Open in de app Alle boeken Psalmen ← 17 19 → Psalmen 18 Davids lied van dank voor Yahweh
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Opschrift 1 Voor de koorleider, van de dienaar van Yahweh, van David, die de woorden van dit lied tot Yahweh sprak. Dat was op de dag dat Yahweh hem redde uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.
לַמְנַצֵּ֤חַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
לְעֶ֥בֶד
(leeved)
van de dienaar van
לְדָ֫וִ֥ד
(ledavid)
van David
לַיהוָ֗ה
(laYahweh)
tot Yahweh
דִּ֭בְרֵי
(divrei)
de woorden van
הַשִּׁירָ֣ה
(hashira)
het lied
מִכַּ֥ף
(mikaf)
uit de hand van
אֹ֝יְבָ֗יו
(oyevav)
zijn vijanden
וּמִיַּ֥ד
(umiyad)
en uit de hand van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In de Hebreeuwse telling is het opschrift vers 1; Nederlandse bijbels beginnen te tellen na het opschrift.
Dit lied staat ook in 2 Sam. 22. De twee teksten zijn bijna gelijk; ze verschillen op veel plaatsen, onder meer in vers 8, 11, 16, 46 en 51.
לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: onzeker, zie bij Ps. 4:1.
עֶבֶד יְהוָה (eved Yahweh), ‘dienaar van Yahweh’: een eretitel. Het opschrift verwijst naar de dag dat Yahweh David redde van Saul; zie 2 Sam. 22:1 en 1 Sam. 19:10.
Ik heb U innig lief 2 Hij zei: „Ik heb U innig lief, Yahweh, mijn kracht.
וַיֹּאמַ֡ר
(vayomar)
en hij zei
אֶרְחָמְךָ֖
(erchamekha)
ik heb innig lief
חִזְקִֽי
(chizqi)
mijn kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶרְחָמְךָ (ercham’cha), ‘ik heb U innig lief’: van רַחַם (racham), ‘teder liefhebben’, verwant met רֶחֶם (rechem), ‘baarmoeder’.
Het werkwoord staat in deze vorm alleen hier.
Het vers ontbreekt in 2 Sam. 22.
3 Yahweh is mijn rots, mijn burcht en mijn bevrijder. Mijn El is mijn rots; bij Hem schuil ik. Hij is mijn schild en de hoorn van mijn redding, mijn hoge schuilplaats.
וּמְצוּדָתִ֗י
(umetsudati)
en mijn burcht
וּמְפַ֫לְטִ֥י
(umefalti)
en mijn bevrijder
אֶֽחֱסֶה
(echese)
ik schuil
מָֽגִנִּ֥י
(magini)
mijn schild
וְקֶֽרֶן
(veqeren)
en de hoorn van
יִ֝שְׁעִ֗י
(yishi)
mijn redding
מִשְׂגַּבִּֽי
(misgabi)
mijn hoge schuilplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֶלַע (sela) en צוּר (tsur) worden allebei ‘rots’: sela is een steile rotswand, tsur een vaste rots.
קֶרֶן (qeren), ‘hoorn’: kracht.
אֵל (El): een korte vorm van Elohim.
Vergelijk 2 Sam. 22:2–3, met kleine verschillen.
4 Ik roep Yahweh aan, die lof waard is, en word gered van mijn vijanden.
מְ֭הֻלָּל
(mehulal)
de lofwaardige
אֶקְרָ֣א
(eqra)
ik roep aan
אֹ֝יְבַ֗י
(oyevay)
mijn vijanden
אִוָּשֵֽׁעַ
(ivashea)
ik word gered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De nood en de hulpkreet 5 De touwen van de dood omringden mij. De stromen van Belial joegen mij schrik aan.
אֲפָפ֥וּנִי
(afafuni)
omringden mij
חֶבְלֵי
(chevlei)
de touwen van
וְֽנַחֲלֵ֖י
(venachalei)
en de stromen van
בְלִיַּ֣עַל
(beliyaal)
Belial
יְבַֽעֲתֽוּנִי
(yevaatuni)
zij joegen mij schrik aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶבְלֵי (chevlei), ‘touwen’: het woord kan ook ‘weeën’ betekenen.
