Elohim Bijbel

Psalmen 139

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Yahweh, U doorgrondt mij

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

U kent mij door en door

1Voor de koorleider. Van David. Een psalm. Yahweh, U hebt mij doorzocht en U kent mij.
לַ֭מְנַצֵּחַ
(lamnatseach)
voor de koorleider
לְדָוִ֣ד
(ledavid)
van David
מִזְמ֑וֹר
(mizmor)
een psalm
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
חֲ֝קַרְתַּ֗נִי
(chaqartani)
U hebt mij doorzocht
וַתֵּדָֽע
(vateda)
en U kent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לַמְנַצֵּחַ (lamnatseach), ‘voor de koorleider’: onzeker, zie bij Ps. 4:1.

חֲקַרְתַּנִי (chaqartani), ‘U hebt mij doorzocht’: zoals men een mijn of een bron doorzoekt tot op de bodem.

2U kent mijn zitten en mijn opstaan. U begrijpt mijn gedachten van veraf.
אַתָּ֣ה
(ata)
U
יָ֭דַעְתָּ
(yadata)
U kent
שִׁבְתִּ֣י
(shivti)
mijn zitten
וְקוּמִ֑י
(vequmi)
en mijn opstaan
בַּ֥נְתָּה
(banta)
U begrijpt
לְ֝רֵעִ֗י
(lerei)
mijn gedachten
מֵרָחֽוֹק
(merachoq)
van veraf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Mijn gaan en mijn liggen onderzoekt U. Met al mijn wegen bent U vertrouwd.
אָרְחִ֣י
(arechi)
mijn gaan
וְרִבְעִ֣י
(verivi)
en mijn liggen
זֵרִ֑יתָ
(zerita)
U onderzoekt
וְֽכָל
(vekhal)
en al
דְּרָכַ֥י
(derakhay)
mijn wegen
הִסְכַּֽנְתָּה
(hiskanta)
bent U vertrouwd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זֵרִיתָ (zeritah), ‘U onderzoekt’: letterlijk ‘U wanneert, U zeeft’: u scheidt het ene van het andere en ziet alles.

הִסְכַּנְתָּה (hiskanta), ‘bent U vertrouwd’: u kent het, u bent er vertrouwd mee.

4Want er is geen woord op mijn tong, of zie, Yahweh, U kent het al helemaal.
כִּ֤י
(ki)
want
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
מִ֭לָּה
(mila)
woord
בִּלְשׁוֹנִ֑י
(bilshoni)
op mijn tong
הֵ֥ן
(hen)
zie
יְ֝הוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יָדַ֥עְתָּ
(yadata)
U kent het
כֻלָּֽהּ
(kulah)
helemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Achter en voor sluit U mij in. U legt Uw hand op mij.
אָח֣וֹר
(achor)
achter
וָקֶ֣דֶם
(vaqedem)
en voor
צַרְתָּ֑נִי
(tsartani)
U sluit mij in
וַתָּ֖שֶׁת
(vatashet)
en U legt
עָלַ֣י
(alay)
op mij
כַּפֶּֽכָה
(kapekha)
Uw hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zulke kennis is te wonderbaarlijk voor mij. Zij is te hoog; ik kan haar niet bevatten.
פְּלִ֣יאָֽה
(pelia)
wonderbaarlijk
דַ֣עַת
(daat)
kennis
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
te hoog voor mij
נִ֝שְׂגְּבָ֗ה
(nisgeva)
te hoog
לֹא
(lo)
niet
א֥וּכַֽל
(ukhal)
ik kan
לָֽהּ
(lah)
haar bevatten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is פלאיה (pil’ayah), de te lezen vorm (qere) is פְּלִיאָה (pelia).

Beide betekenen ‘wonderbaarlijk’.

Wij volgen de qere.

Waar zou ik heen gaan voor Uw Geest?

7Waar zou ik heen gaan voor Uw Geest? Waar zou ik vluchten voor Uw aangezicht?
אָ֭נָ֥ה
(ana)
waar
אֵלֵ֣ךְ
(elekh)
zou ik gaan
מֵרוּחֶ֑ךָ
(meruchekha)
voor Uw Geest
וְ֝אָ֗נָה
(veana)
en waar
מִפָּנֶ֥יךָ
(mipaneikha)
voor Uw aangezicht
אֶבְרָֽח
(evrach)
zou ik vluchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘geest’: hier ‘Uw Geest’, de Geest van Yahweh die overal is.

Het woord kan ook ‘wind’ of ‘adem’ betekenen.

Wij schrijven ‘Geest’ met hoofdletter, omdat het de Geest van Yahweh zelf is.

