Elohim Bijbel

Jesaja 44

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Jesurun, de Eerste en de Laatste, en Kores

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Mijn knecht Jakob

1„En nu, hoor, Jakob, Mijn knecht, en Israël, die Ik gekozen heb.”
וְעַתָּ֥ה
(veata)
en nu
שְׁמַ֖ע
(shema)
hoor
יַעֲקֹ֣ב
(yaaqov)
Jakob
עַבְדִּ֑י
(avdi)
Mijn knecht
וְיִשְׂרָאֵ֖ל
(veyisrael)
en Israël
בָּחַ֥רְתִּי
(bacharti)
Ik heb gekozen
בֽוֹ
(bo)
in hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: hier is het volk bedoeld, Jakob en Israël (zie ook vers 2 en 21).

Wij schrijven ‘knecht’ met een kleine letter.

2Zo zegt Yahweh, die je gemaakt heeft, die je vanaf de moederschoot gevormd heeft en je helpt: „Wees niet bang, Mijn knecht Jakob, en Jesurun, die Ik gekozen heb.
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹשֶׂ֛ךָ
(osekha)
die je maakte
וְיֹצֶרְךָ֥
(veyotserkha)
en je vormde
מִבֶּ֖טֶן
(mibeten)
vanaf de moederschoot
יַעְזְרֶ֑ךָּ
(yazereka)
helpt je
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
עַבְדִּ֣י
(avdi)
Mijn knecht
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וִישֻׁר֖וּן
(vishurun)
en Jesurun
בָּחַ֥רְתִּי
(bacharti)
Ik heb gekozen
בֽוֹ
(bo)
in hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְשֻׁרוּן (Yeshurun), ‘Jesurun’: een eervolle naam voor Israël, verwant met יָשָׁר (yashar), ‘recht’.

Zie Deut. 32:15.

מִבֶּטֶן (mibeten), ‘vanaf de moederschoot’: letterlijk ‘vanaf de buik’. Zo ook in vers 24.

3Want Ik zal water gieten op de dorstige en stromen op het droge. Ik zal Mijn Geest gieten op je nageslacht en Mijn zegen op je nakomelingen.
כִּ֤י
(ki)
want
אֶצָּק
(etsaq)
Ik zal gieten
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
עַל
(al)
op
צָמֵ֔א
(tsame)
dorstige
וְנֹזְלִ֖ים
(venozelim)
en stromen
עַל
(al)
op
יַבָּשָׁ֑ה
(yabasha)
droge
אֶצֹּ֤ק
(etsoq)
Ik zal gieten
רוּחִי֙
(ruchi)
Mijn Geest
עַל
(al)
op
זַרְעֶ֔ךָ
(zarekha)
je nageslacht
וּבִרְכָתִ֖י
(uvirkhati)
en Mijn zegen
עַל
(al)
op
צֶאֱצָאֶֽיךָ
(tseetsaeikha)
je nakomelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחִי (ruchi), ‘Mijn Geest’: de Geest van Yahweh, die op het nageslacht wordt uitgegoten.

Vergelijk Joël 3:1 (Hebr.).

צָמֵא (tsame), ‘dorstige’: dorstig land of dorstige mensen. Het beeld gaat over van water naar de Geest.

4Zij zullen opschieten tussen het gras, als wilgen langs stromend water.”
וְצָמְח֖וּ
(vetsamechu)
en zij zullen opschieten
בְּבֵ֣ין
(bevein)
tussen
חָצִ֑יר
(chatsir)
gras
כַּעֲרָבִ֖ים
(kaaravim)
als wilgen
עַל
(al)
langs
יִבְלֵי
(yivlei)
stromen van
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5De een zal zeggen: ‘Ik ben van Yahweh.’ Een ander zal de naam Jakob uitroepen. Weer een ander zal op zijn hand schrijven: ‘Van Yahweh’, en met de naam Israël een eernaam aannemen.
זֶ֤ה
(ze)
de een
יֹאמַר֙
(yomar)
zal zeggen
לַֽיהוָ֣ה
(laYahweh)
van Yahweh
אָ֔נִי
(ani)
ik
וְזֶ֖ה
(veze)
en een ander
יִקְרָ֣א
(yiqra)
zal uitroepen
בְשֵֽׁם
(beshem)
de naam
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְזֶ֗ה
(veze)
en een ander
יִכְתֹּ֤ב
(yikhtov)
zal schrijven
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
van Yahweh
וּבְשֵׁ֥ם
(uveshem)
en met de naam
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
יְכַנֶּֽה
(yekhane)
zal een eernaam aannemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is zwart, omdat het over Yahweh in de derde persoon spreekt.

