Elohim Bijbel

Psalmen 105

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Yahweh denkt aan Zijn verbond: van Abraham tot het land

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Dank Yahweh en maak Zijn daden bekend

1Dank Yahweh, roep Zijn naam aan. Maak Zijn daden bekend onder de volken.
הוֹד֣וּ
(hodu)
dank
לַ֭יהוָה
(laYahweh)
aan Yahweh
קִרְא֣וּ
(qiru)
roep aan
בִּשְׁמ֑וֹ
(bishmo)
Zijn naam
הוֹדִ֥יעוּ
(hodiu)
maak bekend
בָ֝עַמִּ֗ים
(baamim)
onder de volken
עֲלִילוֹתָֽיו
(alilotav)
Zijn daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 1–15 komen ook voor in 1 Kron. 16:8–22.

Daar zegt David deze woorden bij de aankomst van de ark in Jeruzalem.

2Zing voor Hem, speel voor Hem, spreek over al Zijn wonderen.
שִֽׁירוּ
(shiru)
zing
ל֭וֹ
(lo)
voor Hem
זַמְּרוּ
(zameru)
speel
ל֑וֹ
(lo)
voor Hem
שִׂ֝֗יחוּ
(sichu)
spreek
בְּכָל
(bekhal)
over al
נִפְלְאוֹתָֽיו
(nifleotav)
Zijn wonderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Roem in Zijn heilige naam. Laat het hart van wie Yahweh zoeken zich verheugen.
הִֽ֭תְהַלְלוּ
(hithallu)
roem
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in naam van
קָדְשׁ֑וֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
יִ֝שְׂמַ֗ח
(yismach)
moge zich verheugen
לֵ֤ב
(lev)
hart van
מְבַקְשֵׁ֬י
(mevaqshei)
zoekers van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Zoek Yahweh en Zijn kracht. Zoek voortdurend Zijn aangezicht.
דִּרְשׁ֣וּ
(dirshu)
zoek
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
וְעֻזּ֑וֹ
(veuzo)
en Zijn kracht
בַּקְּשׁ֖וּ
(baqeshu)
zoek
פָנָ֣יו
(panav)
Zijn aangezicht
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּרַשׁ (darash) en בִּקֵּשׁ (biqqesh) betekenen allebei ‘zoeken’.

Wij vertalen beide met ‘zoek’, zoals in 1 Kron. 16:11.

5Denk aan Zijn wonderen die Hij deed, aan Zijn wondertekenen en aan de rechtsuitspraken van Zijn mond.
זִכְר֗וּ
(zikhru)
denk aan
נִפְלְאוֹתָ֥יו
(nifleotav)
Zijn wonderen
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשָׂ֑ה
(asa)
Hij deed
מֹ֝פְתָ֗יו
(mofetav)
Zijn wondertekenen
וּמִשְׁפְּטֵי
(umishpetei)
en rechtsuitspraken van
פִֽיו
(piv)
Zijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Nageslacht van Abraham, Zijn dienaar! Zonen van Jakob, Zijn uitverkorenen!
זֶ֭רַע
(zera)
nageslacht van
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
בְּחִירָֽיו
(bechirav)
Zijn uitverkorenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het verbond met Abraham, Isaak en Jakob

7Hij is Yahweh, onze Elohim. Over heel de aarde gelden Zijn rechtsuitspraken.
ה֭וּא
(hu)
Hij
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
בְּכָל
(bekhal)
over heel
הָ֝אָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
מִשְׁפָּטָֽיו
(mishpatav)
Zijn rechtsuitspraken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Hij heeft voor eeuwig aan Zijn verbond gedacht, aan het woord dat Hij beval voor duizend generaties;
זָכַ֣ר
(zakhar)
Hij heeft gedacht
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
בְּרִית֑וֹ
(berito)
aan Zijn verbond
דָּבָ֥ר
(davar)
woord
צִ֝וָּ֗ה
(tsiva)
Hij beval
לְאֶ֣לֶף
(leelef)
voor duizend
דּֽוֹר
(dor)
generatie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In 1 Kron. 16:15 staat hier een bevel: ‘Denk voor altijd aan Zijn verbond’.

