Elohim Bijbel

Openbaring 9

12345678910111213141516171819202122

De vijfde en de zesde bazuin: de sprinkhanen en het leger van de ruiters

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De vijfde bazuin: de sprinkhanen uit de afgrond

1De vijfde engel blies op de bazuin. Ik zag een ster die uit de hemel op de aarde was gevallen. Hem werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven.
Καὶ
(Kai)
en
ὁ
(ho)
de
πέμπτος
(pemptos)
vijfde
ἄγγελος
(angelos)
engel
ἐσάλπισεν
(esalpisen)
blies de bazuin
καὶ
(kai)
en
εἶδον
(eidon)
zag ik
ἀστέρα
(astera)
ster
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
πεπτωκότα
(peptokota)
gevallen
εἰς
(eis)
op
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
aarde
καὶ
(kai)
en
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
αὐτῷ
(auto)
aan hem
ἡ
(he)
de
κλεὶς
(kleis)
sleutel
τοῦ
(tou)
van de
φρέατος
(phreatos)
put
τῆς
(tes)
van de
ἀβύσσου
(abyssou)
afgrond
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀστήρ (aster), ‘ster’: de ster was al gevallen (voltooide tijd) toen Johannes hem zag, en hem wordt de sleutel gegeven. ἐδόθη (edothe), ‘werd gegeven’: de gever wordt niet genoemd; dit komt in 9:3, 9:5 en 8:2–3 ook voor. φρέαρ (phrear), ‘put’; ἄβυσσος (abyssos), ‘afgrond’: letterlijk ‘zonder bodem’, zoals in Luc. 8:31.

Zie ook Openb. 1:18; 20:1.

2Hij opende de put van de afgrond. Er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven. De zon en de lucht werden verduisterd door de rook van de put.
καὶ
(kai)
en
ἤνοιξεν
(enoixen)
opende hij
τὸ
(to)
de
φρέαρ
(phrear)
put
τῆς
(tes)
van de
ἀβύσσου
(abyssou)
afgrond
καὶ
(kai)
en
ἀνέβη
(anebe)
steeg op
καπνὸς
(kapnos)
rook
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
φρέατος
(phreatos)
put
ὡς
(hos)
als
καπνὸς
(kapnos)
rook
καμίνου
(kaminou)
van een oven
μεγάλης
(megales)
grote
καὶ
(kai)
en
ἐσκοτώθη
(eskotothe)
werd verduisterd
ὁ
(ho)
de
ἥλιος
(helios)
zon
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἀὴρ
(aer)
lucht
ἐκ
(ek)
door
τοῦ
(tou)
de
καπνοῦ
(kapnou)
rook
τοῦ
(tou)
van de
φρέατος
(phreatos)
put
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀήρ (aer), ‘lucht’.

Zie ook Gen. 19:28 en Exod. 19:18 (rook als van een oven).

Lezing

De SBLGNT markeert bij μεγάλης (megales), ‘grote’, en bij ἐσκοτώθη (eskotothe), ‘werd verduisterd’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

3Uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en aan hen werd gezag gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde gezag hebben.
καὶ
(kai)
en
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
καπνοῦ
(kapnou)
rook
ἐξῆλθον
(exelthon)
kwamen
ἀκρίδες
(akrides)
sprinkhanen
εἰς
(eis)
op
τὴν
(ten)
de
γῆν
(gen)
aarde
καὶ
(kai)
en
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
αὐταῖς
(autais)
aan hen
ἐξουσία
(exousia)
gezag
ὡς
(hos)
zoals
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
οἱ
(hoi)
de
σκορπίοι
(skorpioi)
schorpioenen
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀκρίς (akris), ‘sprinkhaan’.

Zie ook Joël 1:4 en 2:4–5 (het sprinkhanenleger dat op paarden lijkt) en Exod. 10:12–15.

