
בָּר֣וּךְ
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵרִיָּה֮
(neriya)
Nerija
בֶּן
(ben)
zoon van
מַחְסֵיָה֒
(machseya)
Machseja
לְעֵינֵי֙
(leeinei)
voor de ogen van
חֲנַמְאֵ֣ל
(chanamel)
Chanamel
דֹּדִ֔י
(dodi)
mijn oom
וּלְעֵינֵי֙
(uleeinei)
en voor de ogen van
הָֽעֵדִ֔ים
(haedim)
de getuigen
הַכֹּתְבִ֖ים
(hakotevim)
die schreven
בְּסֵ֣פֶר
(besefer)
in de akte van
הַמִּקְנָ֑ה
(hamiqna)
de koop
לְעֵינֵי֙
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
alle
הַיְּהוּדִ֔ים
(hayehudim)
de Judeeërs
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die zaten
בַּחֲצַ֥ר
(bachatsar)
op de binnenplaats van
הַמַּטָּרָֽה
(hamatara)
de wacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּרוּךְ בֶּן נֵרִיָּה (Barukh ben Neriyyah), ‘Baruch, de zoon van Nerija’: de schrijver van Jeremia; zie Jer. 36:4.

De naam מַחְסֵיָה (Machseyah), ‘Machseja’, betekent ‘Yahweh is een toevlucht’.

הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Judeeërs’: de inwoners van Juda, zoals in 2 Kon. 25:25.

13Ik gaf Baruch voor hun ogen het bevel:
וָֽאֲצַוֶּה֙
(vaatsave)
en ik gebood
אֶת
(et)
(obj.)
בָּר֔וּךְ
(barukh)
Baruch
לְעֵינֵיהֶ֖ם
(leeineihem)
voor hun ogen
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14„Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: ‘Neem deze akten, deze koopakte, zowel de verzegelde als deze open akte. Leg ze in een aarden vat, zodat ze vele dagen bewaard blijven.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֩
(amar)
zegt
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֜וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לָק֣וֹחַ
(laqoach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
הַסְּפָרִ֣ים
(hasefarim)
de akten
הָאֵ֡לֶּה
(haele)
deze
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
סֵפֶר֩
(sefer)
akte van
הַמִּקְנָ֨ה
(hamiqna)
de koop
הַזֶּ֜ה
(haze)
deze
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
הֶחָת֗וּם
(hechatum)
het verzegelde
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
סֵ֤פֶר
(sefer)
akte van
הַגָּלוּי֙
(hagaluy)
het open exemplaar
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וּנְתַתָּ֖ם
(unetatam)
en leg ze
בִּכְלִי
(bikhli)
in een vat
חָ֑רֶשׂ
(chares)
van aarde
לְמַ֥עַן
(lemaan)
opdat
יַעַמְד֖וּ
(yaamdu)
zij blijven staan
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
רַבִּֽים
(rabim)
vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלִי חָרֶשׂ (keli charesh), ‘aarden vat’: een kruik van gebakken klei, waarin documenten lange tijd bewaard konden worden.

Jeremia geeft hier de woorden van Yahweh door aan Baruch. De woorden van Yahweh staan rood, binnen de woorden van Jeremia (tussen enkele aanhalingstekens).

15Want zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Nog zullen huizen, akkers en wijngaarden gekocht worden in dit land.’”
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
ע֣וֹד
(od)
nog
יִקָּנ֥וּ
(yiqanu)
zullen worden gekocht
בָתִּ֛ים
(batim)
huizen
וְשָׂד֥וֹת
(vesadot)
en akkers
וּכְרָמִ֖ים
(ukheramim)
en wijngaarden
בָּאָ֥רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De koop is een teken: ondanks het beleg zal er in dit land weer gekocht worden.

