Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De slag bij Afek
1Het woord van Samuël kwam tot heel Israël. Israël trok uit, de Filistijnen tegemoet, om te strijden. Zij sloegen hun kamp op bij Ebenezer. De Filistijnen hadden hun kamp opgeslagen bij Afek.
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
דְבַר
(devar)
woord van
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
לְכָל
(lekhal)
aan heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en trok uit
יִשְׂרָאֵל֩
(yisrael)
Israël
לִקְרַ֨את
(liqrat)
om te ontmoeten
פְּלִשְׁתִּ֜ים
(pelishtim)
Filistijnen
לַמִּלְחָמָ֗ה
(lamilchama)
ten strijde
וַֽיַּחֲנוּ֙
(vayachanu)
en zij legerden zich
עַל
(al)
bij
הָאֶ֣בֶן
(haeven)
de steen
הָעֵ֔זֶר
(haezer)
de hulp
וּפְלִשְׁתִּ֖ים
(ufelishtim)
en Filistijnen
חָנ֥וּ
(chanu)
hadden gelegerd
בַאֲפֵֽק
(baafeq)
bij Afek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Afek is waarschijnlijk Tel Afek, ongeveer 15 kilometer ten oosten van Tel Aviv (Israël).
Ebenezer lag niet ver van Afek; de precieze ligging is onzeker.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
הָאֶבֶן הָעֵזֶר (ha’even ha’ezer), ‘de steen van de hulp’: Ebenezer.
2De Filistijnen stelden zich op tegenover Israël. De strijd breidde zich uit, en Israël werd door de Filistijnen verslagen. Zij sloegen in de slagorde, in het veld, ongeveer 4.000 man neer.
וַיַּעַרְכ֨וּ
(vayaarkhu)
en zij stelden zich op
פְלִשְׁתִּ֜ים
(pelishtim)
Filistijnen
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegenover
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַתִּטֹּשׁ֙
(vatitosh)
en breidde zich uit
הַמִּלְחָמָ֔ה
(hamilchama)
de strijd
וַיִּנָּ֥גֶף
(vayinagef)
en werd verslagen
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיַּכּ֤וּ
(vayaku)
en zij sloegen
בַמַּֽעֲרָכָה֙
(bamaarakha)
in de slagorde
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
כְּאַרְבַּ֥עַת
(kearbaat)
ongeveer vier van
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizenden
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
וַתִּטֹּשׁ (vattitosh), ‘breidde zich uit’: van נָטַשׁ (natash), ‘uitspreiden’ of ‘verlaten’.
3Het volk kwam in het kamp. De oudsten van Israël zeiden: „Waarom heeft Yahweh ons vandaag verslagen voor de Filistijnen? Laten wij de ark van het verbond van Yahweh uit Silo naar ons toe halen. Dan komt hij in ons midden en redt hij ons uit de hand van onze vijanden.”
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
הָעָם֮
(haam)
het volk
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶה֒
(hamachane)
het kamp
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
oudsten van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
נְגָפָ֧נוּ
(negafanu)
heeft verslagen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
פְלִשְׁתִּ֑ים
(pelishtim)
Filistijnen
נִקְחָ֧ה
(niqcha)
laten wij halen
אֵלֵ֣ינוּ
(eleinu)
naar ons
מִשִּׁלֹ֗ה
(mishilo)
uit Silo
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרוֹן֙
(aron)
ark van
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיָבֹ֣א
(veyavo)
zodat hij komt
בְקִרְבֵּ֔נוּ
(beqirbenu)
in ons midden
וְיֹשִׁעֵ֖נוּ
(veyoshienu)
en hij redt ons
מִכַּ֥ף
(mikaf)
uit de hand van
אֹיְבֵֽינוּ
(oyeveinu)
onze vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Silo: zie bij 1:3.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה (aron berit Yahweh), ‘ark van het verbond van Yahweh’: de ark uit Exod. 25:10–22.
Hij stond in Silo.
Lezing
‘Hij’ in ‘Dan komt hij in ons midden en redt hij ons’ kan de ark zijn of Yahweh.
De oudsten spreken over de ark; wij schrijven ‘hij’ met een kleine letter.
