Elohim Bijbel

Jesaja 10

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Wee over onrecht, Assyrië als knuppel van Yahweh en de terugkeer van de overgeblevenen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wee over onrechtvaardige wetten

1Wee hen die verordeningen van onheil vaststellen, en de schrijvers die ellende voorschrijven.
ה֥וֹי
(hoy)
wee
הַחֹֽקְקִ֖ים
(hachoqeqim)
die vaststellen
חִקְקֵי
(chiqqei)
verordeningen van
אָ֑וֶן
(aven)
onheil
וּֽמְכַתְּבִ֥ים
(umekhatevim)
en schrijvers
עָמָ֖ל
(amal)
ellende
כִּתֵּֽבוּ
(kitevu)
zij schrijven voor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חִקְקֵי אָוֶן (chiqqei aven), ‘verordeningen van onheil’: voorschriften die onheil brengen.

Het woord אָוֶן (aven) staat ook in de naam Bet-Awen, ‘huis van onheil’ (Hos. 4:15).

עָמָל (amal), ‘ellende’: ook ‘moeite’, ‘last’ of ‘leed’.

2Zij willen de armen van het recht afdringen en het recht van de ellendigen van mijn volk roven. Weduwen zullen hun buit zijn, en de wezen zullen zij plunderen.
לְהַטּ֤וֹת
(lehatot)
om af te dringen
מִדִּין֙
(midin)
van het recht
דַּלִּ֔ים
(dalim)
armen
וְלִגְזֹ֕ל
(veligzol)
en om te roven
מִשְׁפַּ֖ט
(mishpat)
het recht van
עֲנִיֵּ֣י
(aniyei)
de ellendigen van
עַמִּ֑י
(ami)
mijn volk
לִהְי֤וֹת
(lihyot)
opdat zij zijn
אַלְמָנוֹת֙
(almanot)
weduwen
שְׁלָלָ֔ם
(shelalam)
hun buit
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְתוֹמִ֖ים
(yetomim)
wezen
יָבֹֽזּוּ
(yavozu)
plunderen zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַמִּי (ammi), ‘mijn volk’: het Hebreeuws zegt niet uitdrukkelijk of Yahweh of Jesaja hier spreekt.

Wij laten het zwart staan, als woord van de profeet.

3Wat zullen jullie doen op de dag van de bestraffing, bij de ondergang die van ver komt? Naar wie vluchten jullie om hulp, en waar laten jullie jullie heerlijkheid achter?
וּמַֽה
(uma)
en wat
תַּעֲשׂוּ֙
(taasu)
zullen jullie doen
לְי֣וֹם
(leyom)
op de dag van
פְּקֻדָּ֔ה
(pequda)
de bestraffing
וּלְשׁוֹאָ֖ה
(uleshoa)
en bij de ondergang
מִמֶּרְחָ֣ק
(mimerchaq)
van ver
תָּב֑וֹא
(tavo)
die komt
עַל
(al)
op
מִי֙
(mi)
wie
תָּנ֣וּסוּ
(tanusu)
zullen jullie vluchten
לְעֶזְרָ֔ה
(leezra)
om hulp
וְאָ֥נָה
(veana)
en waar
תַעַזְב֖וּ
(taazvu)
laten jullie achter
כְּבוֹדְכֶֽם
(kevodekhem)
jullie heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּקֻדָּה (pequddah), ‘bestraffing’: de dag waarop Yahweh komt kijken en ter verantwoording roept.

Zo vertalen wij ook in Hos. 9:7.

Het werkwoord פָּקַד (paqad), ‘straffen’, staat in vers 12.

כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: hier het aanzien en de rijkdom waar zij op vertrouwen.

4Er blijft niets over dan zich te bukken onder de gevangenen, of te vallen onder de gedoden. Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt.
בִּלְתִּ֤י
(bilti)
behalve
כָרַע֙
(kara)
zich bukken
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
אַסִּ֔יר
(asir)
een gevangene
וְתַ֥חַת
(vetachat)
en onder
הֲרוּגִ֖ים
(harugim)
gedoden
יִפֹּ֑לוּ
(yipolu)
vallen zij
בְּכָל
(bekhal)
bij
זֹאת֙
(zot)
dit alles
לֹא
(lo)
niet
שָׁ֣ב
(shav)
is afgewend
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וְע֖וֹד
(veod)
en nog
יָד֥וֹ
(yado)
Zijn hand
נְטוּיָֽה
(netuya)
uitgestrekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּלְתִּי (bilti), ‘behalve’: dit begin van het vers is kort en moeilijk.

Wij vertalen zo dicht mogelijk bij de woorden: er blijft niets over dan buigen of vallen.

‘Ondanks dit alles is Zijn toorn niet afgewend, en Zijn hand is nog uitgestrekt’ is een refrein dat in Jesaja steeds terugkomt: Jes. 5:25, 9:11, 9:16 en 9:20 (overal ‘Ondanks dit alles’).

