Elohim Bijbel

2 Samuël 5

123456789101112131415161718192021222324

David koning in Jeruzalem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

David wordt koning over heel Israël

1Alle stammen van Israël kwamen naar David in Hebron. Zij zeiden: „Zie, wij zijn uw bot en uw vlees.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en kwamen
כָּל
(kal)
alle
שִׁבְטֵ֧י
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֖ד
(david)
David
חֶבְר֑וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הִנְנ֛וּ
(hinnu)
zie ons
עַצְמְךָ֥
(atsmekha)
uw bot
וּֽבְשָׂרְךָ֖
(uvesarekha)
en uw vlees
אֲנָֽחְנוּ
(anachenu)
wij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron (חֶבְרוֹן) ligt in het bergland van Juda, bij het huidige Hebron (Al-Chalil) op de Westelijke Jordaanoever.

Uitleg

עַצְמְךָ וּבְשָׂרְךָ (atsmecha uvesarecha), ‘uw bot en uw vlees’: wij zijn van dezelfde familie als u.

Vergelijk Gen. 29:14 en Richt. 9:2.

David was eerst alleen koning over Juda (2 Sam. 2:4). Nu komen de andere stammen. Wij gebruiken ‘u’, omdat de stammen de koning aanspreken.

2Ook gisteren, ook eergisteren, toen Saul koning over ons was, was u het die Israël uitleidde en terugbracht. En Yahweh heeft tegen u gezegd: ‘Jij zult Mijn volk Israël weiden. Jij zult leider zijn over Israël.’”
גַּם
(gam)
ook
אֶתְמ֣וֹל
(etmol)
gisteren
גַּם
(gam)
ook
שִׁלְשׁ֗וֹם
(shilshom)
eergisteren
בִּהְי֨וֹת
(bihyot)
toen hij was
שָׁא֥וּל
(shaul)
Saul
מֶ֨לֶךְ֙
(melekh)
koning
עָלֵ֔ינוּ
(aleinu)
over ons
אַתָּ֗ה
(ata)
u
הָיִ֛יתָ
(hayita)
bent geweest
הַמּוֹצִ֥יא
(hamotsi)
die uitleidde
וְהַמֵּבִ֖יא
(vehamevi)
en die terugbracht
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לְךָ֗
(lekha)
tegen u
אַתָּ֨ה
(ata)
jij
תִרְעֶ֤ה
(tire)
zult weiden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en jij
תִּהְיֶ֥ה
(tihye)
zult zijn
לְנָגִ֖יד
(lenagid)
tot leider
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַמּוֹצִיא וְהַמֵּבִיא (hamotsi vehamevi), ‘die uitleidde en terugbracht’: zo wordt een aanvoerder van het leger genoemd.

Vergelijk 1 Sam. 18:13 en 18:16.

תִרְעֶה (tireh), ‘weiden’: David wordt herder van het volk. Zie ook Ps. 78:70–72.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft in dit vers enkele andere spellingen dan de gelezen tekst (qere).

De betekenis blijft gelijk.

Wij volgen de qere.

3Alle oudsten van Israël kwamen naar de koning in Hebron. Koning David sloot daar in Hebron een verbond met hen voor het aangezicht van Yahweh. Zij zalfden David tot koning over Israël.
וַ֠יָּבֹאוּ
(vayavou)
en kwamen
כָּל
(kal)
alle
זִקְנֵ֨י
(ziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
חֶבְר֔וֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
וַיִּכְרֹ֣ת
(vayikhrot)
en sloot
לָהֶם֩
(lahem)
met hen
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֥ד
(david)
David
בְּרִ֛ית
(berit)
een verbond
בְּחֶבְר֖וֹן
(bechevron)
in Hebron
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּמְשְׁח֧וּ
(vayimshechu)
en zalfden
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֛ד
(david)
David
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

בְּרִית (berit), ‘verbond’: de oudsten sluiten een verbond met David voor het aangezicht van Yahweh.

David wordt voor de derde keer gezalfd: zie 1 Sam. 16:13 en 2 Sam. 2:4.

4David was 30 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 40 jaar.
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
שָׁנָ֛ה
(shana)
jaar
דָּוִ֖ד
(david)
David
בְּמָלְכ֑וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
מָלָֽךְ
(malakh)
regeerde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wij geven de getallen van de Masoretische tekst.

In 1 Kon. 2:11 staan dezelfde 40 jaar, verdeeld in 7 en 33.