4Het volk stuurde naar Silo. Men nam vandaar de ark van het verbond van Yahweh van de legermachten, die op de cherubs zetelt. De twee zonen van Eli, Chofni en Pinechas, waren daar bij de ark van het verbond van Elohim.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
הָעָם֙
(haam)
het volk
שִׁלֹ֔ה
(shilo)
naar Silo
וַיִּשְׂא֣וּ
(vayisu)
en zij droegen
מִשָּׁ֗ם
(misham)
vandaar
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲר֧וֹן
(aron)
ark van
בְּרִית
(berit)
verbond van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
zetelend
הַכְּרֻבִ֑ים
(hakeruvim)
op de cherubs
וְשָׁ֞ם
(vesham)
en daar
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עֵלִ֗י
(eli)
Eli
עִם
(im)
bij
אֲרוֹן֙
(aron)
ark van
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
חָפְנִ֖י
(chafeni)
Chofni
וּפִֽינְחָֽס
(ufinechas)
en Pinechas
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
יֹשֵׁב הַכְּרֻבִים (yoshev hakeruvim), ‘die op de cherubs zetelt’: Yahweh is aanwezig boven het verzoendeksel, tussen de twee cherubs (Exod. 25:22).
6De Filistijnen hoorden het geluid van het gejuich. Zij zeiden: „Wat is dit geluid van groot gejuich in het kamp van de Hebreeën?” Zij begrepen dat de ark van Yahweh in het kamp was gekomen.
וַיִּשְׁמְע֤וּ
(vayishmeu)
en hoorden
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
Filistijnen
אֶת
(et)
(obj.)
ק֣וֹל
(qol)
geluid van
הַתְּרוּעָ֔ה
(haterua)
het gejuich
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
מֶ֠ה
(me)
wat
ק֣וֹל
(qol)
geluid van
הַתְּרוּעָ֧ה
(haterua)
het gejuich
הַגְּדוֹלָ֛ה
(hagedola)
het grote
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
בְּמַחֲנֵ֣ה
(bemachane)
in het kamp van
הָעִבְרִ֑ים
(haivrim)
de Hebreeën
וַיֵּ֣דְע֔וּ
(vayedeu)
en zij begrepen
כִּ֚י
(ki)
dat
אֲר֣וֹן
(aron)
ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֖א
(ba)
is gekomen
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
עִבְרִים (ivrim), ‘Hebreeën’: zo noemen buitenlanders de Israëlieten.
7De Filistijnen werden bang, want zij zeiden: „Een god is in het kamp gekomen.” Zij zeiden: „Wee ons! Want zoiets is gisteren en eergisteren niet gebeurd.
וַיִּֽרְאוּ֙
(vayiru)
en werden bang
הַפְּלִשְׁתִּ֔ים
(hapelishtim)
de Filistijnen
כִּ֣י
(ki)
want
אָמְר֔וּ
(ameru)
zij zeiden
בָּ֥א
(ba)
is gekomen
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
een god
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
het kamp
וַיֹּאמְרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
א֣וֹי
(oy)
wee
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
הָיְתָ֛ה
(hayeta)
is geweest
כָּזֹ֖את
(kazot)
zoals dit
אֶתְמ֥וֹל
(etmol)
gisteren
שִׁלְשֹֽׁם
(shilshom)
eergisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
אֱלֹהִים (Elohim): in de mond van de Filistijnen is dit ‘een god’ of ‘goden’.
Het werkwoord staat in het enkelvoud (‘is gekomen’); vers 8 heeft het meervoud.
Wij schrijven ‘god’ en ‘goden’ met een kleine letter.
אֶתְמוֹל שִׁלְשׁוֹם (etmol shilshom), letterlijk ‘gisteren en eergisteren’: ‘tot nu toe’. Zie ook Joz. 3:4.
Lezing
וַיִּרְאוּ (vayyir’u): met de klinkers van de Masoretische tekst betekent dit ‘zij zagen’.
Het verband (‘want zij zeiden’) vraagt om ‘zij werden bang’.
Wij lezen de vorm daarom als van יָרֵא (yare), ‘vrezen’.
10De Filistijnen vochten en Israël werd verslagen. Ieder vluchtte naar zijn tenten. De nederlaag was zeer groot: van Israël vielen 30.000 man voetvolk.