Wee Assyrië, de knuppel van Mijn toorn

5„Wee Assyrië, de knuppel van Mijn toorn. De staf in hun hand is Mijn gramschap.
ה֥וֹי
(hoy)
wee
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
knuppel van
אַפִּ֑י
(api)
Mijn toorn
וּמַטֶּה
(umate)
en een staf
ה֥וּא
(hu)
hij
בְיָדָ֖ם
(beyadam)
in hun hand
זַעְמִֽי
(zami)
Mijn gramschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

אַשּׁוּר (Ashur), ‘Assyrië’: het rijk dat Israël wegvoerde (2 Kon. 18:11) en daarna Juda bedreigde (2 Kon. 19:35–37).

שֵׁבֶט (shevet) en מַטֶּה (matteh): wij vertalen shevet met ‘knuppel’ (zoals in Jes. 9:3) en matteh met ‘staf’. Yahweh noemt Assyrië Zijn knuppel, het werktuig van Zijn toorn. Hier begint Yahweh te spreken; Zijn woorden staan rood.

6Ik stuur hem tegen een goddeloos volk. Tegen het volk van Mijn woede geef Ik hem bevel: buit te roven en roof te nemen, en het te vertrappen als modder van de straten.
בְּג֤וֹי
(begoy)
tegen een volk
חָנֵף֙
(chanef)
goddeloos
אֲשַׁלְּחֶ֔נּוּ
(ashalechenu)
Ik stuur hem
וְעַל
(veal)
en tegen
עַ֥ם
(am)
het volk van
עֶבְרָתִ֖י
(evrati)
Mijn woede
אֲצַוֶּ֑נּוּ
(atsavenu)
geef Ik hem bevel
לִשְׁלֹ֤ל
(lishlol)
om te roven
שָׁלָל֙
(shalal)
buit
וְלָבֹ֣ז
(velavoz)
en om te nemen
בַּ֔ז
(baz)
roof
וּלְשׂוּמ֥וֹ
(ulesumo)
en om het te maken
מִרְמָ֖ס
(mirmas)
tot vertrapping
כְּחֹ֥מֶר
(kechomer)
als modder van
חוּצֽוֹת
(chutsot)
straten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָנֵף (chanef), ‘goddeloos’: wie Elohim ontwijdt of zich van Hem afkeert.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וּלְשׂוּמוֹ (ulsumo), ‘en om het te maken’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft een andere vorm van hetzelfde werkwoord, met dezelfde betekenis.

7Maar zo bedoelt hij het niet, en zo denkt zijn hart het niet. Want in zijn hart wil hij vernietigen en volken uitroeien, niet weinige.
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
לֹא
(lo)
niet
כֵ֣ן
(ken)
zo
יְדַמֶּ֔ה
(yedame)
bedoelt hij
וּלְבָב֖וֹ
(ulevavo)
en zijn hart
לֹא
(lo)
niet
כֵ֣ן
(ken)
zo
יַחְשֹׁ֑ב
(yachshov)
denkt het
כִּ֚י
(ki)
want
לְהַשְׁמִ֣יד
(lehashmid)
om te vernietigen
בִּלְבָב֔וֹ
(bilvavo)
in zijn hart
וּלְהַכְרִ֥ית
(ulehakhrit)
en om uit te roeien
גּוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
לֹ֥א
(lo)
niet
מְעָֽט
(meat)
weinig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Want hij zegt: ‘Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
כִּ֖י
(ki)
want
יֹאמַ֑ר
(yomar)
hij zegt
הֲלֹ֥א
(halo)
niet
שָׂרַ֛י
(saray)
mijn vorsten
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
מְלָכִֽים
(melakhim)
koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de verzen 8–11 en 13–14 citeert Yahweh de woorden van de koning van Assyrië.

Daarom staan zij tussen enkele aanhalingstekens, binnen de rode toespraak van Yahweh.

Met ‘mijn’ en ‘ik’ in die verzen is de koning van Assyrië bedoeld.

9Is Kalno niet als Karkemis? Is Chamat niet als Arpad? Is Samaria niet als Damascus?
הֲלֹ֥א
(halo)
niet
כְּכַרְכְּמִ֖ישׁ
(kekharkemish)
zoals Karkemis
כַּלְנ֑וֹ
(kalno)
Kalno
אִם
(im)
of
לֹ֤א
(lo)
niet
כְאַרְפַּד֙
(kearpad)
zoals Arpad
חֲמָ֔ת
(chamat)
Chamat
אִם
(im)
of
לֹ֥א
(lo)
niet
כְדַמֶּ֖שֶׂק
(kedameseq)
zoals Damascus
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kalno (Kalne, Tell Tayinat?; ligging onzeker): Kalno (ook Kalne, Amos 6:2) wordt meestal gezocht bij Tell Tayinat, in de Amuq-vlakte in het zuidoosten van Turkije.

