Elohim Bijbel

Psalmen 41

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Gelukkig wie zorgt voor de zwakke

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Voor de koorleider. Een psalm. Van David.
לַמְנַצֵּ֗חַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
מִזְמ֥וֹר
(mizmor)
psalm
לְדָוִֽד
(ledavid)
van David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: de betekenis is onzeker.

Wij kiezen ‘koorleider’.

In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.

Yahweh zorgt voor wie zorgt voor de zwakke

2Gelukkig wie inzicht heeft in de zwakke. Op de dag van onheil redt Yahweh hem.
אַ֭שְׁרֵי
(ashrei)
gelukkig
מַשְׂכִּ֣יל
(maskil)
wie inzicht heeft
אֶל
(el)
in
דָּ֑ל
(dal)
de zwakke
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
רָ֝עָ֗ה
(raa)
onheil
יְֽמַלְּטֵ֥הוּ
(yemaletehu)
zal hem redden
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַשְׂכִּיל אֶל־דָּל (maskil el dal), ‘wie inzicht heeft in de zwakke’: wie verstandig en met aandacht omgaat met iemand die zwak, arm of ziek is.

3Yahweh bewaart hem en houdt hem in leven. Hij wordt gelukkig genoemd in het land. Geef hem niet over aan de begeerte van zijn vijanden.
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
יִשְׁמְרֵ֣הוּ
(yishmerehu)
zal hem bewaren
וִֽ֭יחַיֵּהוּ
(vichayehu)
en zal hem in leven houden
וְאֻשַּׁ֣ר
(veushar)
en hij wordt gelukkig genoemd
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
וְאַֽל
(veal)
en niet
תִּ֝תְּנֵ֗הוּ
(titenehu)
geef hem
בְּנֶ֣פֶשׁ
(benefesh)
aan de begeerte van
אֹיְבָֽיו
(oyevav)
zijn vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: eigenlijk het levende wezen met zijn verlangens.

In vers 3 vertalen wij ‘begeerte’; in vers 5 staat ‘ziel’.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is יאשר (ya’asher), een andere vorm van het werkwoord ‘gelukkig zijn’ of ‘gelukkig prijzen’.

De te lezen vorm (qere) is וְאֻשַּׁר (ve’ushshar), ‘en hij wordt gelukkig genoemd’.

Wij volgen de qere.

4Yahweh ondersteunt hem op zijn ziekbed. Heel zijn legerstede maakt U om in zijn ziekte.
יְֽהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יִ֭סְעָדֶנּוּ
(yisadenu)
ondersteunt hem
עַל
(al)
op
עֶ֣רֶשׂ
(eres)
ziekbed van
דְּוָ֑י
(devay)
ziekte
כָּל
(kal)
heel
מִ֝שְׁכָּב֗וֹ
(mishkavo)
zijn legerstede
הָפַ֥כְתָּ
(hafakhta)
U maakt om
בְחָלְיֽוֹ
(bechaleyo)
in zijn ziekte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָפַכְתָּ (hafakta), ‘U maakt om’: letterlijk ‘U draait om’.

Het beeld is waarschijnlijk dat Yahweh het bed van de zieke opnieuw opmaakt en hem zo helpt te herstellen.

Een zieke tussen vijanden en een valse vriend

5Ik zei: „Yahweh, wees mij genadig. Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.”
אֲֽנִי
(ani)
ik
אָ֭מַרְתִּי
(amarti)
zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
חָנֵּ֑נִי
(chaneni)
wees mij genadig
רְפָאָ֥ה
(refaa)
genees
נַ֝פְשִׁ֗י
(nafshi)
mijn ziel
כִּי
(ki)
want
חָטָ֥אתִי
(chatati)
ik heb gezondigd
לָֽךְ
(lakh)
tegen U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְפָאָה נַפְשִׁי (refa’ah nafshi), ‘genees mijn ziel’: de dichter vraagt om genezing van zijn hele wezen en belijdt zijn zonde.