4Er werd tegen hen gezegd dat zij het gras van de aarde, niets groens en geen enkele boom schade mochten toebrengen. Zij mochten alleen de mensen schade toebrengen die het zegel van Elohim niet op hun voorhoofd hebben.
καὶ
(kai)
en
ἐρρέθη
(errethe)
werd gezegd
αὐταῖς
(autais)
aan hen
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
ἀδικήσουσιν
(adikesousin)
zij schade zouden toebrengen
τὸν
(ton)
het
χόρτον
(chorton)
gras
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
οὐδὲ
(oude)
noch
πᾶν
(pan)
enig
χλωρὸν
(chloron)
groen
οὐδὲ
(oude)
noch
πᾶν
(pan)
enige
δένδρον
(dendron)
boom
εἰ
(ei)
tenzij
μὴ
(me)
niet
τοὺς
(tous)
de
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
οἵτινες
(hoitines)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἔχουσι
(echousi)
hebben
τὴν
(ten)
het
σφραγῖδα
(sphragida)
zegel
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐπὶ
(epi)
op
τῶν
(ton)
de
μετώπων
(metopon)
voorhoofden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het zegel van Elohim op het voorhoofd: zie Openb. 7:3 en Ezech. 9:4.

Het Grieks heeft in de tweede zin geen werkwoord; wij vullen ‘mochten’ aan.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἀδικήσουσιν (adikesousin), ‘zij zullen schade toebrengen’, en bij μετώπων (metopon), ‘voorhoofden’, een variant.

5Aan hen werd gegeven dat zij hen niet zouden doden, maar dat zij gekweld zouden worden, vijf maanden lang. Hun kwelling is als de kwelling van een schorpioen wanneer hij een mens steekt.
καὶ
(kai)
en
ἐδόθη
(edothe)
werd gegeven
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
ἀποκτείνωσιν
(apokteinosin)
zij zouden doden
αὐτούς
(autous)
hen
ἀλλ’
(all’)
maar
ἵνα
(hina)
opdat
βασανισθήσονται
(basanisthesontai)
gekweld zouden worden
μῆνας
(menas)
maanden
πέντε
(pente)
vijf
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
βασανισμὸς
(basanismos)
kwelling
αὐτῶν
(auton)
hun
ὡς
(hos)
als
βασανισμὸς
(basanismos)
kwelling
σκορπίου
(skorpiou)
van een schorpioen
ὅταν
(hotan)
wanneer
παίσῃ
(paise)
hij steekt
ἄνθρωπον
(anthropon)
een mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

βασανίζω (basanizo), ‘kwellen’: het onderwerp van ‘gekweld worden’ is niet genoemd; uit het verband zijn het de mensen, niet de sprinkhanen.

Het Grieks heeft ‘vijf maanden’ als tijdsduur.

Lezing

De SBLGNT markeert bij αὐτοῖς (autois), ‘hun’, en bij βασανισθήσονται (basanisthesontai), ‘zij zullen gekweld worden’, een variant.

6In die dagen zullen de mensen de dood zoeken en hem beslist niet vinden. Zij zullen verlangen te sterven, maar de dood vlucht van hen weg.
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
ἐκείναις
(ekeinais)
die
ζητήσουσιν
(zetesousin)
zullen zoeken
οἱ
(hoi)
de
ἄνθρωποι
(anthropoi)
mensen
τὸν
(ton)
de
θάνατον
(thanaton)
dood
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
beslist
μὴ
(me)
niet
εὑρήσουσιν
(heuresousin)
zullen vinden
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἐπιθυμήσουσιν
(epithymesousin)
zullen verlangen
ἀποθανεῖν
(apothanein)
te sterven
καὶ
(kai)
en
φεύγει
(pheugei)
vlucht
ὁ
(ho)
de
θάνατος
(thanatos)
dood
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

οὐ μή (ou me), ‘beslist niet’: de sterkste ontkenning in het Grieks.

Zie ook Job 3:21.

Lezing

De SBLGNT markeert bij φεύγει (pheugei), ‘vlucht’, en bij ὁ θάνατος ἀπ’ αὐτῶν (ho thanatos ap’ auton), ‘de dood van hen’, een variant.

