Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David wordt koning over heel Israël
1Alle stammen van Israël kwamen naar David in Hebron. Zij zeiden: „Zie, wij zijn uw bot en uw vlees.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en kwamen
כָּל
(kal)
alle
שִׁבְטֵ֧י
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֖ד
(david)
David
חֶבְר֑וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנְנ֛וּ
(hinnu)
zie ons
עַצְמְךָ֥
(atsmekha)
uw bot
וּֽבְשָׂרְךָ֖
(uvesarekha)
en uw vlees
אֲנָֽחְנוּ
(anachenu)
wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Hebron (חֶבְרוֹן) ligt in het bergland van Juda, bij het huidige Hebron (Al-Chalil) op de Westelijke Jordaanoever.
Uitleg
עַצְמְךָ וּבְשָׂרְךָ (atsmecha uvesarecha), ‘uw bot en uw vlees’: wij zijn van dezelfde familie als u.
Vergelijk Gen. 29:14 en Richt. 9:2.
David was eerst alleen koning over Juda (2 Sam. 2:4). Nu komen de andere stammen. Wij gebruiken ‘u’, omdat de stammen de koning aanspreken.
2Ook gisteren, ook eergisteren, toen Saul koning over ons was, was u het die Israël uitleidde en terugbracht. En Yahweh heeft tegen u gezegd: ‘Jij zult Mijn volk Israël weiden. Jij zult leider zijn over Israël.’”
גַּם
(gam)
ook
אֶתְמ֣וֹל
(etmol)
gisteren
גַּם
(gam)
ook
שִׁלְשׁ֗וֹם
(shilshom)
eergisteren
בִּהְי֨וֹת
(bihyot)
toen hij was
שָׁא֥וּל
(shaul)
Saul
מֶ֨לֶךְ֙
(melekh)
koning
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
אַתָּ֗ה
(ata)
u
הָיִ֛יתָ
(hayita)
bent geweest
הַמּוֹצִ֥יא
(hamotsi)
die uitleidde
וְהַמֵּבִ֖יא
(vehamevi)
en die terugbracht
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לְךָ֗
(lekha)
tegen u
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
תִרְעֶ֤ה
(tire)
zult weiden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en jij
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zult zijn
לְנָגִ֖יד
(lenagid)
tot leider
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמּוֹצִיא וְהַמֵּבִיא (hamotsi vehamevi), ‘die uitleidde en terugbracht’: zo wordt een aanvoerder van het leger genoemd.
Vergelijk 1 Sam. 18:13 en 18:16.
תִרְעֶה (tireh), ‘weiden’: David wordt herder van het volk. Zie ook Ps. 78:70–72.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft in dit vers enkele andere spellingen dan de gelezen tekst (qere).
3Alle oudsten van Israël kwamen naar de koning in Hebron. Koning David sloot daar in Hebron een verbond met hen voor het aangezicht van Yahweh. Zij zalfden David tot koning over Israël.
וַ֠יָּבֹאוּ
(vayavou)
en kwamen
כָּל
(kal)
alle
זִקְנֵ֨י
(ziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
חֶבְר֔וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
וַיִּכְרֹ֣ת
(vayikhrot)
en sloot
לָהֶם֩
(lahem)
met hen
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֥ד
(david)
David
בְּרִ֛ית
(berit)
een verbond
בְּחֶבְר֖וֹן
(bechevron)
in Hebron
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּמְשְׁח֧וּ
(vayimshechu)
en zalfden
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֛ד
(david)
David
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
בְּרִית (berit), ‘verbond’: de oudsten sluiten een verbond met David voor het aangezicht van Yahweh.
David wordt voor de derde keer gezalfd: zie 1 Sam. 16:13 en 2 Sam. 2:4.
6De koning ging met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusiet, de bewoner van het land. Hij zei tegen David: „Je komt hier niet binnen, maar de blinden en de lammen zullen je verwijderen.” Hij zei: „David komt hier niet binnen.”
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַֽאֲנָשָׁיו֙
(vaanashav)
en zijn mannen
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
אֶל
(el)
tegen
הַיְבֻסִ֖י
(hayvusi)
de Jebusiet
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
de bewoner van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְדָוִ֤ד
(ledavid)
tegen David
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
תָב֣וֹא
(tavo)
kom je binnen
הֵ֔נָּה
(hena)
hier
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
הֱסִֽירְךָ֗
(hesirekha)
zullen je verwijderen
הַעִוְרִ֤ים
(haivrim)
de blinden
וְהַפִּסְחִים֙
(vehapischim)
en de lammen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹֽא
(lo)
niet
יָב֥וֹא
(yavo)
komt binnen
דָוִ֖ד
(david)
David
הֵֽנָּה
(hena)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jeruzalem (יְרוּשָׁלִַם) ligt in het bergland van Juda, bij het huidige Jeruzalem.
