Elohim Bijbel

Hosea 5

1234567891011121314

Oordeel over priesters, volk en koning

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Hoor dit, priesters en koninklijk huis

1„Hoor dit, priesters. Let op, huis van Israël. Luister, huis van de koning. Want voor jullie is het recht: jullie zijn een strik geworden voor Mizpa en een uitgespreid net op de Tabor.
שִׁמְעוּ
(shimu)
hoor
זֹ֨את
(zot)
dit
הַכֹּהֲנִ֜ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַקְשִׁ֣יבוּ
(vehaqshivu)
en let op
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וּבֵ֤ית
(uveit)
en huis van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
הַאֲזִ֔ינוּ
(haazinu)
luister
כִּ֥י
(ki)
want
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
הַמִּשְׁפָּ֑ט
(hamishpat)
het recht
כִּֽי
(ki)
want
פַח֙
(pach)
strik
הֱיִיתֶ֣ם
(heyitem)
jullie zijn geworden
לְמִצְפָּ֔ה
(lemitspa)
voor Mizpa
וְרֶ֖שֶׁת
(vereshet)
en net
פְּרוּשָׂ֥ה
(perusa)
uitgespreid
עַל
(al)
op
תָּבֽוֹר
(tavor)
Tabor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.

Zie Tabor: De Tabor is een berg in het zuiden van Galilea, ten oosten van Nazaret.

Uitleg

Wij nemen aan dat Yahweh hier al spreekt: in vers 2 en 3 zegt de spreker ‘Ik’.

Vanaf vers 4 spreekt de profeet over Yahweh in de derde persoon; daar staat de tekst zwart.

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: ‘voor jullie is het recht’ kan betekenen dat het oordeel jullie treft, of dat jullie verantwoordelijk zijn voor het recht in het land.

Strik en net zijn beelden uit de jacht.

2De afvalligen hebben de slachting diep gemaakt. Ik ben een tuchtiging voor hen allen.
וְשַׁחֲטָ֥ה
(veshachata)
en slachting
שֵׂטִ֖ים
(setim)
afvalligen
הֶעְמִ֑יקוּ
(hemiqu)
hebben diep gemaakt
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en Ik
מוּסָ֥ר
(musar)
tuchtiging
לְכֻלָּֽם
(lekhulam)
voor hen allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst van dit vers is moeilijk.

שֵׂטִים (setim) kan ‘afvalligen’ betekenen (zo vertalen wij), of de plaatsnaam Sittim zijn (Num. 25:1).

מוּסָר (musar), ‘tucht’: tuchtiging die het volk moet terugbrengen.

3Ik ken Efraïm, en Israël is niet voor Mij verborgen. Want nu heb je gehoereerd, Efraïm; Israël is onrein geworden.”
אֲנִי֙
(ani)
Ik
יָדַ֣עְתִּי
(yadati)
ken
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
וְיִשְׂרָאֵ֖ל
(veyisrael)
en Israël
לֹֽא
(lo)
niet
נִכְחַ֣ד
(nikhchad)
is verborgen
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
voor Mij
כִּ֤י
(ki)
want
עַתָּה֙
(ata)
nu
הִזְנֵ֣יתָ
(hizneita)
je hebt gehoereerd
אֶפְרַ֔יִם
(efrayim)
Efraïm
נִטְמָ֖א
(nitma)
is onrein geworden
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Zij kennen Yahweh niet

4Hun daden laten hen niet terugkeren tot hun Elohim. Want een geest van hoererij is in hun binnenste, en Yahweh kennen zij niet.
לֹ֤א
(lo)
niet
יִתְּנוּ֙
(yitenu)
zij geven
מַ֣עַלְלֵיהֶ֔ם
(maalleihem)
hun daden
לָשׁ֖וּב
(lashuv)
om terug te keren
אֶל
(el)
tot
אֱלֹֽהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
כִּ֣י
(ki)
want
ר֤וּחַ
(ruach)
geest van
זְנוּנִים֙
(zenunim)
hoererijen
בְּקִרְבָּ֔ם
(beqirbam)
in hun binnenste
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדָֽעוּ
(yadau)
zij kennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5De trots van Israël getuigt tegen hem, recht in zijn gezicht. Israël en Efraïm struikelen door hun schuld, en ook Juda struikelt met hen mee.
וְעָנָ֥ה
(veana)
en getuigt
גְאֽוֹן
(geon)
trots van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּפָנָ֑יו
(befanav)
in zijn gezicht
וְיִשְׂרָאֵ֣ל
(veyisrael)
en Israël
וְאֶפְרַ֗יִם
(veefrayim)
en Efraïm
יִכָּֽשְׁלוּ֙
(yikashelu)
zullen struikelen
בַּעֲוֺנָ֔ם
(baavonam)
in hun schuld
כָּשַׁ֥ל
(kashal)
struikelde
גַּם
(gam)
ook
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
עִמָּֽם
(imam)
met hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּאוֹן יִשְׂרָאֵל (ge'on Yisra'el), ‘trots van Israël’: de hoogmoed van het volk zelf.