Zie ookJob 3:21

De gedaante van de sprinkhanen

7De gedaanten van de sprinkhanen waren gelijk aan paarden die klaargemaakt zijn voor de oorlog. Op hun koppen zaten als het ware kronen, gelijk aan goud, en hun gezichten waren als gezichten van mensen.
Καὶ
(Kai)
en
τὰ
(ta)
de
ὁμοιώματα
(homoiomata)
gedaanten
τῶν
(ton)
van de
ἀκρίδων
(akridon)
sprinkhanen
ὅμοια
(homoia)
gelijk
ἵπποις
(hippois)
aan paarden
ἡτοιμασμένοις
(hetoimasmenois)
klaargemaakt
εἰς
(eis)
voor
πόλεμον
(polemon)
oorlog
καὶ
(kai)
en
ἐπὶ
(epi)
op
τὰς
(tas)
de
κεφαλὰς
(kephalas)
koppen
αὐτῶν
(auton)
hun
ὡς
(hos)
als
στέφανοι
(stephanoi)
kronen
ὅμοιοι
(homoioi)
gelijk
χρυσῷ
(chryso)
aan goud
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
πρόσωπα
(prosopa)
gezichten
αὐτῶν
(auton)
hun
ὡς
(hos)
als
πρόσωπα
(prosopa)
gezichten
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁμοίωμα (homoioma), ‘gedaante’; ὡς (hos), ‘als’: het Grieks vergelijkt steeds (‘als’, ‘gelijk aan’).

Het Grieks heeft bij ‘kronen’ geen werkwoord; wij vullen ‘zaten’ aan.

Zie ook Joël 2:4.

Lezing

De SBLGNT markeert de woorden ὅμοιοι χρυσῷ (homoioi chryso), ‘gelijk aan goud’, als variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Zie ookJoël 2:4
8Zij hadden haren als de haren van vrouwen, en hun tanden waren als van leeuwen.
καὶ
(kai)
en
εἶχον
(eichon)
hadden
τρίχας
(trichas)
haren
ὡς
(hos)
als
τρίχας
(trichas)
haren
γυναικῶν
(gynaikon)
van vrouwen
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ὀδόντες
(odontes)
tanden
αὐτῶν
(auton)
hun
ὡς
(hos)
als
λεόντων
(leonton)
van leeuwen
ἦσαν
(esan)
waren
Bron: SBLGNT
9Zij hadden borstpantsers als borstpantsers van ijzer. Het geluid van hun vleugels was als het geluid van strijdwagens, van veel paarden die de oorlog in rennen.
καὶ
(kai)
en
εἶχον
(eichon)
hadden
θώρακας
(thorakas)
borstpantsers
ὡς
(hos)
als
θώρακας
(thorakas)
borstpantsers
σιδηροῦς
(siderous)
ijzeren
καὶ
(kai)
en
ἡ
(he)
het
φωνὴ
(phone)
geluid
τῶν
(ton)
van de
πτερύγων
(pterygon)
vleugels
αὐτῶν
(auton)
hun
ὡς
(hos)
als
φωνὴ
(phone)
geluid
ἁρμάτων
(harmaton)
van strijdwagens
ἵππων
(hippon)
van paarden
πολλῶν
(pollon)
veel
τρεχόντων
(trechonton)
rennend
εἰς
(eis)
naar
πόλεμον
(polemon)
oorlog
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἅρμα (harma), ‘strijdwagen’.

Zie ook Joël 2:5.

Zie ookJoël 2:5
10Zij hebben staarten, gelijk aan schorpioenen, en angels. In hun staarten is hun gezag om de mensen vijf maanden lang schade toe te brengen.
καὶ
(kai)
en
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
οὐρὰς
(ouras)
staarten
ὁμοίας
(homoias)
gelijk
σκορπίοις
(skorpiois)
aan schorpioenen
καὶ
(kai)
en
κέντρα
(kentra)
angels
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
οὐραῖς
(ourais)
staarten
αὐτῶν
(auton)
hun
ἡ
(he)
het
ἐξουσία
(exousia)
gezag
αὐτῶν
(auton)
hun
ἀδικῆσαι
(adikesai)
schade toe te brengen
τοὺς
(tous)
de
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
μῆνας
(menas)
maanden
πέντε
(pente)
vijf
Bron: SBLGNT
Lezing

De SBLGNT markeert de woorden ἡ ἐξουσία αὐτῶν (he exousia auton), ‘hun gezag’, als variant.