5In Hebron regeerde hij 7 jaar en 6 maanden over Juda. In Jeruzalem regeerde hij 33 jaar over heel Israël en Juda.
בְּחֶבְרוֹן֙
(bechevron)
in Hebron
מָלַ֣ךְ
(malakh)
regeerde hij
עַל
(al)
over
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaar
וְשִׁשָּׁ֣ה
(veshisha)
en zes
חֳדָשִׁ֑ים
(chodashim)
maanden
וּבִירוּשָׁלִַ֣ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
מָלַ֗ךְ
(malakh)
regeerde hij
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וְשָׁלֹשׁ֙
(veshalosh)
en drie
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
עַ֥ל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וִיהוּדָֽה
(vihuda)
en Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

7 jaar en 6 maanden in Hebron en 33 jaar in Jeruzalem zijn samen 40 jaar en 6 maanden.

De 40 jaar in vers 4 is het totaal in een rond getal.

Zie ook 1 Kon. 2:11.

De verovering van Jeruzalem

6De koning ging met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusiet, de bewoner van het land. Hij zei tegen David: „Je komt hier niet binnen, maar de blinden en de lammen zullen je verwijderen.” Hij zei: „David komt hier niet binnen.”
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַֽאֲנָשָׁיו֙
(vaanashav)
en zijn mannen
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
אֶל
(el)
tegen
הַיְבֻסִ֖י
(hayvusi)
de Jebusiet
יוֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
de bewoner van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְדָוִ֤ד
(ledavid)
tegen David
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
תָב֣וֹא
(tavo)
kom je binnen
הֵ֔נָּה
(hena)
hier
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
alleen
הֱסִֽירְךָ֗
(hesirekha)
zullen je verwijderen
הַעִוְרִ֤ים
(haivrim)
de blinden
וְהַפִּסְחִים֙
(vehapischim)
en de lammen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹֽא
(lo)
niet
יָב֥וֹא
(yavo)
komt binnen
דָוִ֖ד
(david)
David
הֵֽנָּה
(hena)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jeruzalem (יְרוּשָׁלִַם) ligt in het bergland van Juda, bij het huidige Jeruzalem.

De Jebusieten woonden er vóór David.

De stad heette toen Jebus (Richt. 19:10).

Uitleg

הַיְבֻסִי (hajevusi), ‘de Jebusiet’: een verzamelnaam in het enkelvoud, voor de bewoners van het land.

כִּי אִם (ki im), ‘maar’: letterlijk ‘want als’. Na een ontkenning betekent dit meestal ‘maar’. De Jebusieten zeggen dat de stad zo sterk is dat zelfs blinden en lammen haar kunnen verdedigen.

Lezing

De zin is kort en moeilijk.

Wij volgen de Masoretische tekst letterlijk.

Zie ook 1 Kron. 11:4–5.

7David veroverde de burcht Sion. Dat is de stad van David.
וַיִּלְכֹּ֣ד
(vayilkod)
en veroverde
דָּוִ֔ד
(david)
David
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מְצֻדַ֣ת
(metsudat)
de burcht van
צִיּ֑וֹן
(tsiyon)
Sion
הִ֖יא
(hi)
dat
עִ֥יר
(ir)
de stad van
דָּוִֽד
(david)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sion (צִיּוֹן) is hier de burcht van de Jebusieten, op de zuidoostelijke heuvel van Jeruzalem, ten zuiden van de huidige tempelberg (bij het dorp Silwan).

Later werd de naam Sion ook gebruikt voor de tempelberg en voor heel Jeruzalem.

8David zei op die dag: „Ieder die de Jebusieten slaat, moet de waterschacht bereiken. De lammen en de blinden zijn gehaat door Davids ziel.” Daarom zeggen zij: „Een blinde of een lamme komt het huis niet binnen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
כָּל
(kal)
ieder
מַכֵּ֤ה
(make)
die slaat
יְבֻסִי֙
(yevusi)
Jebusiet
וְיִגַּ֣ע
(veyiga)
en laat raken
בַּצִּנּ֔וֹר
(batsinor)
de waterschacht
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפִּסְחִים֙
(hapischim)
de lammen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֣עִוְרִ֔ים
(haivrim)
de blinden
שְׂנֻאֵ֖י
(senuei)
gehaat door
נֶ֣פֶשׁ
(nefesh)
de ziel van
דָּוִ֑ד
(david)
David
עַל
(al)
daarom
כֵּן֙
(ken)
zo
יֹֽאמְר֔וּ
(yomru)
zeggen zij
עִוֵּ֣ר
(iver)
blind
וּפִסֵּ֔חַ
(ufiseach)
en lam
לֹ֥א
(lo)
niet
יָב֖וֹא
(yavo)
komt binnen
אֶל
(el)
in
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִנּוֹר (tsinnor), ‘waterschacht’: het woord komt zelden voor.

