Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De volken die Yahweh liet blijven
1Dit zijn de volken die Yahweh liet blijven om Israël door hen op de proef te stellen, iedereen die geen van de oorlogen van Kanaän had gekend.
וְאֵ֤לֶּה
(veele)
en deze
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הִנִּ֣יחַ
(hiniach)
liet blijven
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְנַסּ֥וֹת
(lenasot)
om op de proef te stellen
בָּ֖ם
(bam)
door hen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
allen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָדְע֔וּ
(yadeu)
kenden
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מִלְחֲמ֥וֹת
(milchamot)
oorlogen van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִסָּה (nissah), ‘op de proef stellen’: Yahweh laat de volken blijven om te zien of Israël Hem trouw blijft.
2Het was alleen bedoeld zodat de geslachten van de zonen van Israël het zouden weten. Zij moesten de oorlog leren. Dat gold alleen voor wie er eerder niets van kende.
רַ֗ק
(raq)
alleen
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
דַּ֚עַת
(daat)
weten
דֹּר֣וֹת
(dorot)
geslachten van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְלַמְּדָ֖ם
(lelamedam)
om hen te leren
מִלְחָמָ֑ה
(milchama)
oorlog
רַ֥ק
(raq)
alleen
אֲשֶׁר
(asher)
die
לְפָנִ֖ים
(lefanim)
vroeger
לֹ֥א
(lo)
niet
יְדָעֽוּם
(yedaum)
kenden hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk.
Er staat geen voorwerp bij ‘weten’.
Wij laten het open: de nieuwe geslachten moesten leren strijden en leren wat het kost als zij Yahweh niet volgen.
Het tweede ‘alleen’ beperkt dit tot hen die de eerdere oorlogen niet hadden meegemaakt.
3Dat zijn de vijf vorsten van de Filistijnen, alle Kanaänieten, de Sidoniërs en de Chiwwieten die in het Libanongebergte woonden, van de berg Baäl-Hermon tot waar je Chamat binnengaat.
חֲמֵ֣שֶׁת
(chameshet)
vijf
סַרְנֵ֣י
(sarnei)
vorsten van
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
de Filistijnen
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְהַצִּ֣ידֹנִ֔י
(vehatsidoni)
en de Sidoniër
וְהַ֣חִוִּ֔י
(vehachivi)
en de Chiwwiet
יֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
die woonde
הַ֣ר
(har)
de berg
הַלְּבָנ֑וֹן
(halevanon)
de Libanon
מֵהַר֙
(mehar)
van de berg
בַּ֣עַל
(baal)
Baäl
חֶרְמ֔וֹן
(chermon)
Hermon
עַ֖ד
(ad)
tot
לְב֥וֹא
(levo)
het binnengaan van
חֲמָֽת
(chamat)
Chamat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De vijf vorsten van de Filistijnen zijn die van Gaza, Askelon, Asdod, Gat en Ekron (1 Sam. 6:17).
De berg Baäl-Hermon ligt bij de Hermon, in het noorden.
Chamat ligt bij het huidige Hama in Syrië; ‘waar je Chamat binnengaat’ is de noordgrens van Kanaän (Num. 34:8).
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.
Uitleg
סַרְנֵי (sarne), ‘vorsten’: dit woord wordt alleen voor de leiders van de Filistijnen gebruikt.
Het vers heeft geen werkwoord.
Wij lezen het als een opsomming van de volken uit vers 1 en voegen ‘Dat zijn’ toe.
4Zij waren er om Israël op de proef te stellen. Zo zou men weten of zij zouden luisteren naar de geboden van Yahweh. Die had Hij hun vaders geboden door Mozes.
וַֽיִּהְי֕וּ
(vayihyu)
en zij waren
לְנַסּ֥וֹת
(lenasot)
om op de proef te stellen
בָּ֖ם
(bam)
door hen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לָדַ֗עַת
(ladaat)
om te weten
הֲיִשְׁמְעוּ֙
(hayishmeu)
of zij zouden luisteren naar
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְוֺ֣ת
(mitsvot)
de geboden van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁר
(asher)
die
צִוָּ֥ה
(tsiva)
Hij gebood
אֶת
(et)
(obj.)
