Elohim Bijbel

Deuteronomium 1

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334

Mozes kijkt terug: van Horeb naar Kades-Barnea

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Mozes begint te spreken

1Dit zijn de woorden die Mozes tot heel Israël sprak, aan de overkant van de Jordaan. Het was in de woestijn, in de Araba, tegenover Suf, tussen Paran en Tofel, Laban, Hazerot en Di-Zahab.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit zijn
הַדְּבָרִ֗ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
דִּבֶּ֤ר
(diber)
sprak
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּעֵ֖בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֑ן
(hayarden)
de Jordaan
בַּמִּדְבָּ֡ר
(bamidbar)
in de woestijn
בָּֽעֲרָבָה֩
(baarava)
in de Araba
מ֨וֹל
(mol)
tegenover
ס֜וּף
(suf)
Suf
בֵּֽין
(bein)
tussen
פָּארָ֧ן
(paran)
Paran
וּבֵֽין
(uvein)
en tussen
תֹּ֛פֶל
(tofel)
Tofel
וְלָבָ֥ן
(velavan)
en Laban
וַחֲצֵרֹ֖ת
(vachatserot)
en Hazerot
וְדִ֥י
(vedi)
en Di
זָהָֽב
(zahav)
Zahab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Mozes spreekt ‘aan de overkant van de Jordaan’, dus ten oosten van de rivier, in de vlakte tegenover het beloofde land.

De Araba is de diepe vallei van de Jordaan en de Dode Zee, die zich naar het zuiden voortzet tot de Golf van Akaba.

Suf, Tofel, Laban, Hazerot en Di-Zahab zijn plaatsnamen waarvan wij de ligging niet kennen; Paran is de woestijn in het zuiden van het Sinaïschiereiland.

Zie Chaserot: Chaserot wordt voorgesteld bij Ain Chudra, ten noordoosten van de Sinaï.

Dit is een voorstel; de plaats is niet zeker.

Uitleg

עֵבֶר (ever), ‘overkant’: de plek van waaruit je spreekt bepaalt welke kant het is.

Hier is dat de oostkant van de Jordaan.

2Het is elf dagen van Horeb naar Kades-Barnea, langs de weg van het bergland Seïr.
אַחַ֨ד
(achad)
één
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
יוֹם֙
(yom)
dagen
מֵֽחֹרֵ֔ב
(mechorev)
vanaf Horeb
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַר
(har)
het bergland van
שֵׂעִ֑יר
(seir)
Seïr
עַ֖ד
(ad)
tot
קָדֵ֥שׁ
(qadesh)
Kades
בַּרְנֵֽעַ
(barnea)
Barnea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Horeb is de berg waar Yahweh sprak en het verbond sloot.

In Exodus heet die berg Sinaï (Exod. 19:1–2); Horeb komt voor in Exod. 3:1 en 17:6.

De traditionele berg is de Jebel Musa op het zuiden van het Sinaïschiereiland, maar zeker is dat niet.

Kades-Barnea ligt waarschijnlijk bij Ain el-Qudeirat, in het noorden van het Sinaïschiereiland (Egypte), vlak bij de grens met Israël.

Elf dagreizen is ongeveer 250 kilometer.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

חֹרֵב (Choreb), ‘Horeb’: in Deuteronomium noemt Mozes de berg steeds zo.

Wij houden de naam zoals hij in het Hebreeuws staat.

3In het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste dag van de maand, sprak Mozes tot de zonen van Israël. Hij sprak precies zoals Yahweh hem over hen had geboden.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בְּאַרְבָּעִ֣ים
(bearbaim)
in veertig
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
בְּעַשְׁתֵּֽי
(beashtei)
in één
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
חֹ֖דֶשׁ
(chodesh)
maand
בְּאֶחָ֣ד
(beechad)
op de eerste
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
דִּבֶּ֤ר
(diber)
sprak
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כְּ֠כֹל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
צִוָּ֧ה
(tsiva)
geboden had
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אֲלֵהֶֽם
(alehem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘in veertig jaar, in elf tien maand’.

Wij schrijven ‘het veertigste jaar’ en ‘de elfde maand’; de elfde maand valt ongeveer in januari–februari.

Dit is vlak voor Mozes’ dood en de oversteek van de Jordaan (Deut. 34:5).