In de psalm staat een verleden tijd: ‘Hij heeft gedacht’.

Zie ook Gen. 17:7.

9aan het verbond dat Hij sloot met Abraham, en aan Zijn eed aan Isaak.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
כָּ֭רַת
(karat)
Hij sloot
אֶת
(et)
met
אַבְרָהָ֑ם
(avraham)
Abraham
וּשְׁב֖וּעָת֣וֹ
(ushevuato)
en Zijn eed
לְיִשְׂחָֽק
(leyischaq)
aan Isaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Hij liet het voor Jakob gelden als voorschrift, voor Israël als eeuwig verbond.
וַיַּֽעֲמִידֶ֣הָ
(vayaamideha)
en Hij liet het gelden
לְיַעֲקֹ֣ב
(leyaaqov)
voor Jakob
לְחֹ֑ק
(lechoq)
als voorschrift
לְ֝יִשְׂרָאֵ֗ל
(leyisrael)
voor Israël
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Hij zei: „Aan jou zal Ik het land Kanaän geven, als het toegemeten deel van jullie erfdeel.”
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לְךָ֗
(lekha)
aan jou
אֶתֵּ֥ן
(eten)
Ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
אֶֽרֶץ
(erets)
land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
חֶ֝֗בֶל
(chevel)
toegemeten deel van
נַחֲלַתְכֶֽם
(nachalatkhem)
jullie erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Uitleg

Dit zijn woorden van Yahweh zelf, die de dichter aanhaalt.

Wij zetten ze rood, zoals de woorden van Yahweh in andere psalmen.

Zie Gen. 15:18 en Gen. 28:13.

De Hebreeuwse tekst gebruikt eerst ‘jou’ (enkelvoud) en dan ‘jullie’ (meervoud).

חֶבֶל (chevel), ‘toegemeten deel’: letterlijk ‘meetsnoer’, het stuk land dat met een snoer is afgemeten.

Vreemdelingen in het land

12Toen waren zij nog maar weinig mannen, bijna niets, en vreemdelingen in het land.
בִּֽ֭הְיוֹתָם
(bihyotam)
toen zij waren
מְתֵ֣י
(metei)
mannen van
מִסְפָּ֑ר
(mispar)
aantal
כִּ֝מְעַ֗ט
(kimat)
bijna niets
וְגָרִ֥ים
(vegarim)
en vreemdelingen
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zij trokken rond van volk naar volk, van het ene koninkrijk naar een ander volk.
וַֽ֭יִּתְהַלְּכוּ
(vayithalekhu)
en zij trokken rond
מִגּ֣וֹי
(migoy)
van volk
אֶל
(el)
naar
גּ֑וֹי
(goy)
volk
מִ֝מַּמְלָכָ֗ה
(mimamlakha)
van koninkrijk
אֶל
(el)
naar
עַ֥ם
(am)
volk
אַחֵֽר
(acher)
ander
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hij liet niemand toe hen te onderdrukken. Om hen strafte Hij koningen:
לֹֽא
(lo)
niet
הִנִּ֣יחַ
(hiniach)
Hij liet toe
אָדָ֣ם
(adam)
een mens
לְעָשְׁקָ֑ם
(leasheqam)
hen te onderdrukken
וַיּ֖וֹכַח
(vayokhach)
en Hij strafte
עֲלֵיהֶ֣ם
(aleihem)
om hen
מְלָכִֽים
(melakhim)
koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Gen. 12:17 en Gen. 20:3, waar Yahweh de farao en Abimelech straft om Sara.

15„Raak Mijn gezalfden niet aan en doe Mijn profeten geen kwaad.”
אַֽל
(al)
niet
תִּגְּע֥וּ
(tigeu)
raak aan
בִמְשִׁיחָ֑י
(bimshichay)
Mijn gezalfden
וְ֝לִנְבִיאַי
(velinviay)
en Mijn profeten
אַל
(al)
niet
תָּרֵֽעוּ
(tareu)
doe kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ook deze woorden zijn van Yahweh.

De ‘gezalfden’ zijn hier de aartsvaders; ‘profeten’ wordt in Gen. 20:7 van Abraham gezegd.