Het gebed van Jeremia

16Nadat ik de koopakte aan Baruch, de zoon van Nerija, had gegeven, bad ik tot Yahweh:
וָאֶתְפַּלֵּ֖ל
(vaetpalel)
en ik bad
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
nadat
תִתִּי֙
(titi)
ik had gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
סֵ֣פֶר
(sefer)
de akte van
הַמִּקְנָ֔ה
(hamiqna)
de koop
אֶל
(el)
aan
בָּר֥וּךְ
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
נֵרִיָּ֖ה
(neriya)
Nerija
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17„Ach, Heer Yahweh! Zie, U hebt de hemel en de aarde gemaakt met Uw grote kracht en Uw uitgestrekte arm. Niets is te wonderlijk voor U.
אֲהָהּ֮
(ahah)
ach
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אַתָּ֣ה
(ata)
U
עָשִׂ֗יתָ
(asita)
hebt gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
בְּכֹֽחֲךָ֙
(bekhochakha)
met Uw kracht
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
וּבִֽזְרֹעֲךָ֖
(uvizroakha)
en met Uw arm
הַנְּטוּיָ֑ה
(hanetuya)
de uitgestrekte
לֹֽא
(lo)
niet
יִפָּלֵ֥א
(yipale)
is te wonderlijk
מִמְּךָ֖
(mimekha)
voor U
כָּל
(kal)
enig
דָּבָֽר
(davar)
ding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Jer. 1:6.

לֹא יִפָּלֵא (lo yippale), ‘is niet te wonderlijk’: het werkwoord פָּלָא (pala) betekent ‘te wonderbaarlijk of te moeilijk zijn’, zoals in Gen. 18:14. Het staat opnieuw in vers 27.

18U bewijst trouw aan duizenden en vergeldt de schuld van de vaders in de schoot van hun kinderen na hen. U bent de grote, sterke El. Yahweh van de legermachten is Zijn naam.
עֹ֤שֶׂה
(ose)
die doet
חֶ֨סֶד֙
(chesed)
trouw
לַֽאֲלָפִ֔ים
(laalafim)
aan duizenden
וּמְשַׁלֵּם֙
(umeshalem)
en vergeldt
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
אָב֔וֹת
(avot)
vaders
אֶל
(el)
in
חֵ֥יק
(cheiq)
de schoot van
בְּנֵיהֶ֖ם
(beneihem)
hun kinderen
אַחֲרֵיהֶ֑ם
(achareihem)
na hen
הָאֵ֤ל
(hael)
de El
הַגָּדוֹל֙
(hagadol)
de grote
הַגִּבּ֔וֹר
(hagibor)
de sterke
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁמֽוֹ
(shemo)
is Zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹשֶׂה חֶסֶד לָאֲלָפִים (oseh chesed laalafim), ‘U bewijst trouw aan duizenden’: dezelfde woorden als in Exod. 20:6 en Deut. 5:10.

Zie ook Exod. 20:5.

הָאֵל הַגָּדֹל הַגִּבֹּר (ha’el hagadol haggibbor), ‘de grote, sterke El’: zie Deut. 10:17.

19U bent groot in besluit en rijk aan daden. Uw ogen zijn geopend over alle wegen van de mensenkinderen, om ieder te geven naar zijn wegen en naar de vrucht van zijn daden.
גְּדֹל֙
(gedol)
groot
הָֽעֵצָ֔ה
(haetsa)
in besluit
וְרַ֖ב
(verav)
en rijk
הָעֲלִֽילִיָּ֑ה
(haaliliya)
aan daden
אֲשֶׁר
(asher)
wiens
עֵינֶ֣יךָ
(eineikha)
Uw ogen
פְקֻח֗וֹת
(pequchot)
zijn geopend
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
דַּרְכֵי֙
(darkhei)
wegen van
בְּנֵ֣י
(benei)
de kinderen van
אָדָ֔ם
(adam)
mensen
לָתֵ֤ת
(latet)
om te geven
לְאִישׁ֙
(leish)
aan ieder
כִּדְרָכָ֔יו
(kidrakhav)
naar zijn wegen
וְכִפְרִ֖י
(vekhifri)
en naar de vrucht van
מַעֲלָלָֽיו
(maalalav)
zijn daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵצָה (etsah), ‘besluit’: wat Yahweh heeft besloten.

עֲלִילִיָּה (alilijjah), ‘daden’: een zeldzaam woord dat alleen hier voorkomt.

20U hebt tekenen en wonderen gedaan in het land Egypte, tot op deze dag, zowel in Israël als onder de mensen. U hebt Uzelf een naam gemaakt, zoals op deze dag.
אֲשֶׁר
(asher)
die
שַׂ֠מְתָּ
(samta)
U hebt gesteld
אֹת֨וֹת
(otot)
tekenen
וּמֹפְתִ֤ים
(umofetim)
en wonderen
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
עַד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וּבְיִשְׂרָאֵ֖ל
(uveyisrael)
en in Israël
וּבָֽאָדָ֑ם
(uvaadam)
en onder mensen
וַתַּעֲשֶׂה
(vataase)
en U maakte
לְּךָ֥
(lekha)
voor U
שֵׁ֖ם
(shem)
een naam
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֹתוֹת וּמֹפְתִים (otot umoftim), ‘tekenen en wonderen’: de plagen en wonderen bij de uittocht uit Egypte, zoals in Deut. 6:22.

