Open in de app Alle boeken Psalmen ← 104 106 → Psalmen 105 Yahweh denkt aan Zijn verbond: van Abraham tot het land
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Dank Yahweh en maak Zijn daden bekend 1 Dank Yahweh, roep Zijn naam aan. Maak Zijn daden bekend onder de volken.
לַ֭יהוָה
(laYahweh)
aan Yahweh
בִּשְׁמ֑וֹ
(bishmo)
Zijn naam
הוֹדִ֥יעוּ
(hodiu)
maak bekend
בָ֝עַמִּ֗ים
(baamim)
onder de volken
עֲלִילוֹתָֽיו
(alilotav)
Zijn daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De verzen 1–15 komen ook voor in 1 Kron. 16:8–22.
Daar zegt David deze woorden bij de aankomst van de ark in Jeruzalem.
2 Zing voor Hem, speel voor Hem, spreek over al Zijn wonderen.
נִפְלְאוֹתָֽיו
(nifleotav)
Zijn wonderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3 Roem in Zijn heilige naam. Laat het hart van wie Yahweh zoeken zich verheugen.
הִֽ֭תְהַלְלוּ
(hithallu)
roem
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in naam van
קָדְשׁ֑וֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
יִ֝שְׂמַ֗ח
(yismach)
moge zich verheugen
מְבַקְשֵׁ֬י
(mevaqshei)
zoekers van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4 Zoek Yahweh en Zijn kracht. Zoek voortdurend Zijn aangezicht.
וְעֻזּ֑וֹ
(veuzo)
en Zijn kracht
פָנָ֣יו
(panav)
Zijn aangezicht
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דָּרַשׁ (darash) en בִּקֵּשׁ (biqqesh) betekenen allebei ‘zoeken’.
Wij vertalen beide met ‘zoek’, zoals in 1 Kron. 16:11.
5 Denk aan Zijn wonderen die Hij deed, aan Zijn wondertekenen en aan de rechtsuitspraken van Zijn mond.
נִפְלְאוֹתָ֥יו
(nifleotav)
Zijn wonderen
מֹ֝פְתָ֗יו
(mofetav)
Zijn wondertekenen
וּמִשְׁפְּטֵי
(umishpetei)
en rechtsuitspraken van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6 Nageslacht van Abraham, Zijn dienaar! Zonen van Jakob, Zijn uitverkorenen!
זֶ֭רַע
(zera)
nageslacht van
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
בְּחִירָֽיו
(bechirav)
Zijn uitverkorenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Het verbond met Abraham, Isaak en Jakob 7 Hij is Yahweh, onze Elohim. Over heel de aarde gelden Zijn rechtsuitspraken.
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הָ֝אָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
מִשְׁפָּטָֽיו
(mishpatav)
Zijn rechtsuitspraken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Hij heeft voor eeuwig aan Zijn verbond gedacht, aan het woord dat Hij beval voor duizend generaties;
זָכַ֣ר
(zakhar)
Hij heeft gedacht
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
בְּרִית֑וֹ
(berito)
aan Zijn verbond
לְאֶ֣לֶף
(leelef)
voor duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In 1 Kron. 16:15 staat hier een bevel: ‘Denk voor altijd aan Zijn verbond’.
In de psalm staat een verleden tijd: ‘Hij heeft gedacht’.
Zie ook Gen. 17:7.
9 aan het verbond dat Hij sloot met Abraham, en aan Zijn eed aan Isaak.
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וּשְׁב֖וּעָת֣וֹ
(ushevuato)
en Zijn eed
לְיִשְׂחָֽק
(leyischaq)
aan Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Hij liet het voor Jakob gelden als voorschrift, voor Israël als eeuwig verbond.
וַיַּֽעֲמִידֶ֣הָ
(vayaamideha)
en Hij liet het gelden
לְיַעֲקֹ֣ב
(leyaaqov)
voor Jakob
לְחֹ֑ק
(lechoq)
als voorschrift
לְ֝יִשְׂרָאֵ֗ל
(leyisrael)
voor Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Hij zei: „Aan jou zal Ik het land Kanaän geven, als het toegemeten deel van jullie erfdeel.”
אֶתֵּ֥ן
(eten)
Ik zal geven
חֶ֝֗בֶל
(chevel)
toegemeten deel van
נַחֲלַתְכֶֽם
(nachalatkhem)
jullie erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
Dit zijn woorden van Yahweh zelf, die de dichter aanhaalt.
Wij zetten ze rood, zoals de woorden van Yahweh in andere psalmen.
Zie Gen. 15:18 en Gen. 28:13.
De Hebreeuwse tekst gebruikt eerst ‘jou’ (enkelvoud) en dan ‘jullie’ (meervoud).
חֶבֶל (chevel), ‘toegemeten deel’: letterlijk ‘meetsnoer’, het stuk land dat met een snoer is afgemeten.
