Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Denk aan je Schepper voordat de oude dag komt
1Denk aan je Schepper in de dagen van je jonge jaren, voordat de dagen van het kwaad komen. Voordat de jaren aankomen waarvan je zult zeggen: „Ik heb er geen behagen in.”
וּזְכֹר֙
(uzekhor)
en denk
אֶת
(et)
(obj.)
בּ֣וֹרְאֶ֔יךָ
(boreeikha)
je Schepper
בִּימֵ֖י
(bimei)
in de dagen van
בְּחוּרֹתֶ֑יךָ
(bechuroteikha)
je jonge jaren
עַ֣ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יָבֹ֨אוּ֙
(yavou)
komen
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
הָֽרָעָ֔ה
(haraa)
het kwaad
וְהִגִּ֣יעוּ
(vehigiu)
en aankomen
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaren
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarvan
תֹּאמַ֔ר
(tomar)
je zult zeggen
אֵֽין
(ein)
er is niet
לִ֥י
(li)
voor mij
בָהֶ֖ם
(bahem)
in hen
חֵֽפֶץ
(chefets)
behagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בּוֹרְאֶיךָ (bore'ekha), ‘je Schepper’: het woord staat in een meervoudsvorm, zoals vaker bij Elohim (majesteitsmeervoud).
Sommigen lezen hier een ander woord: ‘je put’ of ‘je bron’, dat in Spr. 5:15–18 ook voor de vrouw van je jeugd staat.
Wij vertalen ‘je Schepper’.
בְּחוּרֹתֶיךָ (bechurotekha), ‘je jonge jaren’. In het Hebreeuws vormen de verzen 1–7 één zin met ‘voordat’. Wij splitsen en herhalen ‘voordat’.
2Voordat de zon donker wordt, en het licht, en de maan en de sterren, en de wolken terugkeren na de regen.
עַ֠ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
תֶחְשַׁ֤ךְ
(techshakh)
donker wordt
הַשֶּׁ֨מֶשׁ֙
(hashemesh)
de zon
וְהָא֔וֹר
(vehaor)
en het licht
וְהַיָּרֵ֖חַ
(vehayareach)
en de maan
וְהַכּוֹכָבִ֑ים
(vehakokhavim)
en de sterren
וְשָׁ֥בוּ
(veshavu)
en terugkeren
הֶעָבִ֖ים
(heavim)
de wolken
אַחַ֥ר
(achar)
na
הַגָּֽשֶׁם
(hagashem)
de regen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het gedicht in 12:1–7 beschrijft de ouderdom en het einde in beelden.
Het sluit aan op vers 1 (‘voordat’) en loopt door tot vers 7.
Het donker worden van zon, licht, maan en sterren is een beeld voor de dag die kil en donker wordt; ‘de wolken keren terug na de regen’ betekent: het ene leed volgt op het andere.
3Op de dag dat de bewakers van het huis beven en de krachtige mannen zich krommen, houden de maalsters op omdat ze weinig zijn geworden. Zij die door de vensters kijken, worden donker.
בַּיּ֗וֹם
(bayom)
op de dag
שֶׁיָּזֻ֨עוּ֙
(sheyazuu)
dat beven
שֹׁמְרֵ֣י
(shomerei)
bewakers van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וְהִֽתְעַוְּת֖וּ
(vehitavetu)
en zich krommen
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הֶחָ֑יִל
(hechayil)
kracht
וּבָטְל֤וּ
(uvatelu)
en houden op
הַטֹּֽחֲנוֹת֙
(hatochanot)
de maalsters
כִּ֣י
(ki)
omdat
מִעֵ֔טוּ
(mietu)
ze weinig zijn geworden
וְחָשְׁכ֥וּ
(vechashekhu)
en worden donker
הָרֹא֖וֹת
(haroot)
die kijken
בָּאֲרֻבּֽוֹת
(baarubot)
door de vensters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De beelden zijn meerduidig.
Een gangbare lezing ziet hierin het lichaam van de oude mens: de ‘bewakers van het huis’ zijn de armen, de ‘krachtige mannen’ de benen, de ‘maalsters’ de tanden en zij die ‘door de vensters kijken’ de ogen.
Het Hebreeuws zegt dat zelf niet; wij vertalen letterlijk.