Wij volgen de SBLGNT.

De koning van de afgrond

11Zij hebben als koning over zich de engel van de afgrond. Zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon, en in het Grieks heeft hij de naam Apollyon.
ἔχουσιν
(echousin)
hebben
ἐπ’
(ep’)
over
αὐτῶν
(auton)
hen
βασιλέα
(basilea)
koning
τὸν
(ton)
de
ἄγγελον
(angelon)
engel
τῆς
(tes)
van de
ἀβύσσου
(abyssou)
afgrond
ὄνομα
(onoma)
naam
αὐτῷ
(auto)
voor hem
Ἑβραϊστὶ
(Hebraisti)
in het Hebreeuws
Ἀβαδδών
(Abaddon)
Abaddon
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
Ἑλληνικῇ
(Hellenike)
Grieks
ὄνομα
(onoma)
naam
ἔχει
(echei)
heeft hij
Ἀπολλύων
(Apollyon)
Apollyon
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἀβαδδών (Abaddon) is het Hebreeuwse אֲבַדּוֹן (avaddon), ‘verderf’.

In ons Oude Testament staat daarvoor ‘de Afgrond’ (Job 26:6; 28:22; Ps. 88:12; Spr. 15:11). Ἀπολλύων (Apollyon) is Grieks en betekent ‘Vernietiger’.

Het Grieks heeft ‘over hen een koning’; of de engel dezelfde is als de ster uit 9:1, zegt de tekst niet.

Lezing

De SBLGNT markeert de woorden ἔχουσιν ἐπ’ αὐτῶν βασιλέα τὸν (echousin ep’ auton basilea ton), ‘zij hebben over zich als koning’, en καὶ ἐν (kai en), ‘en in’, als variant.

12Het eerste wee is voorbij. Zie, hierna komen nog twee weeën.
Ἡ
(He)
het
οὐαὶ
(ouai)
wee
ἡ
(he)
het
μία
(mia)
eerste
ἀπῆλθεν
(apelthen)
is voorbijgegaan
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ἔτι
(eti)
nog
δύο
(dyo)
twee
οὐαὶ
(ouai)
wee
μετὰ
(meta)
na
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
Bron: SBLGNT
Uitleg

μία (mia) is ‘één’; hier staat het voor ‘het eerste’, omdat er drie weeën aangekondigd zijn.

Zie ook Openb. 8:13; 11:14.

De zesde bazuin: vier engelen bij de Eufraat

13De zesde engel blies op de bazuin. Ik hoorde één stem uit de hoorns van het gouden altaar dat voor Elohim staat,
Καὶ
(Kai)
en
ὁ
(ho)
de
ἕκτος
(hektos)
zesde
ἄγγελος
(angelos)
engel
ἐσάλπισεν
(esalpisen)
blies de bazuin
καὶ
(kai)
en
ἤκουσα
(ekousa)
hoorde ik
φωνὴν
(phonen)
stem
μίαν
(mian)
één
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
κεράτων
(keraton)
hoorns
τοῦ
(tou)
van het
θυσιαστηρίου
(thysiasteriou)
altaar
τοῦ
(tou)
het
χρυσοῦ
(chrysou)
gouden
τοῦ
(tou)
dat
ἐνώπιον
(enopion)
voor
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

De hoorns van het altaar zijn de uitsteeksels op de hoeken; zie Exod. 27:2 en 30:1–3 (het gouden wierookaltaar).

Zie ook Openb. 8:3.