21U hebt Uw volk Israël uit het land Egypte geleid met tekenen en wonderen, met een sterke hand en een uitgestrekte arm, en met groot ontzag.
וַתֹּצֵ֛א
(vatotse)
en U voerde uit
אֶת
(et)
(obj.)
עַמְּךָ֥
(amekha)
Uw volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּאֹת֣וֹת
(beotot)
met tekenen
וּבְמוֹפְתִ֗ים
(uvemofetim)
en met wonderen
וּבְיָ֤ד
(uveyad)
en met een hand
חֲזָקָה֙
(chazaqa)
sterke
וּבְאֶזְר֣וֹעַ
(uveezroa)
en met een arm
נְטוּיָ֔ה
(netuya)
uitgestrekte
וּבְמוֹרָ֖א
(uvemora)
en met ontzag
גָּדֽוֹל
(gadol)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

וּבְמוֹרָא גָּדוֹל (uvmora gadol), ‘met groot ontzag’: het ontzag dat de daden van Yahweh wekten, zoals in Deut. 26:8.

22U hebt hun dit land gegeven, dat U hun vaderen gezworen had hun te geven, een land dat overvloeit van melk en honing.
וַתִּתֵּ֤ן
(vatiten)
en U gaf
לָהֶם֙
(lahem)
hun
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֥עְתָּ
(nishbata)
U had gezworen
לַאֲבוֹתָ֖ם
(laavotam)
aan hun vaderen
לָתֵ֣ת
(latet)
om te geven
לָהֶ֑ם
(lahem)
hun
אֶ֛רֶץ
(erets)
een land
זָבַ֥ת
(zavat)
dat overvloeit van
חָלָ֖ב
(chalav)
melk
וּדְבָֽשׁ
(udevash)
en honing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Zij kwamen binnen en namen het in bezit, maar zij luisterden niet naar Uw stem en volgden Uw wet niet. Alles wat U hun geboden had te doen, hebben zij niet gedaan. Zo hebt U al dit onheil over hen laten komen.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
וַיִּֽרְשׁ֣וּ
(vayirshu)
en namen in bezit
אֹתָ֗הּ
(otah)
het
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁמְע֤וּ
(shameu)
zij luisterden
בְקוֹלֶ֨ךָ֙
(beqolekha)
naar Uw stem
וּבְתוֹרָתְךָ֣
(uvetoratekha)
en naar Uw wet
לֹא
(lo)
niet
הָלָ֔כוּ
(halakhu)
zij liepen
אֵת֩
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
צִוִּ֧יתָה
(tsivita)
U had geboden
לָהֶ֛ם
(lahem)
hun
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
לֹ֣א
(lo)
niet
עָשׂ֑וּ
(asu)
zij deden
וַתַּקְרֵ֣א
(vataqre)
en U liet overkomen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het onheil
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: het woord betekent ook ‘onderwijs’.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וּבְתוֹרָתְךָ (uvtoratekha), ‘en naar Uw wet’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft een andere spelling van hetzelfde woord, met dezelfde betekenis.

24Zie, de belegeringswallen zijn tot aan de stad gekomen om haar in te nemen. Door het zwaard, de honger en de pest is de stad gegeven in de hand van de Chaldeeën die haar bestrijden. Wat U gesproken hebt, is gebeurd, en zie, U ziet het.
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
הַסֹּלְל֗וֹת
(hasolelot)
de belegeringswallen
בָּ֣אוּ
(bau)
zijn gekomen
הָעִיר֮
(hair)
de stad
לְלָכְדָהּ֒
(lelakhedah)
om haar in te nemen
וְהָעִ֣יר
(vehair)
en de stad
נִתְּנָ֗ה
(nitena)
is gegeven
בְּיַ֤ד
(beyad)
in de hand van
הַכַּשְׂדִּים֙
(hakasdim)
de Chaldeeën
הַנִּלְחָמִ֣ים
(hanilchamim)
die strijden
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
tegen haar
מִפְּנֵ֛י
(mipenei)
vanwege
הַחֶ֥רֶב
(hacherev)
het zwaard
וְהָרָעָ֖ב
(veharaav)
en de honger
וְהַדָּ֑בֶר
(vehadaver)
en de pest
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wat
דִּבַּ֛רְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
הָיָ֖ה
(haya)
is gebeurd
וְהִנְּךָ֥
(vehinekha)
en zie U
רֹאֶֽה
(roe)
ziet het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֹלְלוֹת (solelot), ‘belegeringswallen’: opgeworpen hellingen van aarde langs de stadsmuur, waarlangs de aanvallers de muur konden bereiken.

