Elohim Bijbel

Psalmen 17

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Een gebed om recht en bescherming

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Hoor een rechtvaardige zaak

1Een gebed van David. Hoor, Yahweh, een rechtvaardige zaak. Let op mijn roep. Luister naar mijn gebed, uit lippen zonder bedrog.
תְּפִלָּ֗ה
(tefila)
een gebed
לְדָ֫וִ֥ד
(ledavid)
van David
שִׁמְעָ֤ה
(shima)
hoor
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
צֶ֗דֶק
(tsedeq)
een rechtvaardige zaak
הַקְשִׁ֥יבָה
(haqshiva)
let op
רִנָּתִ֗י
(rinati)
mijn roep
הַאֲזִ֥ינָה
(haazina)
luister
תְפִלָּתִ֑י
(tefilati)
naar mijn gebed
בְּ֝לֹ֗א
(belo)
zonder
שִׂפְתֵ֥י
(siftei)
lippen van
מִרְמָֽה
(mirma)
bedrog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּפִלָּה (tefillah), ‘gebed’: zo heet ook het opschrift van Ps. 86, 90, 102 en 142.

צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’: hier ‘een rechtvaardige zaak’, een zaak waarin de dichter recht zoekt.

רִנָּה (rinnah), ‘roep’: een luide, ontroerde kreet.

2Van voor Uw aangezicht ga mijn recht uit. Laat Uw ogen zien wat recht is.
מִ֭לְּפָנֶיךָ
(milefaneikha)
van voor Uw aangezicht
מִשְׁפָּטִ֣י
(mishpati)
mijn recht
יֵצֵ֑א
(yetse)
ga uit
עֵ֝ינֶ֗יךָ
(eineikha)
Uw ogen
תֶּחֱזֶ֥ינָה
(techezeina)
laat zien
מֵישָׁרִֽים
(meisharim)
wat recht is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

U hebt mijn hart onderzocht

3U hebt mijn hart onderzocht, U hebt mij ’s nachts bezocht, U hebt mij gelouterd. U vindt niets. Ik heb besloten: mijn mond zal niet overtreden.
בָּ֘חַ֤נְתָּ
(bachanta)
U hebt onderzocht
לִבִּ֨י
(libi)
mijn hart
פָּ֘קַ֤דְתָּ
(paqadta)
U hebt bezocht
לַּ֗יְלָה
(layla)
’s nachts
צְרַפְתַּ֥נִי
(tseraftani)
U hebt mij gelouterd
בַל
(bal)
niets
תִּמְצָ֑א
(timtsa)
U vindt
זַ֝מֹּתִ֗י
(zamoti)
ik heb besloten
בַּל
(bal)
niet
יַעֲבָר
(yaavar)
zal overtreden
פִּֽי
(pi)
mijn mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָרַף (tsaraf), ‘louteren’: zoals zilver in het vuur.

Zie ook Ps. 12:7.

Lezing

זַמֹּתִי בַּל־יַעֲבָר פִּי (zammoti bal ya’avor pi) is moeilijk.

Wij lezen zammoti als ‘ik heb besloten’; ook mogelijk: ‘mijn plannen gaan mijn mond niet te buiten’.

4Wat de daden van mensen betreft: door het woord van Uw lippen heb ik mij gehoed voor de paden van de geweldenaar.
לִפְעֻלּ֣וֹת
(lifulot)
wat de daden betreft van
אָ֭דָם
(adam)
mensen
בִּדְבַ֣ר
(bidvar)
door het woord van
שְׂפָתֶ֑יךָ
(sefateikha)
Uw lippen
אֲנִ֥י
(ani)
ik
שָׁ֝מַ֗רְתִּי
(shamarti)
heb mij gehoed
אָרְח֥וֹת
(arechot)
voor de paden van
פָּרִֽיץ
(parits)
de geweldenaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּרִיץ (paritz), ‘geweldenaar’: iemand die met geweld de grens doorbreekt.

‘Het woord van Uw lippen’ is wat Yahweh heeft gezegd, Zijn wet.

5Mijn schreden hielden vast aan Uw sporen, mijn voeten zijn niet gewankeld.
תָּמֹ֣ךְ
(tamokh)
houden vast
אֲ֭שֻׁרַי
(ashuray)
mijn schreden
בְּמַעְגְּלוֹתֶ֑יךָ
(bemageloteikha)
aan Uw sporen
בַּל
(bal)
niet
נָמ֥וֹטּוּ
(namotu)
zijn gewankeld
פְעָמָֽי
(peamay)
mijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

תָּמֹךְ (tamoch) staat in de onbepaalde wijs.

Het kan ook als bevel worden gelezen: ‘Houd mijn schreden vast aan Uw sporen’.