Dit is niet zeker.

Zie Karkemis (Jerablus): Karkemis lag aan de Eufraat, bij het huidige Jerablus, op de grens van Syrië en Turkije.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Zie Arpad (Tell Rifaat): Arpad wordt gezocht bij Tell Rifaat, ten noorden van Aleppo, in het noorden van Syrië.

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Uitleg

Kalno (כַּלְנוֹ), Karkemis, Chamat en Arpad: steden in het noorden, in Syrië en aan de Eufraat, die Assyrië had veroverd.

Het Hebreeuws schrijft hier Kalno, maar in Amos 6:2 en Gen. 10:10 Kalne (כַּלְנֵה).

Het is waarschijnlijk dezelfde stad; wij laten beide spellingen staan.

Voor Chamat en Arpad zie 2 Kon. 18:34 en 19:13.

De koning ziet Samaria als even zwak als Damascus: beide waren al gevallen.

10Zoals mijn hand de koninkrijken van de afgoden heeft bereikt, wier gesneden beelden talrijker waren dan die van Jeruzalem en Samaria,
כַּאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
מָצְאָ֣ה
(matsea)
heeft bereikt
יָדִ֔י
(yadi)
mijn hand
לְמַמְלְכֹ֖ת
(lemamlekhot)
de koninkrijken van
הָאֱלִ֑יל
(haelil)
de afgoden
וּפְסִ֣ילֵיהֶ֔ם
(ufesileihem)
en hun gesneden beelden
מִירֽוּשָׁלִַ֖ם
(mirushaliam)
meer dan Jeruzalem
וּמִשֹּׁמְרֽוֹן
(umishomeron)
en dan Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

אֱלִיל (elil), ‘afgod’: letterlijk ‘nietigheid’.

פְּסִיל (pesil), ‘gesneden beeld’.

In vers 11 staat עָצָב (atsav), ‘afgodsbeeld’.

De koning zegt: de goden van Jeruzalem en Samaria zijn niet sterker dan die van de volken die hij al verslagen heeft.

11zal ik niet, zoals ik Samaria en haar afgoden heb aangedaan, zo ook Jeruzalem en haar afgodsbeelden aandoen?’
הֲלֹ֗א
(halo)
niet
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֛יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
לְשֹׁמְר֖וֹן
(leshomeron)
aan Samaria
וְלֶאֱלִילֶ֑יהָ
(veleelileiha)
en aan haar afgoden
כֵּ֛ן
(ken)
zo
אֶעֱשֶׂ֥ה
(eese)
zal ik doen
לִירוּשָׁלִַ֖ם
(lirushaliam)
aan Jeruzalem
וְלַעֲצַבֶּֽיהָ
(velaatsabeiha)
en aan haar afgodsbeelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Yahweh straft de trots van de koning van Assyrië

12Het zal gebeuren wanneer de Heer al Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem heeft voltooid. Dan zal Ik de vrucht van het overmoedige hart van de koning van Assyrië straffen, en de pracht van zijn hooghartige ogen.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יְבַצַּ֤ע
(yevatsa)
voltooit
אֲדֹנָי֙
(adonay)
de Heer
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
מַֽעֲשֵׂ֔הוּ
(maasehu)
Zijn werk
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
וּבִירוּשָׁלִָ֑ם
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
אֶפְקֹ֗ד
(efqod)
zal Ik straffen
עַל
(al)
over
פְּרִי
(peri)
de vrucht van
גֹ֨דֶל֙
(godel)
de grootheid van
לְבַ֣ב
(levav)
het hart van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וְעַל
(veal)
en over
תִּפְאֶ֖רֶת
(tiferet)
de pracht van
ר֥וּם
(rum)
de hoogheid van
עֵינָֽיו
(einav)
zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: de titel staat hier zonder de naam Yahweh.

Zie verder bij vers 16.

פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: zie vers 3.

Eerst voltooit Yahweh Zijn werk op de berg Sion; daarna straft Hij de koning van Assyrië. Vergelijk 2 Kon. 19:35–37.