Wij vertalen ‘touwen’, zoals in vers 6.
בְּלִיַּעַל (beliyya’al), ‘Belial’: letterlijk ‘waardeloosheid’, het onheil dat naar beneden trekt. Zie ook 1 Sam. 2:12.
6 De touwen van Sjeol omringden mij. De strikken van de dood kwamen mij tegemoet.
חֶבְלֵ֣י
(chevlei)
de touwen van
סְבָב֑וּנִי
(sevavuni)
omringden mij
קִ֝דְּמ֗וּנִי
(qidemuni)
kwamen mij tegemoet
מ֣וֹקְשֵׁי
(moqeshei)
de strikken van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk, zie bij Ps. 6:6.
De dood en Sjeol worden voorgesteld als jagers met touwen en strikken.
7 In mijn nood riep ik Yahweh aan, en tot mijn Elohim riep ik om hulp. Vanuit Zijn tempel hoorde Hij mijn stem. Mijn hulpgeroep kwam voor Zijn aangezicht, in Zijn oren.
אֶֽקְרָ֣א
(eqra)
ik riep aan
אֱלֹהַ֪י
(elohay)
mijn Elohim
אֲשַׁ֫וֵּ֥עַ
(ashavea)
ik riep om hulp
יִשְׁמַ֣ע
(yishma)
Hij hoorde
מֵהֵיכָל֣וֹ
(meheikhalo)
vanuit Zijn tempel
וְ֝שַׁוְעָתִ֗י
(veshavati)
en mijn hulpgeroep
לְפָנָ֤יו
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
בְאָזְנָֽיו
(beazenav)
in Zijn oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: hier de hemelse tempel, waar Yahweh troont.
Zie ook Ps. 11:4.
Yahweh komt 8 Toen schudde en beefde de aarde. De grondvesten van de bergen trilden en schudden, want Hij was ontbrand.
וַתִּגְעַ֬שׁ
(vatigash)
en schudde
וַתִּרְעַ֨שׁ
(vatirash)
en beefde
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
וּמוֹסְדֵ֣י
(umosedei)
en de grondvesten van
יִרְגָּ֑זוּ
(yirgazu)
trilden
וַ֝יִּתְגָּֽעֲשׁ֗וּ
(vayitgaashu)
en schudden
חָ֥רָה
(chara)
was ontbrand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 8–16 beschrijven Yahweh die uit de hemel komt om te redden, met aardbeving, vuur, donder en storm.
Vergelijk Richt. 5:4 en Exod. 19:18.
Lezing
Hier staat ‘de grondvesten van de bergen’; 2 Sam. 22:8 heeft ‘de grondvesten van de hemel’.
9 Rook steeg op uit Zijn neus. Vuur uit Zijn mond verteerde. Kolen brandden van Hem uit.
בְּאַפּ֗וֹ
(beapo)
uit Zijn neus
מִפִּ֥יו
(mipiv)
uit Zijn mond
תֹּאכֵ֑ל
(tokhel)
verteerde
גֶּ֝חָלִ֗ים
(gechalim)
kolen
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
van Hem uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10 Hij boog de hemel en daalde neer. Donkere wolken waren onder Zijn voeten.
וַיֵּ֣ט
(vayet)
en Hij boog
וַיֵּרַ֑ד
(vayerad)
en daalde neer
וַ֝עֲרָפֶ֗ל
(vaarafel)
en donkere wolken
רַגְלָֽיו
(raglav)
Zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11 Hij reed op een cherub en vloog. Hij zweefde op de vleugels van de wind.
וַיִּרְכַּ֣ב
(vayirkav)
en Hij reed
כְּ֭רוּב
(keruv)
een cherub
וַיָּעֹ֑ף
(vayaof)
en vloog
וַ֝יֵּ֗דֶא
(vayede)
en zweefde
כַּנְפֵי
(kanfei)
de vleugels van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּרוּב (kerub), ‘cherub’: een hemels wezen dat bij de troon van Yahweh hoort.
Zie ook Gen. 3:24 en Exod. 25:20.