4Dit was nadat hij Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon woonde, had verslagen. Ook had hij Og verslagen, de koning van Basan die in Astarot woonde, bij Edrei.
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
nadat
הַכֹּת֗וֹ
(hakoto)
hij verslagen had
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
סִיחֹן֙
(sichon)
Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הָֽאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woonde
בְּחֶשְׁבּ֑וֹן
(becheshbon)
in Chesbon
וְאֵ֗ת
(veet)
en (obj.)
ע֚וֹג
(og)
Og
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַבָּשָׁ֔ן
(habashan)
Basan
אֲשֶׁר
(asher)
die
יוֹשֵׁ֥ב
(yoshev)
woonde
בְּעַשְׁתָּרֹ֖ת
(beashtarot)
in Astarot
בְּאֶדְרֶֽעִי
(beedrei)
in Edrei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chesbon ligt bij het huidige Tell Hesban in Jordanië.

Astarot is waarschijnlijk Tell Ashtara in het zuiden van Syrië.

Edrei is waarschijnlijk het huidige Daraa, aan de grens van Syrië en Jordanië.

Alle drie zijn waarschijnlijk, niet zeker.

Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.

Uitleg

Het Hebreeuws noemt niet wie Sichon en Og versloeg; het gaat om Mozes en het volk (Num. 21:21–35).

5Aan de overkant van de Jordaan, in het land Moab, begon Mozes deze wet uit te leggen:
בְּעֵ֥בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
הוֹאִ֣יל
(hoil)
begon
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
בֵּאֵ֛ר
(beer)
uit te leggen
אֶת
(et)
(obj.)
הַתּוֹרָ֥ה
(hatora)
de wet
הַזֹּ֖את
(hazot)
deze
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderricht dat Yahweh geeft.

Hier is het de uitleg van wat Yahweh bij Horeb en daarna gebood.

בֵּאֵר (be’er), ‘uitleggen’: letterlijk ‘duidelijk maken’. Zie ook Deut. 27:8.

הוֹאִיל (hoil), ‘begon’: ook te verstaan als ‘besloot’ of ‘nam het op zich’.

Het bevel om op te breken van Horeb

6Yahweh, onze Elohim, sprak bij Horeb tot ons: „Jullie hebben lang genoeg bij deze berg gewoond.
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֛ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
דִּבֶּ֥ר
(diber)
sprak
אֵלֵ֖ינוּ
(eleinu)
tot ons
בְּחֹרֵ֣ב
(bechorev)
in Horeb
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
רַב
(rav)
genoeg
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
שֶׁ֖בֶת
(shevet)
te blijven
בָּהָ֥ר
(bahar)
bij de berg
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Uitleg

Vanaf hier spreekt Mozes zelf.

Zijn lange toespraak loopt door tot Deut. 30:20.

Wij zetten die toespraak niet tussen aanhalingstekens.

Wat Yahweh, Mozes of het volk daarin aanhalen, staat tussen „ ”; de woorden van Yahweh staan daarbij rood.

Een aanhaling binnen een aanhaling staat tussen ‘ ’.

Lezing

Het Hebreeuws wisselt in de toespraak van Mozes vaak tussen ‘je’ (enkelvoud) en ‘jullie’ (meervoud) voor hetzelfde volk.

Wij houden binnen een tekstdeel één vorm aan.

De woord-voor-woordweergave laat het Hebreeuwse getal zien.

7Keer om en breek op. Trek naar het bergland van de Amorieten en naar al hun buren. Zij wonen in de Araba, in het bergland, in de Sefela, in de Negev en aan de kust van de zee. Trek naar het land van de Kanaänieten en de Libanon, tot aan de grote rivier, de rivier Eufraat.
פְּנ֣וּ
(penu)
keer om
וּסְע֣וּ
(useu)
en breek op
לָכֶ֗ם
(lakhem)
voor jullie
וּבֹ֨אוּ
(uvou)
en ga
הַ֥ר
(har)
naar het bergland van
הָֽאֱמֹרִי֮
(haemori)
de Amorieten
וְאֶל
(veel)
en naar
כָּל
(kal)
al
שְׁכֵנָיו֒
(shekhenav)
zijn buren
בָּעֲרָבָ֥ה
(baarava)
in de Araba
בָהָ֛ר
(bahar)
in het bergland
וּבַשְּׁפֵלָ֥ה
(uvashefela)
en in de Sefela
וּבַנֶּ֖גֶב
(uvanegev)
en in de Negev
וּבְח֣וֹף
(uvechof)
en aan de kust van
הַיָּ֑ם
(hayam)
de zee
אֶ֤רֶץ
(erets)
het land van
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְהַלְּבָנ֔וֹן
(vehalevanon)
en de Libanon
עַד
(ad)
tot
הַנָּהָ֥ר
(hanahar)
de rivier
הַגָּדֹ֖ל
(hagadol)
de grote
נְהַר
(nehar)
de rivier
פְּרָֽת
(perat)
Eufraat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Araba is de vallei van de Jordaan en de Dode Zee.

