Elohim Bijbel

Jeremia 26

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

Jeremia in het huis van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het woord in de voorhof

1In het begin van de regering van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, kwam dit woord van Yahweh:
בְּרֵאשִׁ֗ית
(bereshith)
in het begin van
מַמְלְכ֛וּת
(mamlekhut)
de regering van
יְהוֹיָקִ֥ים
(yehoyaqim)
Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֹאשִׁיָּ֖הוּ
(yoshiyahu)
Josia
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
הָיָה֙
(haya)
kwam
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרֵאשִׁית מַמְלְכוּת (bereshit mamlekhut), ‘in het begin van de regering’: de eerste tijd van Jojakim.

Over Jojakim zie 2 Kon. 23:34–24:7.

Deze toespraak in de tempel hoort bij Jer. 7:1–15; daar staat dezelfde dreiging met Silo.

2Zo zegt Yahweh: „Ga in de voorhof van het huis van Yahweh staan. Spreek tot alle steden van Juda die komen om zich neer te buigen in het huis van Yahweh. Zeg hun alle woorden die Ik je heb geboden te zeggen. Laat geen woord weg.
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲמֹד֮
(amod)
sta
בַּחֲצַ֣ר
(bachatsar)
in de voorhof van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וְדִבַּרְתָּ֞
(vedibarta)
en spreek
עַל
(al)
tot
כָּל
(kal)
alle
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
הַבָּאִים֙
(habaim)
die komen
לְהִשְׁתַּחֲוֺ֣ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוִּיתִ֖יךָ
(tsivitikha)
Ik je heb geboden
לְדַבֵּ֣ר
(ledaber)
om te spreken
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tot hen
אַל
(al)
niet
תִּגְרַ֖ע
(tigra)
laat weg
דָּבָֽר
(davar)
woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

חֲצַר בֵּית יְהוָה (chatser bet Yahweh), ‘voorhof van het huis van Yahweh’: het open terrein rond het tempelgebouw, waar het volk samenkwam.

אַל תִּגְרַע דָּבָר (al tigra davar), ‘laat geen woord weg’: Jeremia moet niets zachter maken. Vergelijk Deut. 4:2.

3Misschien luisteren zij en keert ieder terug van zijn kwade weg. Dan laat Ik Mij het onheil rouwen dat Ik van plan ben hun te doen vanwege het kwaad van hun daden.
אוּלַ֣י
(ulay)
misschien
יִשְׁמְע֔וּ
(yishmeu)
zij zullen luisteren
וְיָשֻׁ֕בוּ
(veyashuvu)
en zij keren terug
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
מִדַּרְכּ֣וֹ
(midarko)
van zijn weg
הָרָעָ֑ה
(haraa)
de kwade
וְנִחַמְתִּ֣י
(venichamti)
en Ik laat Mij rouwen
אֶל
(el)
over
הָרָעָ֗ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
Ik
חֹשֵׁב֙
(choshev)
van plan ben
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
לָהֶ֔ם
(lahem)
aan hen
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
רֹ֥עַ
(roa)
het kwaad van
מַעַלְלֵיהֶֽם
(maalleihem)
hun daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְנִחַמְתִּי (venichamti), ‘dan laat Ik Mij rouwen’: Yahweh kan van besluit veranderen als het volk terugkeert.

Zie ook vers 13 en 19, Jona 3:10 en Joël 2:13.

הָרָעָה (hara’ah), ‘het onheil’: de ramp die Yahweh aankondigt. רֹעַ (ro’a), ‘het kwaad’ van hun daden: hun eigen slechtheid. Het zijn twee vormen van hetzelfde Hebreeuwse woord, met twee betekenissen.

4Zeg tegen hen: ‘Zo zegt Yahweh: Als jullie niet naar Mij luisteren en niet leven volgens Mijn wet, die Ik jullie heb voorgelegd,
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
לֹ֤א
(lo)
niet
תִשְׁמְעוּ֙
(tishmeu)
jullie luisteren
אֵלַ֔י
(elay)
naar Mij
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
om te leven
בְּת֣וֹרָתִ֔י
(betorati)
volgens Mijn wet
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לִפְנֵיכֶֽם
(lifneikhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָתִי (torati), ‘Mijn wet’: torah betekent ‘onderricht’ of ‘wet’.

Hier gaat het om wat Yahweh Zijn volk heeft voorgelegd om naar te leven.