13Want hij heeft gezegd: ‘Met de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en met mijn wijsheid, want ik ben verstandig. Ik heb de grenzen van de volken verlegd en hun schatten geplunderd. Als een machtige heb ik de bewoners neergehaald.
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֗ר
(amar)
hij heeft gezegd
בְּכֹ֤חַ
(bekhoach)
met de kracht van
יָדִי֙
(yadi)
mijn hand
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
heb ik gedaan
וּבְחָכְמָתִ֖י
(uvechakhemati)
en met mijn wijsheid
כִּ֣י
(ki)
want
נְבֻנ֑וֹתִי
(nevunoti)
ik ben verstandig
וְאָסִ֣יר
(veasir)
en ik verlegde
גְּבוּלֹ֣ת
(gevulot)
de grenzen van
עַמִּ֗ים
(amim)
volken
וַעֲתוּדֽוֹתֵיהֶם֙
(vaatudoteihem)
en hun schatten
שׁוֹשֵׂ֔תִי
(shoseti)
heb ik geplunderd
וְאוֹרִ֥יד
(veorid)
en ik haalde neer
כַּאבִּ֖יר
(kabir)
als een machtige
יוֹשְׁבִֽים
(yoshevim)
de bewoners
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹשְׁבִים (yoshevim), ‘de bewoners’: het kan ook ‘zij die op tronen zitten’ betekenen.

אַבִּיר (abbir), ‘machtige’: het woord kan ook ‘stier’ betekenen.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וַעֲתוּדוֹתֵיהֶם (va'atudoteihem), ‘en hun schatten’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft een iets andere spelling van hetzelfde woord, met dezelfde betekenis.

14Als bij een nest heeft mijn hand de rijkdom van de volken gevonden. Zoals men verlaten eieren verzamelt, zo heb ik heel de aarde verzameld. Er was niemand die met de vleugel bewoog, de mond opende of piepte.’
וַתִּמְצָ֨א
(vatimtsa)
en vond
כַקֵּ֤ן
(kaqen)
als een nest
יָדִי֙
(yadi)
mijn hand
לְחֵ֣יל
(lecheil)
de rijkdom van
הָֽעַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
וְכֶאֱסֹף֙
(vekheesof)
en zoals men verzamelt
בֵּיצִ֣ים
(beitsim)
eieren
עֲזֻב֔וֹת
(azuvot)
verlaten
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
אֲנִ֣י
(ani)
ik
אָסָ֑פְתִּי
(asafti)
heb verzameld
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הָיָה֙
(haya)
was er
נֹדֵ֣ד
(noded)
beweger van
כָּנָ֔ף
(kanaf)
vleugel
וּפֹצֶ֥ה
(ufotse)
en opener van
פֶ֖ה
(pe)
mond
וּמְצַפְצֵֽף
(umetsaftsef)
en piepende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zal de bijl zich verheffen boven wie ermee hakt? Zal de zaag zich groter maken dan wie haar zwaait? Alsof een knuppel zwaait wie hem opheft, alsof een staf optilt wie geen hout is!”
הֲיִתְפָּאֵר֙
(hayitpaer)
zal zich verheffen
הַגַּרְזֶ֔ן
(hagarzen)
de bijl
עַ֖ל
(al)
boven
הַחֹצֵ֣ב
(hachotsev)
wie hakt
בּ֑וֹ
(bo)
met hem
אִם
(im)
of
יִתְגַּדֵּ֤ל
(yitgadel)
zal zich groter maken
הַמַּשּׂוֹר֙
(hamasor)
de zaag
עַל
(al)
boven
מְנִיפ֔וֹ
(menifo)
wie haar zwaait
כְּהָנִ֥יף
(kehanif)
zoals het zwaaien van
שֵׁ֨בֶט֙
(shevet)
een knuppel
וְאֶת
(veet)
(obj.)
מְרִימָ֔יו
(merimav)
die hem opheffen
כְּהָרִ֥ים
(keharim)
zoals het opheffen van
מַטֶּ֖ה
(mate)
een staf
לֹא
(lo)
niet
עֵֽץ
(ets)
hout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het vuur van de Heilige van Israël

16Daarom zal de Heer, Yahweh van de legermachten, magerheid zenden onder zijn welgevoeden. En onder zijn heerlijkheid zal een brand ontbranden, zoals vuur brandt.
לָ֠כֵן
(lakhen)
daarom
יְשַׁלַּ֨ח
(yeshalach)
zal zenden
הָאָד֜וֹן
(haadon)
de Heer
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֛וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בְּמִשְׁמַנָּ֖יו
(bemishmanav)
onder zijn welgevoeden
רָז֑וֹן
(razon)
magerheid
וְתַ֧חַת
(vetachat)
en onder
כְּבֹד֛וֹ
(kevodo)
zijn heerlijkheid
יֵקַ֥ד
(yeqad)
zal ontbranden
יְקֹ֖ד
(yeqod)
een brand
כִּיק֥וֹד
(kiqod)
als de brand van
אֵֽשׁ
(esh)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jes. 1:9, waar de uitleg bij deze naam staat.

הָאָדוֹן (ha'adon), ‘de Heer’: een titel van Yahweh, verwant met אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’. Voor ‘Heer Yahweh’ en ‘Heer Yahweh van de legermachten’ zie Jes. 3:15.

רָזוֹן (razon), ‘magerheid’: uitputting en kwijnen, het tegenovergestelde van ‘welgevoed’.