Lezing
וַיֵּדֶא (vayyede), ‘Hij zweefde’; 2 Sam. 22:11 heeft וַיֵּרָא (vayyera), ‘Hij werd gezien’.
De twee woorden lijken op elkaar.
Wij volgen de Masoretische tekst.
12 Hij maakte de duisternis tot Zijn schuilplaats. Rondom Hem was Zijn hut: donkere wateren, dikke wolken van de wolkenhemel.
יָ֤שֶׁת
(yashet)
Hij maakte
חֹ֨שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
סִתְר֗וֹ
(sitro)
Zijn schuilplaats
סְבִֽיבוֹתָ֥יו
(sevivotav)
rondom Hem
סֻכָּת֑וֹ
(sukato)
Zijn hut
חֶשְׁכַת
(cheshkhat)
donkerte van
שְׁחָקִֽים
(shechaqim)
de wolkenhemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Uit de glans voor Hem trokken Zijn wolken voorbij: hagel en kolen van vuur.
מִנֹּ֗גַהּ
(minogah)
uit de glans
נֶ֫גְדּ֥וֹ
(negdo)
voor Hem
עָבְר֑וּ
(averu)
trokken voorbij
וְגַֽחֲלֵי
(vegachalei)
en kolen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Yahweh donderde in de hemel. De Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en kolen van vuur.
וַיַּרְעֵ֬ם
(vayarem)
en Hij donderde
בַּשָּׁמַ֨יִם
(bashamayim)
in de hemel
וְ֭עֶלְיוֹן
(veelyon)
en de Allerhoogste
וְגַֽחֲלֵי
(vegachalei)
en kolen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֶלְיוֹן (Eljon), ‘de Allerhoogste’: zie bij Ps. 7:18.
15 Hij zond Zijn pijlen en verstrooide hen, vele bliksems, en bracht hen in verwarring.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en Hij zond
חִ֭צָּיו
(chitsav)
Zijn pijlen
וַיְפִיצֵ֑ם
(vayfitsem)
en verstrooide hen
וּבְרָקִ֥ים
(uveraqim)
en bliksems
וַיְהֻמֵּֽם
(vayhumem)
en bracht in verwarring
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 De beddingen van de wateren werden gezien. De grondvesten van de wereld werden blootgelegd door Uw bestraffing, Yahweh, door het blazen van de adem van Uw neus.
וַיֵּ֤רָא֨וּ
(vayerau)
en werden gezien
אֲפִ֥יקֵי
(afiqei)
de beddingen van
וַֽיִּגָּלוּ֮
(vayigalu)
en werden blootgelegd
מוֹסְד֪וֹת
(mosedot)
de grondvesten van
מִגַּעֲרָ֣תְךָ֣
(migaaratekha)
door Uw bestraffing
מִ֝נִּשְׁמַ֗ת
(minishmat)
door het blazen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Hier staat ‘de beddingen van de wateren’ (afiqei mayim); 2 Sam. 22:16 heeft ‘de beddingen van de zee’ (afiqei yam).
רוּחַ (ruach), hier ‘adem’: de adem van Yahweh, als een storm.
Yahweh trekt mij uit de wateren 17 Hij reikte neer uit de hoogte. Hij nam mij. Hij trok mij uit grote wateren.
יִשְׁלַ֣ח
(yishlach)
Hij reikte
מִ֭מָּרוֹם
(mimarom)
uit de hoogte
יִקָּחֵ֑נִי
(yiqacheni)
nam mij
יַֽ֝מְשֵׁ֗נִי
(yamsheni)
trok mij
מִמַּ֥יִם
(mimayim)
uit wateren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָשָׁה (mashah), ‘trekken’: uit het water trekken.
Hetzelfde stamwoord ligt onder de naam Mozes (Exod. 2:10).
18 Hij redde mij van mijn sterke vijand en van wie mij haatten, want zij waren te sterk voor mij.
יַצִּילֵ֗נִי
(yatsileni)
Hij redde mij
מֵאֹיְבִ֥י
(meoyevi)
van mijn vijand
וּ֝מִשֹּׂנְאַ֗י
(umisoneay)
en van wie mij haatten
אָמְצ֥וּ
(ametsu)
zij waren te sterk
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 Zij kwamen mij tegemoet op de dag van mijn ramp. Maar Yahweh werd mijn steun.