וַיִּלָּחֲמ֣וּ
(vayilachamu)
en vochten
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
Filistijnen
וַיִּנָּ֤גֶף
(vayinagef)
en werd verslagen
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וַיָּנֻ֨סוּ֙
(vayanusu)
en vluchtten
אִ֣ישׁ
(ish)
man
לְאֹהָלָ֔יו
(leohalav)
naar zijn tenten
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en was
הַמַּכָּ֖ה
(hamaka)
de nederlaag
גְּדוֹלָ֣ה
(gedola)
groot
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיִּפֹּל֙
(vayipol)
en viel
מִיִּשְׂרָאֵ֔ל
(miyisrael)
van Israël
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
רַגְלִֽי
(ragli)
voetvolk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
13Toen hij aankwam, zie, Eli zat op zijn stoel naast de weg uit te kijken. Want zijn hart beefde voor de ark van Elohim. De man kwam de stad in om het te vertellen, en heel de stad slaakte een noodkreet.
וַיָּב֗וֹא
(vayavo)
en hij kwam
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
עֵ֠לִי
(eli)
Eli
יֹשֵׁ֨ב
(yoshev)
zittend
עַֽל
(al)
op
הַכִּסֵּ֜א
(hakise)
de stoel
יַ֥ד
(yad)
naast
דֶּ֨רֶךְ֙
(derekh)
de weg
מְצַפֶּ֔ה
(metsape)
uitkijkend
כִּֽי
(ki)
want
הָיָ֤ה
(haya)
was
לִבּוֹ֙
(libo)
zijn hart
חָרֵ֔ד
(chared)
trillend
עַ֖ל
(al)
over
אֲר֣וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וְהָאִ֗ישׁ
(vehaish)
en de man
בָּ֚א
(ba)
was gekomen
לְהַגִּ֣יד
(lehagid)
om te vertellen
בָּעִ֔יר
(bair)
in de stad
וַתִּזְעַ֖ק
(vatizaq)
en slaakte een noodkreet
כָּל
(kal)
heel
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יַד דֶּרֶךְ (yad derech), letterlijk ‘hand van de weg’: naast de weg.
זָעַק (za’aq), ‘een noodkreet slaken’: de stad schreeuwt het uit van schrik.
17De boodschapper antwoordde: „Israël is gevlucht voor de Filistijnen. Er is ook een grote slachting onder het volk geweest. Ook uw twee zonen zijn dood, Chofni en Pinechas, en de ark van Elohim is genomen.”
וַיַּ֨עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַֽמְבַשֵּׂ֜ר
(hamvaser)
de boodschapper
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
נָ֤ס
(nas)
is gevlucht
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וְגַ֛ם
(vegam)
en ook
מַגֵּפָ֥ה
(magefa)
slachting
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
grote
הָיְתָ֣ה
(hayeta)
was
בָעָ֑ם
(baam)
onder het volk
וְגַם
(vegam)
en ook
שְׁנֵ֨י
(shenei)
twee van
בָנֶ֜יךָ
(baneikha)
je zonen
מֵ֗תוּ
(metu)
zijn gestorven
חָפְנִי֙
(chafeni)
Chofni
וּפִ֣ינְחָ֔ס
(ufinechas)
en Pinechas
וַאֲר֥וֹן
(vaaron)
en ark van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
נִלְקָֽחָה
(nilqacha)
is genomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
מְבַשֵּׂר (mevasser), ‘boodschapper’: iemand die nieuws brengt.
Hier is het slecht nieuws, in vier stappen: Israël vluchtte, het volk leed een slachting, Eli’s zonen zijn dood, de ark is genomen.
18Zodra hij de ark van Elohim noemde, viel Eli achterover van zijn stoel, naast de poort. Zijn nek brak en hij stierf. Want hij was een oude man en zwaar. Hij was veertig jaar rechter over Israël.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כְּהַזְכִּיר֣וֹ
(kehazkiro)
toen hij noemde
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
וַיִּפֹּ֣ל
(vayipol)
en viel
מֵֽעַל
(meal)
van
הַ֠כִּסֵּא
(hakise)
de stoel
אֲחֹ֨רַנִּ֜ית
(achoranit)
achterover
בְּעַ֣ד
(bead)
naast
יַ֣ד
(yad)
zijde van
הַשַּׁ֗עַר
(hashaar)
de poort
וַתִּשָּׁבֵ֤ר
(vatishaver)
en brak
מַפְרַקְתּוֹ֙
(mafraqto)
zijn nek
וַיָּמֹ֔ת
(vayamot)
en stierf
כִּֽי
(ki)
want
זָקֵ֥ן
(zaqen)
oud
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
וְכָבֵ֑ד
(vekhaved)
en zwaar
וְה֛וּא
(vehu)
en hij
שָׁפַ֥ט
(shafat)
richtte
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁפַט (shafat), ‘rechter zijn’: Eli leidde Israël naast zijn priesterschap.