יִקְרָא בְּשֵׁם יַעֲקֹב (yiqra veshem Yaakov), ‘zal de naam Jakob uitroepen’: het kan ook betekenen ‘zal zich noemen met de naam Jakob’.

יִכְתֹּב יָדוֹ (yikhtov yado), ‘zal op zijn hand schrijven’: letterlijk ‘zal zijn hand schrijven’. Het kan ook ‘schrijft met zijn hand’ zijn.

יְכַנֶּה (yekhanneh), ‘zal een eernaam aannemen’: een bijnaam of eretitel. Hetzelfde werkwoord staat in 45:4.

Ik ben de Eerste en de Laatste

6Zo zegt Yahweh, de Koning van Israël en zijn Verlosser, Yahweh van de legermachten: „Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste. Buiten Mij is er geen Elohim.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
מֶֽלֶךְ
(melekh)
Koning van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
וְגֹאֲל֖וֹ
(vegoalo)
en zijn Verlosser
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֑וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
רִאשׁוֹן֙
(rishon)
de Eerste
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en Ik
אַחֲר֔וֹן
(acharon)
de Laatste
וּמִבַּלְעָדַ֖י
(umibaladay)
en buiten Mij
אֵ֥ין
(ein)
niet is
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִאשׁוֹן (rishon), ‘de Eerste’, en אַחֲרוֹן (acharon), ‘de Laatste’: Yahweh is er vóór alles en na alles.

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jes. 1:9.

7Wie is zoals Ik? Laat hem het uitroepen, het bekendmaken en het Mij uiteenzetten, sinds Ik het eeuwige volk gesteld heb. En het komende, en wat nog zal komen, laten zij hun bekendmaken.
וּמִֽי
(umi)
en wie
כָמ֣וֹנִי
(kamoni)
zoals Ik
יִקְרָ֗א
(yiqra)
laat hem uitroepen
וְיַגִּידֶ֤הָ
(veyagideha)
en bekendmaken het
וְיַעְרְכֶ֨הָ֙
(veyarekheha)
en uiteenzetten het
לִ֔י
(li)
voor Mij
מִשּׂוּמִ֖י
(misumi)
sinds Ik stel
עַם
(am)
volk
עוֹלָ֑ם
(olam)
eeuwig
וְאֹתִיּ֛וֹת
(veotiyot)
en het komende
וַאֲשֶׁ֥ר
(vaasher)
en wat
תָּבֹ֖אנָה
(tavona)
zal komen
יַגִּ֥ידוּ
(yagidu)
laten zij bekendmaken
לָֽמוֹ
(lamo)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַם עוֹלָם (am olam), ‘het eeuwige volk’: letterlijk ‘volk van eeuwigheid’.

Het kan ook ‘het volk van oudsher’ betekenen.

De zin is moeilijk; zij kan ook betekenen: ‘sinds Ik de mensen van de oude tijd stelde’.

8Wees niet bang en schrik niet. Heb Ik het je niet vanouds laten horen en bekendgemaakt? Jullie zijn Mijn getuigen. Is er een Eloah buiten Mij? Er is geen Rots, Ik ken er geen.”
אַֽל
(al)
niet
תִּפְחֲדוּ֙
(tifchadu)
wees bang
וְאַל
(veal)
en niet
תִּרְה֔וּ
(tirhu)
schrik
הֲלֹ֥א
(halo)
is het niet
מֵאָ֛ז
(meaz)
vanouds
הִשְׁמַעְתִּ֥יךָ
(hishmatikha)
Ik heb je laten horen
וְהִגַּ֖דְתִּי
(vehigadti)
en Ik heb bekendgemaakt
וְאַתֶּ֣ם
(veatem)
en jullie
עֵדָ֑י
(eday)
Mijn getuigen
הֲיֵ֤שׁ
(hayesh)
is er
אֱל֨וֹהַּ֙
(eloha)
Eloah
מִבַּלְעָדַ֔י
(mibaladay)
buiten Mij
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
צ֖וּר
(tsur)
Rots
בַּל
(bal)
niet
יָדָֽעְתִּי
(yadati)
Ik ken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּרְהוּ (tirhu), ‘schrik’: het werkwoord komt zelden voor.