Het kan een waterschacht, een tunnel of een waterleiding zijn.

Wat precies bedoeld is, is onzeker.

Zie ook 1 Kron. 11:6.

שְׂנֻאֵי נֶפֶשׁ דָּוִד (senuei nefesh David), ‘gehaat door Davids ziel’: de zin loopt in de Masoretische tekst niet vlot. Wij laten hem zoals hij staat.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staan de medeklinkers שנאו, die op een werkwoordsvorm lijken (‘zij haatten’).

De gelezen tekst (qere) is שְׂנֻאֵי.

Wij volgen de qere.

De betekenis van de hele zin is onzeker.

De laatste zin legt uit waarom men zegt dat blinden en lammen het ‘huis’ niet binnen mogen. Of daarmee de tempel of het koninklijk huis bedoeld is, zegt de tekst niet. Vergelijk Lev. 21:18.

9David woonde in de burcht en noemde die de stad van David. David bouwde rondom, vanaf de Millo naar binnen.
וַיֵּ֤שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
דָּוִד֙
(david)
David
בַּמְּצֻדָ֔ה
(bametsuda)
in de burcht
וַיִּקְרָא
(vayiqra)
en noemde
לָ֖הּ
(lah)
haar
עִ֣יר
(ir)
de stad van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיִּ֤בֶן
(vayiven)
en bouwde
דָּוִד֙
(david)
David
סָבִ֔יב
(saviv)
rondom
מִן
(min)
vanaf
הַמִּלּ֖וֹא
(hamilo)
de Millo
וָבָֽיְתָה
(vavayeta)
en naar binnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Millo (Jeruzalem): De Millo was een terras of opvulling bij de burcht van Sion, in Jeruzalem.

De precieze plaats is niet vast te stellen.

Uitleg

הַמִּלּוֹא (hamillo), ‘de Millo’: het woord komt van een grondwoord dat ‘vullen’ betekent.

Het gaat om een opvulling of terras van stenen.

De precieze plek is onzeker; zij lag bij de burcht.

Zie ook 1 Kon. 9:15.

וָבָיְתָה (vavayta), ‘en naar binnen’: letterlijk ‘en naar het huis toe’.

10David werd steeds groter, en Yahweh, de Elohim van de legermachten, was met hem.
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
דָּוִ֖ד
(david)
David
הָל֣וֹךְ
(halokh)
gaande
וְגָד֑וֹל
(vegadol)
en groot wordend
וַיהוָ֛ה
(vaYahweh)
en Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה אֱלֹהֵי צְבָאוֹת (Yahweh Elohe Tsevaot), ‘Yahweh, de Elohim van de legermachten’.

Tsevaot (צְבָאוֹת) betekent ‘legers’ of ‘machten’.

Wij vertalen Tsevaot overal als ‘legermachten’.

Hiram en de zonen van David

11Hiram, de koning van Tyrus, stuurde boden naar David, met cederhout, houtbewerkers en steenbewerkers voor muren. Zij bouwden een huis voor David.
וַ֠יִּשְׁלַח
(vayishlach)
en stuurde
חִירָ֨ם
(chiram)
Hiram
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
צֹ֥ר
(tsor)
Tyrus
מַלְאָכִים֮
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
דָּוִד֒
(david)
David
וַעֲצֵ֣י
(vaatsei)
en hout van
אֲרָזִ֔ים
(arazim)
cederen
וְחָרָשֵׁ֣י
(vecharashei)
en bewerkers van
עֵ֔ץ
(ets)
hout
וְחָֽרָשֵׁ֖י
(vecharashei)
en bewerkers van
אֶ֣בֶן
(even)
steen
קִ֑יר
(qir)
muur
וַיִּבְנֽוּ
(vayivnu)
en zij bouwden
בַ֖יִת
(bayit)
een huis
לְדָוִֽד
(ledavid)
voor David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tyrus (צֹר, Tsor) was een havenstad aan de kust van het huidige Libanon (Sur).

Hiram (חִירָם) was daar koning.