Wij nemen de verleden tijd, want de volgende regel zegt ‘zijn niet gewankeld’.

Behoed mij als de oogappel

6Ik roep U aan, want U antwoordt mij, El. Neig Uw oor tot mij en hoor mijn woord.
אֲנִֽי
(ani)
ik
קְרָאתִ֣יךָ
(qeratikha)
roep U aan
כִֽי
(ki)
want
תַעֲנֵ֣נִי
(taaneni)
U antwoordt mij
אֵ֑ל
(el)
El
הַֽט
(hat)
neig
אָזְנְךָ֥
(azenekha)
Uw oor
לִ֝֗י
(li)
tot mij
שְׁמַ֣ע
(shema)
hoor
אִמְרָתִֽי
(imrati)
mijn woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Toon wonderbaar Uw trouw, U die wie bij U schuilen met Uw rechterhand redt van hen die tegen hen opstaan.
הַפְלֵ֣ה
(hafle)
toon wonderbaar
חֲ֭סָדֶיךָ
(chasadeikha)
Uw trouw
מוֹשִׁ֣יעַ
(moshia)
U die redt
חוֹסִ֑ים
(chosim)
wie schuilen
מִ֝מִּתְקוֹמְמִ֗ים
(mimitqomemim)
van hen die opstaan
בִּֽימִינֶֽךָ
(biminekha)
met Uw rechterhand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַפְלֵה (hafleh), ‘toon wonderbaar’: doe een wonder.

Lezing

בִּימִינֶךָ (biminecha), ‘met Uw rechterhand’, staat in het Hebreeuws aan het einde.

Het kan horen bij ‘redt’ (zo vertalen wij) of bij ‘schuilen’: ‘die schuilen bij Uw rechterhand’.

8Behoed mij als de oogappel, de dochter van het oog. Verberg mij in de schaduw van Uw vleugels,
שָׁ֭מְרֵנִי
(shamereni)
behoed mij
כְּאִישׁ֣וֹן
(keishon)
als de oogappel van
בַּת
(bat)
de dochter van
עָ֑יִן
(ayin)
het oog
בְּצֵ֥ל
(betsel)
in de schaduw van
כְּ֝נָפֶ֗יךָ
(kenafeikha)
Uw vleugels
תַּסְתִּירֵֽנִי
(tastireni)
verberg mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁוֹן בַּת־עָיִן (ishon bat ayin), letterlijk ‘mannetje, dochter van het oog’: de oogappel.

Zie ook Deut. 32:10.

‘De schaduw van Uw vleugels’: het beeld van een vogel die zijn jongen beschermt. Zie ook Ruth 2:12 en Ps. 36:8.

9voor de goddelozen die mij verwoesten, mijn vijanden die mij omsingelen om mijn leven.
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor
רְ֭שָׁעִים
(reshaim)
goddelozen
ז֣וּ
(zu)
die
שַׁדּ֑וּנִי
(shaduni)
mij verwoesten
אֹיְבַ֥י
(oyevay)
mijn vijanden
בְּ֝נֶ֗פֶשׁ
(benefesh)
om mijn leven
יַקִּ֥יפוּ
(yaqifu)
omsingelen
עָלָֽי
(alay)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), hier ‘leven’: zij zijn uit op het leven van de dichter.

10Zij hebben hun vet gesloten. Hun mond spreekt hoogmoedig.
חֶלְבָּ֥מוֹ
(chelbamo)
hun vet
סָּגְר֑וּ
(sageru)
hebben gesloten
פִּ֝֗ימוֹ
(pimo)
hun mond
דִּבְּר֥וּ
(diberu)
spreekt
בְגֵאֽוּת
(begeut)
hoogmoedig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵלֶב (chelev), ‘vet’: vet als beeld van gevoelloosheid en eigenwaan; zij zijn dichtgegroeid voor medelijden.

Zie ook Ps. 73:7 en 119:70.

11Onze schreden: nu omsingelen zij ons. Zij richten hun ogen erop om ons ter aarde te werpen.
אַ֭שֻּׁרֵינוּ
(ashureinu)
onze schreden
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
סְבָב֑וּנוּ
(sevavunu)
omsingelen ons
עֵינֵיהֶ֥ם
(eineihem)
hun ogen
יָ֝שִׁ֗יתוּ
(yashitu)
richten zij
לִנְט֥וֹת
(lintot)
om neer te werpen
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
ter aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is סבבוני (savavuni), ‘zij omsingelen mij’.

De te lezen vorm (qere) is סבבונו (savavunu), ‘zij omsingelen ons’.

Wij volgen de qere.