Hier begint een boodschap binnen de boodschap: Yahweh draagt Jeremia op wat hij ‘in Zijn naam’ moet zeggen.

5en als jullie niet luisteren naar de woorden van Mijn knechten, de profeten. Ik stuur hen telkens weer naar jullie toe, maar jullie hebben niet geluisterd.
לִשְׁמֹ֗עַ
(lishmoa)
om te luisteren
עַל
(al)
naar
דִּבְרֵ֨י
(divrei)
de woorden van
עֲבָדַ֣י
(avaday)
Mijn knechten
הַנְּבִאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
Ik
שֹׁלֵ֣חַ
(sholeach)
zend
אֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
naar jullie
וְהַשְׁכֵּ֥ם
(vehashkem)
en telkens weer
וְשָׁלֹ֖חַ
(veshaloach)
en zenden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּֽם
(shematem)
jullie hebben geluisterd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהַשְׁכֵּם וְשָׁלֹחַ (vehashkem veshalo’ach), letterlijk ‘vroeg opstaan en zenden’: een vaste uitdrukking voor ‘telkens weer, met ijver’.

Zie ook Jer. 7:25, 29:19 en 35:15.

עֲבָדַי (avadai), ‘Mijn knechten’: eved met kleine letter, want hier is het geen titel.

6Dan maak Ik dit huis als Silo, en deze stad maak Ik tot een vloek voor alle volken van de aarde.’”
וְנָתַתִּ֛י
(venatati)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
כְּשִׁלֹ֑ה
(keshilo)
als Silo
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעִ֤יר
(hair)
de stad
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal maken
לִקְלָלָ֔ה
(liqlala)
tot een vloek
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor alle
גּוֹיֵ֥י
(goyei)
volken van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁלֹה (Shiloh), ‘Silo’: de plaats waar vroeger het heiligdom stond (Joz. 18:1; 1 Sam. 1:3).

Voor Jeremia is Silo een waarschuwing: ook een plaats van Yahweh kan verlaten worden.

Zie ook Jer. 7:12–14.

לִקְלָלָה (liqlalah), ‘tot een vloek’: een plaats die andere volken als voorbeeld van vloek noemen.

Jeremia wordt gegrepen

7De priesters, de profeten en heel het volk hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis van Yahweh.
וַֽיִּשְׁמְע֛וּ
(vayishmeu)
en hoorden
הַכֹּהֲנִ֥ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַנְּבִאִ֖ים
(vehaneviim)
en de profeten
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
אֶֽת
(et)
(obj.)
יִרְמְיָ֔הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מְדַבֵּ֛ר
(medaber)
sprekend
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֥ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Jeremia sprak alles uit wat Yahweh hem had geboden tegen heel het volk te zeggen. Toen hij daarmee klaar was, grepen de priesters, de profeten en heel het volk hem vast. Zij zeiden: „Je zult zeker sterven!
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כְּכַלּ֣וֹת
(kekhalot)
toen klaar was met
יִרְמְיָ֗הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
לְדַבֵּר֙
(ledaber)
om te spreken
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֣ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְדַבֵּ֖ר
(ledaber)
om te spreken
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיִּתְפְּשׂ֨וּ
(vayitpesu)
en grepen
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
הַכֹּהֲנִ֧ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַנְּבִאִ֛ים
(vehaneviim)
en de profeten
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
מ֥וֹת
(mot)
dood
תָּמֽוּת
(tamut)
je zult sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹת תָּמוּת (mot tamut), ‘je zult zeker sterven’: het werkwoord wordt herhaald, dus nadrukkelijk.

Zo staat de straf in Gen. 2:17.

9Waarom profeteer je in de naam van Yahweh: ‘Dit huis zal worden als Silo en deze stad zal verwoest zijn, zonder bewoner’?” Heel het volk verzamelde zich rond Jeremia in het huis van Yahweh.
מַדּוּעַ֩
(madua)
waarom
נִבֵּ֨יתָ
(nibeita)
profeteer je
בְשֵׁם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
כְּשִׁלוֹ֙
(keshilo)
als Silo
יִֽהְיֶה֙
(yihye)
zal worden
הַבַּ֣יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְהָעִ֥יר
(vehair)
en de stad
הַזֹּ֛את
(hazot)
deze
תֶּחֱרַ֖ב
(techerav)
zal verwoest zijn
מֵאֵ֣ין
(meein)
zonder
יוֹשֵׁ֑ב
(yoshev)
bewoner
וַיִּקָּהֵ֧ל
(vayiqahel)
en verzamelde zich
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֶֽל
(el)
tot
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֶּחֱרַב (techerav), ‘zal verwoest zijn’: van het werkwoord ‘droog en leeg worden’, dus ‘een ruïne worden’.