Vreemdelingen in het land 12 Toen waren zij nog maar weinig mannen, bijna niets, en vreemdelingen in het land.
בִּֽ֭הְיוֹתָם
(bihyotam)
toen zij waren
כִּ֝מְעַ֗ט
(kimat)
bijna niets
וְגָרִ֥ים
(vegarim)
en vreemdelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Zij trokken rond van volk naar volk, van het ene koninkrijk naar een ander volk.
וַֽ֭יִּתְהַלְּכוּ
(vayithalekhu)
en zij trokken rond
מִ֝מַּמְלָכָ֗ה
(mimamlakha)
van koninkrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Hij liet niemand toe hen te onderdrukken. Om hen strafte Hij koningen:
הִנִּ֣יחַ
(hiniach)
Hij liet toe
לְעָשְׁקָ֑ם
(leasheqam)
hen te onderdrukken
וַיּ֖וֹכַח
(vayokhach)
en Hij strafte
מְלָכִֽים
(melakhim)
koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie Gen. 12:17 en Gen. 20:3, waar Yahweh de farao en Abimelech straft om Sara.
15 „Raak Mijn gezalfden niet aan en doe Mijn profeten geen kwaad.”
תִּגְּע֥וּ
(tigeu)
raak aan
בִמְשִׁיחָ֑י
(bimshichay)
Mijn gezalfden
וְ֝לִנְבִיאַי
(velinviay)
en Mijn profeten
תָּרֵֽעוּ
(tareu)
doe kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ook deze woorden zijn van Yahweh.
De ‘gezalfden’ zijn hier de aartsvaders; ‘profeten’ wordt in Gen. 20:7 van Abraham gezegd.
In 1 Kron. 16:22 staan deze woorden zwart; hier volgen wij de regel dat woorden van Yahweh rood zijn.
Jozef in Egypte 16 Hij riep een hongersnood over het land en brak elke staf van brood.
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en Hij riep
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17 Hij zond een man voor hen uit: Jozef, die als dienaar werd verkocht.
לִפְנֵיהֶ֣ם
(lifneihem)
voor hen uit
לְ֝עֶ֗בֶד
(leeved)
als dienaar
נִמְכַּ֥ר
(nimkar)
werd verkocht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie Gen. 37:28 en Gen. 45:5.
18 Zij kwelden zijn voet met boeien. Zijn ziel kwam in het ijzer.
בַכֶּ֣בֶל
(bakevel)
met boeien
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de persoon zelf.
‘Zijn ziel kwam in het ijzer’ betekent: het ijzer drukte op zijn hals, of: hij zelf kwam in het ijzer.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) wijkt af van de te lezen vorm (qere): de ketiv is רַגְלָיו , ‘zijn voeten’, de qere is ‘zijn voet’.
Wij volgen de qere.
19 Tot de tijd kwam dat zijn woord uitkwam, heeft de uitspraak van Yahweh hem gelouterd.
דְבָר֑וֹ
(devaro)
zijn woord
אִמְרַ֖ת
(imrat)
uitspraak van
צְרָפָֽתְהוּ
(tserafatehu)
heeft hem gelouterd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
‘Zijn woord’ kan het woord van Jozef zijn (zijn uitleg van de dromen in Gen. 40–41) of het woord van Yahweh.
Wij vertalen ‘zijn woord’ met kleine letter: het woord van Jozef, dat uitkwam.
Zie ook Gen. 41:25–32.
20 De koning zond iemand en maakte hem los. De heerser over volken liet hem vrij.
וַיַּתִּירֵ֑הוּ
(vayatirehu)
en maakte hem los
מֹשֵׁ֥ל
(moshel)
heerser over
וַֽיְפַתְּחֵֽהוּ
(vayfatechehu)
en liet hem vrij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21 Hij maakte hem heer van zijn huis en heerser over al zijn bezit;
שָׂמ֣וֹ
(samo)
hij stelde hem
לְבֵית֑וֹ
(leveito)
over zijn huis
וּ֝מֹשֵׁ֗ל
(umoshel)
en heerser
קִנְיָנֽוֹ
(qinyano)
zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָדוֹן (adon), ‘heer’: een mens met gezag, anders dan Adonai (‘mijn Heer’) voor Yahweh.
Zie Gen. 41:40–41.
22 om zijn vorsten naar eigen wil te binden en zijn oudsten wijsheid te leren.
לֶאְסֹ֣ר
(lesor)
om te binden
שָׂרָ֣יו
(sarav)
zijn vorsten
בְּנַפְשׁ֑וֹ
(benafsho)
naar zijn wil
וּזְקֵנָ֥יו
(uzeqenav)
en zijn oudsten
יְחַכֵּֽם
(yechakem)
hij leert wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Israël in Egypte 23 Toen kwam Israël in Egypte, en Jakob verbleef als vreemdeling in het land van Cham.