In 1 Kron. 16:22 staan deze woorden zwart; hier volgen wij de regel dat woorden van Yahweh rood zijn.

Jozef in Egypte

16Hij riep een hongersnood over het land en brak elke staf van brood.
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en Hij riep
רָ֭עָב
(raav)
honger
עַל
(al)
over
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
כָּֽל
(kal)
elke
מַטֵּה
(mate)
staf van
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood
שָׁבָֽר
(shavar)
Hij brak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Hij zond een man voor hen uit: Jozef, die als dienaar werd verkocht.
שָׁלַ֣ח
(shalach)
Hij zond
לִפְנֵיהֶ֣ם
(lifneihem)
voor hen uit
אִ֑ישׁ
(ish)
man
לְ֝עֶ֗בֶד
(leeved)
als dienaar
נִמְכַּ֥ר
(nimkar)
werd verkocht
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Zij kwelden zijn voet met boeien. Zijn ziel kwam in het ijzer.
עִנּ֣וּ
(inu)
zij kwelden
בַכֶּ֣בֶל
(bakevel)
met boeien
רַגְל֑וֹ
(raglo)
zijn voet
בַּ֝רְזֶ֗ל
(barzel)
ijzer
בָּ֣אָה
(baa)
kwam
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: hier de persoon zelf.

‘Zijn ziel kwam in het ijzer’ betekent: het ijzer drukte op zijn hals, of: hij zelf kwam in het ijzer.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) wijkt af van de te lezen vorm (qere): de ketiv is רַגְלָיו, ‘zijn voeten’, de qere is ‘zijn voet’.

Wij volgen de qere.

19Tot de tijd kwam dat zijn woord uitkwam, heeft de uitspraak van Yahweh hem gelouterd.
עַד
(ad)
tot
עֵ֥ת
(et)
tijd
בֹּֽא
(bo)
uitkomen
דְבָר֑וֹ
(devaro)
zijn woord
אִמְרַ֖ת
(imrat)
uitspraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְרָפָֽתְהוּ
(tserafatehu)
heeft hem gelouterd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

‘Zijn woord’ kan het woord van Jozef zijn (zijn uitleg van de dromen in Gen. 40–41) of het woord van Yahweh.

Wij vertalen ‘zijn woord’ met kleine letter: het woord van Jozef, dat uitkwam.

Zie ook Gen. 41:25–32.

20De koning zond iemand en maakte hem los. De heerser over volken liet hem vrij.
שָׁ֣לַח
(shalach)
zond
מֶ֭לֶךְ
(melekh)
koning
וַיַּתִּירֵ֑הוּ
(vayatirehu)
en maakte hem los
מֹשֵׁ֥ל
(moshel)
heerser over
עַ֝מִּ֗ים
(amim)
volken
וַֽיְפַתְּחֵֽהוּ
(vayfatechehu)
en liet hem vrij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookGen 41:14
21Hij maakte hem heer van zijn huis en heerser over al zijn bezit;
שָׂמ֣וֹ
(samo)
hij stelde hem
אָד֣וֹן
(adon)
heer
לְבֵית֑וֹ
(leveito)
over zijn huis
וּ֝מֹשֵׁ֗ל
(umoshel)
en heerser
בְּכָל
(bekhal)
over al
קִנְיָנֽוֹ
(qinyano)
zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָדוֹן (adon), ‘heer’: een mens met gezag, anders dan Adonai (‘mijn Heer’) voor Yahweh.

Zie Gen. 41:40–41.

22om zijn vorsten naar eigen wil te binden en zijn oudsten wijsheid te leren.
לֶאְסֹ֣ר
(lesor)
om te binden
שָׂרָ֣יו
(sarav)
zijn vorsten
בְּנַפְשׁ֑וֹ
(benafsho)
naar zijn wil
וּזְקֵנָ֥יו
(uzeqenav)
en zijn oudsten
יְחַכֵּֽם
(yechakem)
hij leert wijsheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Israël in Egypte

23Toen kwam Israël in Egypte, en Jakob verbleef als vreemdeling in het land van Cham.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
in Egypte
וְ֝יַעֲקֹ֗ב
(veyaaqov)
en Jakob
גָּ֣ר
(gar)
vreemdeling
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
חָֽם
(cham)
Cham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Cham (chām) is hier een dichterlijke naam voor Egypte; het land van de nakomelingen van Cham, de zoon van Noach (Gen. 10:6).