דֶּבֶר (dever), ‘pest’: een dodelijke ziekte die zich snel verspreidt, zoals in Lev. 26:25.

25En U hebt tot mij gezegd, Heer Yahweh: ‘Koop de akker voor jezelf voor zilver en roep getuigen aan.’ Terwijl de stad in de hand van de Chaldeeën is gegeven.”
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en U
אָמַ֤רְתָּ
(amarta)
hebt gezegd
אֵלַי֙
(elay)
tot mij
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
קְנֵֽה
(qene)
koop
לְךָ֧
(lekha)
voor jezelf
הַשָּׂדֶ֛ה
(hasade)
de akker
בַּכֶּ֖סֶף
(bakesef)
voor zilver
וְהָעֵ֣ד
(vehaed)
en roep aan
עֵדִ֑ים
(edim)
getuigen
וְהָעִ֥יר
(vehair)
en de stad
נִתְּנָ֖ה
(nitena)
is gegeven
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
הַכַּשְׂדִּֽים
(hakasdim)
de Chaldeeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het gebed eindigt zonder vraag, maar de spanning is duidelijk: Jeremia heeft land gekocht, terwijl de stad al in handen van de Chaldeeën is.

Yahweh antwoordt in de verzen 26–44.

De woorden van Yahweh uit vers 7 worden hier aangehaald binnen het gebed van Jeremia. Zij staan daarom zwart, zoals alle woorden binnen een gebed.

Is er iets te wonderlijk voor Yahweh?

26Het woord van Yahweh kwam tot Jeremia:
וַיְהִי֙
(vayhi)
en kwam
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27„Zie, Ik ben Yahweh, de Elohim van alle vlees. Is er iets te wonderlijk voor Mij?”
הִנֵּה֙
(hine)
zie
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖י
(elohei)
Elohim van
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֑ר
(basar)
vlees
הֲֽמִמֶּ֔נִּי
(hamimeni)
is dan van Mij
יִפָּלֵ֖א
(yipale)
te wonderlijk
כָּל
(kal)
enig
דָּבָֽר
(davar)
ding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּל בָּשָׂר (kol basar), ‘alle vlees’: alle levende wezens, de hele mensheid.

Zie ook Num. 16:22 en 27:16.

Het is het antwoord op Jeremia’s woorden in vers 17: ‘Niets is te wonderlijk voor U.’

28Daarom, zo zegt Yahweh: „Zie, Ik geef deze stad in de hand van de Chaldeeën en in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel. Hij zal haar innemen.
לָכֵ֕ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Ik
נֹתֵן֩
(noten)
ben die geeft
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֨יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֜את
(hazot)
deze
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
הַכַּשְׂדִּ֗ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
וּבְיַ֛ד
(uveyad)
en in de hand van
נְבֽוּכַדְרֶאצַּ֥ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וּלְכָדָֽהּ
(ulekhadah)
en hij zal haar innemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