שֹׁמְרֵי הַבַּיִת (shomrei habayit), ‘bewakers van het huis’.
הַטֹּחֲנוֹת (hattochanot), ‘de maalsters’: vrouwen die graan malen.
הָרֹאוֹת (haro'ot), ‘zij die kijken’ (vrouwelijk meervoud).
De zin in vers 3 begint met ‘op de dag dat’. Wij splitsen hem in korte zinnen.
4De deuren naar de straat worden gesloten. Het geluid van de molen wordt zacht. Men staat op bij het geluid van de vogel, en alle dochters van het lied buigen zich neer.
וְסֻגְּר֤וּ
(vesugeru)
en worden gesloten
דְלָתַ֨יִם֙
(delatayim)
deuren
בַּשּׁ֔וּק
(bashuq)
naar de straat
בִּשְׁפַ֖ל
(bishfal)
als wordt zacht
ק֣וֹל
(qol)
geluid van
הַֽטַּחֲנָ֑ה
(hatachana)
de molen
וְיָקוּם֙
(veyaqum)
en men staat op
לְק֣וֹל
(leqol)
bij het geluid van
הַצִּפּ֔וֹר
(hatsipor)
de vogel
וְיִשַּׁ֖חוּ
(veyishachu)
en worden gebogen
כָּל
(kal)
alle
בְּנ֥וֹת
(benot)
dochters van
הַשִּֽׁיר
(hashir)
het lied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דְּלָתַיִם (delatayim), ‘deuren’: een tweevoud, dus een dubbele deur of twee deuren.
בְּנוֹת הַשִּׁיר (benot hashir), ‘dochters van het lied’: zangeressen, of de tonen van het lied. Het zingen wordt zacht.
5Ook vrezen zij wat hoog is, en er zijn verschrikkingen op de weg. De amandelboom bloeit, de sprinkhaan sleept zich voort en de kappertjesbes verliest zijn werking. Want de mens gaat naar zijn eeuwige huis, en de rouwklagers trekken rond op de straat.
גַּ֣ם
(gam)
ook
מִגָּבֹ֤הַּ
(migavoha)
voor wat hoog is
יִרָ֨אוּ֙
(yirau)
vrezen zij
וְחַתְחַתִּ֣ים
(vechatchatim)
en verschrikkingen
בַּדֶּ֔רֶךְ
(baderekh)
op de weg
וְיָנֵ֤אץ
(veyanets)
en bloeit
הַשָּׁקֵד֙
(hashaqed)
de amandelboom
וְיִסְתַּבֵּ֣ל
(veyistabel)
en sleept zich voort
הֶֽחָגָ֔ב
(hechagav)
de sprinkhaan
וְתָפֵ֖ר
(vetafer)
en verliest zijn werking
הָֽאֲבִיּוֹנָ֑ה
(haaviyona)
de kappertjesbes
כִּֽי
(ki)
want
הֹלֵ֤ךְ
(holekh)
gaat
הָאָדָם֙
(haadam)
de mens
אֶל
(el)
naar
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
עוֹלָמ֔וֹ
(olamo)
zijn eeuwigheid
וְסָבְב֥וּ
(vesavevu)
en trekken rond
בָשּׁ֖וּק
(bashuq)
op de straat
הַסֹּפְדִֽים
(hasofedim)
de rouwklagers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִרָאוּ (yira'u), ‘zij vrezen’, van het werkwoord ‘vrezen’.
Het kan ook gelezen worden als ‘zij zien’.
חַתְחַתִּים (chatchatim), ‘verschrikkingen’: een zeldzaam woord.
יָנֵאץ (yane'ets), ‘bloeit’, van het woord voor ‘bloesem’; het kan ook ‘wordt verworpen’ betekenen. De amandelboom bloeit wit, een beeld voor wit haar.
יִסְתַּבֵּל (yistabbel), ‘sleept zich voort’: letterlijk ‘draagt zich als een last’.
הָאֲבִיּוֹנָה (ha'aviyonah): meestal de kappertjesbes, waaraan men een opwekkende werking toeschreef. תָּפֵר (tafer) betekent ‘verbreken, ongedaan worden’; wij vertalen ‘verliest zijn werking’.
