Elohim Bijbel

Deuteronomium 29

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Het verbond in Moab

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wat Israël heeft gezien

1Mozes riep heel Israël bij zich. Hij zei tot hen: Jullie hebben alles gezien wat Yahweh voor jullie ogen in het land Egypte gedaan heeft met de farao, met al zijn dienaren en met heel zijn land,
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en riep
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
רְאִיתֶ֗ם
(reitem)
hebben gezien
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר֩
(asher)
wat
עָשָׂ֨ה
(asa)
deed
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לְעֵֽינֵיכֶם֙
(leeineikhem)
voor jullie ogen
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְפַרְעֹ֥ה
(lefaro)
aan farao
וּלְכָל
(ulekhal)
en aan al
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
וּלְכָל
(ulekhal)
en aan heel
אַרְצֽוֹ
(artso)
haar land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit hoofdstuk telt in onze Hebreeuwse tekst 28 verzen.

In veel Bijbels loopt de telling één vers verder: hun eerste vers van dit hoofdstuk is ons Deut. 28:69, hun tweede is ons eerste, en hun laatste (29) is ons vers 28.

De woorden van Mozes lopen door in hoofdstuk 30; wij zetten daarom geen aanhalingstekens om zijn hele toespraak.

2de grote beproevingen die jullie ogen gezien hebben, die tekenen en die grote wonderen.
הַמַּסּוֹת֙
(hamasot)
de beproevingen
הַגְּדֹלֹ֔ת
(hagedolot)
de grote
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
רָא֖וּ
(rau)
zagen
עֵינֶ֑יךָ
(eineikha)
je ogen
הָאֹתֹ֧ת
(haotot)
de tekenen
וְהַמֹּפְתִ֛ים
(vehamofetim)
en de wonderen
הַגְּדֹלִ֖ים
(hagedolim)
de grote
הָהֵֽם
(hahem)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַסּוֹת (massot), ‘beproevingen’: de plagen en wonderen van Egypte waarmee Yahweh Egypte op de proef stelde en Israël bevrijdde.

Zie ook Deut. 4:34 en 7:19.

3Maar tot op deze dag heeft Yahweh jullie geen hart gegeven om te weten, geen ogen om te zien en geen oren om te horen.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נָתַן֩
(natan)
gaf
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֥ם
(lakhem)
aan jullie
לֵב֙
(lev)
hart
לָדַ֔עַת
(ladaat)
om te weten
וְעֵינַ֥יִם
(veeinayim)
en ogen
לִרְא֖וֹת
(lirot)
om te zien
וְאָזְנַ֣יִם
(veazenayim)
en oren
לִשְׁמֹ֑עַ
(lishmoa)
om te horen
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het ‘hart om te weten’ is een hart dat begrijpt wat Yahweh doet.

Mozes zegt dat het volk de wonderen wel heeft gezien, maar het nog niet heeft begrepen.

4„Veertig jaar heb Ik jullie door de woestijn geleid. Jullie kleren zijn niet van jullie af versleten, en jullie sandalen zijn niet van jullie voeten versleten.
וָאוֹלֵ֥ךְ
(vaolekh)
en Ik leidde
אֶתְכֶ֛ם
(etkhem)
jullie
אַרְבָּעִ֥ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
לֹֽא
(lo)
niet
בָל֤וּ
(balu)
zijn versleten
שַׂלְמֹֽתֵיכֶם֙
(salmoteikhem)
jullie kleren
מֵעֲלֵיכֶ֔ם
(mealeikhem)
van op jullie
וְנַֽעַלְךָ֥
(venaalkha)
en je sandaal
לֹֽא
(lo)
niet
בָלְתָ֖ה
(baleta)
is versleten
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
רַגְלֶֽךָ
(raglekha)
je voet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Met vers 4 gaat de spreker over van Mozes naar Yahweh: ‘Ik heb jullie geleid’.

Vers 4–5 zijn dus woorden van Yahweh, ingevoegd in de toespraak van Mozes, en staan daarom rood en tussen aanhalingstekens.