Lezing

De SBLGNT markeert bij τῶν (ton), ‘de’, voor ‘hoorns’ een variant.

14die tegen de zesde engel zei, hem die de bazuin had: „Maak de vier engelen los die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat.”
λέγοντα
(legonta)
zeggend
τῷ
(to)
aan de
ἕκτῳ
(hekto)
zesde
ἀγγέλῳ
(angelo)
engel
ὁ
(ho)
hij die
ἔχων
(echon)
had
τὴν
(ten)
de
σάλπιγγα
(salpinga)
bazuin
Λῦσον
(Lyson)
maak los
τοὺς
(tous)
de
τέσσαρας
(tessaras)
vier
ἀγγέλους
(angelous)
engelen
τοὺς
(tous)
die
δεδεμένους
(dedemenous)
gebonden zijn
ἐπὶ
(epi)
bij
τῷ
(to)
de
ποταμῷ
(potamo)
rivier
τῷ
(to)
de
μεγάλῳ
(megalo)
grote
Εὐφράτῃ
(Euphrate)
Eufraat
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Eufraat: De Eufraat ontspringt in het hoogland van Turkije en stroomt door Syrië en Irak naar de Perzische Golf.

Uitleg

De Eufraat was de oostgrens van het beloofde land (Gen. 15:18).

Zie ook Openb. 16:12.

Lezing

De SBLGNT markeert bij λέγοντα (legonta), ‘zeggend’, een variant.

15De vier engelen werden losgemaakt. Zij waren klaargemaakt voor het uur, de dag, de maand en het jaar, om het derde deel van de mensen te doden.
καὶ
(kai)
en
ἐλύθησαν
(elythesan)
werden losgemaakt
οἱ
(hoi)
de
τέσσαρες
(tessares)
vier
ἄγγελοι
(angeloi)
engelen
οἱ
(hoi)
die
ἡτοιμασμένοι
(hetoimasmenoi)
klaargemaakt waren
εἰς
(eis)
voor
τὴν
(ten)
het
ὥραν
(horan)
uur
καὶ
(kai)
en
ἡμέραν
(hemeran)
dag
καὶ
(kai)
en
μῆνα
(mena)
maand
καὶ
(kai)
en
ἐνιαυτόν
(eniauton)
jaar
ἵνα
(hina)
opdat
ἀποκτείνωσιν
(apokteinosin)
zij zouden doden
τὸ
(to)
het
τρίτον
(triton)
derde deel
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft één lidwoord voor ‘uur, dag, maand en jaar’.

Dat kan één vastgesteld tijdstip aanduiden of een tijdsduur; de tekst zegt het niet.

Lezing

De SBLGNT markeert bij καί (kai), ‘en’, voor ‘dag’ een variant.

Het leger van de ruiters

16Het aantal van de legers van de ruiterij was tweemaal 10.000 maal 10.000. Ik hoorde hun aantal.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
het
ἀριθμὸς
(arithmos)
aantal
τῶν
(ton)
van de
στρατευμάτων
(strateumaton)
legers
τοῦ
(tou)
van de
ἱππικοῦ
(hippikou)
ruiterij
δισμυριάδες
(dismyriades)
tweemaal 10.000
μυριάδων
(myriadon)
maal 10.000
ἤκουσα
(ekousa)
hoorde ik
τὸν
(ton)
het
ἀριθμὸν
(arithmon)
aantal
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

δισμυριάς (dismyrias) is ‘tweemaal 10.000’, μυριάς (myrias) ‘10.000’.

Vermenigvuldigd is dat 200.000.000.

Of het een telling of een beeld van een onoverzienbaar leger is, zegt de tekst niet.

Zie ook Dan. 7:10 (‘10.000 maal 10.000’).

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἱππικοῦ (hippikou), ‘ruiterij’, en bij δισμυριάδες (dismyriades) een variant.