בֵּית עוֹלָמוֹ (beit olamo), ‘zijn eeuwige huis’: het graf.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֲבֵל הֲבָלִים (havel havalim), ‘damp van dampen’: dezelfde woorden als in Pred. 1:2, waar zij tweemaal staan.
הַקּוֹהֶלֶת (haqohelet), ‘de Qohelet’: het Hebreeuws heeft hier het lidwoord, dus een titel: ‘de verzamelaar’ of ‘de spreker voor de vergadering’.
Qohelet spreekt in het boek in de ‘ik’-vorm. In 1:1, 7:27 en 12:8–10 wordt over hem in de derde persoon gesproken. Het slot (12:9–14) klinkt als het woord van iemand die Qohelet aanhaalt.
10Qohelet zocht woorden van behagen te vinden. Wat geschreven is, is oprecht: woorden van waarheid.
בִּקֵּ֣שׁ
(biqesh)
zocht
קֹהֶ֔לֶת
(qohelet)
Qohelet
לִמְצֹ֖א
(limtso)
te vinden
דִּבְרֵי
(divrei)
woorden van
חֵ֑פֶץ
(chefets)
behagen
וְכָת֥וּב
(vekhatuv)
en geschreven
יֹ֖שֶׁר
(yosher)
oprecht
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
אֱמֶֽת
(emet)
waarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֵפֶץ (chefets), ‘behagen’.
וְכָתוּב יֹשֶׁר (vekhatuv yosher): ‘en wat geschreven is, is oprecht’. Het kan ook gelezen worden als ‘en het oprecht opschrijven’. Wij volgen het eerste.
11De woorden van de wijzen zijn als ossenprikkels, en als ingeslagen spijkers zijn de meesters van de verzamelingen. Ze zijn gegeven door één Herder.
דִּבְרֵ֤י
(divrei)
woorden van
חֲכָמִים֙
(chakhamim)
wijzen
כַּדָּ֣רְבֹנ֔וֹת
(kadarevonot)
als ossenprikkels
וּֽכְמַשְׂמְר֥וֹת
(ukhemasmerot)
en als spijkers
נְטוּעִ֖ים
(netuim)
ingeslagen
בַּעֲלֵ֣י
(baalei)
meesters van
אֲסֻפּ֑וֹת
(asupot)
verzamelingen
נִתְּנ֖וּ
(nitenu)
zijn gegeven
מֵרֹעֶ֥ה
(meroe)
door een Herder
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דָּרְבָנוֹת (darvonot), ‘ossenprikkels’: puntige stokken om trekdieren te sturen.
מַסְמְרוֹת (masmerot), ‘spijkers’.
בַּעֲלֵי אֲסֻפּוֹת (ba'alei asuppot), ‘meesters van verzamelingen’: de verzamelaars van spreuken, of de wijzen zelf. ‘Verzamelingen’ kan ook ‘vergaderingen’ zijn.
רֹעֶה אֶחָד (ro'eh echad), ‘één Herder’. Het Hebreeuws zegt niet wie dat is. Vergelijk Ps. 23:1 en Gen. 49:24, waar Yahweh en de Machtige van Jakob Herder worden genoemd.
13Het slot van de zaak, alles is gehoord: vrees Elohim en onderhoud Zijn geboden, want dit is heel de mens.
ס֥וֹף
(sof)
einde van
דָּבָ֖ר
(davar)
zaak
הַכֹּ֣ל
(hakol)
alles
נִשְׁמָ֑ע
(nishma)
is gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֱלֹהִ֤ים
(haElohim)
Elohim
יְרָא֙
(yera)
vrees
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִצְוֺתָ֣יו
(mitsvotav)
Zijn geboden
שְׁמ֔וֹר
(shemor)
onderhoud
כִּי
(ki)
want
זֶ֖ה
(ze)
dit
כָּל
(kal)
heel
הָאָדָֽם
(haadam)
de mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְרָא (yera), ‘vrees’, van het werkwoord ‘vrezen’: dat omvat ook ontzag.
כָּל הָאָדָם (kol ha'adam), ‘heel de mens’: het Hebreeuws heeft geen werkwoord. Het kan bedoelen: dit is de hele plicht van de mens, of: dit is wat de mens in zijn geheel is. Wij vertalen letterlijk.