Open in de app Alle boeken Psalmen ← 67 69 → Psalmen 68 Moge Elohim opstaan: Vader van wezen, Ruiter op de hemelen, Elohim van Israël
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Opschrift 1 Voor de koorleider. Van David, een psalm, een lied.
לַמְנַצֵּ֥חַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
לְדָוִ֗ד
(ledavid)
van David
מִזְמ֥וֹר
(mizmor)
een psalm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: de betekenis is onzeker.
Wij vertalen ‘koorleider’.
De Elohim-psalmen (42–83) gebruiken meestal Elohim waar andere psalmen Yahweh hebben. Hier staat Yahweh alleen in 68:17, 21 en 27.
In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.
Moge Elohim opstaan 2 Moge Elohim opstaan. Mogen Zijn vijanden uiteengedreven worden en mogen wie Hem haten voor Zijn aangezicht vluchten.
יָק֣וּם
(yaqum)
moge opstaan
יָפ֣וּצוּ
(yafutsu)
mogen uiteengedreven worden
אוֹיְבָ֑יו
(oyevav)
Zijn vijanden
וְיָנ֥וּסוּ
(veyanusu)
en mogen vluchten
מְ֝שַׂנְאָ֗יו
(mesanav)
wie Hem haten
מִפָּנָֽיו
(mipanav)
voor Zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het vers lijkt op de woorden van Mozes bij het opbreken van de ark (Num. 10:35).
De psalm gebruikt ze voor de intocht van Elohim.
3 Zoals rook wordt weggedreven, drijft U hen weg. Zoals was smelt voor het vuur, mogen de goddelozen omkomen voor het aangezicht van Elohim.
כְּהִנְדֹּ֥ף
(kehindof)
zoals weggedreven wordt
תִּ֫נְדֹּ֥ף
(tindof)
U drijft weg
כְּהִמֵּ֣ס
(kehimes)
zoals smelt
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor het aangezicht van
יֹאבְד֥וּ
(yovdu)
mogen omkomen
רְ֝שָׁעִ֗ים
(reshaim)
goddelozen
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor het aangezicht van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 En de rechtvaardigen verheugen zich. Ze zijn opgetogen voor het aangezicht van Elohim en verblijden zich met vreugde.
וְֽצַדִּיקִ֗ים
(vetsadiqim)
en rechtvaardigen
יִשְׂמְח֣וּ
(yismechu)
zij verheugen zich
יַֽ֭עַלְצוּ
(yaaltsu)
zij zijn opgetogen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
וְיָשִׂ֥ישׂוּ
(veyasisu)
en zij verblijden zich
בְשִׂמְחָֽה
(besimcha)
met vreugde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zing voor Hem die door de vlakten rijdt 5 Zing voor Elohim, bezing Zijn naam. Baan een weg voor Hem die door de vlakten rijdt. Jah is Zijn naam. Wees opgetogen voor Zijn aangezicht.
לֵֽאלֹהִים֮
(lElohim)
voor Elohim
סֹ֡לּוּ
(solu)
baant een weg
לָרֹכֵ֣ב
(larokhev)
voor Hem die rijdt
בָּ֭עֲרָבוֹת
(baaravot)
door de vlakten
וְעִלְז֥וּ
(veilzu)
en wees opgetogen
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יָהּ (Yah), ‘Jah’: een korte vorm van de naam Yahweh (Exod. 15:2).
עֲרָבוֹת (aravot), ‘vlakten’: de steppen en woestijnvlakten. Het woord kan ook ‘wolken’ betekenen (vergelijk vers 34).
סֹלּוּ (sollu), ‘baan een weg’: maak een opgehoogde weg vrij voor de komst van Elohim.
6 Vader van wezen en rechter van weduwen is Elohim in Zijn heilige woning.
וְדַיַּ֣ן
(vedayan)
en rechter van
אַלְמָנ֑וֹת
(almanot)
weduwen
בִּמְע֥וֹן
(bimon)
in de woning van
קָדְשֽׁוֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7 Elohim laat de eenzamen in een huis wonen. Hij voert gevangenen uit in voorspoed. Maar de weerspannigen wonen in dorre grond.