In vers 6 spreekt Mozes weer: ‘ons tegemoet’.

Vergelijk Deut. 8:4.

5Brood hebben jullie niet gegeten, en wijn en sterke drank hebben jullie niet gedronken, zodat jullie weten dat Ik Yahweh ben, jullie Elohim.”
לֶ֚חֶם
(lechem)
brood
לֹ֣א
(lo)
niet
אֲכַלְתֶּ֔ם
(akhaltem)
jullie aten
וְיַ֥יִן
(veyayin)
en wijn
וְשֵׁכָ֖ר
(veshekhar)
en sterke drank
לֹ֣א
(lo)
niet
שְׁתִיתֶ֑ם
(shetitem)
jullie dronken
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
תֵּֽדְע֔וּ
(tedeu)
jullie weten
כִּ֛י
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֵׁכָר (shekhar), ‘sterke drank’: een drank die dronken maakt, naast wijn.

Zie ook Deut. 14:26.

6Toen jullie op deze plaats kwamen, trokken Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan, ons tegemoet om te strijden. Maar wij versloegen hen.
וַתָּבֹ֖אוּ
(vatavou)
en jullie kwamen
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en trok uit
סִיחֹ֣ן
(sichon)
Sichon
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
חֶ֠שְׁבּוֹן
(cheshbon)
Chesbon
וְע֨וֹג
(veog)
en Og
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
הַבָּשָׁ֧ן
(habashan)
Basan
לִקְרָאתֵ֛נוּ
(liqratenu)
ons tegemoet
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
tot de strijd
וַנַּכֵּֽם
(vanakem)
en wij versloegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chesbon lag in het huidige Jordanië, bij Tel Hesban, ten zuidwesten van Amman.

Basan is het gebied ten noordoosten van het Meer van Galilea (Golan en omgeving, Syrië en Jordanië).

Zie ook Num. 21:21–35.

7Wij namen hun land in en gaven het als erfdeel aan de Rubenieten, de Gadieten en de helft van de stam van de Manassieten.
וַנִּקַּח֙
(vaniqach)
en wij namen
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצָ֔ם
(artsam)
hun land
וַנִּתְּנָ֣הּ
(vanitenah)
en wij gaven het
לְנַחֲלָ֔ה
(lenachala)
als erfdeel
לָרֽאוּבֵנִ֖י
(laruveni)
aan de Rubeniet
וְלַגָּדִ֑י
(velagadi)
en aan de Gadiet
וְלַחֲצִ֖י
(velachatsi)
en aan de helft van
שֵׁ֥בֶט
(shevet)
stam van
הַֽמְנַשִּֽׁי
(hamnashi)
de Manassiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Num. 32:33 en Deut. 3:12–13.

Allen staan voor Yahweh

8Jullie moeten de woorden van dit verbond houden en ze doen, zodat jullie slagen in alles wat jullie doen.
וּשְׁמַרְתֶּ֗ם
(ushemartem)
en jullie zullen houden
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵי֙
(divrei)
woorden van
הַבְּרִ֣ית
(haberit)
het verbond
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וַעֲשִׂיתֶ֖ם
(vaasitem)
en jullie zullen doen
אֹתָ֑ם
(otam)
ze
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
תַּשְׂכִּ֔ילוּ
(taskilu)
jullie slagen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תַּעֲשֽׂוּן
(taasun)
jullie doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּשְׂכִּילוּ (taskilu), ‘slagen’: het werkwoord betekent ook ‘verstandig handelen’.

Het betekent dat wie het verbond houdt, de weg vindt die werkt.

Zie ook Joz. 1:7–8.