6Mijn vijanden spreken kwaad over mij: „Wanneer sterft hij, en gaat zijn naam verloren?”
אוֹיְבַ֗י
(oyevay)
mijn vijanden
יֹאמְר֣וּ
(yomru)
zeggen
רַ֣ע
(ra)
kwaad
לִ֑י
(li)
over mij
מָתַ֥י
(matay)
wanneer
יָ֝מ֗וּת
(yamut)
zal hij sterven
וְאָבַ֥ד
(veavad)
en gaat verloren
שְׁמֽוֹ
(shemo)
zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Als er iemand komt om te kijken, spreekt hij leugens. Zijn hart verzamelt onheil voor zichzelf. Hij gaat naar buiten en spreekt erover.
וְאִם
(veim)
en als
בָּ֤א
(ba)
komt
לִרְא֨וֹת
(lirot)
om te zien
שָׁ֤וְא
(shave)
leugen
יְדַבֵּ֗ר
(yedaber)
spreekt
לִבּ֗וֹ
(libo)
zijn hart
יִקְבָּץ
(yiqbats)
verzamelt
אָ֥וֶן
(aven)
onheil
ל֑וֹ
(lo)
voor zich
יֵצֵ֖א
(yetse)
hij gaat
לַח֣וּץ
(lachuts)
naar buiten
יְדַבֵּֽר
(yedaber)
hij spreekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Samen fluisteren al mijn haters over mij. Zij bedenken kwaad voor mij:
יַ֗חַד
(yachad)
samen
עָלַ֣י
(alay)
over mij
יִ֭תְלַחֲשׁוּ
(yitlachashu)
fluisteren
כָּל
(kal)
allen
שֹׂנְאָ֑י
(soneay)
mijn haters
עָלַ֓י
(alay)
over mij
יַחְשְׁב֖וּ
(yachshevu)
bedenken
רָעָ֣ה
(raa)
kwaad
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9„Een ding van Belial is over hem uitgegoten. Nu hij ligt, staat hij niet meer op.”
דְּֽבַר
(devar)
ding van
בְּ֭לִיַּעַל
(beliyaal)
Belial
יָצ֣וּק
(yatsuq)
is uitgegoten
בּ֑וֹ
(bo)
over hem
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wie
שָׁ֝כַ֗ב
(shakhav)
neerligt
לֹא
(lo)
niet
יוֹסִ֥יף
(yosif)
komt weer
לָקֽוּם
(laqum)
om op te staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דְּבַר־בְּלִיַּעַל (devar belijja’al), ‘een ding van Belial’: een verderfelijke zaak of ziekte.

Het woord דָּבָר (davar) betekent ‘woord’ of ‘ding’.

Belial betekent ‘waardeloosheid’ of ‘verderf’.

10Zelfs de man met wie ik in vrede leefde, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de hiel groot gemaakt tegen mij.
גַּם
(gam)
ook
אִ֤ישׁ
(ish)
man van
שְׁלוֹמִ֨י
(shelomi)
mijn vrede
אֲשֶׁר
(asher)
op wie
בָּטַ֣חְתִּי
(batachti)
ik vertrouwde
ב֭וֹ
(bo)
in hem
אוֹכֵ֣ל
(okhel)
die at
לַחְמִ֑י
(lachmi)
mijn brood
הִגְדִּ֖יל
(higdil)
heeft groot gemaakt
עָלַ֣י
(alay)
tegen mij
עָקֵֽב
(aqev)
de hiel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ שְׁלוֹמִי (ish shelomi), ‘de man van mijn vrede’: een goede vriend, met wie de dichter vrede had en brood at.

הִגְדִּיל עָלַי עָקֵב (higdil alai aqev), ‘heeft de hiel groot gemaakt tegen mij’: waarschijnlijk een beeld van schoppen of verraad.

Zie ook Joh. 13:18.

Richt mij op

11Maar U, Yahweh, wees mij genadig en richt mij op. Dan zal ik het hun vergelden.
וְאַתָּ֤ה
(veata)
en U
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
חָנֵּ֥נִי
(chaneni)
wees mij genadig
וַהֲקִימֵ֑נִי
(vahaqimeni)
en richt mij op
וַֽאֲשַׁלְּמָ֥ה
(vaashalema)
en ik zal vergelden
לָהֶֽם
(lahem)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַאֲשַׁלְּמָה לָהֶם (va’ashallemah lahem), ‘dan zal ik het hun vergelden’: wij vertalen letterlijk, zonder verzachting.

12Hieraan weet ik dat U vreugde aan mij hebt: mijn vijand juicht niet over mij.
בְּזֹ֣את
(bezot)
hieraan
יָ֭דַעְתִּי
(yadati)
weet ik
כִּֽי
(ki)
dat
חָפַ֣צְתָּ
(chafatsta)
U vreugde hebt
בִּ֑י
(bi)
aan mij
כִּ֤י
(ki)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יָרִ֖יעַ
(yaria)
juicht
אֹיְבִ֣י
(oyevi)
mijn vijand
עָלָֽי
(alay)
over mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Mij hebt U vastgehouden vanwege mijn rechtschapenheid. U stelt mij voor Uw aangezicht, voor eeuwig.
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en ik
בְּ֭תֻמִּי
(betumi)
in mijn rechtschapenheid
תָּמַ֣כְתָּ
(tamakhta)
hebt U vastgehouden
בִּ֑י
(bi)
mij
וַתַּצִּיבֵ֖נִי
(vatatsiveni)
en U stelt mij
לְפָנֶ֣יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Slotzegen van het eerste boek

14Gezegend zij Yahweh, de Elohim van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen en amen.
בָּ֘ר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹ֘הֵ֤י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מֵֽ֭הָעוֹלָם
(mehaolam)
van de eeuwigheid
וְעַ֥ד
(vead)
en tot
הָעוֹלָ֗ם
(haolam)
de eeuwigheid
אָ֘מֵ֥ן
(amen)
amen
וְאָמֵֽן
(veamen)
en amen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is geen deel van het lied zelf, maar de afsluitende lofzegening van het eerste boek van de Psalmen (Ps. 1–41).

Vergelijk Ps. 72:18–19, Ps. 89:53 en Ps. 106:48.