מ֘וֹשִׁ֤יב
(moshiv)
die doet wonen
יְחִידִ֨ים
(yechidim)
eenzamen
בַּ֗יְתָה
(bayta)
in een huis
מוֹצִ֣יא
(motsi)
die uitvoert
אֲ֭סִירִים
(asirim)
gevangenen
בַּכּוֹשָׁר֑וֹת
(bakosharot)
in voorspoed
ס֝וֹרֲרִ֗ים
(sorarim)
weerspannigen
שָׁכְנ֥וּ
(shakhenu)
zij wonen
צְחִיחָֽה
(tsechicha)
dorre grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּכּוֹשָׁרוֹת (bakosharot), ‘in voorspoed’: het woord komt maar één keer voor.
De betekenis is onzeker; sommigen lezen ‘met gezang’.
יְחִידִים (yechidim), ‘eenzamen’: mensen die alleen staan, zonder familie.
Elohim trekt uit voor Zijn volk 8 Elohim, toen U uittrok voor het aangezicht van Uw volk, toen U door de woestenij schreed. Sela.
בְּ֭צֵאתְךָ
(betsetkha)
bij Uw uittocht
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
בְּצַעְדְּךָ֖
(betsadekha)
bij Uw schrijden
בִֽישִׁימ֣וֹן
(bishimon)
door de woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֶלָה (sela): de betekenis is onzeker.
Het is waarschijnlijk een muzikaal teken of een pauze.
Het vers en vers 9 lijken op het lied van Debora (Richt. 5:4–5).
9 De aarde beefde. Ook de hemel droop voor het aangezicht van Elohim, die van Sinaï, voor het aangezicht van Elohim, de Elohim van Israël.
מִפְּנֵ֪י
(mipenei)
voor het aangezicht van
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
voor het aangezicht van
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.
Uitleg
זֶה סִינַי (zeh Sinai), ‘die van Sinaï’: Elohim zoals Hij zich op de Sinaï liet zien (Exod. 19:18).
10 Een regen van gulle gaven goot U uit, Elohim. Uw erfdeel, toen het uitgeput was, U zelf hebt het stevig gemaakt.
נְ֭דָבוֹת
(nedavot)
gulle gaven
תָּנִ֣יף
(tanif)
U goot uit
נַחֲלָתְךָ֥
(nachalatekha)
Uw erfdeel
וְ֝נִלְאָ֗ה
(venila)
en dat uitgeput was
כֽוֹנַנְתָּֽהּ
(konantah)
U hebt het stevig gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֶּשֶׁם נְדָבוֹת (geshem nedavot), ‘een regen van gulle gaven’: een regen die vrijwillig en rijkelijk wordt geschonken.
Hier gaat het om het land (het erfdeel) dat dorstig was.
11 Uw schare woonde daarin. U maakt klaar, in Uw goedheid, voor de ellendige, Elohim.
חַיָּתְךָ֥
(chayatekha)
Uw schare
יָֽשְׁבוּ
(yashevu)
zij woonden
תָּ֤כִ֥ין
(takhin)
U maakt klaar
בְּטוֹבָתְךָ֖
(betovatekha)
in Uw goedheid
לֶעָנִ֣י
(leani)
voor de ellendige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַיָּה (chayyah) betekent ‘levend wezen’, ‘dier’ of ‘schare’.
De betekenis is hier onzeker.
Wij vertalen ‘schare’: het volk dat in het land woont.
Het Hebreeuws noemt niet wat Elohim klaarmaakt. Het gaat om wat de arme nodig heeft.
12 Mijn Heer geeft het woord. Groot is het leger van de vrouwen die het goede nieuws brengen.
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
mijn Heer
הַֽ֝מְבַשְּׂר֗וֹת
(hamvaserot)
de vrouwen die het nieuws brengen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: hier de naam waarmee Elohim wordt aangesproken en genoemd.
Het Hebreeuws heeft ‘vrouwen’ (מְבַשְּׂרוֹת , mevasserot): het zijn vrouwen die de overwinning melden, zoals bij de liederen na de overwinning (Exod. 15:20–21).