9Jullie staan vandaag allemaal voor het aangezicht van Yahweh, jullie Elohim: jullie hoofden, jullie stammen, jullie oudsten, jullie opzichters en alle mannen van Israël,
אַתֶּ֨ם
(atem)
jullie
נִצָּבִ֤ים
(nitsavim)
staan
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
כֻּלְּכֶ֔ם
(kulekhem)
allen
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
רָאשֵׁיכֶ֣ם
(rasheikhem)
jullie hoofden
שִׁבְטֵיכֶ֗ם
(shivteikhem)
jullie stammen
זִקְנֵיכֶם֙
(ziqneikhem)
jullie oudsten
וְשֹׁ֣טְרֵיכֶ֔ם
(veshotereikhem)
en jullie opzichters
כֹּ֖ל
(kol)
elke
אִ֥ישׁ
(ish)
man van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: mensen met een ambt in het volk.

Zie ook Exod. 5:6.

10jullie kinderen, jullie vrouwen en de vreemdeling in jullie kamp, van wie voor jullie hout hakt tot wie voor jullie water put,
טַפְּכֶ֣ם
(tapekhem)
jullie kinderen
נְשֵׁיכֶ֔ם
(nesheikhem)
jullie vrouwen
וְגֵ֣רְךָ֔
(vegerekha)
en je vreemdeling
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּקֶ֣רֶב
(beqerev)
in het midden van
מַחֲנֶ֑יךָ
(machaneikha)
je kamp
מֵחֹטֵ֣ב
(mechotev)
van hakker van
עֵצֶ֔יךָ
(etseikha)
je hout
עַ֖ד
(ad)
tot
שֹׁאֵ֥ב
(shoev)
putter van
מֵימֶֽיךָ
(meimeikha)
je water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טַף (taf), ‘kinderen’: de kleine kinderen.

Zelfs de vreemdeling, van wie hout hakt tot wie water put, staat in het verbond.

11zodat jullie overgaan in het verbond van Yahweh, jullie Elohim, en in Zijn eed, die Yahweh, jullie Elohim, vandaag met jullie sluit,
לְעָבְרְךָ֗
(leaverekha)
om je over te laten gaan
בִּבְרִ֛ית
(bivrit)
in het verbond van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
וּבְאָלָת֑וֹ
(uvealato)
en in Zijn eed
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
כֹּרֵ֥ת
(koret)
sluit
עִמְּךָ֖
(imekha)
met je
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָלָה (alah), ‘eed’: een eed waaraan een vloek verbonden is voor wie hem breekt.

Wij gebruiken ‘eed’ in vers 11, 13, 18, 19 en 20.

12om jullie vandaag voor Zich op te richten als Zijn volk, en om jullie Elohim te zijn, zoals Hij tot jullie gesproken heeft. Zoals Hij aan jullie vaders, aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob, gezworen heeft.
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
הָקִֽים
(haqim)
oprichten
אֹתְךָ֩
(otekha)
je
הַיּ֨וֹם
(hayom)
vandaag
ל֜וֹ
(lo)
voor Zich
לְעָ֗ם
(leam)
tot volk
וְה֤וּא
(vehu)
en Hij
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לְּךָ֙
(lekha)
voor je
לֵֽאלֹהִ֔ים
(lElohim)
tot Elohim
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּר
(diber)
Hij sprak
לָ֑ךְ
(lakh)
tot je
וְכַאֲשֶׁ֤ר
(vekhaasher)
en zoals
נִשְׁבַּע֙
(nishba)
Hij zwoer
לַאֲבֹתֶ֔יךָ
(laavoteikha)
aan je vaders
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹֽב
(uleyaaqov)
en aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Niet alleen met jullie sluit ik dit verbond en deze eed,
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אִתְּכֶ֖ם
(itekhem)
met jullie
לְבַדְּכֶ֑ם
(levadekhem)
alleen
אָנֹכִ֗י
(anokhi)
ik
כֹּרֵת֙
(koret)
sluit
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּרִ֣ית
(haberit)
het verbond
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאָלָ֖ה
(haala)
de eed
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14maar met wie hier vandaag met ons staat voor het aangezicht van Yahweh, onze Elohim, en met wie hier vandaag niet bij ons is.
כִּי֩
(ki)
maar
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wie
יֶשְׁנ֜וֹ
(yeshno)
er is
פֹּ֗ה
(po)
hier
עִמָּ֨נוּ֙
(imanu)
met ons
עֹמֵ֣ד
(omed)
staat
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וְאֵ֨ת
(veet)
en (obj.)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wie
אֵינֶ֛נּוּ
(einenu)
er niet is
פֹּ֖ה
(po)
hier
עִמָּ֥נוּ
(imanu)
met ons
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

‘Met wie hier vandaag niet bij ons is’ zijn de latere generaties.