Zie ook 105:27 en 106:22.

24Hij maakte Zijn volk zeer vruchtbaar en maakte het sterker dan zijn tegenstanders.
וַיֶּ֣פֶר
(vayefer)
en Hij maakte vruchtbaar
אֶת
(et)
(obj.)
עַמּ֣וֹ
(amo)
Zijn volk
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַ֝יַּֽעֲצִמֵהוּ
(vayaatsimehu)
en Hij maakte het sterker
מִצָּרָֽיו
(mitsarav)
dan zijn tegenstanders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Hij veranderde hun hart, zodat zij Zijn volk haatten en listig handelden tegen Zijn dienaren.
הָפַ֣ךְ
(hafakh)
Hij veranderde
לִ֭בָּם
(libam)
hun hart
לִשְׂנֹ֣א
(lisno)
om te haten
עַמּ֑וֹ
(amo)
Zijn volk
לְ֝הִתְנַכֵּ֗ל
(lehitnakel)
om listig te handelen
בַּעֲבָדָֽיו
(baavadav)
tegen Zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mozes, Aäron en de tien plagen

26Hij zond Mozes, Zijn dienaar, en Aäron, die Hij had gekozen.
שָׁ֭לַח
(shalach)
Hij zond
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
אַ֝הֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּֽחַר
(bachar)
Hij had gekozen
בּֽוֹ
(bo)
in hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Zij verrichtten onder hen de daden van Zijn tekenen en wonderen in het land van Cham.
שָֽׂמוּ
(samu)
zij stelden
בָ֭ם
(bam)
onder hen
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
daden van
אֹתוֹתָ֑יו
(ototav)
Zijn tekenen
וּ֝מֹפְתִ֗ים
(umofetim)
en wonderen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
חָֽם
(cham)
Cham
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Land van Cham (Egypte): Cham is hier een dichterlijke naam voor Egypte (zie Psalm 105:23): het land van Cham is Egypte, rond de Nijl.

Uitleg

דִּבְרֵי (divre), ‘woorden van’, ook ‘zaken’ of ‘daden van’.

Wij vertalen ‘de daden van Zijn tekenen’: de tekenen en wonderen die Yahweh door Mozes en Aäron liet gebeuren.

28Hij zond duisternis en maakte het donker. Zij waren niet weerspannig tegen Zijn woord.
שָׁ֣לַֽח
(shalach)
Hij zond
חֹ֭שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וַיַּחְשִׁ֑ךְ
(vayachshikh)
en het werd donker
וְלֹֽא
(velo)
en niet
מָ֝ר֗וּ
(maru)
waren weerspannig
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרֽוֹ
(devaro)
Zijn woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) wijkt af van de te lezen vorm (qere) ‘Zijn woord’.

Wij volgen de qere.

Wie met ‘zij’ bedoeld is, blijft onduidelijk: Mozes en Aäron, of de Egyptenaren.

Wij houden de tekst letterlijk.

Sommige oude vertalingen lijken hier ‘zij waren weerspannig’ te lezen, zonder ‘niet’; wij blijven bij de Masoretische tekst.

Zie ook Exod. 10:21–23.