לִנְטוֹת (linot): het werkwoord betekent ‘uitstrekken’ of ‘buigen’. Wij lezen ‘ter aarde werpen’; de zin is niet geheel zeker.

12Hij lijkt op een leeuw die ernaar hunkert te verscheuren, en op een jonge leeuw die in schuilplaatsen op de loer zit.
דִּמְיֹנ֗וֹ
(dimyono)
zijn gedaante
כְּ֭אַרְיֵה
(kearye)
als een leeuw
יִכְס֣וֹף
(yikhsof)
hunkert
לִטְר֑וֹף
(litrof)
om te verscheuren
וְ֝כִכְפִ֗יר
(vekhikhfir)
en als een jonge leeuw
יֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
zit
בְּמִסְתָּרִֽים
(bemistarim)
in schuilplaatsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַרְיֵה (aryeh), ‘leeuw’, en כְּפִיר (kefir), ‘jonge leeuw’: twee woorden voor dezelfde belager.

‘Hij’ is de vijand uit vers 9, in het enkelvoud.

Sta op, Yahweh

13Sta op, Yahweh, treed hem tegemoet, breng hem op de knieën. Red mijn ziel van de goddeloze, met Uw zwaard.
קוּמָ֤ה
(quma)
sta op
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
קַדְּמָ֣ה
(qadema)
treed tegemoet
פָ֭נָיו
(panav)
zijn aangezicht
הַכְרִיעֵ֑הוּ
(hakhriehu)
breng hem op de knieën
פַּלְּטָ֥ה
(paleta)
red
נַ֝פְשִׁ֗י
(nafshi)
mijn ziel
מֵרָשָׁ֥ע
(merasha)
van de goddeloze
חַרְבֶּֽךָ
(charbekha)
Uw zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קַדְּמָה פָנָיו (qaddemah panav), ‘treed hem tegemoet’: ga zijn aangezicht voor.

הַכְרִיעֵהוּ (hakri’ehu), ‘breng hem op de knieën’: laat hem knielen.

14Red mij met Uw hand, Yahweh, van mensen, van mensen van deze wereld, wier deel in het leven is. U vult hun buik met wat U hebt verborgen. Zij worden verzadigd met zonen en laten hun overschot na aan hun kleine kinderen.
מִֽמְתִ֥ים
(mimtim)
van mensen
יָדְךָ֨
(yadekha)
Uw hand
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
מִֽמְתִ֬ים
(mimtim)
van mensen
מֵחֶ֗לֶד
(mecheled)
van de wereld
חֶלְקָ֥ם
(chelqam)
hun deel
בַּֽחַיִּים֮
(bachayim)
in het leven
וּֽצְפוּנְךָ֮
(utsefunekha)
en wat U hebt verborgen
תְּמַלֵּ֪א
(temale)
vult U
בִ֫טְנָ֥ם
(bitnam)
hun buik
יִשְׂבְּע֥וּ
(yisbeu)
zij worden verzadigd
בָנִ֑ים
(banim)
met zonen
וְהִנִּ֥יחוּ
(vehinichu)
en zij laten na
יִ֝תְרָ֗ם
(yitram)
hun overschot
לְעוֹלְלֵיהֶֽם
(leoleleihem)
aan hun kleine kinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is moeilijk.

Het begint met ‘van mensen, door Uw hand’ en heeft geen werkwoord.

Wij nemen ‘red’ uit vers 13 over; dat werkwoord staat hier niet in het Hebreeuws.

Het geschreven woord (ketiv) is וצפינך (utsfinecha). De te lezen vorm (qere) is וּצְפוּנְךָ (utsfunecha), ‘wat U hebt verborgen’. Wij volgen de qere.

חֶלֶד (cheled), ‘wereld’: de vergankelijke levenstijd. Zie ook Ps. 39:6 en 49:2.

Ik zal Uw aangezicht aanschouwen

15Ik zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen. Als ik wakker word, zal ik verzadigd worden met Uw gestalte.
אֲנִ֗י
(ani)
ik
בְּ֭צֶדֶק
(betsedeq)
in gerechtigheid
אֶחֱזֶ֣ה
(echeze)
zal aanschouwen
פָנֶ֑יךָ
(paneikha)
Uw aangezicht
אֶשְׂבְּעָ֥ה
(esbea)
zal verzadigd worden
בְ֝הָקִ֗יץ
(behaqits)
bij het wakker worden
תְּמוּנָתֶֽךָ
(temunatekha)
met Uw gestalte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תְּמוּנָה (temunah), ‘gestalte’: de gedaante van Yahweh, zoals Mozes die zag (Num. 12:8).

בְּהָקִיץ (behaqitz), ‘als ik wakker word’: de tekst zegt niet of het gaat om het ontwaken ’s ochtends of om meer; wij laten dat open.