Elohim Bijbel

Genesis 7

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

De vloed

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Ga de ark in

1Yahweh zei tegen Noach: „Ga de ark in, jij en heel je huis, want Ik heb gezien dat jij rechtvaardig bent voor Mijn aangezicht, in deze generatie.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְנֹ֔חַ
(lenoach)
tot Noach
בֹּֽא
(bo)
ga
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּיתְךָ֖
(beitekha)
je huis
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָ֑ה
(hateva)
de ark
כִּֽי
(ki)
want
אֹתְךָ֥
(otekha)
jou
רָאִ֛יתִי
(raiti)
Ik heb gezien
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
rechtvaardig
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
בַּדּ֥וֹר
(bador)
in de generatie
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2Van alle reine dieren moet je telkens zeven nemen, een mannetje met zijn vrouwtje. En van de dieren die niet rein zijn: twee, een mannetje met zijn vrouwtje.
מִכֹּ֣ל
(mikol)
van alle
הַבְּהֵמָ֣ה
(habehema)
het dier
הַטְּהוֹרָ֗ה
(hatehora)
het reine
תִּֽקַּח
(tiqach)
je zult nemen
לְךָ֛
(lekha)
voor jou
שִׁבְעָ֥ה
(shiva)
zeven
שִׁבְעָ֖ה
(shiva)
zeven
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וְאִשְׁתּ֑וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
וּמִן
(umin)
en van
הַבְּהֵמָ֡ה
(habehema)
het dier
אֲ֠שֶׁר
(asher)
dat
לֹ֣א
(lo)
niet
טְהֹרָ֥ה
(tehora)
rein
הִ֛וא
(hi)
het is
שְׁנַ֖יִם
(shenayim)
twee
אִ֥ישׁ
(ish)
man
וְאִשְׁתּֽוֹ
(veishto)
en zijn vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁבְעָה שִׁבְעָה (shiv’ah shiv’ah), ‘zeven, zeven’: zeven paren, of zeven dieren per soort; het Hebreeuws zegt het niet.

טְהוֹרָה (tehorah), ‘rein’, komt hier voor het eerst voor; de regels van Lev. 11 volgen later.

In 8:20 brengt Noach offers van de reine dieren.

3Ook van de vogels van de hemel telkens zeven, mannelijk en vrouwelijk, om nageslacht in leven te houden op de hele aarde.
גַּ֣ם
(gam)
ook
מֵע֧וֹף
(meof)
van de vogel van
הַשָּׁמַ֛יִם
(hashamayim)
de hemel
שִׁבְעָ֥ה
(shiva)
zeven
שִׁבְעָ֖ה
(shiva)
zeven
זָכָ֣ר
(zakhar)
mannelijk
וּנְקֵבָ֑ה
(uneqeva)
en vrouwelijk
לְחַיּ֥וֹת
(lechayot)
om in leven te houden
זֶ֖רַע
(zera)
nageslacht
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
כָל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJas 6:9
4Want over nog zeven dagen laat Ik zelf het regenen op de aarde, veertig dagen en veertig nachten. Ik zal alles wat bestaat, wat Ik gemaakt heb, van de grond wegvegen.”
כִּי֩
(ki)
want
לְיָמִ֨ים
(leyamim)
over dagen
ע֜וֹד
(od)
nog
שִׁבְעָ֗ה
(shiva)
zeven
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
מַמְטִ֣יר
(mamtir)
laat regenen
עַל
(al)
op
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
י֔וֹם
(yom)
dag
וְאַרְבָּעִ֖ים
(vearbaim)
en veertig
לָ֑יְלָה
(layela)
nacht
וּמָחִ֗יתִי
(umachiti)
en Ik zal uitwissen
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
הַיְקוּם֙
(hayqum)
wat bestaat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
Ik maakte
מֵעַ֖ל
(meal)
van op
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
הָֽאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Noach deed alles wat Yahweh hem geboden had.
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en deed
נֹ֑חַ
(noach)
Noach
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖הוּ
(tsivahu)
Hij gebood hem
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Noach was 600 jaar oud toen de vloed kwam, water over de aarde.
וְנֹ֕חַ
(venoach)
en Noach
בֶּן
(ben)
zoon van
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וְהַמַּבּ֣וּל
(vehamabul)
en de vloed
הָיָ֔ה
(haya)
was
מַ֖יִם
(mayim)
water
עַל
(al)
over
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Noach ging de ark in, met zijn zonen, zijn vrouw en de vrouwen van zijn zonen, vanwege het water van de vloed.
וַיָּ֣בֹא
(vayavo)
en kwam
נֹ֗חַ
(noach)
Noach
וּ֠בָנָיו
(uvanav)
en zijn zonen
וְאִשְׁתּ֧וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
וּנְשֵֽׁי
(uneshei)
en vrouwen van
בָנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָ֑ה
(hateva)
de ark
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
מֵ֥י
(mei)
water van
הַמַּבּֽוּל
(hamabul)
de vloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Van de reine dieren, van de dieren die niet rein zijn, van de vogels en van alles wat zich op de grond voortbeweegt,
מִן
(min)
van
הַבְּהֵמָה֙
(habehema)
het dier
הַטְּהוֹרָ֔ה
(hatehora)
het reine
וּמִן
(umin)
en van
הַ֨בְּהֵמָ֔ה
(habehema)
het dier
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אֵינֶ֖נָּה
(einena)
niet is
טְהֹרָ֑ה
(tehora)
rein
וּמִ֨ן
(umin)
en van
הָע֔וֹף
(haof)
het gevogelte
וְכֹ֥ל
(vekhol)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
רֹמֵ֖שׂ
(romes)
zich voortbeweegt
עַל
(al)
op
הָֽאֲדָמָֽה
(haadama)
de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9kwamen er twee aan twee naar Noach in de ark, mannelijk en vrouwelijk, zoals Elohim Noach geboden had.
שְׁנַ֨יִם
(shenayim)
twee
שְׁנַ֜יִם
(shenayim)
twee
בָּ֧אוּ
(bau)
kwamen
אֶל
(el)
naar
נֹ֛חַ
(noach)
Noach
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָ֖ה
(hateva)
de ark
זָכָ֣ר
(zakhar)
mannelijk
וּנְקֵבָ֑ה
(uneqeva)
en vrouwelijk
כַּֽאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
נֹֽחַ
(noach)
Noach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Na die zeven dagen kwam het water van de vloed over de aarde.
וַֽיְהִ֖י
(vayhi)
en het was
לְשִׁבְעַ֣ת
(leshivat)
na de zeven van
הַיָּמִ֑ים
(hayamim)
de dagen
וּמֵ֣י
(umei)
en water van
הַמַּבּ֔וּל
(hamabul)
de vloed
הָי֖וּ
(hayu)
waren
עַל
(al)
over
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De vloed breekt los