Zie ook vers 18.

De oversten houden gericht

10De oversten van Juda hoorden deze woorden. Zij gingen op van het paleis van de koning naar het huis van Yahweh. Daar gingen zij zitten bij de ingang van de Nieuwe Poort van Yahweh.
וַֽיִּשְׁמְע֣וּ
(vayishmeu)
en hoorden
שָׂרֵ֣י
(sarei)
de oversten van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
וַיַּעֲל֥וּ
(vayaalu)
en zij gingen op
מִבֵּית
(mibeit)
van het huis van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בֵּ֣ית
(beit)
naar het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּֽשְׁב֛וּ
(vayeshevu)
en zij gingen zitten
בְּפֶ֥תַח
(befetach)
bij de ingang van
שַֽׁעַר
(shaar)
de poort van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הֶחָדָֽשׁ
(hechadash)
de nieuwe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֵּית הַמֶּלֶךְ (bet hamelek), ‘het huis van de koning’: het paleis.

שַׁעַר יְהוָה הֶחָדָשׁ (sha’ar Yahweh hechadash), ‘de Nieuwe Poort van Yahweh’: een poort bij het tempelcomplex. Wij laten open welke poort dit was; zie ook Jer. 36:10.

11De priesters en de profeten zeiden tegen de oversten en tegen heel het volk: „Deze man verdient een doodvonnis. Want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals jullie zelf met eigen oren hebben gehoord.”
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zeiden
הַכֹּהֲנִ֤ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַנְּבִאִים֙
(vehaneviim)
en de profeten
אֶל
(el)
tot
הַשָּׂרִ֔ים
(hasarim)
de oversten
וְאֶל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
מִשְׁפַּט
(mishpat)
een vonnis van
מָ֨וֶת֙
(mavet)
dood
לָאִ֣ישׁ
(laish)
voor de man
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּ֤י
(ki)
want
נִבָּא֙
(niba)
hij heeft geprofeteerd
אֶל
(el)
tegen
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
שְׁמַעְתֶּ֖ם
(shematem)
jullie hebben gehoord
בְּאָזְנֵיכֶֽם
(beazeneikhem)
met jullie oren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפַּט מָוֶת (mishpat mavet), letterlijk ‘een vonnis van de dood’.

Mishpat betekent ‘recht’; hier is het de uitspraak van de rechter.

Het gaat om een doodvonnis, zoals in vers 16.

De verdediging van Jeremia

12Jeremia zei tegen alle oversten en tegen heel het volk: „Yahweh heeft mij gestuurd om tegen dit huis en tegen deze stad alle woorden te profeteren die jullie hebben gehoord.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יִרְמְיָ֨הוּ֙
(yirmeyahu)
Jeremia
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
alle
הַשָּׂרִ֔ים
(hasarim)
de oversten
וְאֶל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
שְׁלָחַ֗נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
לְהִנָּבֵ֞א
(lehinave)
om te profeteren
אֶל
(el)
tegen
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּה֙
(haze)
dit
וְאֶל
(veel)
en tegen
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שְׁמַעְתֶּֽם
(shematem)
jullie hebben gehoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁלָחַנִי (shelachani), ‘heeft mij gestuurd’: Jeremia noemt zich een door Yahweh gestuurde profeet.

Over profeten die Yahweh niet heeft gestuurd, zie 28:15 en 29:31.

13Maak nu jullie wegen en jullie daden goed en luister naar de stem van Yahweh, jullie Elohim. Dan laat Yahweh Zich het onheil rouwen dat Hij over jullie heeft gesproken.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הֵיטִ֤יבוּ
(heitivu)
maak goed
דַרְכֵיכֶם֙
(darkheikhem)
jullie wegen
וּמַ֣עַלְלֵיכֶ֔ם
(umaalleikhem)
en jullie daden
וְשִׁמְע֕וּ
(veshimu)
en luister
בְּק֖וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְיִנָּחֵ֣ם
(veyinachem)
en laat Zich rouwen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֖ר
(diber)
Hij heeft gesproken
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
over jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְיִנָּחֵם (veyinnachem), ‘dan laat Hij Zich rouwen’: zie de Uitleg bij vers 3.