17Het Licht van Israël zal een vuur worden, en zijn Heilige een vlam. Het zal branden en zijn doornen en zijn doornstruiken verteren, in één dag.
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
אֽוֹר
(or)
het licht van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְאֵ֔שׁ
(leesh)
tot een vuur
וּקְדוֹשׁ֖וֹ
(uqedosho)
en zijn Heilige
לְלֶהָבָ֑ה
(lelehava)
tot een vlam
וּבָעֲרָ֗ה
(uvaara)
en het zal branden
וְאָֽכְלָ֛ה
(veakhela)
en verteren
שִׁית֥וֹ
(shito)
zijn doornen
וּשְׁמִיר֖וֹ
(ushemiro)
en zijn doornstruiken
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אוֹר יִשְׂרָאֵל (or Yisra'el), ‘het Licht van Israël’, en קְדוֹשׁוֹ (qedosho), ‘zijn Heilige’: namen van Yahweh.

‘Zijn’ verwijst hier naar Israël.

Vergelijk ‘de Heilige van Israël’ in vers 20.

שַׁיִת (shayit), ‘doornen’, en שָׁמִיר (shamir), ‘doornstruiken’: begroeiing van verwilderd land. Zo vertalen wij ook in Jes. 5:6, daar in omgekeerde volgorde (‘doornstruiken en doornen’), en in Jes. 7:23–25 en 9:17. Het is hier een beeld voor het leger van Assyrië.

18De heerlijkheid van zijn woud en van zijn boomgaardland zal Hij geheel vernietigen, van ziel tot vlees. Het zal zijn zoals wanneer een zieke wegkwijnt.
וּכְב֤וֹד
(ukhevod)
en de heerlijkheid van
יַעְרוֹ֙
(yaro)
zijn woud
וְכַרְמִלּ֔וֹ
(vekharmilo)
en zijn boomgaardland
מִנֶּ֥פֶשׁ
(minefesh)
van ziel
וְעַד
(vead)
en tot
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
יְכַלֶּ֑ה
(yekhale)
zal Hij vernietigen
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּמְסֹ֥ס
(kimsos)
als het wegkwijnen van
נֹסֵֽס
(noses)
een wegkwijnende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּרְמֶל (karmel), ‘boomgaardland’: vruchtbaar land met bomen en wijnstokken.

Het is hier geen naam; zo ook in Jes. 16:10.

מִנֶּפֶשׁ וְעַד בָּשָׂר (minnefesh ve'ad basar), ‘van ziel tot vlees’: helemaal, door en door.

כִּמְסֹס נֹסֵס (kimsos noses): het Hebreeuws is hier moeilijk. Wij vertalen ‘zoals wanneer een zieke wegkwijnt’. Het woord kan ook ‘vaandeldrager’ betekenen.

19De overgebleven bomen van zijn woud zijn te tellen. Een jongen kan ze opschrijven.
וּשְׁאָ֥ר
(ushear)
en de overgebleven
עֵ֛ץ
(ets)
bomen van
יַעְר֖וֹ
(yaro)
zijn woud
מִסְפָּ֣ר
(mispar)
te tellen
יִֽהְי֑וּ
(yihyu)
zullen zijn
וְנַ֖עַר
(venaar)
en een jongen
יִכְתְּבֵֽם
(yikhtevem)
zal ze opschrijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het woud is een beeld voor Assyrië.

Er blijven zo weinig bomen over dat een jongen ze kan opschrijven.

שְׁאָר (she'ar), ‘overgeblevenen’: hetzelfde woord als in de verzen 20–22. Hier gaat het om de bomen die overblijven.

De overgeblevenen keren terug

20Het zal gebeuren op die dag. De overgeblevenen van Israël en de ontkomenen van het huis van Jakob zullen niet meer steunen op wie hen sloeg. Zij zullen steunen op Yahweh, de Heilige van Israël, in waarheid.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יוֹסִ֨יף
(yosif)
zullen voortgaan
ע֜וֹד
(od)
meer
שְׁאָ֤ר
(shear)
de overgeblevenen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וּפְלֵיטַ֣ת
(ufeleitat)
en de ontkomenen van
בֵּֽית
(beit)
het huis van
יַעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
לְהִשָּׁעֵ֖ן
(lehishaen)
om te steunen
עַל
(al)
op
מַכֵּ֑הוּ
(makehu)
wie hen sloeg
וְנִשְׁעַ֗ן
(venishan)
maar zullen steunen
עַל
(al)
op
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בֶּאֱמֶֽת
(beemet)
in waarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאָר (she'ar), ‘de overgeblevenen’: wie na het oordeel overblijft.

Wij vertalen dit woord overal zo.

פְּלֵיטָה (peleitah) is ‘wie ontkomen is’.

קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra'el), ‘de Heilige van Israël’: een vaste naam voor Yahweh in Jesaja.

21De overgeblevenen zullen terugkeren, de overgeblevenen van Jakob, naar de Sterke El.
שְׁאָ֥ר
(shear)
de overgeblevenen
יָשׁ֖וּב
(yashuv)
zullen terugkeren
שְׁאָ֣ר
(shear)
de overgeblevenen van
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
אֶל
(el)
naar
אֵ֖ל
(el)
El
גִּבּֽוֹר
(gibor)
Sterke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאָר יָשׁוּב (she'ar yashuv), ‘de overgeblevenen zullen terugkeren’: dit zijn ook de woorden van de naam van de zoon van Jesaja, Sjear-Jasjoev (Jes. 7:3).

אֵל גִּבּוֹר (El gibbor), ‘de Sterke El’: een deel van de naam in Jes. 9:5. Het vers zegt dat de overgeblevenen terugkeren naar Hem.

22Want al is je volk, Israël, als het zand van de zee: de overgeblevenen ervan zullen terugkeren. Een vernietiging is besloten, overvloeiend van gerechtigheid.
כִּ֣י
(ki)
want
אִם
(im)
al
יִהְיֶ֞ה
(yihye)
is
עַמְּךָ֤
(amekha)
jouw volk
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
כְּח֣וֹל
(kechol)
als het zand van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
שְׁאָ֖ר
(shear)
de overgeblevenen
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
zullen terugkeren
בּ֑וֹ
(bo)
ervan
כִּלָּי֥וֹן
(kilayon)
vernietiging
חָר֖וּץ
(charuts)
is besloten
שׁוֹטֵ֥ף
(shotef)
overvloeiend
צְדָקָֽה
(tsedaqa)
van gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַמְּךָ (ammekha), ‘jouw volk’: het Hebreeuws noemt niet wie wordt aangesproken.

Wij laten het zo: ‘je volk, Israël’.

כִּלָּיוֹן (killayon), ‘vernietiging’: dezelfde stam als in vers 23 (kalah) en in vers 25 (tavlit).

Vers 22–23 wordt aangehaald in Rom. 9:27–28.

23Want een einde en een vastgesteld besluit voert Heer Yahweh van de legermachten uit, midden in heel het land.
כִּ֥י
(ki)
want
כָלָ֖ה
(kala)
een einde
וְנֶחֱרָצָ֑ה
(venecheratsa)
en een vastgesteld besluit
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
Heer
יְהוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
עֹשֶׂ֖ה
(ose)
voert uit
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
in het midden van
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (Adonai Yahweh Tsevaot), ‘Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jes. 3:15.

הָאָרֶץ (ha'arets) betekent ‘het land’ en ‘de aarde’. In vers 14 vertalen wij ‘de aarde’, hier ‘het land’.

Wees niet bang voor Assyrië

24Daarom, zo zegt Heer Yahweh van de legermachten: „Mijn volk, dat in Sion woont, wees niet bang voor Assyrië. Hij zal je met de knuppel slaan en zijn staf tegen je opheffen, op de wijze van Egypte.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
Heer
יְהוִה֙
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אַל
(al)
niet
תִּירָ֥א
(tira)
wees bang
עַמִּ֛י
(ami)
mijn volk
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
dat woont in
צִיּ֖וֹן
(tsiyon)
Sion
מֵֽאַשּׁ֑וּר
(meashur)
voor Assyrië
בַּשֵּׁ֣בֶט
(bashevet)
met de knuppel
יַכֶּ֔כָּה
(yakeka)
slaat hij je
וּמַטֵּ֥הוּ
(umatehu)
en zijn staf
יִשָּֽׂא
(yisa)
heft hij op
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
tegen jou
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
op de wijze van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

בְּדֶרֶךְ מִצְרָיִם (bederekh Mitsrayim), ‘op de wijze van Egypte’: derekh betekent ‘weg’ en ook ‘wijze’.

Assyrië onderdrukt Israël zoals Egypte vroeger deed (Exod. 1:11–14).

Het kan ook betekenen: ‘op de weg naar Egypte’.

Dit is het begin van een tweede rode toespraak; de eerste liep van vers 5 tot en met vers 15.

25Want nog maar even, heel even, dan komt de gramschap ten einde, en Mijn toorn richt zich op hun vernietiging.
כִּי
(ki)
want
ע֖וֹד
(od)
nog
מְעַ֣ט
(meat)
een weinig
מִזְעָ֑ר
(mizar)
een heel klein beetje
וְכָ֣לָה
(vekhala)
en komt ten einde
זַ֔עַם
(zaam)
de gramschap
וְאַפִּ֖י
(veapi)
en Mijn toorn
עַל
(al)
op
תַּבְלִיתָֽם
(tavlitam)
hun vernietiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּבְלִית (tavlit), ‘vernietiging’: het woord komt alleen hier voor.