De Sefela is het heuvelland tussen het bergland en de kust.

De Negev is het droge zuiden van Kanaän.

De kustvlakte ligt langs de Middellandse Zee.

De Libanon ligt in het noorden.

De Eufraat is de grote rivier in het noordoosten (nu in Syrië en Irak).

Uitleg

שְׁפֵלָה (Sjefela), ‘laagland’: wij houden de naam.

נֶגֶב (Negev) betekent ook ‘zuiden’.

8Zie, Ik heb het land voor jullie neergelegd. Ga erheen en neem het land in bezit. Yahweh heeft gezworen aan jullie vaders, aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob, dat Hij het hun zou geven. Hij zou het ook geven aan hun nageslacht na hen.”
רְאֵ֛ה
(ree)
zie
נָתַ֥תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
לִפְנֵיכֶ֖ם
(lifneikhem)
voor jullie uit
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
בֹּ֚אוּ
(bou)
ga binnen
וּרְשׁ֣וּ
(ureshu)
en neem in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֣ע
(nishba)
heeft gezworen
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
לַאֲבֹ֨תֵיכֶ֜ם
(laavoteikhem)
aan jullie vaders
לְאַבְרָהָ֨ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֤ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹב֙
(uleyaaqov)
en aan Jakob
לָתֵ֣ת
(latet)
om te geven
לָהֶ֔ם
(lahem)
aan hen
וּלְזַרְעָ֖ם
(ulezaram)
en aan hun nageslacht
אַחֲרֵיהֶֽם
(achareihem)
na hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשְׁבַּע (nishba), ‘zweren’: Yahweh beloofde het land onder ede aan de vaders (Gen. 15:18; 26:3; 35:12).

Hoofden en rechters over het volk

9In die tijd zei ik tegen jullie: „Ik kan jullie niet alleen dragen.
וָאֹמַ֣ר
(vaomar)
en ik zei
אֲלֵכֶ֔ם
(alekhem)
tot jullie
בָּעֵ֥ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֖וא
(hahi)
die
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
אוּכַ֥ל
(ukhal)
kan ik
לְבַדִּ֖י
(levadi)
alleen
שְׂאֵ֥ת
(seet)
dragen
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Yahweh, jullie Elohim, heeft jullie talrijk gemaakt. Kijk, vandaag zijn jullie zo talrijk als de sterren van de hemel.
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
הִרְבָּ֣ה
(hirba)
heeft talrijk gemaakt
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וְהִנְּכֶ֣ם
(vehinekhem)
en zie jullie
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
כְּכוֹכְבֵ֥י
(kekhokhevei)
als de sterren van
הַשָּׁמַ֖יִם
(hashamayim)
de hemel
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De belofte dat het nageslacht zo talrijk zou zijn als de sterren komt uit Gen. 15:5 en Exod. 32:13.

11Moge Yahweh, de Elohim van jullie vaders, jullie nog duizend keer zo talrijk maken als jullie nu zijn. Moge Hij jullie zegenen, zoals Hij tot jullie heeft gesproken.
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֽוֹתֵכֶ֗ם
(avotekhem)
jullie vaders
יֹסֵ֧ף
(yosef)
moge Hij toevoegen
עֲלֵיכֶ֛ם
(aleikhem)
aan jullie
כָּכֶ֖ם
(kakhem)
zoals jullie
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
פְּעָמִ֑ים
(peamim)
keer
וִיבָרֵ֣ךְ
(vivarekh)
en moge Hij zegenen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
Hij heeft gesproken
לָכֶֽם
(lakhem)
tot jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Hoe kan ik jullie last, jullie vracht en jullie geschillen alleen dragen?
אֵיכָ֥ה
(eikha)
hoe
אֶשָּׂ֖א
(esa)
kan ik dragen
לְבַדִּ֑י
(levadi)
alleen
טָרְחֲכֶ֥ם
(tarechakhem)
jullie last
וּמַֽשַּׂאֲכֶ֖ם
(umasaakhem)
en jullie vracht
וְרִֽיבְכֶֽם
(verivekhem)
en jullie geschillen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טֹרַח (torach), ‘last’, en מַשָּׂא (massa), ‘vracht’, zijn twee woorden voor wat je moet dragen.

רִיב (riv) is ‘geschil’ of ‘rechtszaak’.