אֲבוֹתָ֖ם
(avotam)
hun vaders
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De toorn van Yahweh ontbrandde tegen Israël. Hij verkocht hen aan Kusan-Risataïm, de koning van Aram-Naharaim. De zonen van Israël dienden Kusan-Risataïm 8 jaar.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֤ף
(af)
toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַֽיִּמְכְּרֵ֗ם
(vayimkerem)
en verkocht hen
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
כּוּשַׁ֣ן
(kushan)
Kusan
רִשְׁעָתַ֔יִם
(rishatayim)
Risataïm
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרַ֣ם
(aram)
Aram
נַהֲרָ֑יִם
(naharayim)
Naharaim
וַיַּעַבְד֧וּ
(vayaavdu)
en zij dienden
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
כּוּשַׁ֥ן
(kushan)
Kusan
רִשְׁעָתַ֖יִם
(rishatayim)
Risataïm
שְׁמֹנֶ֥ה
(shemone)
acht
שָׁנִֽים
(shanim)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Aram-Naharaim (‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat, in het noorden van Mesopotamië (nu in Syrië en Turkije).
De ligging is niet precies vast te stellen.
Kusan-Risataïm is verder onbekend.
Uitleg
כּוּשַׁן רִשְׁעָתַיִם (Kushan-Rish’atayim), ‘Kusan van dubbele boosheid’.
Dit is waarschijnlijk een spotnaam die Israël hem gaf.
9De zonen van Israël riepen tot Yahweh. Yahweh liet een redder opstaan voor de zonen van Israël. Hij redde hen: Otniël, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb.
וַיִּזְעֲק֤וּ
(vayizaqu)
en riepen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּ֨קֶם
(vayaqem)
en liet opstaan
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
מוֹשִׁ֛יעַ
(moshia)
een redder
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וַיּֽוֹשִׁיעֵ֑ם
(vayoshiem)
en hij redde hen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
עָתְנִיאֵ֣ל
(ateniel)
Otniël
בֶּן
(ben)
zoon van
קְנַ֔ז
(qenaz)
Kenaz
אֲחִ֥י
(achi)
broer van
כָלֵ֖ב
(kalev)
Kaleb
הַקָּטֹ֥ן
(haqaton)
de jongere
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
dan hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹשִׁיעַ (moshia), ‘redder’: iemand die hulp brengt uit de nood.
10De Geest van Yahweh kwam over hem. Hij was rechter over Israël en trok ten strijde. Yahweh gaf Kusan-Risataïm, de koning van Aram, in zijn hand. Zijn hand was sterker dan die van Kusan-Risataïm.
וַתְּהִ֨י
(vatehi)
en kwam
עָלָ֥יו
(alav)
over hem
רֽוּחַ
(ruach)
Geest van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּשְׁפֹּ֣ט
(vayishpot)
en hij was rechter
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en hij trok uit
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
ten strijde
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en gaf
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּיָד֔וֹ
(beyado)
in zijn hand
אֶת
(et)
(obj.)
כּוּשַׁ֥ן
(kushan)
Kusan
רִשְׁעָתַ֖יִם
(rishatayim)
Risataïm
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַתָּ֣עָז
(vataaz)
en was sterk
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
עַ֖ל
(al)
over
כּוּשַׁ֥ן
(kushan)
Kusan
רִשְׁעָתָֽיִם
(rishatayim)
Risataïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Uitleg
רוּחַ יהוה (ruach Yahweh), ‘Geest van Yahweh’: Yahweh geeft de rechter kracht en leiding.
12De zonen van Israël deden opnieuw wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Yahweh maakte Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij deden wat kwaad was in de ogen van Yahweh.
וַיֹּסִ֨פוּ֙
(vayosifu)
en zij deden opnieuw
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְחַזֵּ֨ק
(vaychazeq)
en maakte sterk
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
עֶגְל֤וֹן
(eglon)
Eglon
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
עַל
(al)
tegen
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַ֛ל
(al)
omdat
כִּֽי
(ki)
dat
עָשׂ֥וּ
(asu)
zij deden
אֶת
(et)
(obj.)
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Eglon is de koning van Moab, het land ten oosten van de Dode Zee (Jordanië).
Uitleg
Het Hebreeuws zegt: ‘Yahweh maakte Eglon sterk … omdat zij deden wat kwaad was in de ogen van Yahweh.’