De betekenis volgt uit het verband.

אֱלוֹהַּ (Eloah): zoals in Deut. 32:15.

צוּר (tsur), ‘Rots’: een naam voor Yahweh (vergelijk Deut. 32:4).

De makers van beelden

9De makers van een beeld zijn allemaal leegte. Hun kostbaarheden baten niet. En hun getuigen, zij zien niet en weten niet, zodat zij beschaamd worden.
יֹֽצְרֵי
(yotserei)
makers van
פֶ֤סֶל
(pesel)
beeld
כֻּלָּם֙
(kulam)
allen
תֹּ֔הוּ
(tohu)
leegte
וַחֲמוּדֵיהֶ֖ם
(vachamudeihem)
en hun kostbaarheden
בַּל
(bal)
niet
יוֹעִ֑ילוּ
(yoilu)
zij baten
וְעֵדֵיהֶ֣ם
(veedeihem)
en hun getuigen
הֵׄ֗מָּׄהׄ
(hema)
zij
בַּל
(bal)
niet
יִרְא֛וּ
(yiru)
zij zien
וּבַל
(uval)
en niet
יֵדְע֖וּ
(yedeu)
zij weten
לְמַ֥עַן
(lemaan)
opdat
יֵבֹֽשׁוּ
(yevoshu)
zij beschaamd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֹּהוּ (tohu), ‘leegte’: hetzelfde woord als in Gen. 1:2 en Deut. 32:10, daar ‘woeste leegte’.

Hier betekent het: niets, zonder waarde.

חֲמוּדֵיהֶם (chamudeihem), ‘hun kostbaarheden’: wat men dierbaar vindt, hier de beelden zelf.

עֵדֵיהֶם (edeihem), ‘hun getuigen’: waarschijnlijk de beelden zelf, die niets zien en niets weten.

10Wie vormt een god en giet een beeld, dat toch niets baat?
מִֽי
(mi)
wie
יָצַ֥ר
(yatsar)
vormt
אֵ֖ל
(el)
een god
וּפֶ֣סֶל
(ufesel)
en een beeld
נָסָ֑ךְ
(nasakh)
giet
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
om niet
הוֹעִֽיל
(hoil)
te baten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zie, al zijn metgezellen worden beschaamd. De ambachtslieden zijn zelf maar mensen. Laten zij zich allen verzamelen en gaan staan. Zij zullen schrikken en samen beschaamd worden.
הֵ֤ן
(hen)
zie
כָּל
(kal)
allen
חֲבֵרָיו֙
(chaverav)
zijn metgezellen
יֵבֹ֔שׁוּ
(yevoshu)
zullen beschaamd worden
וְחָרָשִׁ֥ים
(vecharashim)
en ambachtslieden
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
מֵֽאָדָ֑ם
(meadam)
uit mensen
יִֽתְקַבְּצ֤וּ
(yitqabetsu)
laten zich verzamelen
כֻלָּם֙
(kulam)
allen
יַֽעֲמֹ֔דוּ
(yaamodu)
laten gaan staan
יִפְחֲד֖וּ
(yifchadu)
zullen schrikken
יֵבֹ֥שׁוּ
(yevoshu)
zullen beschaamd worden
יָֽחַד
(yachad)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָרָשִׁים (charashim), ‘ambachtslieden’: smeden en houtbewerkers; zie vers 12–13.