6Met hun schapen en hun runderen gaan zij Yahweh zoeken, maar zij vinden Hem niet. Hij heeft Zich aan hen onttrokken.
בְּצֹאנָ֣ם
(betsonam)
met hun schapen
וּבִבְקָרָ֗ם
(uvivqaram)
en met hun runderen
יֵֽלְכ֛וּ
(yelekhu)
zij gaan
לְבַקֵּ֥שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִמְצָ֑אוּ
(yimtsau)
zij vinden
חָלַ֖ץ
(chalats)
Hij heeft Zich onttrokken
מֵהֶֽם
(mehem)
van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zij zijn Yahweh ontrouw geweest, want zij hebben vreemde kinderen gekregen. Nu zal een maand hen verslinden, samen met hun erfdelen.
בַּיהוָ֣ה
(baYahweh)
tegen Yahweh
בָּגָ֔דוּ
(bagadu)
zij handelden trouweloos
כִּֽי
(ki)
want
בָנִ֥ים
(banim)
zonen
זָרִ֖ים
(zarim)
vreemde
יָלָ֑דוּ
(yaladu)
zij kregen
עַתָּ֛ה
(ata)
nu
יֹאכְלֵ֥ם
(yokhlem)
zal hen verslinden
חֹ֖דֶשׁ
(chodesh)
maand
אֶת
(et)
(obj.)
חֶלְקֵיהֶֽם
(chelqeihem)
hun erfdelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹדֶשׁ (chodesh), ‘maand’: het woord betekent ook ‘nieuwe maan’, het feest waarop het volk offers bracht.

Een maand is een korte tijd: het oordeel komt snel.

חֵלֶק (chelek), ‘erfdeel’: het stuk land dat een familie in bezit had.

Alarm in Benjamin

8Blaas de ramshoorn in Gibea, de trompet in Rama. Roep luid in Bet-Awen: ‘Achter je aan, Benjamin!’
תִּקְע֤וּ
(tiqu)
blaas
שׁוֹפָר֙
(shofar)
ramshoorn
בַּגִּבְעָ֔ה
(bagiva)
in Gibea
חֲצֹצְרָ֖ה
(chatsotsera)
trompet
בָּרָמָ֑ה
(barama)
in Rama
הָרִ֨יעוּ֙
(hariu)
roep luid
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
אָ֔וֶן
(aven)
onheil
אַחֲרֶ֖יךָ
(achareikha)
achter je aan
בִּנְיָמִֽין
(binyamin)
Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

Zie Bet-Aven (ligging onzeker): Bet-Aven (Bet-Awen) lag ten oosten van Betel, bij Ai.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

Gibea en Rama liggen in Benjamin, vlak bij de grens met Juda.

‘Achter je aan, Benjamin’ is een oude strijdkreet (Richt. 5:14).

בֵּית אָוֶן (Bet-Awen), ‘huis van onheil’: spottende naam voor Betel; zie 4:15.

Efraïm en Juda onder het oordeel

9„Efraïm zal een woestenij worden op de dag van de afrekening. Onder de stammen van Israël heb Ik bekendgemaakt wat zeker is.
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
לְשַׁמָּ֣ה
(leshama)
tot woestenij
תִֽהְיֶ֔ה
(tihye)
zal zijn
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag van
תּֽוֹכֵחָ֑ה
(tokhecha)
afrekening
בְּשִׁבְטֵי֙
(beshivtei)
onder de stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הוֹדַ֖עְתִּי
(hodati)
Ik heb bekendgemaakt
נֶאֱמָנָֽה
(neemana)
wat zeker is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De oversten van Juda zijn als wie een grens verlegt. Over hen giet Ik Mijn toorn uit als water.
הָיוּ֙
(hayu)
zij zijn
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
כְּמַסִּיגֵ֖י
(kemasigei)
als verleggers van
גְּב֑וּל
(gevul)
grens
עֲלֵיהֶ֕ם
(aleihem)
over hen
אֶשְׁפּ֥וֹךְ
(eshpokh)
Ik zal uitgieten
כַּמַּ֖יִם
(kamayim)
als water
עֶבְרָתִֽי
(evrati)
Mijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Efraïm is onderdrukt, vermorzeld in het recht, want hij koos ervoor achter een bevel aan te lopen.
עָשׁ֥וּק
(ashuq)
onderdrukt
אֶפְרַ֖יִם
(efrayim)
Efraïm
רְצ֣וּץ
(retsuts)
vermorzeld
מִשְׁפָּ֑ט
(mishpat)
recht
כִּ֣י
(ki)
want
הוֹאִ֔יל
(hoil)
hij koos
הָלַ֖ךְ
(halakh)
hij ging
אַחֲרֵי
(acharei)
achter
צָֽו
(tsav)
bevel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