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
in Egypte
וְ֝יַעֲקֹ֗ב
(veyaaqov)
en Jakob
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Cham (chām) is hier een dichterlijke naam voor Egypte; het land van de nakomelingen van Cham, de zoon van Noach (Gen. 10:6).
Zie ook 105:27 en 106:22.
24 Hij maakte Zijn volk zeer vruchtbaar en maakte het sterker dan zijn tegenstanders.
וַיֶּ֣פֶר
(vayefer)
en Hij maakte vruchtbaar
וַ֝יַּֽעֲצִמֵהוּ
(vayaatsimehu)
en Hij maakte het sterker
מִצָּרָֽיו
(mitsarav)
dan zijn tegenstanders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25 Hij veranderde hun hart, zodat zij Zijn volk haatten en listig handelden tegen Zijn dienaren.
הָפַ֣ךְ
(hafakh)
Hij veranderde
לִשְׂנֹ֣א
(lisno)
om te haten
לְ֝הִתְנַכֵּ֗ל
(lehitnakel)
om listig te handelen
בַּעֲבָדָֽיו
(baavadav)
tegen Zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Mozes, Aäron en de tien plagen 26 Hij zond Mozes, Zijn dienaar, en Aäron, die Hij had gekozen.
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
בָּֽחַר
(bachar)
Hij had gekozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27 Zij verrichtten onder hen de daden van Zijn tekenen en wonderen in het land van Cham.
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
daden van
אֹתוֹתָ֑יו
(ototav)
Zijn tekenen
וּ֝מֹפְתִ֗ים
(umofetim)
en wonderen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Land van Cham (Egypte): Cham is hier een dichterlijke naam voor Egypte (zie Psalm 105:23): het land van Cham is Egypte, rond de Nijl.
Uitleg
דִּבְרֵי (divre), ‘woorden van’, ook ‘zaken’ of ‘daden van’.
Wij vertalen ‘de daden van Zijn tekenen’: de tekenen en wonderen die Yahweh door Mozes en Aäron liet gebeuren.
28 Hij zond duisternis en maakte het donker. Zij waren niet weerspannig tegen Zijn woord.
שָׁ֣לַֽח
(shalach)
Hij zond
חֹ֭שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וַיַּחְשִׁ֑ךְ
(vayachshikh)
en het werd donker
מָ֝ר֗וּ
(maru)
waren weerspannig
דְּבָרֽוֹ
(devaro)
Zijn woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) wijkt af van de te lezen vorm (qere) ‘Zijn woord’.
Wij volgen de qere.
Wie met ‘zij’ bedoeld is, blijft onduidelijk: Mozes en Aäron, of de Egyptenaren.
Wij houden de tekst letterlijk.
Sommige oude vertalingen lijken hier ‘zij waren weerspannig’ te lezen, zonder ‘niet’; wij blijven bij de Masoretische tekst.
Zie ook Exod. 10:21–23.
29 Hij veranderde hun wateren in bloed en liet hun vis sterven.
הָפַ֣ךְ
(hafakh)
Hij veranderde
מֵימֵיהֶ֣ם
(meimeihem)
hun wateren
וַ֝יָּ֗מֶת
(vayamet)
en Hij liet sterven
דְּגָתָֽם
(degatam)
hun vis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30 Hun land wemelde van kikkers, tot in de kamers van hun koningen.
צְפַרְדְּעִ֑ים
(tsefardeim)
van kikkers
בְּ֝חַדְרֵ֗י
(bechadrei)
in de kamers van
מַלְכֵיהֶֽם
(malkheihem)
hun koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31 Hij sprak, en er kwamen zwermen, muggen in heel hun gebied.
גְּבוּלָֽם
(gevulam)
hun gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרֹב (arov), ‘zwerm’: zwermen insecten, zoals in Exod. 8:17.
כִּנִּים (kinnim), ‘muggen’: zoals in Exod. 8:12.
32 Hij gaf hun hagel als regen, vuur van vlammen in hun land.
גִּשְׁמֵיהֶ֣ם
(gishmeihem)
hun regens
לֶהָב֣וֹת
(lehavot)
vlammen
בְּאַרְצָֽם
(beartsam)
in hun land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33 Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgenboom en brak de bomen van hun gebied.
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en Hij sloeg
גַּ֭פְנָם
(gafnam)
hun wijnstok
וּתְאֵנָתָ֑ם
(uteenatam)
en hun vijgenboom
וַ֝יְשַׁבֵּ֗ר
(vayshaber)
en Hij brak
גְּבוּלָֽם
(gevulam)
hun gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34 Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en jonge sprinkhanen zonder getal.
אַרְבֶּ֑ה
(arbe)
sprinkhaan
וְ֝יֶ֗לֶק
(veyeleq)
en jonge sprinkhaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhanen’: zie Exod. 10:4.