12De ijzersmid maakt een bijl. Hij werkt in de kolen en vormt het met hamers. Hij bewerkt het met zijn sterke arm. Ook krijgt hij honger, zodat hij geen kracht meer heeft. Hij drinkt geen water en raakt uitgeput.
חָרַ֤שׁ
(charash)
smid van
בַּרְזֶל֙
(barzel)
ijzer
מַֽעֲצָ֔ד
(maatsad)
bijl
וּפָעַל֙
(ufaal)
en hij werkt
בַּפֶּחָ֔ם
(bapecham)
in de kolen
וּבַמַּקָּב֖וֹת
(uvamaqavot)
en met hamers
יִצְּרֵ֑הוּ
(yitserehu)
hij vormt het
וַיִּפְעָלֵ֨הוּ֙
(vayifalehu)
en hij bewerkt het
בִּזְר֣וֹעַ
(bizroa)
met arm van
כֹּח֔וֹ
(kocho)
zijn kracht
גַּם
(gam)
ook
רָעֵב֙
(raev)
honger
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is
כֹּ֔חַ
(koach)
kracht
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֥תָה
(shata)
hij drinkt
מַ֖יִם
(mayim)
water
וַיִּיעָֽף
(vayiaf)
en hij raakt uitgeput
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲצָד (ma’atsad), ‘bijl’: het woord is zeldzaam.

Het kan ook een ander werktuig zijn, zoals een beitel.

Het Hebreeuws is hier kort en moeilijk.

De zin is wel duidelijk: de smid werkt hard en raakt uitgeput.

13De houtbewerker spant een meetsnoer uit en tekent het af met rood krijt. Hij maakt het met schaven en tekent het af met een passer. Hij maakt het naar de gedaante van een man, naar de schoonheid van een mens, om in een huis te wonen.
חָרַ֣שׁ
(charash)
bewerker van
עֵצִים֮
(etsim)
hout
נָ֣טָה
(nata)
hij spant uit
קָו֒
(qav)
meetsnoer
יְתָאֲרֵ֣הוּ
(yetaarehu)
hij tekent het af
בַשֶּׂ֔רֶד
(basered)
met rood krijt
יַעֲשֵׂ֨הוּ֙
(yaasehu)
hij maakt het
בַּמַּקְצֻע֔וֹת
(bamaqtsuot)
met schaven
וּבַמְּחוּגָ֖ה
(uvamechuga)
en met een passer
יְתָאֳרֵ֑הוּ
(yetaorehu)
hij tekent het af
וַֽיַּעֲשֵׂ֨הוּ֙
(vayaasehu)
en hij maakt het
כְּתַבְנִ֣ית
(ketavnit)
naar de gedaante van
אִ֔ישׁ
(ish)
man
כְּתִפְאֶ֥רֶת
(ketiferet)
naar de schoonheid van
אָדָ֖ם
(adam)
mens
לָשֶׁ֥בֶת
(lashevet)
om te wonen
בָּֽיִת
(bayit)
in een huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׂרֶד (sered), ‘rood krijt’: het woord is zeldzaam en de betekenis is niet zeker.

מַקְצֻעוֹת (maqtsu’ot), ‘schaven’: werktuigen om hout glad te maken. De betekenis is niet zeker.

מְחוּגָה (mechugah), ‘passer’: een werktuig om een cirkel te trekken.

תִּפְאֶרֶת (tif’eret), ‘schoonheid’: elders ‘luister’ (zie 44:23).

14Hij kapt cederbomen voor zich. Hij neemt een tirza-boom en een eik en laat ze voor zich sterk worden tussen de bomen van het woud. Hij plant een den, en de regen laat die groeien.
לִכְרָת
(likhrat)
om te kappen
ל֣וֹ
(lo)
voor zich
אֲרָזִ֔ים
(arazim)
cederbomen
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij neemt
תִּרְזָה֙
(tirza)
een tirza-boom
וְאַלּ֔וֹן
(vealon)
en een eik
וַיְאַמֶּץ
(vayamets)
en hij laat sterk worden
ל֖וֹ
(lo)
voor zich
בַּעֲצֵי
(baatsei)
tussen de bomen van
יָ֑עַר
(yaar)
het woud
נָטַ֥ע
(nata)
hij plant
אֹ֖רֶן
(oren)
een den
וְגֶ֥שֶׁם
(vegeshem)
en regen
יְגַדֵּֽל
(yegadel)
laat groeien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּרְזָה (tirzah): een boomsoort die wij niet met zekerheid kennen.

Wij laten het woord staan.

אֹרֶן (oren), ‘den’: een naaldboom; de betekenis is niet zeker.