13 Koningen van legers vluchten, ze vluchten, en de bewoonster van het huis verdeelt de buit.
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יִדֹּד֣וּן
(yidodun)
zij vluchten
יִדֹּד֑וּן
(yidodun)
zij vluchten
וּנְוַת
(unevat)
en de bewoonster van
תְּחַלֵּ֥ק
(techaleq)
zij verdeelt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Als jullie tussen de schaapskooien liggen: de vleugels van een duif zijn bedekt met zilver en haar slagpennen met groenglanzend goud.
תִּשְׁכְּבוּן֮
(tishkevun)
jullie liggen
שְׁפַ֫תָּ֥יִם
(shefatayim)
schaapskooien
כַּנְפֵ֣י
(kanfei)
vleugels van
בַכֶּ֑סֶף
(bakesef)
met zilver
וְ֝אֶבְרוֹתֶ֗יהָ
(veevroteiha)
en haar slagpennen
בִּֽירַקְרַ֥ק
(biraqraq)
met groenglanzend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁפַתַּיִם (shefatayim): de betekenis is onzeker.
Het kan gaan om schaapskooien, om vuurplaten of om de ruimte tussen twee grenzen.
Wij vertalen ‘schaapskooien’.
יְרַקְרַק (yeraqraq), ‘groenglanzend’: de kleur van goud met een groene gloed.
Het vers is moeilijk: de tekst vertelt van een duif met kostbare veren. De uitleggers verschillen over wat hiermee wordt bedoeld.
15 Toen Sjaddai daar koningen verspreidde, sneeuwde het op de Zalmon.
בְּפָ֘רֵ֤שׂ
(befares)
toen verspreidde
מְלָ֘כִ֤ים
(melakhim)
koningen
תַּשְׁלֵ֥ג
(tashleg)
het sneeuwde
בְּצַלְמֽוֹן
(betsalmon)
op de Zalmon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
צַלְמוֹן (Tsalmon), Zalmon: een berg bij Sichem (Richt. 9:48).
De ligging is onzeker; traditioneel wordt hij gezocht in het bergland van Efraïm, bij Sichem.
Uitleg
שַׁדַּי (Shaddai), ‘Sjaddai’: een naam van Elohim (Gen. 17:1).
De berg die Elohim begeerde 16 Een berg van Elohim is de berg Basan. Een berg met vele toppen is de berg Basan.
גַּ֝בְנֻנִּ֗ים
(gavnunim)
met vele toppen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
בָּשָׁן (Bashan), Basan: de hoogvlakte ten oosten van de Jordaan, met hoge bergen in het noorden.
Uitleg
גַּבְנֻנִּים (gavnunim), ‘met vele toppen’: een berg met veel toppen of ruggen.
Het woord komt alleen in vers 16–17 voor.
Het kan ook ‘bultig’ betekenen.
17 Waarom kijken jullie jaloers, bergen met vele toppen, naar de berg die Elohim begeerde als Zijn woonplaats? Ja, Yahweh zal er wonen voor altijd.
תְּֽרַצְּדוּן֮
(teratsedun)
jullie kijken jaloers
גַּבְנֻ֫נִּ֥ים
(gavnunim)
met vele toppen
הָהָ֗ר
(hahar)
naar de berg
לְשִׁבְתּ֑וֹ
(leshivto)
als Zijn woonplaats
יִשְׁכֹּ֥ן
(yishkon)
hij zal wonen
לָנֶֽצַח
(lanetsach)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּרַצְּדוּן (tetsaddun), ‘jullie kijken jaloers’: het werkwoord komt maar één keer voor.
De betekenis is onzeker; het past bij ‘schuin kijken’ of ‘afgunstig kijken’.
18 De wagens van Elohim zijn twintigduizend, duizenden en nog eens duizenden. Mijn Heer is onder hen, Sinaï, in het heiligdom.
רִבֹּתַ֣יִם
(ribotayim)
twintigduizend
אַלְפֵ֣י
(alfei)
duizenden van
שִׁנְאָ֑ן
(shinan)
en duizenden
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
mijn Heer
בַּקֹּֽדֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.