29De Chaldeeën die tegen deze stad strijden, zullen komen. Zij zullen deze stad in brand steken en haar verbranden. Ook de huizen waarop zij voor de Baäl wierook hebben gebrand en voor andere goden plengoffers hebben uitgegoten, zullen zij verbranden, om Mij tot toorn te prikkelen.
וּבָ֣אוּ
(uvau)
en zullen komen
הַכַּשְׂדִּ֗ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
הַנִּלְחָמִים֙
(hanilchamim)
die strijden
עַל
(al)
tegen
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
וְהִצִּ֜יתוּ
(vehitsitu)
en zullen aansteken
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֛את
(hazot)
deze
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
met vuur
וּשְׂרָפ֑וּהָ
(userafuha)
en zullen haar verbranden
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
הַבָּתִּ֡ים
(habatim)
de huizen
אֲשֶׁר֩
(asher)
waar
קִטְּר֨וּ
(qiteru)
zij wierook hebben gebrand
עַל
(al)
op
גַּגּֽוֹתֵיהֶ֜ם
(gagoteihem)
hun daken
לַבַּ֗עַל
(labaal)
voor de Baäl
וְהִסִּ֤כוּ
(vehisikhu)
en zij hebben uitgegoten
נְסָכִים֙
(nesakhim)
plengoffers
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
לְמַ֖עַן
(lemaan)
opdat
הַכְעִסֵֽנִי
(hakhiseni)
zij Mij tot toorn prikkelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַבַּעַל (habba’al), ‘de Baäl’: met lidwoord, de heer, de god die in Kanaän werd vereerd.

קִטְּרוּ עַל גַּגּוֹתֵיהֶם (qitteru al gaggotehem), ‘zij hebben op hun daken wierook gebrand’: zie Jer. 19:13.

30Want de zonen van Israël en de zonen van Juda doen alleen maar wat kwaad is in Mijn ogen, van hun jeugd af. De zonen van Israël prikkelen Mij alleen maar tot toorn met het werk van hun handen, godsspraak van Yahweh.
כִּֽי
(ki)
want
הָי֨וּ
(hayu)
zij zijn geweest
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אַ֣ךְ
(akh)
alleen maar
עֹשִׂ֥ים
(osim)
die doen
הָרַ֛ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינַ֖י
(beeinay)
in Mijn ogen
מִנְּעֻרֹֽתֵיהֶ֑ם
(mineuroteihem)
van hun jeugd af
כִּ֣י
(ki)
want
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
אַ֣ךְ
(akh)
alleen maar
מַכְעִסִ֥ים
(makhisim)
die tot toorn prikkelen
אֹתִ֛י
(oti)
Mij
בְּמַעֲשֵׂ֥ה
(bemaase)
met het werk van
יְדֵיהֶ֖ם
(yedeihem)
hun handen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Want deze stad heeft Mijn toorn en Mijn woede opgewekt, vanaf de dag dat zij haar bouwden tot op deze dag, zodat Ik haar van Mijn aangezicht verwijder.
כִּ֧י
(ki)
want
עַל
(al)
over
אַפִּ֣י
(api)
Mijn toorn
וְעַל
(veal)
en over
חֲמָתִ֗י
(chamati)
Mijn woede
הָ֤יְתָה
(hayeta)
is geweest
לִּי֙
(li)
voor Mij
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
לְמִן
(lemin)
van
הַיּוֹם֙
(hayom)
de dag
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בָּנ֣וּ
(banu)
zij bouwden
אוֹתָ֔הּ
(otah)
haar
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
לַהֲסִירָ֖הּ
(lahasirah)
om haar te verwijderen
מֵעַ֥ל
(meal)
van
פָּנָֽי
(panay)
Mijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל אַפִּי וְעַל חֲמָתִי הָיְתָה לִּי (al appi ve’al chamati hayetah li), ‘heeft Mijn toorn en Mijn woede opgewekt’: letterlijk ‘is voor Mij over Mijn toorn en Mijn woede geweest’.

De stad was voortdurend een aanleiding voor Zijn toorn.

32Vanwege al het kwaad van de zonen van Israël en de zonen van Juda, dat zij gedaan hebben om Mij tot toorn te prikkelen. Zij, hun koningen, hun oversten, hun priesters en hun profeten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.
עַל֩
(al)
over
כָּל
(kal)
al
רָעַ֨ת
(raat)
het kwaad van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
עָשׂוּ֙
(asu)
zij deden
לְהַכְעִסֵ֔נִי
(lehakhiseni)
om Mij tot toorn te prikkelen
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
מַלְכֵיהֶם֙
(malkheihem)
hun koningen
שָֽׂרֵיהֶ֔ם
(sareihem)
hun oversten
כֹּהֲנֵיהֶ֖ם
(kohaneihem)
hun priesters
וּנְבִֽיאֵיהֶ֑ם
(unevieihem)
en hun profeten
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en de mannen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֖י
(veyoshevei)
en de inwoners van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