Het verbond geldt dus ook voor hen die nog geboren moeten worden.

15Want jullie weten hoe wij in het land Egypte gewoond hebben en hoe wij midden door de volken getrokken zijn, door wie jullie zijn heengetrokken.
כִּֽי
(ki)
want
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
יְדַעְתֶּ֔ם
(yedatem)
weten
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
hoe
יָשַׁ֖בְנוּ
(yashavnu)
wij woonden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְאֵ֧ת
(veet)
en (obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
hoe
עָבַ֛רְנוּ
(avarnu)
wij doortrokken
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
te midden van
הַגּוֹיִ֖ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עֲבַרְתֶּֽם
(avartem)
jullie doortrokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Waarschuwing voor een afvallig hart

16Jullie zagen hun gruwelbeelden en hun afgoden, van hout en steen, van zilver en goud, die bij hen waren.
וַתִּרְאוּ֙
(vatiru)
en jullie zagen
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁקּ֣וּצֵיהֶ֔ם
(shiqutseihem)
hun gruwelbeelden
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
גִּלֻּלֵיהֶ֑ם
(giluleihem)
hun afgoden
עֵ֣ץ
(ets)
hout
וָאֶ֔בֶן
(vaeven)
en steen
כֶּ֥סֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֖ב
(vezahav)
en goud
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עִמָּהֶֽם
(imahem)
bij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁקּוּצִים (shiqqutsim), ‘gruwelbeelden’: dingen waarvoor Yahweh walgt.

גִּלֻּלִים (gillulim), ‘afgoden’: zoals in Lev. 26:30.

17Zorg dat er onder jullie vandaag geen man of vrouw is, geen familie of stam, wiens hart zich afkeert van Yahweh, onze Elohim, om de goden van die volken te gaan dienen. Zorg dat er onder jullie geen wortel is die gif en alsem voortbrengt.
פֶּן
(pen)
opdat niet
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is
בָּ֠כֶם
(bakhem)
onder jullie
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אוֹ
(o)
of
אִשָּׁ֞ה
(isha)
vrouw
א֧וֹ
(o)
of
מִשְׁפָּחָ֣ה
(mishpacha)
familie
אוֹ
(o)
of
שֵׁ֗בֶט
(shevet)
stam
אֲשֶׁר֩
(asher)
wiens
לְבָב֨וֹ
(levavo)
hart
פֹנֶ֤ה
(pone)
zich afkeert
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
מֵעִם֙
(meim)
van met
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
לַעֲבֹ֔ד
(laavod)
om te dienen
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהֵ֖י
(elohei)
goden van
הַגּוֹיִ֣ם
(hagoyim)
de volken
הָהֵ֑ם
(hahem)
die
פֶּן
(pen)
opdat niet
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is
בָּכֶ֗ם
(bakhem)
onder jullie
שֹׁ֛רֶשׁ
(shoresh)
wortel
פֹּרֶ֥ה
(pore)
voortbrengend
רֹ֖אשׁ
(rosh)
gif
וְלַעֲנָֽה
(velaana)
en alsem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹאשׁ (rosh), ‘gif’: een bittere, giftige plant.

לַעֲנָה (la’anah), ‘alsem’: een bittere plant.

Samen zijn ze een beeld van het hart dat zich afkeert en anderen aansteekt.

Zie ook Hebr. 12:15.