Yahweh kondigt een ramp aan om het volk te laten terugkeren.

14Ik zelf ben in jullie hand. Doe met mij wat goed en recht is in jullie ogen.
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie mij hier
בְיֶדְכֶ֑ם
(beyedkhem)
in jullie hand
עֲשׂוּ
(asu)
doe
לִ֛י
(li)
met mij
כַּטּ֥וֹב
(katov)
zoals goed
וְכַיָּשָׁ֖ר
(vekhayashar)
en zoals recht
בְּעֵינֵיכֶֽם
(beeineikhem)
in jullie ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Maar weet dit goed: als jullie mij ter dood brengen, leggen jullie onschuldig bloed op jezelf, op deze stad en op haar bewoners. Want in waarheid heeft Yahweh mij naar jullie gestuurd om al deze woorden in jullie oren te spreken.”
אַ֣ךְ
(akh)
maar
יָדֹ֣עַ
(yadoa)
weet
תֵּדְע֗וּ
(tedeu)
jullie zullen weten
כִּ֣י
(ki)
dat
אִם
(im)
als
מְמִתִ֣ים
(memitim)
jullie ter dood brengen
אַתֶּם֮
(atem)
jullie
אֹתִי֒
(oti)
mij
כִּי
(ki)
dat
דָ֣ם
(dam)
bloed
נָקִ֗י
(naqi)
onschuldig
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
נֹתְנִ֣ים
(notenim)
leggen
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
op jullie
וְאֶל
(veel)
en op
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
וְאֶל
(veel)
en op
יֹשְׁבֶ֑יהָ
(yosheveiha)
haar bewoners
כִּ֣י
(ki)
want
בֶאֱמֶ֗ת
(beemet)
in waarheid
שְׁלָחַ֤נִי
(shelachani)
heeft mij gestuurd
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
naar jullie
לְדַבֵּר֙
(ledaber)
om te spreken
בְּאָזְנֵיכֶ֔ם
(beazeneikhem)
in jullie oren
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָם נָקִי (dam naqi), ‘onschuldig bloed’: bloed van iemand die de dood niet verdient.

Zie Deut. 19:10.

בֶאֱמֶת (be’emet), ‘in waarheid’: wat Jeremia zegt is geen eigen woord; Yahweh heeft hem gestuurd.

Het besluit van de oversten

16De oversten en heel het volk zeiden tegen de priesters en tegen de profeten: „Deze man verdient geen doodvonnis. Want hij heeft in de naam van Yahweh, onze Elohim, tot ons gesproken.”
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
הַשָּׂרִים֙
(hasarim)
de oversten
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
וְאֶל
(veel)
en tot
הַנְּבִיאִ֑ים
(haneviim)
de profeten
אֵין
(ein)
er is niet
לָאִ֤ישׁ
(laish)
voor de man
הַזֶּה֙
(haze)
deze
מִשְׁפַּט
(mishpat)
een vonnis van
מָ֔וֶת
(mavet)
dood
כִּ֗י
(ki)
want
בְּשֵׁ֛ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
דִּבֶּ֥ר
(diber)
hij heeft gesproken
אֵלֵֽינוּ
(eleinu)
tot ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het voorbeeld van Micha

17Enkele mannen uit de oudsten van het land stonden op. Zij zeiden tegen heel de vergadering van het volk:
וַיָּקֻ֣מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
מִזִּקְנֵ֖י
(miziqnei)
van de oudsten van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֥ל
(qehal)
de vergadering van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זִקְנֵי הָאָרֶץ (ziqne ha’arets), ‘oudsten van het land’: aanzienlijke mannen van het land, geen ambtsdragers van de stad.