33Zij hebben Mij de rug toegekeerd en niet het gezicht. Ik onderwees hen, vroeg en telkens weer, maar zij luisteren niet om tucht aan te nemen.
וַיִּפְנ֥וּ
(vayifnu)
en zij keerden
אֵלַ֛י
(elay)
naar Mij
עֹ֖רֶף
(oref)
de nek
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
פָנִ֑ים
(panim)
het gezicht
וְלַמֵּ֤ד
(velamed)
en onderwijzen
אֹתָם֙
(otam)
hen
הַשְׁכֵּ֣ם
(hashkem)
vroeg
וְלַמֵּ֔ד
(velamed)
en onderwijzen
וְאֵינָ֥ם
(veeinam)
en niet zijn zij
שֹׁמְעִ֖ים
(shomeim)
luisterend
לָקַ֥חַת
(laqachat)
om aan te nemen
מוּסָֽר
(musar)
tucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְׁכֵּם וְלַמֵּד (hashkem velammed), ‘vroeg en telkens weer’: letterlijk ‘vroeg opstaand en onderwijzend’.

Zo wordt in Jeremia gezegd dat Yahweh onvermoeid Zijn woorden bracht.

Zie ook Jer. 7:13 en 25:3.

מוּסָר (musar), ‘tucht’: ook ‘onderricht’.

34Zij plaatsten hun gruwelbeelden in het huis waarover Mijn naam is uitgeroepen, om het te verontreinigen.
וַיָּשִׂ֣ימוּ
(vayasimu)
en zij plaatsten
שִׁקּֽוּצֵיהֶ֗ם
(shiqutseihem)
hun gruwelbeelden
בַּבַּ֛יִת
(babayit)
in het huis
אֲשֶׁר
(asher)
waarover
נִקְרָֽא
(niqra)
is uitgeroepen
שְׁמִ֥י
(shemi)
Mijn naam
עָלָ֖יו
(alav)
daarover
לְטַמְּאֽוֹ
(letameo)
om het te verontreinigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁקּוּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelbeelden’: het woord שִׁקּוּץ (shiqquts) betekent ‘gruwel, afschuw’ en staat voor afgodsbeelden.

נִקְרָא שְׁמִי עָלָיו (niqra shemi alav), ‘waarover Mijn naam is uitgeroepen’: het huis behoort aan Yahweh toe. Het vers staat bijna woordelijk ook in Jer. 7:30.

35Zij bouwden de hoogten van de Baäl in het dal van Ben-Hinnom, om hun zonen en hun dochters aan Molech te laten overgaan. Dat heb Ik hun niet geboden, en het is niet in Mijn hart opgekomen deze gruwel te doen, waardoor Juda tot zonde gebracht zou worden.”
וַיִּבְנוּ֩
(vayivnu)
en zij bouwden
אֶת
(et)
(obj.)
בָּמ֨וֹת
(bamot)
de hoogten van
הַבַּ֜עַל
(habaal)
de Baäl
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּגֵ֣יא
(begei)
in het dal van
בֶן
(ben)
Ben
הִנֹּ֗ם
(hinom)
Hinnom
לְ֠הַעֲבִיר
(lehaavir)
om te laten overgaan
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיהֶ֣ם
(beneihem)
hun zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֵיהֶם֮
(benoteihem)
hun dochters
לַמֹּלֶךְ֒
(lamolekh)
aan Molech
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
לֹֽא
(lo)
niet
צִוִּיתִ֗ים
(tsivitim)
Ik had hun geboden
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
עָֽלְתָה֙
(aleta)
is opgekomen
עַל
(al)
in
לִבִּ֔י
(libi)
Mijn hart
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
הַתּוֹעֵבָ֣ה
(hatoeva)
de gruwel
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
לְמַ֖עַן
(lemaan)
opdat
הַחֲטִ֥יא
(hachati)
tot zonde brengen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.

Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.

Uitleg

לַמֹּלֶךְ (lammolekh), ‘aan Molech’: zie Lev. 18:21.

De kinderoffers in het dal van Ben-Hinnom worden ook genoemd in Jer. 7:31 en 19:5.

De woorden ‘het is niet in Mijn hart opgekomen’ staan ook in Jer. 7:31.