18Wanneer zo iemand de woorden van deze eed hoort, zegent hij zichzelf in zijn hart. Hij zegt: „Het zal goed met mij gaan, ook al wandel ik in de hardheid van mijn hart.” Zodat de verzadigde bij de dorstige gevoegd wordt.
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּשָׁמְעוֹ֩
(beshameo)
bij zijn horen
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֨י
(divrei)
woorden van
הָֽאָלָ֜ה
(haala)
de eed
הַזֹּ֗את
(hazot)
deze
וְהִתְבָּרֵ֨ךְ
(vehitbarekh)
en zegent zich
בִּלְבָב֤וֹ
(bilvavo)
in zijn hart
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggende
שָׁל֣וֹם
(shalom)
vrede
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לִּ֔י
(li)
voor mij
כִּ֛י
(ki)
want
בִּשְׁרִר֥וּת
(bishrirut)
in hardheid van
לִבִּ֖י
(libi)
mijn hart
אֵלֵ֑ךְ
(elekh)
ik zal wandelen
לְמַ֛עַן
(lemaan)
opdat
סְפ֥וֹת
(sefot)
voegen
הָרָוָ֖ה
(harava)
de verzadigde
אֶת
(et)
(obj.)
הַצְּמֵאָֽה
(hatsemea)
de dorstige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: hier ‘het zal goed met mij gaan’.

שְׁרִרוּת (sherirut), ‘hardheid’: het hart dat zijn eigen weg gaat.

Lezing

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘om de bevochtigde (de verzadigde) bij de dorstige te voegen’.

De betekenis is niet helemaal zeker.

Wij houden de woorden van het Hebreeuws.

Waarschijnlijk betekent het: het ene gaat samen met het andere ten onder, de verzadigde en de dorstige, of alles.

19Yahweh wil hem niet vergeven. Want dan zal de toorn van Yahweh en Zijn na-ijver tegen die man gaan roken. En heel de eed die in dit boek geschreven staat, zal op hem liggen. En Yahweh zal zijn naam uitwissen van onder de hemel.
לֹא
(lo)
niet
יֹאבֶ֣ה
(yove)
wil
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
סְלֹ֣חַֽ
(seloach)
vergeven
לוֹ֒
(lo)
hem
כִּ֣י
(ki)
want
אָ֠ז
(az)
dan
יֶעְשַׁ֨ן
(yeshan)
zal roken
אַף
(af)
toorn van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
וְקִנְאָתוֹ֙
(veqinato)
en Zijn na-ijver
בָּאִ֣ישׁ
(baish)
tegen de man
הַה֔וּא
(hahu)
die
וְרָ֤בְצָה
(veravetsa)
en zal liggen
בּוֹ֙
(bo)
op hem
כָּל
(kal)
heel
הָ֣אָלָ֔ה
(haala)
de eed
הַכְּתוּבָ֖ה
(haketuva)
die geschreven is
בַּסֵּ֣פֶר
(basefer)
in het boek
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וּמָחָ֤ה
(umacha)
en zal uitwissen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
zijn naam
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
van onder
הַשָּׁמָֽיִם
(hashamayim)
de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָלַח (salach), ‘vergeven’.

יֶעְשַׁן (ye’shan), ‘gaan roken’: de toorn die als rook opstijgt.

קִנְאָה (qin’ah), ‘na-ijver’: Yahweh duldt geen deling van de trouw (Exod. 20:5).

20Yahweh zal hem uit alle stammen van Israël afzonderen voor het onheil, volgens alle eden van het verbond die in dit boek van de wet geschreven staan.
וְהִבְדִּיל֤וֹ
(vehivdilo)
en zal afzonderen hem
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְרָעָ֔ה
(leraa)
tot onheil
מִכֹּ֖ל
(mikol)
uit alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כְּכֹל֙
(kekhol)
volgens alle
אָל֣וֹת
(alot)
eden van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
הַכְּתוּבָ֕ה
(haketuva)
dat geschreven is
בְּסֵ֥פֶר
(besefer)
in het boek van
הַתּוֹרָ֖ה
(hatora)
de wet
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָלוֹת (alot), ‘eden’: meervoud van אָלָה (alah).

Zie vers 11.