Uitleg
רִבֹּתַיִם (ribbotayim), ‘twee maal tienduizend’: dat is twintigduizend.
שִׁנְאָן (shin’an) komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker.
Wij vertalen ‘en nog eens duizenden’: een ontelbaar leger.
Het slot zegt dat de aanwezigheid van Elohim van de Sinaï nu in het heiligdom is.
U steeg op naar de hoogte 19 U steeg op naar de hoogte. U voerde gevangenen weg. U ontving gaven onder de mensen, ja zelfs weerspannigen, zodat Jah, Elohim, kan wonen.
עָ֘לִ֤יתָ
(alita)
U steeg op
לַמָּר֨וֹם
(lamarom)
naar de hoogte
שָׁ֘בִ֤יתָ
(shavita)
U voerde weg
שֶּׁ֗בִי
(shevi)
gevangenen
לָקַ֣חְתָּ
(laqachta)
U ontving
בָּאָדָ֑ם
(baadam)
onder de mens
ס֝וֹרְרִ֗ים
(sorerim)
weerspannigen
לִשְׁכֹּ֤ן
(lishkon)
om te wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּאָדָם (ba’adam), ‘onder de mensen’: letterlijk ‘in de mens’.
Ef. 4:8 haalt dit vers aan in een andere vorm.
יָהּ (Yah), ‘Jah’: zie bij vers 5.
20 Gezegend is mijn Heer. Dag na dag draagt Hij de last voor ons, de El, onze redding. Sela.
בָּ֤ר֣וּךְ
(barukh)
gezegend
אֲדֹנָי֮
(adonay)
mijn Heer
יַֽעֲמָס
(yaamas)
Hij draagt
יְֽשׁוּעָתֵ֬נוּ
(yeshuatenu)
onze redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יַעֲמָס (ya’amas), ‘Hij draagt de last’: Elohim draagt dag na dag de last van Zijn volk.
21 De El is voor ons een El van reddingen. Bij Yahweh, mijn Heer, horen de uitwegen uit de dood.
לְֽמוֹשָׁ֫ע֥וֹת
(lemoshaot)
van reddingen
וְלֵיהוִ֥ה
(veleYahweh)
en bij Yahweh
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
mijn Heer
לַ֝מָּ֗וֶת
(lamavet)
uit de dood
תּוֹצָאֽוֹת
(totsaot)
uitwegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹצָאוֹת (totsa’ot), ‘uitwegen’: de uitgangen uit de dood.
Yahweh kan een mens uit de dood laten uitgaan.
Elohim verbrijzelt Zijn vijanden 22 Maar Elohim verbrijzelt het hoofd van Zijn vijanden, de harige schedel van wie rondgaat in zijn schuld.
יִמְחַץ֮
(yimchats)
Hij verbrijzelt
אֹ֫יְבָ֥יו
(oyevav)
Zijn vijanden
קָדְקֹ֥ד
(qadeqod)
schedel van
מִ֝תְהַלֵּ֗ךְ
(mithalekh)
wie rondgaat
בַּאֲשָׁמָֽיו
(baashamav)
in zijn schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׂעָר (se’ar), ‘haar’: een harige schedel is het beeld van een trotse krijger met lang haar.
23 Mijn Heer zei: „Uit Basan breng Ik terug, uit de diepten van de zee breng Ik terug,
אֲ֭דֹנָי
(adonay)
mijn Heer
מִבָּשָׁ֣ן
(mibashan)
uit Basan
אָשִׁ֑יב
(ashiv)
Ik breng terug
אָ֝שִׁ֗יב
(ashiv)
Ik breng terug
מִֽמְּצֻל֥וֹת
(mimetsulot)
uit de diepten van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.
Uitleg
Dit zijn de woorden van ‘mijn Heer’ (Adonai), die zelf spreekt.
Wij nemen ze als woorden van Elohim zelf en zetten ze rood.
Het Hebreeuws noemt niet wie Hij terugbrengt. Het kan gaan om het volk uit de verte of om de vijanden die voor het oordeel moeten komen.