יְקַדְּמ֥וּנִי
(yeqademuni)
zij kwamen mij tegemoet
בְיוֹם
(beyom)
op de dag van
לְמִשְׁעָ֣ן
(lemishan)
tot steun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20 Hij bracht mij naar de ruimte. Hij bevrijdde mij, want Hij had behagen in mij.
וַיּוֹצִיאֵ֥נִי
(vayotsieni)
en Hij bracht mij uit
לַמֶּרְחָ֑ב
(lamerchav)
naar de ruimte
יְ֝חַלְּצֵ֗נִי
(yechaletseni)
Hij bevrijdde mij
חָ֥פֵֽץ
(chafets)
Hij had behagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Yahweh beloont mij 21 Yahweh beloonde mij naar mijn gerechtigheid. Naar de reinheid van mijn handen gaf Hij mij terug.
יִגְמְלֵ֣נִי
(yigmeleni)
Hij beloonde mij
כְּצִדְקִ֑י
(ketsidqi)
naar mijn gerechtigheid
כְּבֹ֥ר
(kevor)
naar de reinheid van
יָ֝דַ֗י
(yaday)
mijn handen
יָשִׁ֥יב
(yashiv)
Hij gaf terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Davids ‘gerechtigheid’ en ‘reinheid van handen’ gaan over zijn onschuld tegenover Saul en zijn andere vijanden.
Zie ook 1 Sam. 26:23.
בֹּר (bor), ‘reinheid’: zuiverheid van iemands daden.
22 Want ik heb de wegen van Yahweh bewaard. Ik ben niet goddeloos van mijn Elohim afgeweken.
שָׁ֭מַרְתִּי
(shamarti)
ik heb bewaard
דַּרְכֵ֣י
(darkhei)
de wegen van
רָ֝שַׁ֗עְתִּי
(rashati)
ben ik goddeloos geweest
מֵאֱלֹהָֽי
(meelohay)
van mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23 Want al Zijn rechten staan voor mij. Van Zijn voorschriften wijk ik niet af.
מִשְׁפָּטָ֣יו
(mishpatav)
Zijn rechten
לְנֶגְדִּ֑י
(lenegdi)
voor mij
וְ֝חֻקֹּתָ֗יו
(vechuqotav)
en Zijn voorschriften
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechten’, en חֻקּוֹת (chuqqot), ‘voorschriften’: de regels uit de wet van Yahweh.
24 Ik was onberispelijk bij Hem en hoedde mij voor mijn schuld.
תָמִ֣ים
(tamim)
onberispelijk
וָ֝אֶשְׁתַּמֵּ֗ר
(vaeshtamer)
en ik hoedde mij
מֵעֲוֺנִֽי
(meavoni)
voor mijn schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25 Yahweh gaf mij terug naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid van mijn handen voor Zijn ogen.
וַיָּֽשֶׁב
(vayashev)
en gaf terug
כְצִדְקִ֑י
(ketsidqi)
naar mijn gerechtigheid
כְּבֹ֥ר
(kevor)
naar de reinheid van
יָ֝דַ֗י
(yaday)
mijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Yahweh tegenover mensen 26 Tegenover een getrouwe toont U Zich trouw. Tegenover een onberispelijke man toont U Zich onberispelijk.
חָסִ֥יד
(chasid)
een getrouwe
תִּתְחַסָּ֑ד
(titchasad)
toont U Zich trouw
תָּ֝מִ֗ים
(tamim)
onberispelijk
תִּתַּמָּֽם
(titamam)
toont U Zich onberispelijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De verzen 26 en 27 zeggen hoe Yahweh Zich verhoudt tot mensen: Hij beantwoordt hun houding.
Het Hebreeuws gebruikt hier steeds dezelfde stam met steeds een andere vorm: getrouw (chasid, titchassad), onberispelijk (tamim, titammam), rein (navar, titbarar).
‘Gekronkeld’ (titpattal) bij de kromme is Hebreeuws woordspel.