Zie ookDan 7:10
17Zo zag ik in het visioen de paarden en hen die erop zaten. Zij hadden borstpantsers, vuurrood, donkerblauw en zwavelgeel. De koppen van de paarden waren als koppen van leeuwen, en uit hun monden komen vuur, rook en zwavel.
καὶ
(kai)
en
οὕτως
(houtos)
zo
εἶδον
(eidon)
zag ik
τοὺς
(tous)
de
ἵππους
(hippous)
paarden
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
ὁράσει
(horasei)
visioen
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
καθημένους
(kathemenous)
zittenden
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτῶν
(auton)
hen
ἔχοντας
(echontas)
hebbend
θώρακας
(thorakas)
borstpantsers
πυρίνους
(pyrinous)
vuurrode
καὶ
(kai)
en
ὑακινθίνους
(hyakinthinous)
donkerblauwe
καὶ
(kai)
en
θειώδεις
(theiodeis)
zwavelgele
καὶ
(kai)
en
αἱ
(hai)
de
κεφαλαὶ
(kephalai)
koppen
τῶν
(ton)
van de
ἵππων
(hippon)
paarden
ὡς
(hos)
als
κεφαλαὶ
(kephalai)
koppen
λεόντων
(leonton)
van leeuwen
καὶ
(kai)
en
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
στομάτων
(stomaton)
monden
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐκπορεύεται
(ekporeuetai)
komt voort
πῦρ
(pyr)
vuur
καὶ
(kai)
en
καπνὸς
(kapnos)
rook
καὶ
(kai)
en
θεῖον
(theion)
zwavel
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὅρασις (horasis), ‘visioen’.

De kleurwoorden komen van vuur (πύρινος), van de hyacint (ὑακίνθινος) en van zwavel (θειώδης).

Wij vertalen ‘vuurrood, donkerblauw, zwavelgeel’; de precieze kleuren zijn een benadering.

18Door deze drie plagen werd het derde deel van de mensen gedood: door het vuur, de rook en de zwavel die uit hun monden kwam.
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
τριῶν
(trion)
drie
πληγῶν
(plegon)
plagen
τούτων
(touton)
deze
ἀπεκτάνθησαν
(apektanthesan)
werden gedood
τὸ
(to)
het
τρίτον
(triton)
derde deel
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
ἐκ
(ek)
door
τοῦ
(tou)
het
πυρὸς
(pyros)
vuur
καὶ
(kai)
en
τοῦ
(tou)
de
καπνοῦ
(kapnou)
rook
καὶ
(kai)
en
τοῦ
(tou)
de
θείου
(theiou)
zwavel
τοῦ
(tou)
die
ἐκπορευομένου
(ekporeuomenou)
komend
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
στομάτων
(stomaton)
monden
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

πληγή (plege), ‘plaag’: letterlijk ‘slag’.

Wij vertalen zo ook in 9:20 en 11:6; bij het beest staat ‘wond’ (13:3).

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἐκ (ek), ‘door’, voor ‘het vuur’ een variant.

19Want het gezag van de paarden is in hun mond en in hun staarten. Want hun staarten zijn gelijk aan slangen en hebben koppen, en daarmee brengen zij schade toe.
ἡ
(he)
het
γὰρ
(gar)
want
ἐξουσία
(exousia)
gezag
τῶν
(ton)
van de
ἵππων
(hippon)
paarden
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
στόματι
(stomati)
mond
αὐτῶν
(auton)
hun
ἐστιν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
οὐραῖς
(ourais)
staarten
αὐτῶν
(auton)
hun
αἱ
(hai)
de
γὰρ
(gar)
want
οὐραὶ
(ourai)
staarten
αὐτῶν
(auton)
hun
ὅμοιαι
(homoiai)
gelijk
ὄφεσιν
(ophesin)
aan slangen
ἔχουσαι
(echousai)
hebbend
κεφαλάς
(kephalas)
koppen
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
αὐταῖς
(autais)
die
ἀδικοῦσιν
(adikousin)
brengen schade toe
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft ‘gezag’ in de mond en de staarten.

Zie ook Openb. 9:3.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ὄφεσιν (ophesin), ‘slangen’, een variant.