24 opdat je voet in bloed verbrijzelt, de tong van je honden, van de vijanden, ieder zijn deel.”
תִּֽמְחַ֥ץ
(timchats)
je verbrijzelt
רַגְלְךָ֗
(raglekha)
je voet
כְּלָבֶ֑יךָ
(kelaveikha)
je honden
מֵאֹיְבִ֥ים
(meoyevim)
van de vijanden
מִנֵּֽהוּ
(minehu)
zijn deel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De uitdrukking ‘ieder zijn deel’ (מִנֵּהוּ , minnehu) is letterlijk ‘zijn deel van hem’.
Lezing
Sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen lezen ‘laat je voet baden in bloed’ in plaats van ‘verbrijzelen’.
Wij volgen de Masoretische tekst.
De optocht in het heiligdom 25 Zij hebben Uw optochten gezien, Elohim, de optochten van mijn El, mijn Koning, in het heiligdom.
רָא֣וּ
(rau)
zij hebben gezien
הֲלִיכוֹתֶ֣יךָ
(halikhoteikha)
Uw optochten
הֲלִ֘יכ֤וֹת
(halikhot)
optochten van
מַלְכִּ֣י
(malki)
mijn Koning
בַקֹּֽדֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26 Voorop gaan de zangers, daarachter de snarenspelers, in het midden jonge vrouwen die de tamboerijn slaan.
קִדְּמ֣וּ
(qidemu)
zij gaan voorop
נֹגְנִ֑ים
(nogenim)
snarenspelers
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
in het midden van
עֲ֝לָמ֗וֹת
(alamot)
jonge vrouwen
תּוֹפֵפֽוֹת
(tofefot)
tamboerijn slaand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׂרִים (sharim), ‘zangers’: Met een andere klinker zou hetzelfde woord ‘vorsten’ zijn.
עֲלָמוֹת (alamot), ‘jonge vrouwen’: ongehuwde jonge vrouwen.
תּוֹפֵפוֹת (tofefot), ‘tamboerijn slaand’: de tof is een tamboerijn.
27 Zegen Elohim in de vergaderingen, Yahweh, jullie uit de bron van Israël.
בְּֽ֭מַקְהֵלוֹת
(bemaqhelot)
in de vergaderingen
מִמְּק֥וֹר
(mimeqor)
uit de bron van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִמְּקוֹר יִשְׂרָאֵל (mimmeqor Yisra’el), ‘uit de bron van Israël’: de afstammelingen van Jakob.
De bron is de stamvader, of de bron van het volk.
28 Daar is Benjamin, de jongste, die hen aanvoert. De vorsten van Juda zijn er met hun menigte, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali.
בִּנְיָמִ֨ן
(binyamin)
Benjamin
רֹדֵ֗ם
(rodem)
die hen aanvoert
שָׂרֵ֣י
(sarei)
vorsten van
רִגְמָתָ֑ם
(rigmatam)
hun menigte
שָׂרֵ֥י
(sarei)
vorsten van
זְ֝בֻל֗וּן
(zevulun)
Zebulon
שָׂרֵ֥י
(sarei)
vorsten van
נַפְתָּלִֽי
(naftali)
Naftali
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רִגְמָתָם (rigmatam) komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker; wij vertalen ‘hun menigte’.
Het vers noemt vier stammen. Benjamin heet ‘de jongste’: hij was de jongste zoon van Jakob.
29 Jouw Elohim heeft jouw kracht bevolen. Toon kracht, Elohim, U die dit voor ons hebt gedaan.
צִוָּ֥ה
(tsiva)
Hij heeft bevolen
אֱלֹהֶ֗יךָ
(eloheikha)
jouw Elohim
עֻ֫זֶּ֥ךָ
(uzekha)
jouw kracht
פָּעַ֥לְתָּ
(paalta)
U hebt gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De Masoretische tekst heeft צִוָּה (tsivvah), ‘Hij heeft bevolen’.
Sommige oude vertalingen lezen een gebod: ‘Beveel, Elohim, Uw kracht’.