Het verwoeste land en de vraag van de volken

21De volgende generatie, jullie zonen die na jullie opstaan, en de buitenlander die uit een ver land komt, zullen de plagen van dat land zien en de ziekten waarmee Yahweh het ziek gemaakt heeft. Dan zullen zij zeggen:
וְאָמַ֞ר
(veamar)
en zal zeggen
הַדּ֣וֹר
(hador)
de generatie
הָֽאַחֲר֗וֹן
(haacharon)
de laatste
בְּנֵיכֶם֙
(beneikhem)
jullie zonen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יָק֨וּמוּ֙
(yaqumu)
zullen opstaan
מֵאַ֣חֲרֵיכֶ֔ם
(meachareikhem)
na jullie
וְהַ֨נָּכְרִ֔י
(vehanakheri)
en de buitenlander
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָבֹ֖א
(yavo)
zal komen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit land
רְחוֹקָ֑ה
(rechoqa)
ver
וְ֠רָאוּ
(verau)
en zij zullen zien
אֶת
(et)
(obj.)
מַכּ֞וֹת
(makot)
plagen van
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
het land
הַהִוא֙
(hahi)
dat
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תַּ֣חֲלֻאֶ֔יהָ
(tachalueiha)
zijn ziekten
אֲשֶׁר
(asher)
waarmee
חִלָּ֥ה
(chila)
ziek maakte
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּֽהּ
(bah)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’: iemand die niet bij het volk hoort en maar even komt.

Het is een ander woord dan ‘vreemdeling’ (גֵּר, ger).

Zie ookJer 19:8
22„Zwavel en zout, een brand, is heel zijn land! Het wordt niet bezaaid en laat niets opkomen, er groeit geen enkel gewas in. Het is als de omkering van Sodom en Gomorra, Adma en Zeboïm, die Yahweh omkeerde in Zijn toorn en in Zijn woede.”
גָּפְרִ֣ית
(gaferit)
zwavel
וָמֶלַח֮
(vamelach)
en zout
שְׂרֵפָ֣ה
(serefa)
brand
כָל
(kal)
heel
אַרְצָהּ֒
(artsah)
haar land
לֹ֤א
(lo)
niet
תִזָּרַע֙
(tizara)
wordt bezaaid
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַצְמִ֔חַ
(tatsmiach)
laat opkomen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַעֲלֶ֥ה
(yaale)
komt op
בָ֖הּ
(bah)
erin
כָּל
(kal)
enig
עֵ֑שֶׂב
(esev)
gewas
כְּֽמַהְפֵּכַ֞ת
(kemahpekhat)
als omkering van
סְדֹ֤ם
(sedom)
Sodom
וַעֲמֹרָה֙
(vaamora)
en Gomorra
אַדְמָ֣ה
(adma)
Adma
וּצְבוֹיִ֔ם
(utsevoyim)
en Zeboïm
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
הָפַ֣ךְ
(hafakh)
omkeerde
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּאַפּ֖וֹ
(beapo)
in Zijn toorn
וּבַחֲמָתֽוֹ
(uvachamato)
en in Zijn woede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sodom, Gomorra, Adma en Zeboïm lagen bij de Dode Zee.

De precieze ligging is niet zeker; veel onderzoekers zoeken ze ten zuiden van de Dode Zee, anderen in het noorden.

Zie Gen. 19:24–25 en Gen. 14:2.

Lezing

Het Hebreeuws laat open of ‘Zwavel en zout, een brand: heel zijn land’ een toelichting is of wat de mensen uitroepen.

Wij zetten het tussen aanhalingstekens, omdat het bij ‘zullen zeggen’ van vers 21 hoort.

23Alle volken zullen zeggen: „Waarom heeft Yahweh zo gedaan met dit land? Waarom deze grote gloed van toorn?”
וְאָֽמְרוּ֙
(veameru)
en zullen zeggen
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
עַל
(al)
op
מֶ֨ה
(me)
wat
עָשָׂ֧ה
(asa)
deed
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּ֖כָה
(kakha)
zo
לָאָ֣רֶץ
(laarets)
aan het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
מֶ֥ה
(me)
wat
חֳרִ֛י
(chori)
gloed van
הָאַ֥ף
(haaf)
de toorn
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
de grote
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֳרִי (chori), ‘gloed’: de gloeiende hitte van de toorn.

