Elohim Bijbel

Psalmen 16

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Yahweh is het deel van mijn erfdeel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Bij U heb ik schuil gezocht

1Michtam van David. Bewaar mij, El, want bij U heb ik schuil gezocht.
מִכְתָּ֥ם
(mikhtam)
michtam
לְדָוִ֑ד
(ledavid)
van David
שָֽׁמְרֵ֥נִי
(shamereni)
bewaar mij
אֵ֝֗ל
(el)
El
כִּֽי
(ki)
want
חָסִ֥יתִי
(chasiti)
ik heb schuil gezocht
בָֽךְ
(bakh)
bij U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִכְתָּם (michtam): de betekenis is onzeker.

Het is een woord in het opschrift van Ps. 16 en 56–60; sommigen denken aan ‘inscriptie’, anderen aan ‘gouden (kostbaar) lied’.

Wij laten ‘Michtam’ staan.

אֵל (El): een korte vorm van Elohim. Wij laten ‘El’ staan.

Het opschrift is in de Hebreeuwse telling een deel van vers 1; de Nederlandse telling is hier gelijk.

חָסָה (chasah), ‘schuilen’: bescherming zoeken bij iemand.

2Je hebt tot Yahweh gezegd: „Mijn Heer bent U. Buiten U heb ik geen goed.”
אָמַ֣רְתְּ
(amart)
je hebt gezegd
לַֽ֭יהוָה
(laYahweh)
tot Yahweh
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
mijn Heer
אָ֑תָּה
(ata)
U
ט֝וֹבָתִ֗י
(tovati)
mijn goed
בַּל
(bal)
niet
עָלֶֽיךָ
(aleikha)
boven U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

אָמַרְתְּ (amart) is een vrouwelijke vorm: ‘jij (vrouwelijk) hebt gezegd’.

De dichter spreekt dus zijn eigen ziel (nefesh, vrouwelijk) aan.

Andere lezing: ‘ik zei’ (amarti), zoals sommige oude vertalingen hebben.

Wij volgen de Masoretische tekst.

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: hier Yahweh als Heer.

טוֹבָתִי בַּל־עָלֶיךָ (tovati bal alecha): letterlijk ‘mijn goed is niet boven U’. De betekenis is onzeker; wij vertalen ‘buiten U heb ik geen goed’.

3Wat de heiligen betreft die in het land zijn: zij zijn de edelen, in wie ik al mijn behagen heb.
לִ֭קְדוֹשִׁים
(liqdoshim)
wat de heiligen betreft
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
in het land
הֵ֑מָּה
(hema)
zij
וְ֝אַדִּירֵ֗י
(veadirei)
en de edelen van
כָּל
(kal)
al
חֶפְצִי
(cheftsi)
mijn behagen
בָֽם
(bam)
in hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְדוֹשִׁים (qedoshim), ‘heiligen’: mensen die voor Yahweh zijn afgezonderd.

Lezing

Dit vers is moeilijk.

Het Hebreeuws laat het werkwoord weg en heeft ‘en’ voor ‘de edelen’.

Wij lezen: de heiligen zijn de edelen.

Een andere lezing: ‘voor de heiligen … en de edelen’ als begin van een zin.

Onzeker.

4Hun smarten worden talrijk, zij die zich naar een ander haasten. Ik giet hun plengoffers van bloed niet uit en neem hun namen niet op mijn lippen.
יִרְבּ֥וּ
(yirbu)
worden talrijk
עַצְּבוֹתָם֮
(atsevotam)
hun smarten
אַחֵ֪ר
(acher)
een ander
מָ֫הָ֥רוּ
(maharu)
zij haasten zich
בַּל
(bal)
niet
אַסִּ֣יךְ
(asikh)
ik giet uit
נִסְכֵּיהֶ֣ם
(niskeihem)
hun plengoffers
מִדָּ֑ם
(midam)
van bloed
וּֽבַל
(uval)
en niet
אֶשָּׂ֥א
(esa)
ik neem op
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁ֝מוֹתָ֗ם
(shemotam)
hun namen
עַל
(al)
op
שְׂפָתָֽי
(sefatay)
mijn lippen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵסֶךְ (nesech), ‘plengoffer’: drank die voor een god wordt uitgegoten.

‘Van bloed’ wijst op een gruwelijke offerdienst.

Lezing

אַחֵר (acher), ‘een ander’: het Hebreeuws noemt het woord ‘god’ niet.

Wij laten dat ook weg en vertalen ‘een ander’; bedoeld is vermoedelijk een andere god.

Een andere lezing van מָהָרוּ (maharu): ‘zij kopen’ (een bruid of een god).

Wij vertalen ‘zij haasten zich’.

Yahweh is mijn deel

5Yahweh is het deel van mijn erfdeel en van mijn beker. U houdt mijn lot vast.
יְֽהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מְנָת
(menat)
het deel van
חֶלְקִ֥י
(chelqi)
mijn erfdeel
וְכוֹסִ֑י
(vekhosi)
en van mijn beker
אַ֝תָּ֗ה
(ata)
U
תּוֹמִ֥יךְ
(tomikh)
houdt vast
גּוֹרָלִֽי
(gorali)
mijn lot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְנָת־חֶלְקִי (menat chelqi), ‘het deel van mijn erfdeel’: Yahweh zelf is wat de dichter toekomt, zoals Yahweh het erfdeel van de Levieten is (Num. 18:20).