30 Vanuit Uw tempel, boven Jeruzalem, brengen koningen U geschenken.
מֵֽ֭הֵיכָלֶךָ
(meheikhalekha)
vanuit Uw tempel
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
יוֹבִ֖ילוּ
(yovilu)
zij brengen
מְלָכִ֣ים
(melakhim)
koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
31 Bedreig het dier van het riet, de kudde van stieren met de kalveren van de volkeren, wie zich neerwerpt met staven zilver. Hij heeft de volkeren verstrooid die naar oorlogen verlangen.
אַבִּירִ֨ים
(abirim)
stieren
בְּעֶגְלֵ֬י
(beeglei)
met de kalveren van
מִתְרַפֵּ֥ס
(mitrapes)
wie zich neerwerpt
בְּרַצֵּי
(beratsei)
met staven van
בִּזַּ֥ר
(bizar)
Hij heeft verstrooid
קְרָב֥וֹת
(qeravot)
oorlogen
יֶחְפָּֽצוּ
(yechpatsu)
zij verlangen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk.
חַיַּת קָנֶה (chayyat qaneh), ‘het dier van het riet’, is een dier uit het riet.
Welk dier bedoeld is, is onzeker.
‘Stieren’ en ‘kalveren van de volkeren’ zijn beelden voor machtige volken en hun leiders.
De bedoeling van ‘staven zilver’ is: tribuut.
32 Gezanten komen uit Egypte. Kush laat haastig zijn handen naar Elohim reiken.
יֶאֱתָ֣יוּ
(yeetayu)
zij komen
חַ֭שְׁמַנִּים
(chashmanim)
gezanten
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
תָּרִ֥יץ
(tarits)
laat haasten
יָ֝דָ֗יו
(yadav)
zijn handen
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
naar Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.
Uitleg
חַשְׁמַנִּים (chashmannim), ‘gezanten’: het woord komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker; sommigen denken aan ‘vorsten’, anderen aan ‘brons’ of ‘blauwe stof’.
כּוּשׁ (Kush) ligt ten zuiden van Egypte.
Koninkrijken van de aarde, zing voor Elohim 33 Koninkrijken van de aarde, zing voor Elohim, bezing mijn Heer. Sela.
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הָ֭אָרֶץ
(haarets)
de aarde
לֵאלֹהִ֑ים
(lElohim)
voor Elohim
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
mijn Heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34 Voor Hem die rijdt door de hemel van de hemelen, van oudsher. Zie, Hij laat Zijn stem klinken, een stem van kracht.
לָ֭רֹכֵב
(larokhev)
voor Hem die rijdt
בִּשְׁמֵ֣י
(bishmei)
door de hemel van
שְׁמֵי
(shemei)
de hemelen van
בְּ֝קוֹלוֹ
(beqolo)
met Zijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁמֵי שְׁמֵי קֶדֶם (shemei shemei qedem), ‘de hemel van de hemelen van oudsher’: de oudste, hoogste hemel.
35 Geef kracht aan Elohim. Over Israël is Zijn majesteit, en Zijn kracht is in de wolken.
לֵֽאלֹ֫הִ֥ים
(lElohim)
aan Elohim
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
גַּאֲוָת֑וֹ
(gaavato)
Zijn majesteit
וְ֝עֻזּ֗וֹ
(veuzo)
en Zijn kracht
בַּשְּׁחָקִֽים
(bashechaqim)
in de wolken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁחָקִים (shechaqim), ‘wolken’: de hoge luchten waarin het wolkendek hangt.
36 Ontzagwekkend bent U, Elohim, vanuit Uw heiligdommen. De El van Israël, Hij geeft het volk kracht en sterkte. Gezegend is Elohim.
נ֤וֹרָ֥א
(nora)
ontzagwekkend
מִֽמִּקְדָּ֫שֶׁ֥יךָ
(mimiqdasheikha)
vanuit Uw heiligdommen
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְתַעֲצֻמ֥וֹת
(vetaatsumot)
en sterkte
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִקְדָּשֶׁיךָ (miqdashekha), ‘Uw heiligdommen’: het meervoud kan wijzen op het heiligdom in al zijn delen.