צָו (tsav), ‘bevel’: de betekenis van dit woord is onzeker.

Het kan ook een waardeloos ding of een afgod zijn.

12Ik ben als een mot voor Efraïm en als verrotting voor het huis van Juda.
וַאֲנִ֥י
(vaani)
en Ik
כָעָ֖שׁ
(kaash)
als mot
לְאֶפְרָ֑יִם
(leefrayim)
voor Efraïm
וְכָרָקָ֖ב
(vekharaqav)
en als verrotting
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor huis van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָקָב (raqav), ‘verrotting’: wat van binnenuit verteert, zoals houtrot.

13Efraïm zag zijn ziekte en Juda zijn wond. Toen ging Efraïm naar Assyrië en stuurde boden naar koning Jareb. Maar hij kan jullie niet genezen; jullie wond geneest hij niet.
וַיַּ֨רְא
(vayar)
en zag
אֶפְרַ֜יִם
(efrayim)
Efraïm
אֶת
(et)
(obj.)
חָלְי֗וֹ
(chaleyo)
zijn ziekte
וִֽיהוּדָה֙
(vihuda)
en Juda
אֶת
(et)
(obj.)
מְזֹר֔וֹ
(mezoro)
zijn wond
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
אֶל
(el)
naar
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וַיִּשְׁלַ֖ח
(vayishlach)
en stuurde
אֶל
(el)
naar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning
יָרֵ֑ב
(yarev)
Jareb
וְה֗וּא
(vehu)
maar hij
לֹ֤א
(lo)
niet
יוּכַל֙
(yukhal)
kan
לִרְפֹּ֣א
(lirpo)
genezen
לָכֶ֔ם
(lakhem)
jullie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִגְהֶ֥ה
(yighe)
geneest hij
מִכֶּ֖ם
(mikem)
van jullie
מָזֽוֹר
(mazor)
wond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

מֶלֶךְ יָרֵב (melek Yarev), ‘koning Jareb’: wie met deze naam of titel bedoeld wordt, is onzeker.

De naam betekent misschien ‘strijdlustige’ of ‘twister’.

Bedoeld is waarschijnlijk de koning van Assyrië.

מָזוֹר (mazor), ‘wond’: ook ‘verband’; de betekenis is niet zeker.

Yahweh als leeuw

14Want Ik ben als een leeuw voor Efraïm en als een jonge leeuw voor het huis van Juda. Ik, Ik verscheur en ga weg. Ik neem mee, en niemand redt.
כִּ֣י
(ki)
want
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
Ik
כַשַּׁ֨חַל֙
(kashachal)
als leeuw
לְאֶפְרַ֔יִם
(leefrayim)
voor Efraïm
וְכַכְּפִ֖יר
(vekhakefir)
en als jonge leeuw
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor huis van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
אֶטְרֹף֙
(etrof)
verscheur
וְאֵלֵ֔ךְ
(veelekh)
en ga weg
אֶשָּׂ֖א
(esa)
Ik neem mee
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מַצִּֽיל
(matsil)
redt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Ik ga weg en keer terug naar Mijn plaats, tot zij hun schuld erkennen en Mijn aangezicht zoeken. Als zij in nood zijn, zoeken zij Mij ernstig.”
אֵלֵ֤ךְ
(elekh)
Ik ga
אָשׁ֨וּבָה֙
(ashuva)
Ik keer terug
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמִ֔י
(meqomi)
Mijn plaats
עַ֥ד
(ad)
totdat
אֲשֶֽׁר
(asher)
dat
יֶאְשְׁמ֖וּ
(yeshemu)
zij hun schuld erkennen
וּבִקְשׁ֣וּ
(uviqshu)
en zoeken
פָנָ֑י
(panay)
Mijn aangezicht
בַּצַּ֥ר
(batsar)
in nood
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
יְשַׁחֲרֻֽנְנִי
(yeshacharunni)
zij zoeken Mij ernstig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)