11Toen Noach 600 jaar oud was, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand: op die dag barstten alle bronnen van de grote watermassa open. De luiken van de hemel gingen open.
בִּשְׁנַ֨ת
(bishnat)
in het jaar van
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
מֵא֤וֹת
(meot)
honderd
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
לְחַיֵּי
(lechayei)
van het leven van
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
בַּחֹ֨דֶשׁ֙
(bachodesh)
in de maand
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
בְּשִׁבְעָֽה
(beshiva)
op zeven
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
י֖וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַזֶּ֗ה
(haze)
deze
נִבְקְעוּ֙
(nivqeu)
werden gespleten
כָּֽל
(kal)
alle
מַעְיְנֹת֙
(mayenot)
bronnen van
תְּה֣וֹם
(tehom)
watermassa
רַבָּ֔ה
(raba)
grote
וַאֲרֻבֹּ֥ת
(vaarubot)
en vensters van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
נִפְתָּֽחוּ
(niftachu)
werden geopend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tweede maand is volgens de herfstkalender (nieuwjaar in Tisjri) ongeveer 17 november, volgens de lentekalender (nieuwjaar in Nisan) ongeveer 17 mei.

Het jaar is volgens de getallen van Genesis 5 het jaar 1656 na Adam.

תְּהוֹם (tehom), ‘diepte’, is hetzelfde woord als in 1:2.

אֲרֻבֹּת (arubbot) is letterlijk ‘vensters’ of ‘luiken’.

Aanvullend

Jubileeën 5:24 noemt zeven sluizen van de hemel en zeven monden van de bronnen van de grote diepte; Henoch 54:7–10 noemt de waterkamers boven de hemelen en de bronnen onder de hemelen en onder de aarde.