15De zonen van Israël riepen tot Yahweh. Yahweh liet een redder voor hen opstaan: Ehud, de zoon van Gera, de Benjaminiet, een man wiens rechterhand gebonden was. De zonen van Israël stuurden door hem een geschenk naar Eglon, de koning van Moab.
וַיִּזְעֲק֣וּ
(vayizaqu)
en riepen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּקֶם֩
(vayaqem)
en liet opstaan
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
לָהֶ֜ם
(lahem)
voor hen
מוֹשִׁ֗יעַ
(moshia)
een redder
אֶת
(et)
(obj.)
אֵה֤וּד
(ehud)
Ehud
בֶּן
(ben)
zoon van
גֵּרָא֙
(gera)
Gera
בֶּן
(ben)
zoon van
הַיְמִינִ֔י
(haymini)
de Benjaminiet
אִ֥ישׁ
(ish)
man
אִטֵּ֖ר
(iter)
gebonden
יַד
(yad)
hand van
יְמִינ֑וֹ
(yemino)
zijn rechter
וַיִּשְׁלְח֨וּ
(vayishlechu)
en zij stuurden
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
בְּיָדוֹ֙
(beyado)
door zijn hand
מִנְחָ֔ה
(mincha)
een geschenk
לְעֶגְל֖וֹן
(leeglon)
aan Eglon
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Uitleg
אִטֵּר יַד־יְמִינוֹ (itter yad-yemino), ‘gebonden aan zijn rechterhand’: dit betekent waarschijnlijk dat hij linkshandig was.
Het kan ook betekenen dat zijn rechterhand beperkt was.
Hij is een Benjaminiet; ‘Benjamin’ betekent ‘zoon van de rechterhand’ (Gen. 35:18).
מִנְחָה (minchah), ‘geschenk’: hier de schatting die Israël aan de koning van Moab moest betalen. Het is niet het graanoffer.
18Toen hij klaar was met het aanbieden van het geschenk, stuurde hij de mensen weg die het geschenk hadden gedragen.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
כִּלָּ֔ה
(kila)
klaar was
לְהַקְרִ֖יב
(lehaqriv)
om dichtbij te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָ֑ה
(hamincha)
het geschenk
וַיְשַׁלַּח֙
(vayshalach)
en hij zond weg
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
נֹשְׂאֵ֖י
(noseei)
dragers van
הַמִּנְחָֽה
(hamincha)
het geschenk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Zelf keerde hij terug van de gehouwen beelden bij Gilgal. Hij zei: „Ik heb een geheim woord voor u, koning.” De koning zei: „Stil!” Allen die bij hem stonden, gingen bij hem weg.
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
שָׁ֗ב
(shav)
keerde terug
מִן
(min)
van
הַפְּסִילִים֙
(hapesilim)
de gehouwen beelden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אֶת
(et)
bij
הַגִּלְגָּ֔ל
(hagilgal)
Gilgal
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
דְּבַר
(devar)
een woord
סֵ֥תֶר
(seter)
geheim
לִ֛י
(li)
voor mij
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
aan u
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
koning
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הָ֔ס
(has)
stil
וַיֵּֽצְאוּ֙
(vayetseu)
en zij gingen uit
מֵֽעָלָ֔יו
(mealav)
van hem weg
כָּל
(kal)
alle
הָעֹמְדִ֖ים
(haomedim)
die stonden
עָלָֽיו
(alav)
bij hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gilgal ligt waarschijnlijk bij Jericho, in de Jordaanvallei.
Dat is niet zeker.
Uitleg
פְּסִילִים (pesilim), ‘gehouwen beelden’: wij vertalen zoals in Deut. 7:5.
Sommige vertalers lezen ‘steengroeven’; het Hebreeuws laat beide toe.
Lezing
Het Hebreeuws noemt bij de tweede ‘hij zei’ geen naam.
Het is de koning die ‘Stil!’ zegt; wij schrijven daarom ‘de koning’.
20Ehud kwam bij hem. Hij zat in de koele bovenkamer die hij voor zichzelf alleen had. Ehud zei: „Ik heb een woord van Elohim voor u.” Toen stond hij op van zijn troon.