27 Tegenover een reine toont U Zich rein. Tegenover een kromme toont U Zich gekronkeld.
תִּתְבָּרָ֑ר
(titbarar)
toont U Zich rein
עִ֝קֵּ֗שׁ
(iqesh)
een kromme
תִּתְפַּתָּֽל
(titpatal)
toont U Zich gekronkeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28 Want U redt een ellendig volk, maar hoge ogen vernedert U.
וְעֵינַ֖יִם
(veeinayim)
en ogen
תַּשְׁפִּֽיל
(tashpil)
vernedert U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָנִי (ani), ‘ellendige’: zie bij Ps. 12:6.
Yahweh geeft kracht in de oorlog 29 Want U laat mijn lamp schijnen, Yahweh. Mijn Elohim maakt mijn duisternis helder.
תָּאִ֣יר
(tair)
laat schijnen
אֱ֝לֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
יַגִּ֥יהַּ
(yagiha)
maakt helder
חָשְׁכִּֽי
(chashki)
mijn duisternis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30 Want met U ren ik tegen een bende aan. Met mijn Elohim spring ik over een muur.
וּ֝בֵֽאלֹהַ֗י
(uvelohay)
en met mijn Elohim
אֲדַלֶּג
(adaleg)
spring ik
שֽׁוּר
(shur)
over een muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גְּדוּד (gedud), ‘bende’: een groep strijders of rovers.
31 Wat El betreft: Zijn weg is onberispelijk. Het woord van Yahweh is gelouterd. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen.
תָּמִ֪ים
(tamim)
onberispelijk
דַּ֫רְכּ֥וֹ
(darko)
Zijn weg
אִמְרַֽת
(imrat)
het woord van
צְרוּפָ֑ה
(tserufa)
gelouterd
הַחֹסִ֬ים
(hachosim)
die schuilen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִמְרַת יְהוָה צְרוּפָה (imrat Yahweh tseruphah), ‘het woord van Yahweh is gelouterd’: zie Ps. 12:7.
32 Want wie is Eloah, behalve Yahweh? En wie is een rots, behalve onze Elohim?
מִבַּלְעֲדֵ֣י
(mibaladei)
behalve
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלוֹהַּ (Eloah): enkelvoud van Elohim.
Wij laten ‘Eloah’ staan, zoals in Job.
33 Het is El die mij met kracht omgordt en mijn weg onberispelijk maakt.
הַמְאַזְּרֵ֣נִי
(hamazereni)
die mij omgordt
וַיִּתֵּ֖ן
(vayiten)
en maakt
תָּמִ֣ים
(tamim)
onberispelijk
דַּרְכִּֽי
(darki)
mijn weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34 Hij maakt mijn voeten als die van hinden. Hij laat mij staan op mijn hoogten.
מְשַׁוֶּ֣ה
(meshave)
Hij maakt
רַ֭גְלַי
(raglay)
mijn voeten
כָּאַיָּל֑וֹת
(kaayalot)
als hinden
בָּ֝מֹתַ֗י
(bamotay)
mijn hoogten
יַעֲמִידֵֽנִי
(yaamideni)
laat Hij mij staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַיָּלוֹת (ayyalot), ‘hinden’: vrouwelijke herten, snel en zeker op bergpaden.
‘Mijn hoogten’: de bergruggen.
35 Hij leert mijn handen de oorlog. Mijn armen spannen een koperen boog.
מְלַמֵּ֣ד
(melamed)
Hij leert
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
de oorlog
וְֽנִחֲתָ֥ה
(venichata)
en spannen
נְ֝חוּשָׁ֗ה
(nechusha)
koperen
זְרוֹעֹתָֽי
(zerootay)
mijn armen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36 U geeft mij het schild van Uw redding. Uw rechterhand ondersteunt mij en Uw zachtmoedigheid maakt mij groot.