12Het regende op de aarde, veertig dagen en veertig nachten.
וַֽיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
הַגֶּ֖שֶׁם
(hageshem)
de regen
עַל
(al)
over
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
י֔וֹם
(yom)
dag
וְאַרְבָּעִ֖ים
(vearbaim)
en veertig
לָֽיְלָה
(layela)
nacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Op diezelfde dag gingen Noach, Sem, Cham en Jafeth, de zonen van Noach, de ark in, samen met de vrouw van Noach en de drie vrouwen van zijn zonen.
בְּעֶ֨צֶם
(beetsem)
juist op
הַיּ֤וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּה֙
(haze)
deze
בָּ֣א
(ba)
kwam
נֹ֔חַ
(noach)
Noach
וְשֵׁם
(veshem)
en Sem
וְחָ֥ם
(vecham)
en Cham
וָיֶ֖פֶת
(vayefet)
en Jafeth
בְּנֵי
(benei)
zonen van
נֹ֑חַ
(noach)
Noach
וְאֵ֣שֶׁת
(veeshet)
en vrouw van
נֹ֗חַ
(noach)
Noach
וּשְׁלֹ֧שֶׁת
(usheloshet)
en drie van
נְשֵֽׁי
(neshei)
vrouwen van
בָנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
אִתָּ֖ם
(itam)
met hen
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָֽה
(hateva)
de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Zij en alle wilde dieren naar zijn soort, al het vee naar zijn soort en alles wat zich over de aarde voortbeweegt naar zijn soort. Ook alle vogels naar zijn soort, elke vogel, elk wezen met vleugels.
הֵ֜מָּה
(hema)
zij
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַֽחַיָּ֣ה
(hachaya)
het wilde dier
לְמִינָ֗הּ
(leminah)
naar haar soort
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַבְּהֵמָה֙
(habehema)
het vee
לְמִינָ֔הּ
(leminah)
naar haar soort
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָרֶ֛מֶשׂ
(haremes)
het kruipende
הָרֹמֵ֥שׂ
(haromes)
dat zich voortbeweegt
עַל
(al)
op
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
לְמִינֵ֑הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָע֣וֹף
(haof)
het gevogelte
לְמִינֵ֔הוּ
(leminehu)
naar zijn soort
כֹּ֖ל
(kol)
alle
צִפּ֥וֹר
(tsipor)
vogel
כָּל
(kal)
alle
כָּנָֽף
(kanaf)
vleugel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Ze kwamen bij Noach in de ark, twee aan twee, van alle vlees waarin de levensgeest is.
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֶל
(el)
naar
נֹ֖חַ
(noach)
Noach
אֶל
(el)
in
הַתֵּבָ֑ה
(hateva)
de ark
שְׁנַ֤יִם
(shenayim)
twee
שְׁנַ֨יִם֙
(shenayim)
twee
מִכָּל
(mikal)
van alle
הַבָּשָׂ֔ר
(habasar)
het vlees
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בּ֖וֹ
(bo)
in hem
ר֥וּחַ
(ruach)
geest van
חַיִּֽים
(chayim)
leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Wie kwamen, kwamen als mannelijk en vrouwelijk van alle vlees, zoals Elohim hem geboden had. En Yahweh sloot achter hem af.
וְהַבָּאִ֗ים
(vehabaim)
en de komenden
זָכָ֨ר
(zakhar)
mannelijk
וּנְקֵבָ֤ה
(uneqeva)
en vrouwelijk
מִכָּל
(mikal)
van alle
בָּשָׂר֙
(basar)
vlees
בָּ֔אוּ
(bau)
kwamen
כַּֽאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
Hij gebood
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיִּסְגֹּ֥ר
(vayisgor)
en sloot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּֽעֲדֽוֹ
(baado)
achter hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Twee namen in één zin: Elohim geeft het bevel, Yahweh sluit achter hem af.

Yahweh doet hier iets zichtbaars, zoals in 3:8 en 3:21.

Het water neemt toe

17De vloed was veertig dagen over de aarde. Het water nam toe en tilde de ark op, en ze werd van de aarde opgeheven.
וַֽיְהִ֧י
(vayhi)
en was
הַמַּבּ֛וּל
(hamabul)
de vloed
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
י֖וֹם
(yom)
dag
עַל
(al)
over
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַיִּרְבּ֣וּ
(vayirbu)
en namen toe
הַמַּ֗יִם
(hamayim)
het water
וַיִּשְׂאוּ֙
(vayisu)
en tilden op
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
הַתֵּבָ֔ה
(hateva)
de ark
וַתָּ֖רָם
(vataram)
en ze werd opgeheven
מֵעַ֥ל
(meal)
van boven
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Het water werd machtig en nam sterk toe over de aarde, en de ark dreef op het water.
וַיִּגְבְּר֥וּ
(vayigberu)
en werden machtig
הַמַּ֛יִם
(hamayim)
het water
וַיִּרְבּ֥וּ
(vayirbu)
en namen toe
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
עַל
(al)
over
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַתֵּ֥לֶךְ
(vatelekh)
en ging
הַתֵּבָ֖ה
(hateva)
de ark
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Het water werd uitermate machtig over de aarde, en alle hoge bergen onder de hele hemel werden bedekt.
וְהַמַּ֗יִם
(vehamayim)
en het water
גָּֽבְר֛וּ
(gaveru)
werd machtig
מְאֹ֥ד
(meod)
zeer
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
עַל
(al)
over
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַיְכֻסּ֗וּ
(vaykhusu)
en werden bedekt
כָּל
(kal)
alle
הֶֽהָרִים֙
(heharim)
de bergen
הַגְּבֹהִ֔ים
(hagevohim)
de hoge
אֲשֶׁר
(asher)
die
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
heel
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Vijftien el naar boven werd het water machtig, en de bergen werden bedekt.
חֲמֵ֨שׁ
(chamesh)
vijf
עֶשְׂרֵ֤ה
(esre)
tien
אַמָּה֙
(ama)
el
מִלְמַ֔עְלָה
(milmala)
naar boven toe
גָּבְר֖וּ
(gaveru)
werden machtig
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וַיְכֻסּ֖וּ
(vaykhusu)
en werden bedekt
הֶהָרִֽים
(heharim)
de bergen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vijftien el is ongeveer 6,75 m (korte el) of 7,8 m (koningsel).