8Als ik opstijg naar de hemel, bent U daar. Als ik mijn bed maak in de Sjeol, zie, U bent daar.
אִם
(im)
als
אֶסַּ֣ק
(esaq)
ik opstijg
שָׁ֭מַיִם
(shamayim)
hemel
שָׁ֣ם
(sham)
daar
אָ֑תָּה
(ata)
U
וְאַצִּ֖יעָה
(veatsia)
en maak ik mijn bed
שְּׁא֣וֹל
(sheol)
Sjeol
הִנֶּֽךָּ
(hineka)
zie, U bent daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁאוֹל (Sjeol): het dodenrijk, de plaats van de gestorvenen.

De dichter noemt de hoogste en de diepste plaats: de hemel en de Sjeol.

9Neem ik de vleugels van de dageraad en ga ik wonen aan het uiterste van de zee,
אֶשָּׂ֥א
(esa)
ik neem
כַנְפֵי
(kanfei)
vleugels van
שָׁ֑חַר
(shachar)
dageraad
אֶ֝שְׁכְּנָ֗ה
(eshkena)
ik ga wonen
בְּאַחֲרִ֥ית
(beacharit)
aan het uiterste van
יָֽם
(yam)
zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַחֲרִית יָם (acharit yam), ‘het uiterste van de zee’: het verste punt in het westen, waar de Grote Zee (de Middellandse Zee) ophoudt.

Van de dageraad (het oosten) tot het uiterste van de zee (het westen): U bent overal.

10ook daar leidt Uw hand mij en grijpt Uw rechterhand mij vast.
גַּם
(gam)
ook
שָׁ֭ם
(sham)
daar
יָדְךָ֣
(yadekha)
Uw hand
תַנְחֵ֑נִי
(tancheni)
leidt mij
וְֽתֹאחֲזֵ֥נִי
(vetochazeni)
en grijpt mij vast
יְמִינֶֽךָ
(yeminekha)
Uw rechterhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zeg ik: „Zeker, de duisternis zal mij overvallen, en het licht om mij heen zal nacht zijn,”
וָ֭אֹמַר
(vaomar)
en ik zeg
אַךְ
(akh)
zeker
חֹ֣שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
יְשׁוּפֵ֑נִי
(yeshufeni)
zal mij overvallen
וְ֝לַ֗יְלָה
(velayla)
en nacht
א֣וֹר
(or)
licht
בַּעֲדֵֽנִי
(baadeni)
om mij heen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

שׁוּף (shuf) komt zelden voor.

Elders betekent het ‘vermorzelen’, ‘treffen’ (Gen. 3:15; Job 9:17).

Hier past in de samenhang ‘overvallen’ of ‘bedekken’.

Onzeker.

Het Hebreeuws zegt ‘en ik zeg’ en sluit aan op de verzen 8–10 (‘als ik ... zeg ik’).

12dan nog maakt de duisternis het niet donker voor U. De nacht licht op als de dag. Duisternis is als licht.
גַּם
(gam)
ook
חֹשֶׁךְ֮
(choshekh)
duisternis
לֹֽא
(lo)
niet
יַחְשִׁ֪יךְ
(yachshikh)
maakt donker
מִ֫מֶּ֥ךָ
(mimekha)
voor U
וְ֭לַיְלָה
(velayla)
en nacht
כַּיּ֣וֹם
(kayom)
als de dag
יָאִ֑יר
(yair)
licht op
כַּ֝חֲשֵׁיכָ֗ה
(kachasheikha)
als duisternis
כָּאוֹרָֽה
(kaora)
als licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

U hebt mij gevormd in de moederschoot

13Want U hebt mijn nieren gevormd. U hebt mij omhuld in de buik van mijn moeder.
כִּֽי
(ki)
want
אַ֭תָּה
(ata)
U
קָנִ֣יתָ
(qanita)
hebt gevormd
כִלְיֹתָ֑י
(kilyotay)
mijn nieren
תְּ֝סֻכֵּ֗נִי
(tesukeni)
U hebt mij omhuld
בְּבֶ֣טֶן
(beveten)
in de buik van
אִמִּֽי
(imi)
mijn moeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּלָיוֹת (kelayot), ‘nieren’: in het Hebreeuws de zetel van diepe gevoelens en gedachten (zie ook vers 23 over het hart).

תְּסֻכֵּנִי (tesukkeni), ‘U hebt mij omhuld’: bedekt, afgeschermd; vergelijk Job 10:11.

Het kan ook ‘U hebt mij geweven’ betekenen.