וַתִּתֶּן
(vatiten)
en U geeft
יִ֫שְׁעֶ֥ךָ
(yishekha)
Uw redding
וִֽימִינְךָ֥
(viminekha)
en Uw rechterhand
תִסְעָדֵ֑נִי
(tisadeni)
ondersteunt mij
וְֽעַנְוַתְךָ֥
(veanvatkha)
en Uw zachtmoedigheid
תַרְבֵּֽנִי
(tarbeni)
maakt mij groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַנְוָה (anvah), ‘zachtmoedigheid’: de neerbuigende goedheid van Yahweh tot de kleine mens.
Het woord kan ook ‘nederigheid’ betekenen.
37 U maakt mijn stappen ruim onder mij. Mijn enkels wankelden niet.
תַּרְחִ֣יב
(tarchiv)
U maakt ruim
צַעֲדִ֣י
(tsaadi)
mijn stappen
תַחְתָּ֑י
(tachtay)
onder mij
מָ֝עֲד֗וּ
(maadu)
zijn gewankeld
קַרְסֻלָּֽי
(qarsulay)
mijn enkels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De overwinning op de vijanden 38 Ik achtervolg mijn vijanden en haal hen in. Ik keer niet terug voordat zij vernietigd zijn.
אֶרְדּ֣וֹף
(erdof)
ik achtervolg
א֭וֹיְבַי
(oyevay)
mijn vijanden
וְאַשִּׂיגֵ֑ם
(veasigem)
en haal hen in
אָ֝שׁוּב
(ashuv)
keer ik terug
כַּלּוֹתָֽם
(kalotam)
zij vernietigd zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39 Ik verbrijzel hen, zodat zij niet kunnen opstaan. Zij vallen onder mijn voeten.
אֶ֭מְחָצֵם
(emchatsem)
ik verbrijzel hen
יֻ֣כְלוּ
(yukhlu)
kunnen zij
יִ֝פְּל֗וּ
(yipelu)
zij vallen
רַגְלָֽי
(raglay)
mijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40 U omgordt mij met kracht voor de oorlog. U laat mijn tegenstanders onder mij knielen.
וַתְּאַזְּרֵ֣נִי
(vateazereni)
en U omgordt mij
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
voor de oorlog
תַּכְרִ֖יעַ
(takhria)
U laat knielen
קָמַ֣י
(qamay)
mijn tegenstanders
תַּחְתָּֽי
(tachtay)
onder mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41 U laat mijn vijanden mij de rug toekeren. Wie mij haten, roei ik uit.
וְֽאֹיְבַ֗י
(veoyevay)
en mijn vijanden
וּ֝מְשַׂנְאַ֗י
(umesanay)
en wie mij haten
אַצְמִיתֵֽם
(atsmitem)
vernietig ik hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֹרֶף (oref), ‘nek’: ‘iemand de nek geven’ is hem de rug toekeren om te vluchten.
42 Zij roepen om hulp, maar er is geen redder. Zij roepen tot Yahweh, maar Hij antwoordt hen niet.
יְשַׁוְּע֥וּ
(yeshaveu)
zij roepen om hulp
וְאֵין
(veein)
en er is niet
מוֹשִׁ֑יעַ
(moshia)
een redder
עָנָֽם
(anam)
antwoordt Hij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43 Ik vermaal hen als stof voor de wind. Als straatmodder giet ik hen uit.
וְֽאֶשְׁחָקֵ֗ם
(veeshchaqem)
en ik vermaal hen
כְּעָפָ֥ר
(keafar)
als stof
פְּנֵי
(penei)
het gezicht van
כְּטִ֖יט
(ketit)
als modder van
אֲרִיקֵֽם
(ariqem)
giet ik hen uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲרִיקֵם (ariqem), ‘ik giet hen uit’: letterlijk ‘ik maak hen leeg’.
44 U laat mij ontkomen aan de twisten van het volk. U maakt mij tot hoofd van de volken. Een volk dat ik niet kende, dient mij.
תְּפַלְּטֵנִי֮
(tefaleteni)
U laat mij ontkomen
מֵרִ֪יבֵ֫י
(merivei)
aan de twisten van
תְּ֭שִׂימֵנִי
(tesimeni)
U maakt mij
לְרֹ֣אשׁ
(lerosh)
tot hoofd van
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
ik kende
יַֽעַבְדֽוּנִי
(yaavduni)
dient mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45 Zodra het oor het hoort, gehoorzamen zij mij. Vreemden veinzen onderworpenheid aan mij.