Uitleg

חָרָשֵׁי עֵץ (charashe ets), ‘houtbewerkers’, en חָרָשֵׁי אֶבֶן קִיר (charashe even qir), ‘steenbewerkers voor muren’: vakmensen voor hout en steen.

Zie ook 1 Kron. 14:1.

12David wist dat Yahweh hem had bevestigd als koning over Israël. Hij wist ook dat Hij Davids koningschap had verheven omwille van Zijn volk Israël.
וַיֵּ֣דַע
(vayeda)
en wist
דָּוִ֔ד
(david)
David
כִּֽי
(ki)
dat
הֱכִינ֧וֹ
(hekhino)
had bevestigd
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לְמֶ֖לֶךְ
(lemelekh)
als koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְכִי֙
(vekhi)
en dat
נִשֵּׂ֣א
(nise)
had verheven
מַמְלַכְתּ֔וֹ
(mamlakhto)
zijn koningschap
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
omwille van
עַמּ֥וֹ
(amo)
Zijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Nadat zij uit Hebron waren gekomen, nam David nog meer bijvrouwen en vrouwen uit Jeruzalem. Er werden nog meer zonen en dochters voor David geboren.
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en nam
דָּוִ֨ד
(david)
David
ע֜וֹד
(od)
nog
פִּֽלַגְשִׁ֤ים
(pilagshim)
bijvrouwen
וְנָשִׁים֙
(venashim)
en vrouwen
מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
nadat
בֹּא֣וֹ
(boo)
zij kwamen
מֵחֶבְר֑וֹן
(mechevron)
uit Hebron
וַיִּוָּ֥לְדּוּ
(vayivaldu)
en werden geboren
ע֛וֹד
(od)
nog
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
voor David
בָּנִ֥ים
(banim)
zonen
וּבָנֽוֹת
(uvanot)
en dochters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De koningswet in Deut. 17:17 zegt dat een koning niet veel vrouwen mag nemen.

De tekst keurt het hier niet af, maar noemt alleen het feit.

14Dit zijn de namen van de kinderen die in Jeruzalem voor hem werden geboren: Sjammua, Sjobab, Natan en Salomo,
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit
שְׁמ֛וֹת
(shemot)
de namen van
הַיִּלֹּדִ֥ים
(hayilodim)
de kinderen
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
שַׁמּ֣וּעַ
(shamua)
Sjammua
וְשׁוֹבָ֔ב
(veshovav)
en Sjobab
וְנָתָ֖ן
(venatan)
en Natan
וּשְׁלֹמֹֽה
(ushelomo)
en Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Natan (נָתָן) en Salomo (שְׁלֹמֹה) zijn zonen van Bat-Sjeba (2 Sam. 12:24; 1 Kron. 3:5).

Zie ook Matt. 1:6 en Lukas 3:31.

De lijst staat ook in 1 Kron. 3:5–8 en 14:4–7.

Daar staan enkele namen anders geschreven.

15Jibchar, Elisjua, Nefeg en Jafia,
וְיִבְחָ֥ר
(veyivchar)
en Jibchar
וֶאֱלִישׁ֖וּעַ
(veelishua)
en Elisjua
וְנֶ֥פֶג
(venefeg)
en Nefeg
וְיָפִֽיעַ
(veyafia)
en Jafia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Elisjama, Eljada en Elifelet.
וֶאֱלִישָׁמָ֥ע
(veelishama)
en Elisjama
וְאֶלְיָדָ֖ע
(veelyada)
en Eljada
וֶאֱלִיפָֽלֶט
(veelifalet)
en Elifelet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Filistijnen in het dal van de Refaïeten

17De Filistijnen hoorden dat David tot koning over Israël was gezalfd. Alle Filistijnen trokken omhoog om David te zoeken. David hoorde het en ging naar beneden, naar de burcht.
וַיִּשְׁמְע֣וּ
(vayishmeu)
en hoorden
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
Filistijnen
כִּי
(ki)
dat
מָשְׁח֨וּ
(mashechu)
zij hadden gezalfd
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֤ד
(david)
David
לְמֶ֨לֶךְ֙
(lemelekh)
tot koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיַּעֲל֥וּ
(vayaalu)
en trokken omhoog
כָל
(kal)
alle
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
לְבַקֵּ֣שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hoorde
דָּוִ֔ד
(david)
David
וַיֵּ֖רֶד
(vayered)
en ging naar beneden
אֶל
(el)
naar
הַמְּצוּדָֽה
(hametsuda)
de burcht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

הַמְּצוּדָה (hametsudah), ‘de burcht’: welke burcht hier bedoeld wordt, is onzeker.