24Dan zullen zij zeggen: „Omdat zij het verbond van Yahweh, de Elohim van hun vaders, verlaten hebben. Hij sloot het met hen toen Hij hen uit het land Egypte leidde.
וְאָ֣מְר֔וּ
(veameru)
en zij zullen zeggen
עַ֚ל
(al)
om
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָֽזְב֔וּ
(azevu)
zij verlieten
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִ֥ית
(berit)
verbond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתָ֑ם
(avotam)
hun vaders
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
כָּרַ֣ת
(karat)
Hij sloot
עִמָּ֔ם
(imam)
met hen
בְּהוֹצִיא֥וֹ
(behotsio)
bij Zijn uitleiden
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

25Zij gingen andere goden dienen en bogen zich voor hen neer, goden die zij niet kenden en die Hij hun niet had toegedeeld.
וַיֵּלְכ֗וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
וַיַּֽעַבְדוּ֙
(vayaavdu)
en dienden
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
וַיִּֽשְׁתַּחֲוּ֖וּ
(vayishtachauu)
en bogen zich neer
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
goden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יְדָע֔וּם
(yedaum)
zij kenden hen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
חָלַ֖ק
(chalaq)
toegedeeld
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָלַק (chalaq), ‘toedelen’: de goden waren niet door Yahweh aan hen toegewezen.

Zie ook Deut. 4:19.

26Toen ontbrandde de toorn van Yahweh tegen dat land, zodat Hij er heel de vloek over bracht die in dit boek geschreven staat.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֥ף
(af)
toorn van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּאָ֣רֶץ
(baarets)
tegen het land
הַהִ֑וא
(hahi)
dat
לְהָבִ֤יא
(lehavi)
om te brengen
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
over haar
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַקְּלָלָ֔ה
(haqelala)
de vloek
הַכְּתוּבָ֖ה
(haketuva)
die geschreven is
בַּסֵּ֥פֶר
(basefer)
in het boek
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Yahweh rukte hen uit hun grond weg in toorn, in woede en in grote gramschap. Hij wierp hen in een ander land, zoals het vandaag is.”
וַיִּתְּשֵׁ֤ם
(vayiteshem)
en rukte hen uit
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
אַדְמָתָ֔ם
(admatam)
hun grond
בְּאַ֥ף
(beaf)
in toorn
וּבְחֵמָ֖ה
(uvechema)
en in woede
וּבְקֶ֣צֶף
(uveqetsef)
en in gramschap
גָּד֑וֹל
(gadol)
grote
וַיַּשְׁלִכֵ֛ם
(vayashlikhem)
en wierp hen
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
land
אַחֶ֖רֶת
(acheret)
ander
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָתַשׁ (natash), ‘uitrukken’: zoals een plant met wortel en al uit de grond wordt gerukt.

Zie ook Lev. 26:33.

Het verborgene en het geopenbaarde

28Het verborgene is van Yahweh, onze Elohim. Maar het geopenbaarde is voor ons en voor onze zonen, voor altijd, om alle woorden van deze wet te doen.
הַ֨נִּסְתָּרֹ֔ת
(hanistarot)
het verborgene
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וְהַנִּגְלֹ֞ת
(vehaniglot)
en het geopenbaarde
לָ֤ׄנׄוּׄ
(lanu)
aan ons
וּׄלְׄבָׄנֵׄ֨יׄנׄוּׄ֙
(ulevaneinu)
en aan onze zonen
עַד
(ad)
tot
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwigheid
לַעֲשׂ֕וֹת
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
woorden van
הַתּוֹרָ֥ה
(hatora)
de wet
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderwijs’.

In de Hebreeuwse tekst staan stippen boven de woorden ‘voor ons en voor onze zonen’.

Dat zijn tekens van de overschrijvers.

Wij laten ze buiten de vertaling.