Zie ookOpenb 9:3

De overigen bekeren zich niet

20De overige mensen werden niet door deze plagen gedood. Zij bekeerden zich ook niet van de werken van hun handen, zodat zij zich niet zouden neerbuigen voor de demonen en voor de afgodsbeelden van goud, zilver, brons, steen en hout. Die kunnen niet zien, niet horen en niet lopen.
Καὶ
(Kai)
en
οἱ
(hoi)
de
λοιποὶ
(loipoi)
overigen
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
οἳ
(hoi)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἀπεκτάνθησαν
(apektanthesan)
werden gedood
ἐν
(en)
door
ταῖς
(tais)
de
πληγαῖς
(plegais)
plagen
ταύταις
(tautais)
deze
οὐδὲ
(oude)
ook niet
μετενόησαν
(metenoesan)
bekeerden zich
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
ἔργων
(ergon)
werken
τῶν
(ton)
van de
χειρῶν
(cheiron)
handen
αὐτῶν
(auton)
hun
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
προσκυνήσουσιν
(proskynesousin)
zij zich zouden neerbuigen
τὰ
(ta)
de
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
εἴδωλα
(eidola)
afgodsbeelden
τὰ
(ta)
de
χρυσᾶ
(chrysa)
gouden
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
ἀργυρᾶ
(argyra)
zilveren
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
χαλκᾶ
(chalka)
bronzen
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
λίθινα
(lithina)
stenen
καὶ
(kai)
en
τὰ
(ta)
de
ξύλινα
(xylina)
houten
ἃ
(ha)
die
οὔτε
(oute)
noch
βλέπειν
(blepein)
zien
δύνανται
(dynantai)
kunnen
οὔτε
(oute)
noch
ἀκούειν
(akouein)
horen
οὔτε
(oute)
noch
περιπατεῖν
(peripatein)
lopen
Bron: SBLGNT
Uitleg

μετανοέω (metanoeo), ‘zich bekeren’: letterlijk ‘van gedachten veranderen’. ἵνα μή (hina me), ‘opdat niet’: wij houden de letterlijke woorden aan.

De zin kan zo gelezen worden dat zij zich niet bekeerden van het neerbuigen voor demonen en afgodsbeelden. δαιμόνια (daimonia), ‘demonen’; εἴδωλα (eidola), ‘afgodsbeelden’. χαλκοῦς (chalkous) vertalen wij met ‘brons’, zoals in Dan. 5:23.

Zie ook Dan. 5:23; Ps. 115:4–7; Ps. 135:15–17; Deut. 32:17.

Lezing

De SBLGNT markeert bij οὐδέ (oude), ‘ook niet’, bij προσκυνήσουσιν (proskynesousin), ‘zij zullen zich neerbuigen’, en bij δύνανται (dynantai), ‘zij kunnen’, een variant.

21En zij bekeerden zich niet van hun moorden, noch van hun tovermiddelen, noch van hun ontucht, noch van hun diefstallen.
καὶ
(kai)
en
οὐ
(ou)
niet
μετενόησαν
(metenoesan)
bekeerden zich
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
φόνων
(phonon)
moorden
αὐτῶν
(auton)
hun
οὔτε
(oute)
noch
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
φαρμάκων
(pharmakon)
tovermiddelen
αὐτῶν
(auton)
hun
οὔτε
(oute)
noch
ἐκ
(ek)
van
τῆς
(tes)
de
πορνείας
(porneias)
ontucht
αὐτῶν
(auton)
hun
οὔτε
(oute)
noch
ἐκ
(ek)
van
τῶν
(ton)
de
κλεμμάτων
(klemmaton)
diefstallen
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg

φάρμακον (pharmakon), ‘tovermiddel’: verwant met φαρμακεία (pharmakeia), ‘toverij’ in Gal. 5:20. πορνεία (porneia), ‘ontucht’.

Lezing

De SBLGNT markeert bij φαρμάκων (pharmakon), ‘tovermiddelen’, een variant.

Zie ookGal 5:20