וְאֵה֣וּד
(veehud)
en Ehud
בָּ֣א
(ba)
kwam
אֵלָ֗יו
(elav)
naar hem
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
יֹ֠שֵׁב
(yoshev)
zat
בַּעֲלִיַּ֨ת
(baaliyat)
in de bovenkamer van
הַמְּקֵרָ֤ה
(hameqera)
de koelte
אֲשֶׁר
(asher)
die
לוֹ֙
(lo)
voor hem
לְבַדּ֔וֹ
(levado)
alleen
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵה֔וּד
(ehud)
Ehud
דְּבַר
(devar)
een woord van
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
לִ֖י
(li)
voor mij
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
aan u
וַיָּ֖קָם
(vayaqam)
en hij stond op
מֵעַ֥ל
(meal)
van
הַכִּסֵּֽא
(hakise)
de troon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲלִיַּת הַמְּקֵרָה (aliyyat hamqerah), ‘bovenkamer van de koelte’: een kamer boven op het huis met luchtopeningen, voor de warme dagen.
22Ook het heft ging erin, achter het lemmet. Het vet sloot zich om het lemmet, want hij trok het zwaard niet uit zijn buik. Het vuil kwam naar buiten.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en ging binnen
גַֽם
(gam)
ook
הַנִּצָּ֜ב
(hanitsav)
het heft
אַחַ֣ר
(achar)
achter
הַלַּ֗הַב
(halahav)
het lemmet
וַיִּסְגֹּ֤ר
(vayisgor)
en sloot zich
הַחֵ֨לֶב֙
(hachelev)
het vet
בְּעַ֣ד
(bead)
om
הַלַּ֔הַב
(halahav)
het lemmet
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁלַ֛ף
(shalaf)
trok hij
הַחֶ֖רֶב
(hacherev)
het zwaard
מִבִּטְנ֑וֹ
(mibitno)
uit zijn buik
וַיֵּצֵ֖א
(vayetse)
en kwam naar buiten
הַֽפַּרְשְׁדֹֽנָה
(haparshedona)
de parsjedona
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
הַפַּרְשְׁדֹנָה (happarshedonah) komt alleen hier voor.
De betekenis is onzeker.
Wij lezen: wat in de buik zat, kwam naar buiten.
Anderen lezen het als ‘achteruitgang’ of ‘opening’.
De zin is daarom ook anders te vertalen: ‘Hij kwam naar buiten door …’.
23Ehud ging naar buiten, de gang in. Hij sloot de deuren van de bovenkamer achter zich en deed ze op slot.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en ging naar buiten
אֵה֖וּד
(ehud)
Ehud
הַֽמִּסְדְּר֑וֹנָה
(hamisderona)
de gang in
וַיִּסְגֹּ֞ר
(vayisgor)
en sloot
דַּלְת֧וֹת
(daltot)
deuren van
הָעַלִיָּ֛ה
(haaliya)
de bovenkamer
בַּעֲד֖וֹ
(baado)
achter zich
וְנָעָֽל
(venaal)
en deed op slot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמִּסְדְּרוֹנָה (hamisderonah) komt alleen hier voor.
Het betekent waarschijnlijk ‘zuilengang’ of ‘voorportaal’.
Wij vertalen ‘de gang’.
24Toen hij weg was, kwamen zijn dienaren. Zij zagen, en zie: de deuren van de bovenkamer zaten op slot. Zij zeiden: „Hij bedekt zeker zijn voeten in het koele vertrek.”
וְה֤וּא
(vehu)
en hij
יָצָא֙
(yatsa)
ging uit
וַעֲבָדָ֣יו
(vaavadav)
en zijn dienaren
בָּ֔אוּ
(bau)
kwamen
וַיִּרְא֕וּ
(vayiru)
en zij zagen
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
דַּלְת֥וֹת
(daltot)
deuren van
הָעֲלִיָּ֖ה
(haaliya)
de bovenkamer
נְעֻל֑וֹת
(neulot)
op slot
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אַ֣ךְ
(akh)
zeker
מֵסִ֥יךְ
(mesikh)
bedekt
ה֛וּא
(hu)
hij
אֶת
(et)
(obj.)
רַגְלָ֖יו
(raglav)
zijn voeten
בַּחֲדַ֥ר
(bachadar)
in de kamer van
הַמְּקֵרָֽה
(hameqera)
de koelte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘hij’ is Ehud; de ‘dienaren’ zijn die van Eglon.
מֵסִיךְ אֶת־רַגְלָיו (mesikh et-raglav), ‘zijn voeten bedekken’: een omschrijving voor het gebruiken van het toilet. Zo dachten de dienaren dat hij zich afzonderde.