Het is verwant met het werkwoord kalah, ‘ten einde komen’.

De betekenis is dus onzeker.

26Yahweh van de legermachten zal een gesel tegen hem zwaaien, zoals de slag tegen Midian bij de rots van Oreb. Zijn staf zal over de zee zijn, en Hij zal die opheffen, op de wijze van Egypte.
וְעוֹרֵ֨ר
(veorer)
en zal zwaaien
עָלָ֜יו
(alav)
tegen hem
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
שׁ֔וֹט
(shot)
een gesel
כְּמַכַּ֥ת
(kemakat)
zoals de slag van
מִדְיָ֖ן
(midyan)
Midian
בְּצ֣וּר
(betsur)
bij de rots van
עוֹרֵ֑ב
(orev)
Oreb
וּמַטֵּ֨הוּ֙
(umatehu)
en Zijn staf
עַל
(al)
over
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וּנְשָׂא֖וֹ
(unesao)
en Hij zal die opheffen
בְּדֶ֥רֶךְ
(bederekh)
op de wijze van
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Voor de slag tegen Midian bij de rots van Oreb zie Richt. 7:25.

Voor de staf over de zee zie Exod. 14:16.

27Het zal gebeuren op die dag: zijn last zal van je schouder wijken en zijn juk van je nek. En het juk zal vernield worden vanwege de olie.”
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
יָס֤וּר
(yasur)
zal wijken
סֻבֳּלוֹ֙
(subolo)
zijn last
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
שִׁכְמֶ֔ךָ
(shikhmekha)
je schouder
וְעֻלּ֖וֹ
(veulo)
en zijn juk
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
צַוָּארֶ֑ךָ
(tsavarekha)
je nek
וְחֻבַּ֥ל
(vechubal)
en wordt vernield
עֹ֖ל
(ol)
juk
מִפְּנֵי
(mipenei)
vanwege
שָֽׁמֶן
(shamen)
olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִפְּנֵי שָׁמֶן (mippenei shamen), ‘vanwege de olie’: het Hebreeuws is moeilijk.

‘Olie’ kan hier staan voor vetheid, kracht of zalving.

Wij laten de woorden letterlijk staan.

De vijand trekt naar Jeruzalem

28Hij is tegen Ajjat opgerukt. Hij is door Migron getrokken. In Mikmas legt hij zijn bagage neer.
בָּ֥א
(ba)
hij is gekomen
עַל
(al)
tegen
עַיַּ֖ת
(ayat)
Ajjat
עָבַ֣ר
(avar)
hij is doorgetrokken
בְּמִגְר֑וֹן
(bemigron)
door Migron
לְמִכְמָ֖שׂ
(lemikhmas)
in Mikmas
יַפְקִ֥יד
(yafqid)
legt hij neer
כֵּלָֽיו
(kelav)
zijn bagage
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ajjat (Ai; ligging onzeker): Ajjat is waarschijnlijk Ai, bij et-Tell of Khirbet el-Maqatir, ten noorden van Jeruzalem.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Migron (ligging onzeker): Migron lag bij Gibea in Benjamin.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba.

De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen.

Uitleg

In de verzen 28–32 trekt een vijand vanuit het noorden naar Jeruzalem.

De plaatsen liggen ten noorden van Jeruzalem, in het gebied van Benjamin.

Mikmas en Geba komen ook voor in 1 Sam. 13:16.

עַיַּת (Ayyat), ‘Ajjat’: waarschijnlijk een andere vorm van de naam Ai (Joz. 7:2).

29Zij zijn de pas overgetrokken: „Geba is ons nachtverblijf!” Rama beeft. Gibea van Saul is gevlucht.
עָֽבְרוּ֙
(averu)
zij zijn overgetrokken
מַעְבָּרָ֔ה
(mabara)
de pas
גֶּ֖בַע
(geva)
Geba
מָל֣וֹן
(malon)
nachtverblijf
לָ֑נוּ
(lanu)
voor ons
חָֽרְדָה֙
(chareda)
beeft
הָֽרָמָ֔ה
(harama)
Rama
גִּבְעַ֥ת
(givat)
Gibea van
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
נָֽסָה
(nasa)
is gevlucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin.

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.

Uitleg

‘Geba is ons nachtverblijf’: het Hebreeuws zegt hier ‘voor ons’.

Wij nemen aan dat het de woorden van de vijand zijn.

Gibea van Saul: zie 1 Sam. 11:4.