לְשֵׁ֣מַֽע
(leshema)
bij het horen van
יִשָּׁ֣מְעוּ
(yishameu)
gehoorzamen zij
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
נֵ֝כָ֗ר
(nekhar)
de vreemde
יְכַחֲשׁוּ
(yekhachashu)
veinzen onderworpenheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְכַחֲשׁוּ (yechachashu), ‘veinzen’: zich onderdanig gedragen zonder het te menen.
46 Vreemden verwelken. Sidderend komen zij uit hun burchten.
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
יִבֹּ֑לוּ
(yibolu)
verwelken
וְ֝יַחְרְג֗וּ
(veyachregu)
en komen sidderend
מִֽמִּסְגְּרֽוֹתֵיהֶֽם
(mimisgeroteihem)
uit hun burchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
2 Sam. 22:46 heeft ויחגרו (vayachgeru): dezelfde letters als hier (ויחרגו ), met twee letters verwisseld.
De betekenis is dezelfde: zij komen angstig tevoorschijn.
Lofprijs voor Yahweh 47 Yahweh leeft! Gezegend is mijn rots! Verheven zij de Elohim van mijn redding.
וּבָר֣וּךְ
(uvarukh)
en gezegend
וְ֝יָר֗וּם
(veyarum)
en verheven zij
אֱלוֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׁעִֽי
(yishi)
mijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
48 Het is El die mij wraak geeft en volken onder mij onderwerpt.
הַנּוֹתֵ֣ן
(hanoten)
die geeft
וַיַּדְבֵּ֖ר
(vayadber)
en onderwerpt
תַּחְתָּֽי
(tachtay)
onder mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיַּדְבֵּר (vayadber), ‘onderwerpen’: een zeldzame vorm van een stam die ‘achter zich brengen’ betekent; de betekenis is niet geheel zeker.
49 Mijn bevrijder van mijn vijanden! Ja, boven mijn tegenstanders verheft U mij. Van de man van geweld redt U mij.
מְפַלְּטִ֗י
(mefaleti)
mijn bevrijder
מֵאֹ֫יְבָ֥י
(meoyevay)
van mijn vijanden
קָ֭מַי
(qamay)
mijn tegenstanders
תְּרוֹמְמֵ֑נִי
(teromemeni)
verheft U mij
מֵאִ֥ישׁ
(meish)
van de man van
תַּצִּילֵֽנִי
(tatsileni)
redt U mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50 Daarom loof ik U, Yahweh, onder de volken. Voor Uw naam zal ik spelen.
אוֹדְךָ֖
(odekha)
loof ik U
בַגּוֹיִ֥ם
(bagoyim)
onder de volken
וּלְשִׁמְךָ֥
(uleshimkha)
en voor Uw naam
אֲזַמֵּֽרָה
(azamera)
zal ik spelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers wordt aangehaald in Rom. 15:9.
51 Hij maakt de reddingen van Zijn koning groot en bewijst trouw aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.”
מַגְדִּיל֮
(magdil)
Hij die groot maakt
יְשׁוּע֪וֹת
(yeshuot)
de reddingen van
מַ֫לְכּ֥וֹ
(malko)
Zijn koning
וְעֹ֤שֶׂה
(veose)
en Hij bewijst
לִמְשִׁיח֗וֹ
(limshicho)
aan Zijn gezalfde
לְדָוִ֥ד
(ledavid)
aan David
וּלְזַרְע֗וֹ
(ulezaro)
en aan zijn nageslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is מגדל (‘toren’).
De te lezen vorm (qere) is מַגְדִּיל (magdil), ‘Hij maakt groot’.
Wij volgen de qere.
In 2 Sam. 22:51 is het omgekeerd: daar volgen wij de te lezen vorm מִגְדּוֹל (migdol), ‘toren’; het geschreven woord is daar ‘maakt groot’.
מָשִׁיחַ (mashiach), ‘gezalfde’: de koning. Hier verschuift het gebed van ‘U’ naar ‘Hij’.