21Al het vlees dat zich op de aarde voortbewoog, stierf: vogels, vee, wilde dieren, alles wat op de aarde wemelde, en alle mensen.
וַיִּגְוַ֞ע
(vayigva)
en stierf
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֣ר
(basar)
vlees
הָרֹמֵ֣שׂ
(haromes)
het kruipende
עַל
(al)
op
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
בָּע֤וֹף
(baof)
onder het gevogelte
וּבַבְּהֵמָה֙
(uvabehema)
en onder het vee
וּבַ֣חַיָּ֔ה
(uvachaya)
en onder het wilde dier
וּבְכָל
(uvekhal)
en onder alle
הַשֶּׁ֖רֶץ
(hasherets)
het gewemel
הַשֹּׁרֵ֣ץ
(hashorets)
het wemelende
עַל
(al)
op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
הָאָדָֽם
(haadam)
de mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאָדָם (ha-adam), ‘de mens’: alle mensen.

Met lidwoord, dus geen eigennaam.

22Alles wat de adem van de levensgeest in zijn neus had, van alles wat op het droge land was, stierf.
כֹּ֡ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר֩
(asher)
wat
נִשְׁמַת
(nishmat)
adem van
ר֨וּחַ
(ruach)
geest van
חַיִּ֜ים
(chayim)
leven
בְּאַפָּ֗יו
(beapav)
in zijn neus
מִכֹּ֛ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
בֶּחָֽרָבָ֖ה
(becharava)
op het droge
מֵֽתוּ
(metu)
stierven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִשְׁמַת רוּחַ חַיִּים (nishmat ruach chayim), ‘adem van de geest van leven’, verbindt de ‘adem van leven’ van 2:7 met de ‘levensgeest’ van 6:17 en 7:15.

23Hij veegde alles weg wat op de grond bestond: van mens tot vee, tot kruipende dieren en tot de vogels van de hemel. Zij werden van de aarde weggeveegd. Alleen Noach bleef over, en wie met hem in de ark was.
וַיִּ֜מַח
(vayimach)
en Hij wiste uit
אֶֽת
(et)
(lijdend voorwerp)
כָּל
(kal)
alles
הַיְק֣וּם
(hayqum)
wat bestaat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
הָֽאֲדָמָ֗ה
(haadama)
de grond
מֵאָדָ֤ם
(meadam)
van mens
עַד
(ad)
tot
בְּהֵמָה֙
(behema)
vee
עַד
(ad)
tot
רֶ֨מֶשׂ֙
(remes)
kruipend gedierte
וְעַד
(vead)
en tot
ע֣וֹף
(of)
vogel van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַיִּמָּח֖וּ
(vayimachu)
en ze werden uitgewist
מִן
(min)
van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
וַיִשָּׁ֧אֶר
(vayishaer)
en bleef over
אַךְ
(akh)
alleen
נֹ֛חַ
(noach)
Noach
וַֽאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wat
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
בַּתֵּבָֽה
(bateva)
in de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּמַח (vayimach), ‘en Hij wiste uit’, heeft dezelfde wortel als אֶמְחֶה (emcheh) in 6:7: wat Yahweh daar aankondigde, gebeurt hier.

Het onderwerp wordt niet genoemd.

מֵאָדָם (me’adam), ‘van mens’, staat zonder lidwoord en noemt de mens als soort in de rij mens, vee, kruipende dieren en vogels.

De persoon Adam is niet bedoeld.

24Het water bleef 150 dagen machtig over de aarde.
וַיִּגְבְּר֥וּ
(vayigberu)
en werden machtig
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het water
עַל
(al)
over
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
וּמְאַ֖ת
(umeat)
en honderd
יֽוֹם
(yom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)