25Zij wachtten tot zij zich schaamden. En zie: hij deed de deuren van de bovenkamer niet open. Zij namen de sleutel en openden ze. En zie: hun heer lag dood op de grond.
וַיָּחִ֣ילוּ
(vayachilu)
en zij wachtten
עַד
(ad)
tot
בּ֔וֹשׁ
(bosh)
schaamte
וְהְנֵּ֛ה
(vehene)
en zie
אֵינֶ֥נּוּ
(einenu)
niet
פֹתֵ֖חַ
(poteach)
hij opent
דַּלְת֣וֹת
(daltot)
deuren van
הָֽעֲלִיָּ֑ה
(haaliya)
de bovenkamer
וַיִּקְח֤וּ
(vayiqchu)
en zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּפְתֵּ֨חַ֙
(hamafteach)
de sleutel
וַיִּפְתָּ֔חוּ
(vayiftachu)
en zij openden
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
אֲדֹ֣נֵיהֶ֔ם
(adoneihem)
hun heer
נֹפֵ֥ל
(nofel)
gevallen
אַ֖רְצָה
(artsa)
naar de grond
מֵֽת
(met)
dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַד־בּוֹשׁ (ad-bosh), ‘tot schaamte’: zo lang dat het gênant werd om langer te wachten.
26Ehud was ontkomen terwijl zij talmden. Hij was langs de gehouwen beelden gegaan en ontkomen naar Seïra.
וְאֵה֥וּד
(veehud)
en Ehud
נִמְלַ֖ט
(nimlat)
was ontkomen
עַ֣ד
(ad)
terwijl
הִֽתְמַהְמְהָ֑ם
(hitmahmeham)
zij talmden
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
עָבַ֣ר
(avar)
was gegaan langs
אֶת
(et)
(obj.)
הַפְּסִילִ֔ים
(hapesilim)
de gehouwen beelden
וַיִּמָּלֵ֖ט
(vayimalet)
en ontkwam
הַשְּׂעִירָֽתָה
(haseirata)
naar Seïra
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Seïra ligt in het bergland van Efraïm.
De precieze plaats is onbekend.
27Toen hij aankwam, blies hij de ramshoorn in het bergland van Efraïm. De zonen van Israël gingen met hem van het bergland af, en hij ging voor hen uit.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בְּבוֹא֔וֹ
(bevoo)
bij zijn komen
וַיִּתְקַ֥ע
(vayitqa)
en hij blies
בַּשּׁוֹפָ֖ר
(bashofar)
op de ramshoorn
בְּהַ֣ר
(behar)
in het bergland van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וַיֵּרְד֨וּ
(vayeredu)
en zij gingen naar beneden
עִמּ֧וֹ
(imo)
met hem
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
מִן
(min)
van
הָהָ֖ר
(hahar)
het bergland
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
Uitleg
שׁוֹפָר (shofar), ‘ramshoorn’: een hoorn die als signaal diende, om het volk te roepen.
28Hij zei tegen hen: „Volg mij! Want Yahweh heeft jullie vijanden, Moab, in jullie hand gegeven.” Zij gingen achter hem aan naar beneden en bezetten de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan naar Moab toe. Zij lieten niemand oversteken.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶם֙
(alehem)
tegen hen
רִדְפ֣וּ
(ridfu)
volg
אַחֲרַ֔י
(acharay)
achter mij
כִּֽי
(ki)
want
נָתַ֨ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבֵיכֶ֛ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
אֶת
(et)
(obj.)
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
בְּיֶדְכֶ֑ם
(beyedkhem)
in jullie hand
וַיֵּרְד֣וּ
(vayeredu)
en zij gingen naar beneden
אַחֲרָ֗יו
(acharav)
achter hem
וַֽיִּלְכְּד֞וּ
(vayilkedu)
en zij bezetten
אֶת
(et)
(obj.)
מַעְבְּר֤וֹת
(maberot)
de doorwaadbare plaatsen van
הַיַּרְדֵּן֙
(hayarden)
de Jordaan
לְמוֹאָ֔ב
(lemoav)
naar Moab
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נָתְנ֥וּ
(natenu)
lieten zij toe
אִ֖ישׁ
(ish)
iemand
לַעֲבֹֽר
(laavor)
over te steken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De doorwaadbare plaatsen van de Jordaan lagen tegenover Jericho, tussen Moab en Israël.