יֶלֶק (yeleq), ‘jonge sprinkhanen’: een tweede soort of een ander stadium van de sprinkhaan; de betekenis is onzeker.
35 Zij aten al het gewas in hun land en aten de vrucht van hun grond.
וַיֹּ֣אכַל
(vayokhal)
en zij aten
בְּאַרְצָ֑ם
(beartsam)
in hun land
וַ֝יֹּ֗אכַל
(vayokhal)
en zij aten
אַדְמָתָֽם
(admatam)
hun grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36 Hij sloeg elke eerstgeborene in hun land, de eersteling van al hun kracht.
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en Hij sloeg
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
בְּאַרְצָ֑ם
(beartsam)
in hun land
רֵ֝אשִׁ֗ית
(reshit)
eersteling van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De uittocht en de woestijn 37 Hij leidde hen uit met zilver en goud, en onder Zijn stammen was niemand die struikelde.
וַֽ֭יּוֹצִיאֵם
(vayotsiem)
en Hij leidde hen uit
בְּכֶ֣סֶף
(bekhesef)
met zilver
בִּשְׁבָטָ֣יו
(bishvatav)
onder Zijn stammen
כּוֹשֵֽׁל
(koshel)
struikelend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie Exod. 12:35–36: de Egyptenaren gaven zilver en goud mee.
38 Egypte was blij toen zij uittrokken, want de schrik voor hen was over hen gevallen.
מִצְרַ֣יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּצֵאתָ֑ם
(betsetam)
bij hun uittocht
פַּחְדָּ֣ם
(pachdam)
hun schrik
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
39 Hij spreidde een wolk uit als dek en vuur om de nacht te verlichten.
פָּרַ֣שׂ
(paras)
Hij spreidde uit
לְמָסָ֑ךְ
(lemasakh)
als dek
לְהָאִ֥יר
(lehair)
om te verlichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40 Zij vroegen, en Hij liet kwartels komen. Hij verzadigde hen met brood uit de hemel.
שָׁאַ֣ל
(shaal)
zij vroegen
וַיָּבֵ֣א
(vayave)
en Hij liet komen
וְלֶ֥חֶם
(velechem)
en brood van
שָׁ֝מַ֗יִם
(shamayim)
de hemel
יַשְׂבִּיעֵֽם
(yasbiem)
Hij verzadigde hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie Exod. 16:13–15 en Num. 11:31.
41 Hij opende de rots, en er stroomde water. Het liep als een rivier door de dorre streken.
פָּ֣תַח
(patach)
Hij opende
וַיָּז֣וּבוּ
(vayazuvu)
en stroomde
הָ֝לְכ֗וּ
(halekhu)
het liep
בַּצִּיּ֥וֹת
(batsiyot)
door de dorre streken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie Exod. 17:6 en Num. 20:11.
Het land en het doel 42 Want Hij dacht aan Zijn heilige woord, aan Abraham, Zijn dienaar.
זָ֭כַר
(zakhar)
Hij dacht aan
קָדְשׁ֑וֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
אַבְרָהָ֥ם
(avraham)
Abraham
עַבְדּֽוֹ
(avdo)
Zijn dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43 Hij leidde Zijn volk uit met vreugde, Zijn uitverkorenen met jubel.
וַיּוֹצִ֣א
(vayotsi)
en Hij leidde uit
בְשָׂשׂ֑וֹן
(besason)
met vreugde
בְּ֝רִנָּ֗ה
(berina)
met jubel
בְּחִירָֽיו
(bechirav)
Zijn uitverkorenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44 Hij gaf hun de landen van de volken. Zij namen de moeite van de natiën in bezit,
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en Hij gaf
אַרְצ֣וֹת
(artsot)
landen van
וַעֲמַ֖ל
(vaamal)
en moeite van
יִירָֽשׁוּ
(yirashu)
zij namen in bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲמַל (amal), ‘moeite’: wat een volk met arbeid heeft verworven.
Hier gaat het om de oogst, de steden en de huizen die de volken van Kanaän hadden gebouwd.
Zie ook Deut. 6:10–11.
לְאֻמִּים (le’ummim), ‘natiën’: een dichterlijk woord voor ‘volken’.
45 opdat zij Zijn voorschriften bewaren en Zijn wetten in acht nemen. Halleluja.
יִשְׁמְר֣וּ
(yishmeru)
zij bewaren
חֻ֭קָּיו
(chuqav)
Zijn voorschriften
וְתוֹרֹתָ֥יו
(vetorotav)
en Zijn wetten
יִנְצֹ֗רוּ
(yintsoru)
zij in acht nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’.
Hier staat het woord in het meervoud.
הַלְלוּ יָהּ (halelu Jah), ‘Halleluja’: ‘prijst Jah’.