18„Micha de Moreshiet profeteerde in de dagen van Hizkia, de koning van Juda. Hij zei tegen heel het volk van Juda: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Sion wordt als een akker omgeploegd. Jeruzalem wordt een hoop puin en de berg van het Huis een bosrijke hoogte.’
מִיכָה֙
(mikha)
Micha
הַמּ֣וֹרַשְׁתִּ֔י
(hamorashti)
de Moreshiet
הָיָ֣ה
(haya)
was
נִבָּ֔א
(niba)
profeterend
בִּימֵ֖י
(bimei)
in de dagen van
חִזְקִיָּ֣הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
עַם֩
(am)
het volk van
יְהוּדָ֨ה
(yehuda)
Juda
לֵאמֹ֜ר
(lemor)
zeggende
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֗וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
צִיּ֞וֹן
(tsiyon)
Sion
שָׂדֶ֤ה
(sade)
een akker
תֵֽחָרֵשׁ֙
(techaresh)
wordt omgeploegd
וִירוּשָׁלַ֨יִם֙
(virushalayim)
en Jeruzalem
עִיִּ֣ים
(iyim)
puinhopen
תִּֽהְיֶ֔ה
(tihye)
wordt
וְהַ֥ר
(vehar)
en de berg van
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het Huis
לְבָמ֥וֹת
(levamot)
tot hoogten van
יָֽעַר
(yaar)
bos
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Moreshet-Gat (Tel Goded?; ligging onzeker): Moreshet-Gat, de woonplaats van Micha, lag in het laagland van Juda, waarschijnlijk bij Tel Goded.

Dit is niet helemaal zeker.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Micha de Moreshiet: zie Micha 1:1.

De geschreven tekst heeft de langere naamsvorm מיכיה (Mikayah, ‘wie is als Yahweh?’).

Het citaat komt bijna woordelijk overeen met Micha 3:12.

De inleiding ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten’ staat daar niet; zij komt hier van de oudsten.

Wij houden de woorden gelijk aan Micha 3:12.

In de tijd van Hizkia: 2 Kon. 18:1–8.

Yahweh van de legermachten: zie de Uitleg bij Jer. 2:19.

19Hebben Hizkia, de koning van Juda, en heel Juda hem ter dood gebracht? Heeft hij Yahweh niet gevreesd en Yahweh gunstig gestemd? Toen liet Yahweh Zich het onheil rouwen dat Hij over hen had gesproken. Maar wij zijn bezig een groot onheil over onszelf te brengen.”
הֶהָמֵ֣ת
(hehamet)
hebben zij werkelijk gedood
הֱ֠מִתֻהוּ
(hemituhu)
hebben zij hem ter dood gebracht
חִזְקִיָּ֨הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וְכָל
(vekhal)
en heel
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
הֲלֹא֮
(halo)
niet
יָרֵ֣א
(yare)
heeft hij gevreesd
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וַיְחַל֙
(vaychal)
en stemde gunstig
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het gelaat van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּנָּ֣חֶם
(vayinachem)
en liet Zich rouwen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij had gesproken
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
וַאֲנַ֗חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
עֹשִׂ֛ים
(osim)
doen
רָעָ֥ה
(raa)
onheil
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
groot
עַל
(al)
tegen
נַפְשׁוֹתֵֽינוּ
(nafshoteinu)
onszelf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְחַל אֶת פְּנֵי יְהוָה (vaychal et penei Yahweh), letterlijk ‘hij maakte het gezicht van Yahweh zacht’: hij smeekte Yahweh om genade.

Wij vertalen ‘gunstig stemmen’.

נַפְשׁוֹתֵינוּ (nafshotenu), letterlijk ‘onze zielen’: nefesh is hier ‘onszelf’. Als zij Jeremia doden, brengen zij onheil over zichzelf.

Het lot van Uria

20Er was ook een man die in de naam van Yahweh profeteerde: Uria, de zoon van Sjemaja, uit Kirjat-Jearim. Hij profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, geheel naar de woorden van Jeremia.
וְגַם
(vegam)
en ook
אִ֗ישׁ
(ish)
een man
הָיָ֤ה
(haya)
was
מִתְנַבֵּא֙
(mitnabe)
profeterend
בְּשֵׁ֣ם
(beshem)
in de naam van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֽוּרִיָּ֨הוּ֙
(uriyahu)
Uria
בֶּֽן
(ben)
zoon van
שְׁמַעְיָ֔הוּ
(shemayahu)
Sjemaja
מִקִּרְיַ֖ת
(miqiryat)
uit Kirjat
הַיְּעָרִ֑ים
(hayearim)
Jearim
וַיִּנָּבֵ֞א
(vayinave)
en hij profeteerde
עַל
(al)
tegen
הָעִ֤יר
(hair)
de stad
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
וְעַל
(veal)
en tegen
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
overeenkomstig alle
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
יִרְמְיָֽהוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kirjat-Jearim: Kirjat-Jearim wordt gezocht bij Abu Gosh of Deir el-Azhar, ongeveer 12 km ten westen van Jeruzalem.

Uitleg

Over Uria, de zoon van Sjemaja, weten wij alleen wat hier staat.