14Ik dank U, omdat ik ontzagwekkend en wonderbaarlijk gemaakt ben. Wonderbaarlijk zijn Uw werken, en mijn ziel weet dat zeer goed.
אֽוֹדְךָ֗
(odekha)
ik dank U
עַ֤ל
(al)
omdat
כִּ֥י
(ki)
want
נוֹרָא֗וֹת
(noraot)
ontzagwekkend
נִ֫פְלֵ֥יתִי
(nifleiti)
ben ik wonderbaarlijk gemaakt
נִפְלָאִ֥ים
(niflaim)
wonderbaarlijk
מַעֲשֶׂ֑יךָ
(maaseikha)
Uw werken
וְ֝נַפְשִׁ֗י
(venafshi)
en mijn ziel
יֹדַ֥עַת
(yodaat)
weet
מְאֹֽד
(meod)
zeer goed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִפְלֵיתִי (nifleti), ‘ik ben wonderbaarlijk gemaakt’: ook ‘ik ben afgezonderd’ of ‘uitgekozen’.

De dichter noemt zichzelf een wonder van Yahweh.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de persoon zelf, met zijn leven en bewustzijn.

15Mijn gebeente was niet voor U verborgen, toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de diepten van de aarde.
לֹא
(lo)
niet
נִכְחַ֥ד
(nikhchad)
was verborgen
עָצְמִ֗י
(atsemi)
mijn gebeente
מִ֫מֶּ֥ךָּ
(mimeka)
voor U
אֲשֶׁר
(asher)
toen
עֻשֵּׂ֥יתִי
(useiti)
ik werd gemaakt
בַסֵּ֑תֶר
(baseter)
in het verborgene
רֻ֝קַּ֗מְתִּי
(ruqamti)
geweven werd
בְּֽתַחְתִּיּ֥וֹת
(betachtiyot)
in de diepten van
אָֽרֶץ
(arets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֻקַּמְתִּי (ruqqamti), ‘kunstig geweven’: letterlijk geborduurd, met gekleurde draden.

‘De diepten van de aarde’ is een beeld voor de moederschoot; vergelijk Gen. 2:7 (de mens uit de grond).

16Uw ogen zagen mijn ongevormde massa. In Uw boek werden zij allen geschreven, de dagen die gevormd werden, en één van hen was voor hem.
גָּלְמִ֤י
(galemi)
mijn ongevormde massa
רָ֘א֤וּ
(rau)
zagen
עֵינֶ֗יךָ
(eineikha)
Uw ogen
וְעַֽל
(veal)
en in
סִפְרְךָ֮
(sifrekha)
Uw boek
כֻּלָּ֪ם
(kulam)
allen
יִכָּ֫תֵ֥בוּ
(yikatevu)
werden geschreven
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
יֻצָּ֑רוּ
(yutsaru)
die gevormd werden
וְל֖וֹ
(velo)
en voor hem
אֶחָ֣ד
(echad)
een
בָּהֶֽם
(bahem)
van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּלְמִי (golmi), ‘mijn ongevormde massa’: het woord komt alleen hier voor.

Het wijst op wat nog geen vorm heeft, het kind in de vroege groei.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is וְלֹא (velo), ‘en niet één van hen’; de te lezen vorm (qere) is וְלוֹ (velo), ‘en voor hem’.

De twee klinken gelijk.

Wij volgen de qere: de dagen zijn voor hem bepaald, en één daarvan is voor hem.

Met de ketiv luidt de zin: ‘de dagen die gevormd werden, toen nog niet één van hen bestond’.

Uw gedachten zijn talrijk

17Hoe kostbaar zijn voor mij Uw gedachten, El! Hoe machtig is hun som!
וְלִ֗י
(veli)
en voor mij
מַה
(ma)
hoe
יָּקְר֣וּ
(yaqeru)
kostbaar zijn
רֵעֶ֣יךָ
(reeikha)
Uw gedachten
אֵ֑ל
(el)
El
מֶ֥ה
(me)
hoe
עָ֝צְמוּ
(atsemu)
machtig zijn
רָאשֵׁיהֶֽם
(rasheihem)
hun sommen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵעֶיךָ (re’eka), ‘Uw gedachten’: een woord uit het Aramees, ‘gedachten’ of ‘plannen’.

רָאשֵׁיהֶם (rasheihem), ‘hun sommen’: letterlijk ‘hun hoofden’, hun totaal.

18Tel ik ze, dan zijn ze talrijker dan het zand. Ik word wakker en ben nog altijd bij U.
אֶ֭סְפְּרֵם
(esperem)
ik tel ze
מֵח֣וֹל
(mechol)
dan zand
יִרְבּ֑וּן
(yirbun)
zijn ze talrijker
הֱ֝קִיצֹ֗תִי
(heqitsoti)
ik word wakker
וְעוֹדִ֥י
(veodi)
en nog ben ik
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Tegen de bloeddorstigen

19Och, Eloah, wilde U de goddeloze doden! Mannen van bloedvergieten, ga weg van mij!
אִם
(im)
och
תִּקְטֹ֖ל
(tiqtol)
wilde U doden
אֱל֥וֹהַּ
(eloha)
Eloah
רָשָׁ֑ע
(rasha)
de goddeloze
וְאַנְשֵׁ֥י
(veanshei)
en mannen van
דָ֝מִ֗ים
(damim)
bloedvergieten
ס֣וּרוּ
(suru)
ga weg
מֶֽנִּי
(meni)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלוֹהַּ (Eloah): naam of titel van Elohim, zoals in Job.