15Het wordt voor de mens brandhout. Hij neemt ervan en warmt zich. Hij steekt het ook aan en bakt brood. Ook maakt hij er een god van en buigt zich neer. Hij maakt er een beeld van en buigt zich ervoor.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het wordt
לְאָדָם֙
(leadam)
voor de mens
לְבָעֵ֔ר
(levaer)
tot brandhout
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en hij neemt
מֵהֶם֙
(mehem)
ervan
וַיָּ֔חָם
(vayacham)
en warmt zich
אַף
(af)
ook
יַשִּׂ֖יק
(yasiq)
hij steekt aan
וְאָ֣פָה
(veafa)
en bakt
לָ֑חֶם
(lachem)
brood
אַף
(af)
ook
יִפְעַל
(yifal)
maakt hij
אֵל֙
(el)
een god
וַיִּשְׁתָּ֔חוּ
(vayishtachu)
en buigt zich neer
עָשָׂ֥הוּ
(asahu)
hij maakt het
פֶ֖סֶל
(pesel)
tot beeld
וַיִּסְגָּד
(vayisgad)
en buigt zich
לָֽמוֹ
(lamo)
voor het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft twee woorden voor zich buigen: סָגַד (sagad), ‘zich buigen’, en הִשְׁתַּחֲוָה (hishtachavah), ‘zich neerbuigen’.

16De helft ervan verbrandt hij in het vuur. Bij de helft ervan eet hij vlees: hij braadt een braadstuk en wordt verzadigd. Ook warmt hij zich en zegt: ‘Aha, ik ben warm geworden, ik zie het vuur.’
חֶצְיוֹ֙
(chetsyo)
zijn helft
שָׂרַ֣ף
(saraf)
hij verbrandt
בְּמוֹ
(bemo)
in
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
עַל
(al)
bij
חֶצְיוֹ֙
(chetsyo)
zijn helft
בָּשָׂ֣ר
(basar)
vlees
יֹאכֵ֔ל
(yokhel)
hij eet
יִצְלֶ֥ה
(yitsle)
hij braadt
צָלִ֖י
(tsali)
een braadstuk
וְיִשְׂבָּ֑ע
(veyisba)
en hij wordt verzadigd
אַף
(af)
ook
יָחֹם֙
(yachom)
hij warmt zich
וְיֹאמַ֣ר
(veyomar)
en hij zegt
הֶאָ֔ח
(heach)
aha
חַמּוֹתִ֖י
(chamoti)
ik ben warm geworden
רָאִ֥יתִי
(raiti)
ik zie
אֽוּר
(ur)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוּר (ur), ‘vuur’: de gloed van het vuur.

Het kan ook ‘licht’ betekenen.

17Wat ervan overblijft, maakt hij tot een god, tot zijn beeld. Hij buigt zich ervoor, buigt zich neer en bidt tot hem. Hij zegt: ‘Bevrijd mij, want jij bent mijn god.’
וּשְׁאֵ֣רִית֔וֹ
(usheerito)
en zijn rest
לְאֵ֥ל
(leel)
tot een god
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij maakt
לְפִסְל֑וֹ
(lefislo)
tot zijn beeld
יִסְגָּד
(yisgad)
hij buigt zich
ל֤וֹ
(lo)
voor het
וְיִשְׁתַּ֨חוּ֙
(veyishtachu)
en hij buigt zich neer
וְיִתְפַּלֵּ֣ל
(veyitpalel)
en hij bidt
אֵלָ֔יו
(elav)
tot hem
וְיֹאמַר֙
(veyomar)
en hij zegt
הַצִּילֵ֔נִי
(hatsileni)
bevrijd mij
כִּ֥י
(ki)
want
אֵלִ֖י
(eli)
mijn god
אָֽתָּה
(ata)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Geschreven staat יסגוד (yisgod); voorgelezen wordt יִסְגָּד (yisgad).

Wij volgen de qere.

Beide vormen betekenen ‘hij buigt zich’.

18Zij weten niet en begrijpen niet. Want hun ogen zijn dichtgesmeerd, zodat ze niet zien, en hun hart, zodat het geen inzicht heeft.
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדְע֖וּ
(yadeu)
zij weten
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָבִ֑ינוּ
(yavinu)
zij begrijpen
כִּ֣י
(ki)
want
טַ֤ח
(tach)
is dichtgesmeerd
מֵֽרְאוֹת֙
(mereot)
van zien
עֵֽינֵיהֶ֔ם
(eineihem)
hun ogen
מֵהַשְׂכִּ֖יל
(mehaskil)
van inzicht hebben
לִבֹּתָֽם
(libotam)
hun hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טַח (tach), ‘is dichtgesmeerd’: het werkwoord staat in het enkelvoud en het Hebreeuws noemt niet wie dichtsmeert.