29Hij veranderde hun wateren in bloed en liet hun vis sterven.
הָפַ֣ךְ
(hafakh)
Hij veranderde
אֶת
(et)
(obj.)
מֵימֵיהֶ֣ם
(meimeihem)
hun wateren
לְדָ֑ם
(ledam)
in bloed
וַ֝יָּ֗מֶת
(vayamet)
en Hij liet sterven
אֶת
(et)
(obj.)
דְּגָתָֽם
(degatam)
hun vis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Hun land wemelde van kikkers, tot in de kamers van hun koningen.
שָׁרַ֣ץ
(sharats)
wemelde
אַרְצָ֣ם
(artsam)
hun land
צְפַרְדְּעִ֑ים
(tsefardeim)
van kikkers
בְּ֝חַדְרֵ֗י
(bechadrei)
in de kamers van
מַלְכֵיהֶֽם
(malkheihem)
hun koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Hij sprak, en er kwamen zwermen, muggen in heel hun gebied.
אָ֭מַר
(amar)
Hij sprak
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
עָרֹ֑ב
(arov)
zwerm
כִּ֝נִּ֗ים
(kinim)
muggen
בְּכָל
(bekhal)
in heel
גְּבוּלָֽם
(gevulam)
hun gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרֹב (arov), ‘zwerm’: zwermen insecten, zoals in Exod. 8:17.

כִּנִּים (kinnim), ‘muggen’: zoals in Exod. 8:12.

32Hij gaf hun hagel als regen, vuur van vlammen in hun land.
נָתַ֣ן
(natan)
Hij gaf
גִּשְׁמֵיהֶ֣ם
(gishmeihem)
hun regens
בָּרָ֑ד
(barad)
hagel
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
לֶהָב֣וֹת
(lehavot)
vlammen
בְּאַרְצָֽם
(beartsam)
in hun land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgenboom en brak de bomen van hun gebied.
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en Hij sloeg
גַּ֭פְנָם
(gafnam)
hun wijnstok
וּתְאֵנָתָ֑ם
(uteenatam)
en hun vijgenboom
וַ֝יְשַׁבֵּ֗ר
(vayshaber)
en Hij brak
עֵ֣ץ
(ets)
bomen van
גְּבוּלָֽם
(gevulam)
hun gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en jonge sprinkhanen zonder getal.
אָ֭מַר
(amar)
Hij sprak
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
אַרְבֶּ֑ה
(arbe)
sprinkhaan
וְ֝יֶ֗לֶק
(veyeleq)
en jonge sprinkhaan
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet
מִסְפָּֽר
(mispar)
getal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhanen’: zie Exod. 10:4.

יֶלֶק (yeleq), ‘jonge sprinkhanen’: een tweede soort of een ander stadium van de sprinkhaan; de betekenis is onzeker.

35Zij aten al het gewas in hun land en aten de vrucht van hun grond.
וַיֹּ֣אכַל
(vayokhal)
en zij aten
כָּל
(kal)
al
עֵ֣שֶׂב
(esev)
gewas
בְּאַרְצָ֑ם
(beartsam)
in hun land
וַ֝יֹּ֗אכַל
(vayokhal)
en zij aten
פְּרִ֣י
(peri)
vrucht van
אַדְמָתָֽם
(admatam)
hun grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Hij sloeg elke eerstgeborene in hun land, de eersteling van al hun kracht.
וַיַּ֣ךְ
(vayakh)
en Hij sloeg
כָּל
(kal)
elke
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
בְּאַרְצָ֑ם
(beartsam)
in hun land
רֵ֝אשִׁ֗ית
(reshit)
eersteling van
לְכָל
(lekhal)
alle
אוֹנָֽם
(onam)
hun kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De uittocht en de woestijn

37Hij leidde hen uit met zilver en goud, en onder Zijn stammen was niemand die struikelde.
וַֽ֭יּוֹצִיאֵם
(vayotsiem)
en Hij leidde hen uit
בְּכֶ֣סֶף
(bekhesef)
met zilver
וְזָהָ֑ב
(vezahav)
en goud
וְאֵ֖ין
(veein)
en niet
בִּשְׁבָטָ֣יו
(bishvatav)
onder Zijn stammen
כּוֹשֵֽׁל
(koshel)
struikelend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Exod. 12:35–36: de Egyptenaren gaven zilver en goud mee.