Het vers begint met een uitroep: ‘ach, wilde U ...!’

אַנְשֵׁי דָמִים (anshei damim), ‘mannen van bloedvergieten’: mannen die bloed vergieten. Zie ook Ps. 5:7 en 26:9.

20Zij spreken over U met snode bedoeling. Uw tegenstanders heffen Uw naam op tot ijdelheid.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יֹ֭אמְרֻךָ
(yomrukha)
zij spreken over U
לִמְזִמָּ֑ה
(limzima)
met snode bedoeling
נָשֻׂ֖א
(nasu)
zij heffen op
לַשָּׁ֣וְא
(lashave)
tot ijdelheid
עָרֶֽיךָ
(areikha)
Uw tegenstanders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is moeilijk en de betekenis is onzeker.

יַמְרוּךָ (yamruka) staat voor ‘zij spreken over U’ (van אמר), of ‘zij verzetten zich tegen U’ (van מרה).

נָשֻׂא (nasu) betekent ‘zij heffen op’; het voorwerp ontbreekt.

Wij vullen ‘Uw naam’ aan naar het gebod in Exod. 20:7 (de naam van Yahweh ijdel gebruiken; in het Hebreeuws staat dezelfde uitdrukking: de naam tot ijdelheid opheffen).

עָרֶיךָ (areka) betekent ‘Uw tegenstanders’; sommige lezers vatten het op als ‘Uw steden’.

21Haat ik niet, Yahweh, wie U haten? En walg ik niet van wie tegen U opstaan?
הֲלֽוֹא
(halo)
niet
מְשַׂנְאֶ֖יךָ
(mesaneikha)
wie U haten
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶשְׂנָ֑א
(esna)
haat ik
וּ֝בִתְקוֹמְמֶ֗יךָ
(uvitqomemeikha)
en die tegen U opstaan
אֶתְקוֹטָֽט
(etqotat)
walg ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶתְקוֹטָט (etqotat), ‘ik walg’: een sterk woord voor afkeer, ook ‘ik ben vol afschuw’.

De dichter haat wie Yahweh haat; zijn haat is geen eigen wraak maar trouw aan Yahweh.

22Met de uiterste haat haat ik hen. Voor mij zijn zij vijanden geworden.
תַּכְלִ֣ית
(takhlit)
uiterste van
שִׂנְאָ֣ה
(sina)
haat
שְׂנֵאתִ֑ים
(senetim)
ik haat hen
לְ֝אוֹיְבִ֗ים
(leoyevim)
tot vijanden
הָ֣יוּ
(hayu)
zijn zij geworden
לִֽי
(li)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een eed in woorden: de dichter kiest openlijk de kant van Yahweh en laat de vijanden van Yahweh vallen.

Het staat er letterlijk; wij verzachten het niet.

Doorgrond mij

23Doorzoek mij, El, en ken mijn hart. Beproef mij en ken mijn onrustige gedachten.
חָקְרֵ֣נִי
(chaqereni)
doorzoek mij
אֵ֭ל
(el)
El
וְדַ֣ע
(veda)
en ken
לְבָבִ֑י
(levavi)
mijn hart
בְּ֝חָנֵ֗נִי
(bechaneni)
beproef mij
וְדַ֣ע
(veda)
en ken
שַׂרְעַפָּֽי
(sarapay)
mijn onrustige gedachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׂרְעַפַּי (sarappai), ‘mijn onrustige gedachten’: gedachten die door elkaar woelen, zorgen.

Het woord komt ook voor in Ps. 94:19.

24Zie of er in mij een weg van pijn is, en leid mij op de eeuwige weg.
וּרְאֵ֗ה
(uree)
en zie
אִם
(im)
of
דֶּֽרֶךְ
(derekh)
weg van
עֹ֥צֶב
(otsev)
pijn
בִּ֑י
(bi)
in mij
וּ֝נְחֵ֗נִי
(unecheni)
en leid mij
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

דֶּרֶךְ־עֹצֶב (derech otsev), ‘weg van pijn’: een weg die tot pijn of verdriet leidt, of: een weg van afgoderij (etsev betekent ook ‘afgod’).

Onzeker.

דֶּרֶךְ עוֹלָם (derech olam), ‘eeuwige weg’: ook ‘oude weg’ (vergelijk Jer. 6:16).