Het is niet de burcht Sion uit vers 7, want David gaat ‘naar beneden’.

Mogelijk is het de burcht bij Adullam (1 Sam. 22:1,4).

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

18De Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal van de Refaïeten.
וּפְלִשְׁתִּ֖ים
(ufelishtim)
en de Filistijnen
בָּ֑אוּ
(bau)
kwamen
וַיִּנָּטְשׁ֖וּ
(vayinateshu)
en verspreidden zich
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in het dal van
רְפָאִֽים
(refaim)
de Refaïeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het dal van de Refaïeten (עֵמֶק רְפָאִים) ligt ten zuidwesten van Jeruzalem, in de buurt van het huidige Baqa (Jeruzalem).

Zie ook Joz. 15:8.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem.

19David vroeg Yahweh om raad: „Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Geeft U hen in mijn hand?” Yahweh zei tegen David: „Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in je hand geven.”
וַיִּשְׁאַ֨ל
(vayishal)
en vroeg
דָּוִ֤ד
(david)
David
בַּֽיהוָה֙
(baYahweh)
aan Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הַאֶֽעֱלֶה֙
(haeele)
zal ik optrekken
אֶל
(el)
tegen
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
הֲתִתְּנֵ֖ם
(hatitenem)
geeft U hen
בְּיָדִ֑י
(beyadi)
in mijn hand
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
דָּוִד֙
(david)
David
עֲלֵ֔ה
(ale)
trek op
כִּֽי
(ki)
want
נָתֹ֥ן
(naton)
geven
אֶתֵּ֛ן
(eten)
zal Ik geven
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּלִשְׁתִּ֖ים
(hapelishtim)
de Filistijnen
בְּיָדֶֽךָ
(beyadekha)
in je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

שָׁאַל בַּיהוָה (shaal b-Yahweh), ‘Yahweh om raad vragen’.

Hoe Yahweh antwoordt, zegt de tekst niet.

Vergelijk 1 Sam. 23:2 en 30:8.

נָתֹן אֶתֵּן (naton etten), ‘zeker geven’: een werkwoord dat voor de nadruk wordt verdubbeld.

20David kwam naar Baäl-Perazim en versloeg hen daar. Hij zei: „Yahweh heeft mijn vijanden voor mij doorbroken, zoals water doorbreekt.” Daarom noemde hij die plaats Baäl-Perazim.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
דָוִ֥ד
(david)
David
בְּבַֽעַל
(bevaal)
naar Baäl
פְּרָצִים֮
(peratsim)
Perazim
וַיַּכֵּ֣ם
(vayakem)
en versloeg hen
שָׁ֣ם
(sham)
daar
דָּוִד֒
(david)
David
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
פָּרַ֨ץ
(parats)
heeft doorbroken
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבַ֛י
(oyevay)
mijn vijanden
לְפָנַ֖י
(lefanay)
voor mij
כְּפֶ֣רֶץ
(keferets)
zoals doorbreken van
מָ֑יִם
(mayim)
water
עַל
(al)
daarom
כֵּ֗ן
(ken)
zo
קָרָ֛א
(qara)
riep hij
שֵֽׁם
(shem)
de naam van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
פְּרָצִֽים
(peratsim)
Perazim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Baäl-Perazim (בַּעַל פְּרָצִים) betekent ‘heer van de doorbraken’.

De ligging is onzeker; de plek lag in de buurt van Jeruzalem.

Zie ook Jes. 28:21, waar de berg Perazim wordt genoemd.

Uitleg

פָּרַץ (parats), ‘doorbreken’: dit woord keert in het vers terug in ‘doorbroken’, ‘doorbreekt’ en in de plaatsnaam.

Vergelijk 2 Sam. 6:8.

21Zij lieten daar hun afgodsbeelden achter. David en zijn mannen namen ze mee.
וַיַּעַזְבוּ
(vayaazvu)
en lieten achter
שָׁ֖ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצַבֵּיהֶ֑ם
(atsabeihem)
hun afgodsbeelden
וַיִּשָּׂאֵ֥ם
(vayisaem)
en namen ze weg
דָּוִ֖ד
(david)
David
וַאֲנָשָֽׁיו
(vaanashav)
en zijn mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲצַבֵּיהֶם (atsabbehem), ‘hun afgodsbeelden’.