Kirjat-Jearim lag ten westen van Jeruzalem (Joz. 9:17; 1 Sam. 7:1).

21Koning Jojakim, al zijn helden en alle oversten hoorden zijn woorden. De koning zocht een manier om hem te doden. Uria hoorde het en werd bang. Hij vluchtte en kwam in Egypte.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hoorde
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
יְ֠הוֹיָקִים
(yehoyaqim)
Jojakim
וְכָל
(vekhal)
en al
גִּבּוֹרָ֤יו
(giborav)
zijn helden
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַשָּׂרִים֙
(hasarim)
de oversten
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרָ֔יו
(devarav)
zijn woorden
וַיְבַקֵּ֥שׁ
(vayvaqesh)
en zocht
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הֲמִית֑וֹ
(hamito)
hem te doden
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hoorde
אוּרִיָּ֨הוּ֙
(uriyahu)
Uria
וַיִּרָ֔א
(vayira)
en werd bang
וַיִּבְרַ֖ח
(vayivrach)
en vluchtte
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

גִּבּוֹרָיו (gibborav), ‘zijn helden’: de krijgers en bevelhebbers van de koning.

Uria vlucht naar Egypte; Jojakim was door Farao Necho koning gemaakt (2 Kon. 23:34).

22Koning Jojakim stuurde mannen naar Egypte: Elnatan, de zoon van Achbor, en mannen met hem.
וַיִּשְׁלַ֞ח
(vayishlach)
en stuurde
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יְהוֹיָקִ֛ים
(yehoyaqim)
Jojakim
אֲנָשִׁ֖ים
(anashim)
mannen
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
naar Egypte
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֶלְנָתָ֧ן
(elnatan)
Elnatan
בֶּן
(ben)
zoon van
עַכְבּ֛וֹר
(akhbor)
Achbor
וַאֲנָשִׁ֥ים
(vaanashim)
en mannen
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
אֶל
(el)
naar
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Elnatan, de zoon van Achbor, is ook een van de oversten in 36:12.

Een Elnatan is de vader van Nechusjta, de moeder van Jojachin (2 Kon. 24:8).

Achbor komt voor in 2 Kon. 22:12.

Wij laten open of het dezelfde man is.

23Zij haalden Uria uit Egypte en brachten hem bij koning Jojakim. Die doodde hem met het zwaard en wierp zijn lijk in de graven van de gewone mensen.
וַיּוֹצִ֨יאוּ
(vayotsiu)
en zij haalden naar buiten
אֶת
(et)
(obj.)
אוּרִיָּ֜הוּ
(uriyahu)
Uria
מִמִּצְרַ֗יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
וַיְבִאֻ֨הוּ֙
(vayviuhu)
en brachten hem
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יְהוֹיָקִ֔ים
(yehoyaqim)
Jojakim
וַיַּכֵּ֖הוּ
(vayakehu)
en hij sloeg hem
בֶּחָ֑רֶב
(becharev)
met het zwaard
וַיַּשְׁלֵךְ֙
(vayashlekh)
en hij wierp
אֶת
(et)
(obj.)
נִבְלָת֔וֹ
(nivlato)
zijn lijk
אֶל
(el)
naar
קִבְרֵ֖י
(qivrei)
de graven van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

קִבְרֵי בְּנֵי הָעָם (qivre bene ha’am), ‘graven van de zonen van het volk’: een gewone begraafplaats voor gewone mensen.

Vergelijk 2 Kon. 23:6.

Achikam beschermt Jeremia

24Maar de hand van Achikam, de zoon van Safan, was met Jeremia. Zo werd hij niet in de hand van het volk gegeven om hem te doden.
אַ֗ךְ
(akh)
maar
יַ֚ד
(yad)
de hand van
אֲחִיקָ֣ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֔ן
(shafan)
Safan
הָיְתָ֖ה
(hayeta)
was
אֶֽת
(et)
met
יִרְמְיָ֑הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
לְבִלְתִּ֛י
(levilti)
opdat niet
תֵּת
(tet)
gegeven werd
אֹת֥וֹ
(oto)
hem
בְיַד
(beyad)
in de hand van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לַהֲמִיתֽוֹ
(lahamito)
om hem te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achikam, de zoon van Safan: zie 2 Kon. 22:12.

Zijn zoon Gedalja wordt later over het achtergebleven volk aangesteld (2 Kon. 25:22).

Zijn bescherming redt Jeremia hier.