Vergelijk Jes. 6:10.

19Niemand neemt het ter harte. Er is geen kennis en geen inzicht om te zeggen: ‘De helft ervan heb ik in het vuur verbrand. Ook heb ik brood gebakken op de kolen ervan. Ik braad vlees en eet het. En wat ervan overblijft, zou ik dat tot een gruwel maken? Zou ik mij buigen voor een blok hout?’
וְלֹא
(velo)
en niet
יָשִׁ֣יב
(yashiv)
hij brengt terug
אֶל
(el)
tot
לִבּ֗וֹ
(libo)
zijn hart
וְלֹ֨א
(velo)
en niet
דַ֥עַת
(daat)
kennis
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תְבוּנָה֮
(tevuna)
inzicht
לֵאמֹר֒
(lemor)
om te zeggen
חֶצְי֞וֹ
(chetsyo)
zijn helft
שָׂרַ֣פְתִּי
(sarafti)
ik heb verbrand
בְמוֹ
(bemo)
in
אֵ֗שׁ
(esh)
vuur
וְ֠אַף
(veaf)
en ook
אָפִ֤יתִי
(afiti)
ik heb gebakken
עַל
(al)
op
גֶּחָלָיו֙
(gechalav)
zijn kolen
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
אֶצְלֶ֥ה
(etsle)
ik braad
בָשָׂ֖ר
(basar)
vlees
וְאֹכֵ֑ל
(veokhel)
en ik eet
וְיִתְרוֹ֙
(veyitro)
en zijn rest
לְתוֹעֵבָ֣ה
(letoeva)
tot gruwel
אֶעֱשֶׂ֔ה
(eese)
zal ik maken
לְב֥וּל
(levul)
voor een blok
עֵ֖ץ
(ets)
hout
אֶסְגּֽוֹד
(esgod)
zal ik mij buigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Hij voedt zich met as. Een bedrogen hart heeft hem op een dwaalspoor gebracht. Hij kan zijn leven niet bevrijden en zegt niet: ‘Is er geen leugen in mijn rechterhand?’
רֹעֶ֣ה
(roe)
voedt zich met
אֵ֔פֶר
(efer)
as
לֵ֥ב
(lev)
hart
הוּתַ֖ל
(hutal)
bedrogen
הִטָּ֑הוּ
(hitahu)
heeft hem op een dwaalspoor gebracht
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַצִּ֤יל
(yatsil)
hij bevrijdt
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשׁוֹ֙
(nafsho)
zijn leven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יֹאמַ֔ר
(yomar)
hij zegt
הֲל֥וֹא
(halo)
is niet
שֶׁ֖קֶר
(sheqer)
leugen
בִּימִינִֽי
(bimini)
in mijn rechterhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Denk hieraan, Jakob

21„Denk hieraan, Jakob en Israël, want jij bent Mijn knecht. Ik heb je gevormd; jij bent Mijn knecht, Israël. Ik vergeet je niet.
זְכָר
(zekhar)
gedenk
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וְיִשְׂרָאֵ֖ל
(veyisrael)
en Israël
כִּ֣י
(ki)
want
עַבְדִּי
(avdi)
Mijn knecht
אָ֑תָּה
(ata)
jij
יְצַרְתִּ֤יךָ
(yetsartikha)
Ik heb je gevormd
עֶֽבֶד
(eved)
knecht
לִי֙
(li)
voor Mij
אַ֔תָּה
(ata)
jij
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
תִנָּשֵֽׁנִי
(tinasheni)
je wordt door Mij vergeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִנָּשֵׁנִי (tinasheni), ‘je wordt door Mij vergeten’: een lijdende vorm van נָשָׁה (nashah), ‘vergeten’.

Wij vertalen ‘Ik vergeet je niet’.