Hier zegt de tekst dat David de beelden meenam.

In 1 Kron. 14:12 staat dat zij met vuur werden verbrand.

Vergelijk Deut. 7:5 en 7:25.

De tweede strijd

22De Filistijnen kwamen opnieuw omhoog en verspreidden zich in het dal van de Refaïeten.
וַיֹּסִ֥פוּ
(vayosifu)
en bleven
ע֛וֹד
(od)
nog
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
לַֽעֲל֑וֹת
(laalot)
omhoog te komen
וַיִּנָּֽטְשׁ֖וּ
(vayinateshu)
en verspreidden zich
בְּעֵ֥מֶק
(beemeq)
in het dal van
רְפָאִֽים
(refaim)
de Refaïeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Dal van de Refaïeten: Het dal van de Refaïeten (Emek Refaïm) liep ten zuidwesten van Jeruzalem.

23David vroeg Yahweh om raad. En Hij zei: „Je mag niet optrekken. Ga om hen heen, achter hen om, en kom bij hen vanuit de overkant van de balsemstruiken.
וַיִּשְׁאַ֤ל
(vayishal)
en vroeg
דָּוִד֙
(david)
David
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
aan Yahweh
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
תַעֲלֶ֑ה
(taale)
je mag optrekken
הָסֵב֙
(hasev)
ga om
אֶל
(el)
naar
אַ֣חֲרֵיהֶ֔ם
(achareihem)
achter hen
וּבָ֥אתָ
(uvata)
en kom
לָהֶ֖ם
(lahem)
bij hen
מִמּ֥וּל
(mimul)
vanuit de overkant van
בְּכָאִֽים
(bekhaim)
de balsemstruiken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het onderwerp van ‘En Hij zei’ is Yahweh.

Daarom is het antwoord rood.

בְּכָאִים (bekhaim), ‘balsemstruiken’: een soort struik of boom. Wat voor struik of boom het is, is onzeker; voorgestelde namen zijn balsemstruik, moerbei en populier.

24Wanneer je het geluid van voetstappen in de toppen van de balsemstruiken hoort, dan moet je vastberaden handelen. Want dan is Yahweh voor je uit gegaan om het kamp van de Filistijnen te slaan.”
וִ֠יהִי
(vihi)
en het zal zijn
כְּֽשָׁמְעֲךָ֞
(keshameakha)
wanneer je hoort
אֶת
(et)
(obj.)
ק֧וֹל
(qol)
het geluid van
צְעָדָ֛ה
(tseada)
voetstappen
בְּרָאשֵׁ֥י
(berashei)
in de toppen van
הַבְּכָאִ֖ים
(habekhaim)
de balsemstruiken
אָ֣ז
(az)
dan
תֶּחֱרָ֑ץ
(techerats)
zul je vastberaden handelen
כִּ֣י
(ki)
want
אָ֗ז
(az)
dan
יָצָ֤א
(yatsa)
is uitgegaan
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor je aangezicht
לְהַכּ֖וֹת
(lehakot)
om te slaan
בְּמַחֲנֵ֥ה
(bemachane)
in het kamp van
פְלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Uitleg

תֶּחֱרָץ (techerats), ‘vastberaden handelen’: het grondwoord betekent ‘scherp’ of ‘beslist’ zijn.

Het geluid van voetstappen in de toppen is het teken dat Yahweh zelf uittrekt voor het leger.

Vergelijk Richt. 4:14.

25David deed dat, zoals Yahweh hem had geboden. Hij versloeg de Filistijnen van Geba tot waar je bij Gezer komt.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en deed
דָּוִד֙
(david)
David
כֵּ֔ן
(ken)
zo
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֖הוּ
(tsivahu)
Hij had geboden hem
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּךְ֙
(vayakh)
en versloeg
אֶת
(et)
(obj.)
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
מִגֶּ֖בַע
(migeva)
vanaf Geba
עַד
(ad)
tot
בֹּאֲךָ֥
(boakha)
waar je komt bij
גָֽזֶר
(gazer)
Gezer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Geba (גֶבַע) lag in Benjamin, bij het huidige Jaba, ten noorden van Jeruzalem.

Gezer (גֶזֶר) lag bij het huidige Tel Gezer, in het laagland ten westen van Jeruzalem.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Lezing

In 1 Kron. 14:16 staat Gibeon (גִּבְעוֹן) in plaats van Geba.

Wij volgen de Masoretische tekst.