38Egypte was blij toen zij uittrokken, want de schrik voor hen was over hen gevallen.
שָׂמַ֣ח
(samach)
was blij
מִצְרַ֣יִם
(mitsrayim)
Egypte
בְּצֵאתָ֑ם
(betsetam)
bij hun uittocht
כִּֽי
(ki)
want
נָפַ֖ל
(nafal)
viel
פַּחְדָּ֣ם
(pachdam)
hun schrik
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

39Hij spreidde een wolk uit als dek en vuur om de nacht te verlichten.
פָּרַ֣שׂ
(paras)
Hij spreidde uit
עָנָ֣ן
(anan)
wolk
לְמָסָ֑ךְ
(lemasakh)
als dek
וְ֝אֵ֗שׁ
(veesh)
en vuur
לְהָאִ֥יר
(lehair)
om te verlichten
לָֽיְלָה
(layela)
nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Zij vroegen, en Hij liet kwartels komen. Hij verzadigde hen met brood uit de hemel.
שָׁאַ֣ל
(shaal)
zij vroegen
וַיָּבֵ֣א
(vayave)
en Hij liet komen
שְׂלָ֑ו
(selav)
kwartels
וְלֶ֥חֶם
(velechem)
en brood van
שָׁ֝מַ֗יִם
(shamayim)
de hemel
יַשְׂבִּיעֵֽם
(yasbiem)
Hij verzadigde hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Exod. 16:13–15 en Num. 11:31.

41Hij opende de rots, en er stroomde water. Het liep als een rivier door de dorre streken.
פָּ֣תַח
(patach)
Hij opende
צ֭וּר
(tsur)
rots
וַיָּז֣וּבוּ
(vayazuvu)
en stroomde
מָ֑יִם
(mayim)
water
הָ֝לְכ֗וּ
(halekhu)
het liep
בַּצִּיּ֥וֹת
(batsiyot)
door de dorre streken
נָהָֽר
(nahar)
rivier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie Exod. 17:6 en Num. 20:11.

Het land en het doel

42Want Hij dacht aan Zijn heilige woord, aan Abraham, Zijn dienaar.
כִּֽי
(ki)
want
זָ֭כַר
(zakhar)
Hij dacht aan
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֣ר
(devar)
woord van
קָדְשׁ֑וֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
אֶֽת
(et)
(obj.)
אַבְרָהָ֥ם
(avraham)
Abraham
עַבְדּֽוֹ
(avdo)
Zijn dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Hij leidde Zijn volk uit met vreugde, Zijn uitverkorenen met jubel.
וַיּוֹצִ֣א
(vayotsi)
en Hij leidde uit
עַמּ֣וֹ
(amo)
Zijn volk
בְשָׂשׂ֑וֹן
(besason)
met vreugde
בְּ֝רִנָּ֗ה
(berina)
met jubel
אֶת
(et)
(obj.)
בְּחִירָֽיו
(bechirav)
Zijn uitverkorenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Hij gaf hun de landen van de volken. Zij namen de moeite van de natiën in bezit,
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en Hij gaf
לָ֭הֶם
(lahem)
hun
אַרְצ֣וֹת
(artsot)
landen van
גּוֹיִ֑ם
(goyim)
volken
וַעֲמַ֖ל
(vaamal)
en moeite van
לְאֻמִּ֣ים
(leumim)
natiën
יִירָֽשׁוּ
(yirashu)
zij namen in bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲמַל (amal), ‘moeite’: wat een volk met arbeid heeft verworven.

Hier gaat het om de oogst, de steden en de huizen die de volken van Kanaän hadden gebouwd.

Zie ook Deut. 6:10–11.

לְאֻמִּים (le’ummim), ‘natiën’: een dichterlijk woord voor ‘volken’.

45opdat zij Zijn voorschriften bewaren en Zijn wetten in acht nemen. Halleluja.
בַּעֲב֤וּר
(baavur)
opdat
יִשְׁמְר֣וּ
(yishmeru)
zij bewaren
חֻ֭קָּיו
(chuqav)
Zijn voorschriften
וְתוֹרֹתָ֥יו
(vetorotav)
en Zijn wetten
יִנְצֹ֗רוּ
(yintsoru)
zij in acht nemen
הַֽלְלוּ
(hallu)
prijst
יָֽהּ
(yah)
Jah
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: letterlijk ‘onderwijs’.

Hier staat het woord in het meervoud.

הַלְלוּ יָהּ (halelu Jah), ‘Halleluja’: ‘prijst Jah’.