19Zijn schoondochter, de vrouw van Pinechas, was zwanger en stond op het punt te bevallen. Zij hoorde het bericht over het nemen van de ark van Elohim en over de dood van haar schoonvader en haar man. Zij zakte door haar knieën en beviel, want de weeën overvielen haar.
וְכַלָּת֣וֹ
(vekhalato)
en zijn schoondochter
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
פִּינְחָס֮
(pinechas)
Pinechas
הָרָ֣ה
(hara)
zwanger
לָלַת֒
(lalat)
om te baren
וַתִּשְׁמַ֣ע
(vatishma)
en zij hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
הַשְּׁמֻעָ֔ה
(hashemua)
het bericht
אֶל
(el)
over
הִלָּקַח֙
(hilaqach)
het nemen van
אֲר֣וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וּמֵ֥ת
(umet)
en dat stierf
חָמִ֖יהָ
(chamiha)
haar schoonvader
וְאִישָׁ֑הּ
(veishah)
en haar man
וַתִּכְרַ֣ע
(vatikhra)
en zij zakte in elkaar
וַתֵּ֔לֶד
(vateled)
en zij beviel
כִּֽי
(ki)
want
נֶהֶפְכ֥וּ
(nehefkhu)
keerden zich om
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
over haar
צִרֶֽיהָ
(tsireiha)
haar weeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צִרֶיהָ (tsireha), ‘haar weeën’: van צִיר (tsir), ‘pijn’.
20Toen zij stervende was, zeiden de vrouwen die bij haar stonden: „Wees niet bang, want je hebt een zoon gebaard.” Maar zij antwoordde niet en nam het zich niet ter harte.
וּכְעֵ֣ת
(ukheet)
en bij het tijdstip van
מוּתָ֗הּ
(mutah)
haar sterven
וַתְּדַבֵּ֨רְנָה֙
(vatedaberena)
en spraken
הַנִּצָּב֣וֹת
(hanitsavot)
die stonden
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
bij haar
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאִ֖י
(tirei)
wees bang
כִּ֣י
(ki)
want
בֵ֣ן
(ben)
een zoon
יָלָ֑דְתְּ
(yaladt)
je hebt gebaard
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָנְתָ֖ה
(aneta)
zij antwoordde
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁ֥תָה
(shata)
zij nam
לִבָּֽהּ
(libah)
haar hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לֹא שָׁתָה לִבָּהּ (lo shatah libbah), letterlijk ‘zij zette haar hart niet’: zij schonk er geen aandacht aan.
21Zij noemde de jongen Ikabod en zei: „De heerlijkheid is uit Israël weggegaan.” Dat was vanwege het nemen van de ark van Elohim en vanwege haar schoonvader en haar man.
וַתִּקְרָ֣א
(vatiqra)
en zij noemde
לַנַּ֗עַר
(lanaar)
de jongen
אִֽי
(i)
niet
כָבוֹד֙
(kavod)
heerlijkheid
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
גָּלָ֥ה
(gala)
is weggegaan
כָב֖וֹד
(kavod)
heerlijkheid
מִיִּשְׂרָאֵ֑ל
(miyisrael)
uit Israël
אֶל
(el)
over
הִלָּקַח֙
(hilaqach)
het nemen van
אֲר֣וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וְאֶל
(veel)
en over
חָמִ֖יהָ
(chamiha)
haar schoonvader
וְאִישָֽׁהּ
(veishah)
en haar man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִי כָבוֹד (i khavod), ‘Ikabod’: ‘geen heerlijkheid’ of ‘waar is de heerlijkheid?’.
כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: gewicht, eer.
Hetzelfde woord staat voor de heerlijkheid van Yahweh in Exod. 40:34.