22Ik heb je overtredingen uitgewist als een dichte wolk en je zonden als een wolk. Keer terug naar Mij, want Ik heb je verlost.”
מָחִ֤יתִי
(machiti)
Ik heb uitgewist
כָעָב֙
(kaav)
als een dichte wolk
פְּשָׁעֶ֔יךָ
(peshaeikha)
je overtredingen
וְכֶעָנָ֖ן
(vekheanan)
en als een wolk
חַטֹּאותֶ֑יךָ
(chatovteikha)
je zonden
שׁוּבָ֥ה
(shuva)
keer terug
אֵלַ֖י
(elay)
naar Mij
כִּ֥י
(ki)
want
גְאַלְתִּֽיךָ
(gealtikha)
Ik heb je verlost
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָב (av), ‘dichte wolk’, en עָנָן (anan), ‘wolk’: twee Hebreeuwse woorden voor wolken.

Zoals een wolk verdwijnt, zo verdwijnen de overtredingen.

שׁוּבָה אֵלַי (shuvah elay), ‘keer terug naar Mij’: de oproep om terug te keren. De verlossing komt eerst: ‘want Ik heb je verlost’.

Jubel, hemelen

23Jubel, hemelen, want Yahweh heeft het gedaan. Juich, diepten van de aarde. Barst uit in gejubel, bergen, woud en elke boom daarin. Want Yahweh heeft Jakob verlost en toont Zijn luister in Israël.
רָנּ֨וּ
(ranu)
jubelt
שָׁמַ֜יִם
(shamayim)
hemelen
כִּֽי
(ki)
want
עָשָׂ֣ה
(asa)
heeft gedaan
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הָרִ֨יעוּ֙
(hariu)
juicht
תַּחְתִּיּ֣וֹת
(tachtiyot)
diepten van
אָ֔רֶץ
(arets)
aarde
פִּצְח֤וּ
(pitschu)
barst uit
הָרִים֙
(harim)
bergen
רִנָּ֔ה
(rina)
in gejubel
יַ֖עַר
(yaar)
woud
וְכָל
(vekhal)
en elke
עֵ֣ץ
(ets)
boom
בּ֑וֹ
(bo)
daarin
כִּֽי
(ki)
want
גָאַ֤ל
(gaal)
heeft verlost
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
וּבְיִשְׂרָאֵ֖ל
(uveyisrael)
en in Israël
יִתְפָּאָֽר
(yitpaar)
toont Zijn luister
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּחְתִּיּוֹת אֶרֶץ (tachtiyyot arets), ‘diepten van de aarde’: letterlijk ‘de onderste delen van de aarde’.

יִתְפָּאָר (yitpa’ar), ‘toont Zijn luister’: van תִּפְאֶרֶת (tif’eret), ‘luister’ (vergelijk 46:13).

Yahweh is de Schepper, Kores is Zijn herder

24Zo zegt Yahweh, je Verlosser, die je vanaf de moederschoot gevormd heeft: „Ik ben Yahweh, die alles maakt, die de hemel uitspant, helemaal alleen, en de aarde uitbreidt, door Mijzelf;
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
גֹּאֲלֶ֔ךָ
(goalekha)
je Verlosser
וְיֹצֶרְךָ֖
(veyotserkha)
en je Vormer
מִבָּ֑טֶן
(mibaten)
vanaf de moederschoot
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֹ֣שֶׂה
(ose)
die maakt
כֹּ֔ל
(kol)
alles
נֹטֶ֤ה
(note)
die uitspant
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
de hemel
לְבַדִּ֔י
(levadi)
alleen Ik
רֹקַ֥ע
(roqa)
die uitbreidt
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
מֵאִתִּֽי
(meiti)
door Mijzelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf dit vers spreekt het Hebreeuws over Yahweh in de derde persoon (‘Zijn knecht’, ‘Zijn boden’), terwijl Hij zelf spreekt.

Wij houden vers 24–28 rood, omdat het één lange zin is die met ‘Ik ben Yahweh’ begint.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft מי אתי (mi itti), ‘wie was met Mij?’.

De voorgelezen tekst (qere) is מֵאִתִּי (me’itti), ‘door Mijzelf’.

Wij volgen de qere.