Toch zal Ik hen terugbrengen

36Nu dan, daarom zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël, over deze stad waarvan jullie zeggen: ‘Zij is door het zwaard, de honger en de pest in de hand van de koning van Babel gegeven’:
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
לָכֵ֛ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
over
הָעִ֨יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֜את
(hazot)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarvan
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
אֹמְרִ֗ים
(omerim)
zeggen
נִתְּנָה֙
(nitena)
is gegeven
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
בַּחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
וּבָרָעָ֥ב
(uvaraav)
en door de honger
וּבַדָּֽבֶר
(uvadaver)
en door de pest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Het gaat om wat de mensen in de stad zeggen: de stad is door zwaard, honger en pest in de hand van Babel gegeven.

Yahweh antwoordt dat Hij toch zal laten terugkeren (verzen 37–44).

37„Zie, Ik verzamel hen uit alle landen waarheen Ik hen verdreven heb in Mijn toorn, in Mijn woede en in grote gramschap. Ik breng hen terug naar deze plaats en laat hen veilig wonen.
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Ik
מְקַבְּצָם֙
(meqabetsam)
ben die hen verzamelt
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הָ֣אֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarheen
הִדַּחְתִּ֥ים
(hidachtim)
Ik hen heb verdreven
שָׁ֛ם
(sham)
daar
בְּאַפִּ֥י
(beapi)
in Mijn toorn
וּבַחֲמָתִ֖י
(uvachamati)
en in Mijn woede
וּבְקֶ֣צֶף
(uveqetsef)
en in gramschap
גָּד֑וֹל
(gadol)
grote
וַהֲשִֽׁבֹתִים֙
(vahashivotim)
en Ik zal hen terugbrengen
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וְהֹשַׁבְתִּ֖ים
(vehoshavtim)
en Ik zal hen laten wonen
לָבֶֽטַח
(lavetach)
in veiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Deut. 30:3–5 en Jer. 29:14.

38Zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun Elohim zijn.
וְהָ֥יוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לִ֖י
(li)
voor Mij
לְעָ֑ם
(leam)
tot een volk
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en Ik
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
Ik zal zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Ik geef hun één hart en één weg, zodat zij Mij altijd vrezen. Dat is goed voor hen en voor hun kinderen na hen.
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal geven
לָהֶ֜ם
(lahem)
hun
לֵ֤ב
(lev)
hart
אֶחָד֙
(echad)
één
וְדֶ֣רֶךְ
(vederekh)
en weg
אֶחָ֔ד
(echad)
één
לְיִרְאָ֥ה
(leyira)
om te vrezen
אוֹתִ֖י
(oti)
Mij
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִ֑ים
(hayamim)
de dagen
לְט֣וֹב
(letov)
tot het goede
לָהֶ֔ם
(lahem)
van hen
וְלִבְנֵיהֶ֖ם
(velivneihem)
en van hun kinderen
אַחֲרֵיהֶֽם
(achareihem)
na hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֵב אֶחָד וְדֶרֶךְ אֶחָד (lev echad vederekh echad), ‘één hart en één weg’: een ongedeelde wil, gericht op Yahweh.

40Ik sluit met hen een verbond voor eeuwig: Ik zal Mij niet van hen afwenden, maar hun goed doen. Ik leg de vrees voor Mij in hun hart, zodat zij niet van Mij afwijken.
וְכָרַתִּ֤י
(vekharati)
en Ik zal sluiten
לָהֶם֙
(lahem)
met hen
בְּרִ֣ית
(berit)
een verbond
עוֹלָ֔ם
(olam)
van eeuwigheid
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
אָשׁוּב֙
(ashuv)
Ik zal terugkeren
מֵאַ֣חֲרֵיהֶ֔ם
(meachareihem)
van achter hen
לְהֵיטִיבִ֖י
(leheitivi)
om goed te doen
אוֹתָ֑ם
(otam)
aan hen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יִרְאָתִי֙
(yirati)
Mijn vrees
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
בִּלְבָבָ֔ם
(bilvavam)
in hun hart
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
opdat niet
ס֥וּר
(sur)
zij afwijken
מֵעָלָֽי
(mealay)
van Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘verbond voor eeuwig’: zie ook Jer. 50:5.

Het is hetzelfde verbond als het ‘nieuwe verbond’ van Jer. 31:31–34.

יִרְאָתִי (yir’ati), ‘de vrees voor Mij’: ontzag voor Yahweh.