30Laat je stem schallen, dochter van Gallim. Luister, Laïsa. Arm Anatot.
צַהֲלִ֥י
(tsahali)
laat schallen
קוֹלֵ֖ךְ
(qolekh)
je stem
בַּת
(bat)
dochter van
גַּלִּ֑ים
(galim)
Gallim
הַקְשִׁ֥יבִי
(haqshivi)
luister
לַ֖יְשָׁה
(laysha)
Laïsa
עֲנִיָּ֥ה
(aniya)
arm
עֲנָתֽוֹת
(anatot)
Anatot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gallim (ligging onzeker): Gallim lag bij Gibea, ten noorden van Jeruzalem (Jesaja 10:30).

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Laïsa (ligging onzeker): Laïsa lag bij Anatot en Gallim, ten noorden van Jeruzalem, op de weg van de Assyrische opmars.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

בַּת גַּלִּים (bat Gallim), ‘dochter van Gallim’: de plaats wordt als een vrouw aangesproken.

Gallim, Laïsa (לַיְשָׁה, Layshah) en Anatot liggen ten noorden van Jeruzalem.

De ligging van Gallim en Laïsa is niet zeker.

Anatot: zie 1 Kon. 2:26.

עֲנִיָּה (aniyyah), ‘arm’: het woord kan ook ‘antwoord haar’ betekenen. Wij kiezen ‘arm’.

31Madmena is gevlucht. De inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
נָדְדָ֖ה
(nadeda)
is gevlucht
מַדְמֵנָ֑ה
(madmena)
Madmena
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
inwoners van
הַגֵּבִ֖ים
(hagevim)
Gebim
הֵעִֽיזוּ
(heizu)
brengen zich in veiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Madmena (ligging onzeker): Madmena lag ten noorden van Jeruzalem, op de weg van de Assyrische opmars.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Gebim (ligging onzeker): Gebim lag ten noorden van Jeruzalem, op de weg van de Assyrische opmars.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

Madmena en Gebim zijn kleine plaatsen bij Jeruzalem.

Hun ligging is onzeker.

Zie ookJoz 15:31
32Nog vandaag blijft hij in Nob staan. Hij zwaait met zijn hand naar de berg van Dochter Sion, de heuvel van Jeruzalem.
ע֥וֹד
(od)
nog
הַיּ֖וֹם
(hayom)
vandaag
בְּנֹ֣ב
(benov)
in Nob
לַֽעֲמֹ֑ד
(laamod)
om te blijven staan
יְנֹפֵ֤ף
(yenofef)
zwaait hij
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
הַ֣ר
(har)
berg van
בַּת
(bat)
Dochter
צִיּ֔וֹן
(tsiyon)
Sion
גִּבְעַ֖ת
(givat)
heuvel van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg).

Dit is niet zeker.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Nob was de stad van de priesters (1 Sam. 21:2).

Zij lag vermoedelijk op de bergrug ten noorden van Jeruzalem, in het zicht van de stad.

בַּת צִיּוֹן (bat Tsiyyon), ‘Dochter Sion’: Jeruzalem als een vrouw.

Lezing

Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) בַּת (bat), ‘dochter’.

De geschreven tekst (ketiv) heeft בית (beit), ‘huis van Sion’.

Yahweh hakt het woud om

33Zie, de Heer, Yahweh van de legermachten, kapt de takken af met schrikwekkende kracht. De hooggegroeiden worden omgehouwen, en de verhevenen worden neergehaald.
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
הָאָדוֹן֙
(haadon)
de Heer
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
מְסָעֵ֥ף
(mesaef)
kapt af
פֻּארָ֖ה
(pura)
de takken
בְּמַעֲרָצָ֑ה
(bemaaratsa)
met schrikwekkende kracht
וְרָמֵ֤י
(veramei)
en de hoogsten van
הַקּוֹמָה֙
(haqoma)
gestalte
גְּדוּעִ֔ים
(geduim)
omgehouwen
וְהַגְּבֹהִ֖ים
(vehagevohim)
en de verhevenen
יִשְׁפָּֽלוּ
(yishpalu)
worden neergehaald
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲרָצָה (ma'aratsah), ‘met schrikwekkende kracht’: het woord komt alleen hier voor en hangt samen met ‘doen schrikken’.

34Het struikgewas van het woud wordt met ijzer weggehakt, en de Libanon valt door een machtige.
וְנִקַּ֛ף
(veniqaf)
en wordt weggehakt
סִֽבְכֵ֥י
(sivkhei)
het struikgewas van
הַיַּ֖עַר
(hayaar)
het woud
בַּבַּרְזֶ֑ל
(babarzel)
met ijzer
וְהַלְּבָנ֖וֹן
(vehalevanon)
en de Libanon
בְּאַדִּ֥יר
(beadir)
door een machtige
יִפּֽוֹל
(yipol)
valt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַדִּיר (addir), ‘een machtige’: het Hebreeuws zegt niet wie bedoeld wordt.

Het kan Yahweh zijn, maar ook de machtige bomen zelf.

De Libanon met zijn hoge bomen is hier een beeld van de trotse machthebbers.