Het beeld van de beker is dat van het toegewezen deel.

6Meetsnoeren zijn mij gevallen in lieflijke streken. Ja, mijn erfdeel is mooi voor mij.
חֲבָלִ֣ים
(chavalim)
meetsnoeren
נָֽפְלוּ
(nafelu)
zijn gevallen
לִ֭י
(li)
voor mij
בַּנְּעִמִ֑ים
(baneimim)
in lieflijke streken
אַף
(af)
ja
נַ֝חֲלָ֗ת
(nachalat)
het erfdeel
שָֽׁפְרָ֥ה
(shafera)
is mooi
עָלָֽי
(alay)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲבָלִים (chavalim), ‘meetsnoeren’: touwen waarmee grond wordt afgemeten en verdeeld.

Zie ook Joz. 17:5.

7Ik zegen Yahweh, die mij raad heeft gegeven. Ook ’s nachts onderwijzen mijn nieren mij.
אֲבָרֵ֗ךְ
(avarekh)
ik zegen
אֶת
(et)
(obj.)
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יְעָצָ֑נִי
(yeatsani)
mij raad heeft gegeven
אַף
(af)
ook
לֵ֝יל֗וֹת
(leilot)
nachten
יִסְּר֥וּנִי
(yiseruni)
onderwijzen mij
כִלְיוֹתָֽי
(kilyotay)
mijn nieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלָיוֹת (kilyot), ‘nieren’: de plaats van de innerlijke gedachten en gevoelens.

Wij laten ‘nieren’ staan.

8Ik heb Yahweh altijd voor mij gesteld. Want Hij is aan mijn rechterhand, ik zal niet wankelen.
שִׁוִּ֬יתִי
(shiviti)
ik heb gesteld
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
לְנֶגְדִּ֣י
(lenegdi)
voor mij
תָמִ֑יד
(tamid)
altijd
כִּ֥י
(ki)
want
מִֽ֝ימִינִ֗י
(mimini)
aan mijn rechterhand
בַּל
(bal)
niet
אֶמּֽוֹט
(emot)
zal ik wankelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Daarom jubelt mijn hart

9Daarom is mijn hart blij en jubelt mijn eer. Ook mijn vlees zal in veiligheid wonen.
לָכֵ֤ן
(lakhen)
daarom
שָׂמַ֣ח
(samach)
is blij
לִ֭בִּי
(libi)
mijn hart
וַיָּ֣גֶל
(vayagel)
en jubelt
כְּבוֹדִ֑י
(kevodi)
mijn eer
אַף
(af)
ook
בְּ֝שָׂרִ֗י
(besari)
mijn vlees
יִשְׁכֹּ֥ן
(yishkon)
zal wonen
לָבֶֽטַח
(lavetach)
in veiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כָּבוֹד (kavod), ‘eer’, ‘heerlijkheid’: hier staat het voor de dichter zelf.

Het woord is in de Hebreeuwse tekst onzeker; sommige oude vertalingen lezen ‘mijn tong’.

10Want U laat mijn ziel niet achter in Sjeol. U laat Uw getrouwe de kuil niet zien.
כִּ֤י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
תַעֲזֹ֣ב
(taazov)
U laat achter
נַפְשִׁ֣י
(nafshi)
mijn ziel
לִשְׁא֑וֹל
(lishol)
in Sjeol
לֹֽא
(lo)
niet
תִתֵּ֥ן
(titen)
U geeft
חֲ֝סִידְךָ֗
(chasidekha)
Uw getrouwe
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
שָֽׁחַת
(shachat)
de kuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk.

Zie ook Ps. 6:6.

שַׁחַת (shachat), ‘kuil’: graf of dodenrijk.

חָסִיד (chasid), ‘getrouwe’: iemand die trouw (chesed) bewijst.

Het vers wordt aangehaald in Hand. 2:27 en 13:35.

11U maakt mij het pad van het leven bekend. Verzadiging van vreugde is bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.
תּֽוֹדִיעֵנִי֮
(todieni)
U maakt mij bekend
אֹ֤רַח
(orach)
het pad van
חַ֫יִּ֥ים
(chayim)
leven
שֹׂ֣בַע
(sova)
verzadiging van
שְׂ֭מָחוֹת
(semachot)
vreugde
אֶת
(et)
bij
פָּנֶ֑יךָ
(paneikha)
Uw aangezicht
נְעִמ֖וֹת
(neimot)
lieflijkheden
בִּימִינְךָ֣
(biminekha)
in Uw rechterhand
נֶֽצַח
(netsach)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֹרַח חַיִּים (orach chayyim), ‘pad van het leven’: de weg die tot leven leidt.

שֹׂבַע (sove’a), ‘verzadiging’: het gevoel van volheid, bij Yahweh vindt de dichter genoeg.