41Ik zal blij zijn over hen om hun goed te doen. Ik plant hen in dit land in waarheid, met heel Mijn hart en heel Mijn ziel.
וְשַׂשְׂתִּ֥י
(vesasti)
en Ik zal blij zijn
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
לְהֵטִ֣יב
(lehetiv)
om goed te doen
אוֹתָ֑ם
(otam)
aan hen
וּנְטַעְתִּ֞ים
(unetatim)
en Ik zal hen planten
בָּאָ֤רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּאת֙
(hazot)
dit
בֶּאֱמֶ֔ת
(beemet)
in waarheid
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לִבִּ֖י
(libi)
Mijn hart
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
נַפְשִֽׁי
(nafshi)
Mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּאֱמֶת (be’emet), ‘in waarheid’: het woord אֱמֶת (emet) betekent ook ‘trouw, betrouwbaarheid’.

Yahweh plant het volk zeker en stevig in dit land.

נַפְשִׁי (nafshi), ‘Mijn ziel’: Yahweh spreekt over Zichzelf, zoals in Jes. 1:14.

Er zullen weer akkers gekocht worden

42Want zo zegt Yahweh: Ik heb over dit volk al dit grote onheil gebracht. Zo breng Ik over hen al het goede dat Ik over hen spreek.
כִּֽי
(ki)
want
כֹה֙
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
הֵבֵ֨אתִי֙
(heveti)
Ik heb gebracht
אֶל
(el)
over
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרָעָ֥ה
(haraa)
het onheil
הַגְּדוֹלָ֖ה
(hagedola)
het grote
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
כֵּ֣ן
(ken)
zo
אָנֹכִ֞י
(anokhi)
Ik
מֵבִ֤יא
(mevi)
ben die brengt
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
over hen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַטּוֹבָ֔ה
(hatova)
het goede
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
דֹּבֵ֥ר
(dover)
spreek
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Er zullen akkers gekocht worden in dit land, waarvan jullie zeggen: ‘Het is een woestenij, zonder mens en dier. Het is in de hand van de Chaldeeën gegeven.’
וְנִקְנָ֥ה
(veniqna)
en zal worden gekocht
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
de akker
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarvan
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
אֹמְרִ֗ים
(omerim)
zeggen
שְׁמָמָ֥ה
(shemama)
woestenij
הִיא֙
(hi)
het is
מֵאֵ֤ין
(meein)
zonder
אָדָם֙
(adam)
mens
וּבְהֵמָ֔ה
(uvehema)
en dier
נִתְּנָ֖ה
(nitena)
is gegeven
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
הַכַּשְׂדִּֽים
(hakasdim)
de Chaldeeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Men zal akkers kopen voor zilver, het opschrijven in een akte, verzegelen en getuigen aanroepen. Dat gebeurt in het land Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem, in de steden van Juda, in de steden van het bergland, in de steden van de Sefela en in de steden van de Negev. Want Ik zal hun lot keren, godsspraak van Yahweh.”
שָׂד֞וֹת
(sadot)
akkers
בַּכֶּ֣סֶף
(bakesef)
voor zilver
יִקְנ֗וּ
(yiqnu)
zij zullen kopen
וְכָת֨וֹב
(vekhatov)
en opschrijven
בַּסֵּ֥פֶר
(basefer)
in de akte
וְחָתוֹם֮
(vechatom)
en verzegelen
וְהָעֵ֣ד
(vehaed)
en getuigen aanroepen
עֵדִים֒
(edim)
getuigen
בְּאֶ֨רֶץ
(beerets)
in het land
בִּנְיָמִ֜ן
(binyamin)
Benjamin
וּבִסְבִיבֵ֣י
(uvisvivei)
en in de omgeving van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וּבְעָרֵ֤י
(uvearei)
en in de steden van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּבְעָרֵ֣י
(uvearei)
en in de steden van
הָהָ֔ר
(hahar)
het bergland
וּבְעָרֵ֥י
(uvearei)
en in de steden van
הַשְּׁפֵלָ֖ה
(hashefela)
de Sefela
וּבְעָרֵ֣י
(uvearei)
en in de steden van
הַנֶּ֑גֶב
(hanegev)
de Negev
כִּֽי
(ki)
want
אָשִׁ֥יב
(ashiv)
Ik zal doen terugkeren
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁבוּתָ֖ם
(shevutam)
hun lot
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda.

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Uitleg

שְׁבוּתָם (shevutam), ‘hun lot’: zie Jer. 30:3.