25die de tekens van de leugenpraters verijdelt en de waarzeggers laat razen, die de wijzen achteruit laat wijken en hun kennis dwaas maakt;
מֵפֵר֙
(mefer)
die verijdelt
אֹת֣וֹת
(otot)
tekens van
בַּדִּ֔ים
(badim)
de leugenpraters
וְקֹסְמִ֖ים
(veqosemim)
en de waarzeggers
יְהוֹלֵ֑ל
(yeholel)
die laat razen
מֵשִׁ֧יב
(meshiv)
die laat terugkeren
חֲכָמִ֛ים
(chakhamim)
wijzen
אָח֖וֹר
(achor)
achteruit
וְדַעְתָּ֥ם
(vedatam)
en hun kennis
יְשַׂכֵּֽל
(yesakel)
die dwaas maakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּדִּים (baddim), ‘leugenpraters’: het woord komt zelden voor en de betekenis is niet zeker.

Het hoort waarschijnlijk bij בַּד (bad), ‘ijdel gepraat’.

קֹסְמִים (qosemim), ‘waarzeggers’: zoals in Deut. 18:10.

26die het woord van Zijn knecht bevestigt en de raad van Zijn boden volbrengt; die tegen Jeruzalem zegt: ‘Je zult bewoond worden’, en tegen de steden van Juda: ‘Jullie zullen herbouwd worden, en haar ruïnes zal Ik oprichten’;
מֵקִים֙
(meqim)
die bevestigt
דְּבַ֣ר
(devar)
het woord van
עַבְדּ֔וֹ
(avdo)
Zijn knecht
וַעֲצַ֥ת
(vaatsat)
en de raad van
מַלְאָכָ֖יו
(malakhav)
Zijn boden
יַשְׁלִ֑ים
(yashlim)
die volbrengt
הָאֹמֵ֨ר
(haomer)
die zegt
לִירוּשָׁלִַ֜ם
(lirushaliam)
tegen Jeruzalem
תּוּשָׁ֗ב
(tushav)
je zult bewoond worden
וּלְעָרֵ֤י
(ulearei)
en tegen de steden van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
תִּבָּנֶ֔ינָה
(tibaneina)
jullie zullen herbouwd worden
וְחָרְבוֹתֶ֖יהָ
(vecharevoteiha)
en haar ruïnes
אֲקוֹמֵֽם
(aqomem)
Ik zal oprichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

מַלְאָכָיו (mal’akhav), ‘Zijn boden’: het woord kan ook ‘Zijn engelen’ betekenen.

חָרְבוֹתֶיהָ (chorvoteha), ‘haar ruïnes’: de verwoeste plaatsen van de steden van Juda.

27die tegen de diepte zegt: ‘Wees droog, en Ik zal je rivieren laten opdrogen’;
הָאֹמֵ֥ר
(haomer)
die zegt
לַצּוּלָ֖ה
(latsula)
tegen de diepte
חֳרָ֑בִי
(choravi)
wees droog
וְנַהֲרֹתַ֖יִךְ
(venaharotayikh)
en je rivieren
אוֹבִֽישׁ
(ovish)
Ik zal laten opdrogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28die tegen Kores zegt: ‘Mijn herder, hij zal heel Mijn wil volbrengen’, en tegen Jeruzalem: ‘Je wordt herbouwd’, en tegen de tempel: ‘Je wordt gegrondvest.’”
הָאֹמֵ֤ר
(haomer)
die zegt
לְכ֨וֹרֶשׁ֙
(lekhoresh)
tegen Kores
רֹעִ֔י
(roi)
Mijn herder
וְכָל
(vekhal)
en heel
חֶפְצִ֖י
(cheftsi)
Mijn wil
יַשְׁלִ֑ם
(yashlim)
hij zal volbrengen
וְלֵאמֹ֤ר
(velemor)
en om te zeggen
לִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(lirushaliam)
tegen Jeruzalem
תִּבָּנֶ֔ה
(tibane)
je wordt herbouwd
וְהֵיכָ֖ל
(veheikhal)
en de tempel
תִּוָּסֵֽד
(tivased)
je wordt gegrondvest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

כּוֹרֶשׁ (Koresh), ‘Kores’: de koning van Perzië (vergelijk 2 Kron. 36:22–23).

Yahweh noemt hem ‘Mijn herder’.

Hij zal Zijn wil uitvoeren, ook bij de herbouw van Jeruzalem (zie 45:13).

הֵיכָל (heikhal), ‘tempel’: hier het huis van Yahweh in Jeruzalem.