De Jebusieten woonden er vóór David.
De stad heette toen Jebus (Richt. 19:10).
Uitleg
הַיְבֻסִי (hajevusi), ‘de Jebusiet’: een verzamelnaam in het enkelvoud, voor de bewoners van het land.
כִּי אִם (ki im), ‘maar’: letterlijk ‘want als’. Na een ontkenning betekent dit meestal ‘maar’. De Jebusieten zeggen dat de stad zo sterk is dat zelfs blinden en lammen haar kunnen verdedigen.
7David veroverde de burcht Sion. Dat is de stad van David.
וַיִּלְכֹּ֣ד
(vayilkod)
en veroverde
דָּוִ֔ד
(david)
David
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מְצֻדַ֣ת
(metsudat)
de burcht van
צִיּ֑וֹן
(tsiyon)
Sion
הִ֖יא
(hi)
dat
עִ֥יר
(ir)
de stad van
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Sion (צִיּוֹן) is hier de burcht van de Jebusieten, op de zuidoostelijke heuvel van Jeruzalem, ten zuiden van de huidige tempelberg (bij het dorp Silwan).
Later werd de naam Sion ook gebruikt voor de tempelberg en voor heel Jeruzalem.
8David zei op die dag: „Ieder die de Jebusieten slaat, moet de waterschacht bereiken. De lammen en de blinden zijn gehaat door Davids ziel.” Daarom zeggen zij: „Een blinde of een lamme komt het huis niet binnen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
כָּל
(kal)
ieder
מַכֵּ֤ה
(make)
die slaat
יְבֻסִי֙
(yevusi)
Jebusiet
וְיִגַּ֣ע
(veyiga)
en laat raken
בַּצִּנּ֔וֹר
(batsinor)
de waterschacht
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפִּסְחִים֙
(hapischim)
de lammen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֣עִוְרִ֔ים
(haivrim)
de blinden
שְׂנֻאֵ֖י
(senuei)
gehaat door
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
de ziel van
דָּוִ֑ד
(david)
David
עַל
(al)
daarom
כֵּן֙
(ken)
zo
יֹֽאמְר֔וּ
(yomru)
zeggen zij
עִוֵּ֣ר
(iver)
blind
וּפִסֵּ֔חַ
(ufiseach)
en lam
לֹ֥א
(lo)
niet
יָב֖וֹא
(yavo)
komt binnen
אֶל
(el)
in
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צִנּוֹר (tsinnor), ‘waterschacht’: het woord komt zelden voor.
Het kan een waterschacht, een tunnel of een waterleiding zijn.
Wat precies bedoeld is, is onzeker.
Zie ook 1 Kron. 11:6.
שְׂנֻאֵי נֶפֶשׁ דָּוִד (senuei nefesh David), ‘gehaat door Davids ziel’: de zin loopt in de Masoretische tekst niet vlot. Wij laten hem zoals hij staat.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staan de medeklinkers שנאו, die op een werkwoordsvorm lijken (‘zij haatten’).
De gelezen tekst (qere) is שְׂנֻאֵי.
Wij volgen de qere.
De betekenis van de hele zin is onzeker.
De laatste zin legt uit waarom men zegt dat blinden en lammen het ‘huis’ niet binnen mogen. Of daarmee de tempel of het koninklijk huis bedoeld is, zegt de tekst niet. Vergelijk Lev. 21:18.
17De Filistijnen hoorden dat David tot koning over Israël was gezalfd. Alle Filistijnen trokken omhoog om David te zoeken. David hoorde het en ging naar beneden, naar de burcht.
וַיִּשְׁמְע֣וּ
(vayishmeu)
en hoorden
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
Filistijnen
כִּי
(ki)
dat
מָשְׁח֨וּ
(mashechu)
zij hadden gezalfd
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֤ד
(david)
David
לְמֶ֨לֶךְ֙
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיַּעֲל֥וּ
(vayaalu)
en trokken omhoog
כָל
(kal)
alle
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
לְבַקֵּ֣שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hoorde
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיֵּ֖רֶד
(vayered)
en ging naar beneden
אֶל
(el)
naar
הַמְּצוּדָֽה
(hametsuda)
de burcht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
הַמְּצוּדָה (hametsudah), ‘de burcht’: welke burcht hier bedoeld wordt, is onzeker.
Het is niet de burcht Sion uit vers 7, want David gaat ‘naar beneden’.
Mogelijk is het de burcht bij Adullam (1 Sam. 22:1,4).
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
19David vroeg Yahweh om raad: „Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Geeft U hen in mijn hand?” Yahweh zei tegen David: „Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in je hand geven.”
וַיִּשְׁאַ֨ל
(vayishal)
en vroeg
דָּוִ֤ד
(david)
David
בַּֽיהוָה֙
(baYahweh)
aan Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הַאֶֽעֱלֶה֙
(haeele)
zal ik optrekken
אֶל
(el)
tegen
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
הֲתִתְּנֵ֖ם
(hatitenem)
geeft U hen
בְּיָדִ֑י
(beyadi)
in mijn hand
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
דָּוִד֙
(david)
David
עֲלֵ֔ה
(ale)
trek op
כִּֽי
(ki)
want
נָתֹ֥ן
(naton)
geven
אֶתֵּ֛ן
(eten)
zal Ik geven
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֖ים
(hapelishtim)
de Filistijnen
בְּיָדֶֽךָ
(beyadekha)
in je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
שָׁאַל בַּיהוָה (shaal b-Yahweh), ‘Yahweh om raad vragen’.
Hoe Yahweh antwoordt, zegt de tekst niet.
Vergelijk 1 Sam. 23:2 en 30:8.
נָתֹן אֶתֵּן (naton etten), ‘zeker geven’: een werkwoord dat voor de nadruk wordt verdubbeld.
20David kwam naar Baäl-Perazim en versloeg hen daar. Hij zei: „Yahweh heeft mijn vijanden voor mij doorbroken, zoals water doorbreekt.” Daarom noemde hij die plaats Baäl-Perazim.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
דָוִ֥ד
(david)
David
בְּבַֽעַל
(bevaal)
naar Baäl
פְּרָצִים֮
(peratsim)
Perazim
וַיַּכֵּ֣ם
(vayakem)
en versloeg hen
שָׁ֣ם
(sham)
daar
דָּוִד֒
(david)
David
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
פָּרַ֨ץ
(parats)
heeft doorbroken
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבַ֛י
(oyevay)
mijn vijanden
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor mij
כְּפֶ֣רֶץ
(keferets)
zoals doorbreken van
מָ֑יִם
(mayim)
water
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
zo
קָרָ֛א
(qara)
riep hij
שֵֽׁם
(shem)
de naam van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
פְּרָצִֽים
(peratsim)
Perazim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Baäl-Perazim (בַּעַל פְּרָצִים) betekent ‘heer van de doorbraken’.
De ligging is onzeker; de plek lag in de buurt van Jeruzalem.
Zie ook Jes. 28:21, waar de berg Perazim wordt genoemd.
Uitleg
פָּרַץ (parats), ‘doorbreken’: dit woord keert in het vers terug in ‘doorbroken’, ‘doorbreekt’ en in de plaatsnaam.
23David vroeg Yahweh om raad. En Hij zei: „Je mag niet optrekken. Ga om hen heen, achter hen om, en kom bij hen vanuit de overkant van de balsemstruiken.
וַיִּשְׁאַ֤ל
(vayishal)
en vroeg
דָּוִד֙
(david)
David
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
aan Yahweh
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
תַעֲלֶ֑ה
(taale)
je mag optrekken
הָסֵב֙
(hasev)
ga om
אֶל
(el)
naar
אַ֣חֲרֵיהֶ֔ם
(achareihem)
achter hen
וּבָ֥אתָ
(uvata)
en kom
לָהֶ֖ם
(lahem)
bij hen
מִמּ֥וּל
(mimul)
vanuit de overkant van
בְּכָאִֽים
(bekhaim)
de balsemstruiken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het onderwerp van ‘En Hij zei’ is Yahweh.
Daarom is het antwoord rood.
בְּכָאִים (bekhaim), ‘balsemstruiken’: een soort struik of boom. Wat voor struik of boom het is, is onzeker; voorgestelde namen zijn balsemstruik, moerbei en populier.
24Wanneer je het geluid van voetstappen in de toppen van de balsemstruiken hoort, dan moet je vastberaden handelen. Want dan is Yahweh voor je uit gegaan om het kamp van de Filistijnen te slaan.”
וִ֠יהִי
(vihi)
en het zal zijn
כְּֽשָׁמְעֲךָ֞
(keshameakha)
wanneer je hoort
אֶת
(et)
(obj.)
ק֧וֹל
(qol)
het geluid van
צְעָדָ֛ה
(tseada)
voetstappen
בְּרָאשֵׁ֥י
(berashei)
in de toppen van
הַבְּכָאִ֖ים
(habekhaim)
de balsemstruiken
אָ֣ז
(az)
dan
תֶּחֱרָ֑ץ
(techerats)
zul je vastberaden handelen
כִּ֣י
(ki)
want
אָ֗ז
(az)
dan
יָצָ֤א
(yatsa)
is uitgegaan
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor je aangezicht
לְהַכּ֖וֹת
(lehakot)
om te slaan
בְּמַחֲנֵ֥ה
(bemachane)
in het kamp van
פְלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
תֶּחֱרָץ (techerats), ‘vastberaden handelen’: het grondwoord betekent ‘scherp’ of ‘beslist’ zijn.
Het geluid van voetstappen in de toppen is het teken dat Yahweh zelf uittrekt voor het leger.