13Draag per stam wijze, verstandige en ervaren mannen voor. Dan stel ik hen aan als hoofden over jullie.”
הָב֣וּ
(havu)
geef
לָ֠כֶם
(lakhem)
voor jullie
אֲנָשִׁ֨ים
(anashim)
mannen
חֲכָמִ֧ים
(chakhamim)
wijze
וּנְבֹנִ֛ים
(unevonim)
en verstandige
וִידֻעִ֖ים
(viduim)
en ervaren
לְשִׁבְטֵיכֶ֑ם
(leshivteikhem)
per jullie stammen
וַאֲשִׂימֵ֖ם
(vaasimem)
en ik zal hen aanstellen
בְּרָאשֵׁיכֶֽם
(berasheikhem)
als jullie hoofden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָבוּ (havu), ‘geef’: wij vertalen ‘draag voor’, zodat het volk de mannen kiest.

יְדֻעִים (yedu’im), ‘ervaren’: letterlijk ‘bekende’ mannen, mannen met een naam en aanzien. Wij vertalen ‘ervaren’. Vergelijk Exod. 18:21.

14Jullie antwoordden mij en zeiden: „Het is goed om te doen wat je hebt gezegd.”
וַֽתַּעֲנ֖וּ
(vataanu)
en jullie antwoordden
אֹתִ֑י
(oti)
mij
וַתֹּ֣אמְר֔וּ
(vatomru)
en jullie zeiden
טֽוֹב
(tov)
goed
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבַּ֖רְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
om te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Ik nam de hoofden van jullie stammen, wijze en ervaren mannen. Ik stelde hen als hoofden over jullie aan: oversten van duizend, oversten van honderd, oversten van vijftig, oversten van tien en opzichters voor jullie stammen.
וָאֶקַּ֞ח
(vaeqach)
en ik nam
אֶת
(et)
(obj.)
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
de hoofden van
שִׁבְטֵיכֶ֗ם
(shivteikhem)
jullie stammen
אֲנָשִׁ֤ים
(anashim)
mannen
חֲכָמִים֙
(chakhamim)
wijze
וִֽידֻעִ֔ים
(viduim)
en ervaren
וָאֶתֵּ֥ן
(vaeten)
en ik stelde
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
רָאשִׁ֖ים
(rashim)
als hoofden
עֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
over jullie
שָׂרֵ֨י
(sarei)
oversten van
אֲלָפִ֜ים
(alafim)
duizend
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en oversten van
מֵא֗וֹת
(meot)
honderd
וְשָׂרֵ֤י
(vesarei)
en oversten van
חֲמִשִּׁים֙
(chamishim)
vijftig
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en oversten van
עֲשָׂרֹ֔ת
(asarot)
tien
וְשֹׁטְרִ֖ים
(veshoterim)
en opzichters
לְשִׁבְטֵיכֶֽם
(leshivteikhem)
voor jullie stammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: ambtenaren die orde houden en bevelen uitvoeren.

Zie Exod. 5:6.

De indeling in oversten van duizend, honderd, vijftig en tien staat ook in Exod. 18:21–25.

16In die tijd gaf ik jullie rechters dit bevel: „Hoor de zaken tussen jullie broeders aan. Spreek recht met gerechtigheid, tussen een man en zijn broeder of de vreemdeling bij hem.
וָאֲצַוֶּה֙
(vaatsave)
en ik gebood
אֶת
(et)
(obj.)
שֹׁ֣פְטֵיכֶ֔ם
(shofeteikhem)
jullie rechters
בָּעֵ֥ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֖וא
(hahi)
die
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
שָׁמֹ֤עַ
(shamoa)
hoor
בֵּין
(bein)
tussen
אֲחֵיכֶם֙
(acheikhem)
jullie broeders
וּשְׁפַטְתֶּ֣ם
(ushefattem)
en spreek recht
צֶ֔דֶק
(tsedeq)
met gerechtigheid
בֵּֽין
(bein)
tussen
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
וּבֵין
(uvein)
en tussen
אָחִ֖יו
(achiv)
zijn broeder
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
גֵּרֽוֹ
(gero)
zijn vreemdeling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het Hebreeuws zegt ‘hoor tussen jullie broeders’.

Wij vullen ‘de zaken … aan’ aan, omdat het Nederlands anders niet loopt.

Zie Exod. 18:16.

17Jullie mogen in het recht niemand voortrekken. Jullie moeten de kleine net zo aanhoren als de grote. Jullie mogen voor niemand bang zijn, want het recht is van Elohim. De zaak die te zwaar voor jullie is, moeten jullie bij mij brengen. Dan zal ik ernaar luisteren.”
לֹֽא
(lo)
niet
תַכִּ֨ירוּ
(takiru)
zullen jullie herkennen
פָנִ֜ים
(panim)
gezichten
בַּמִּשְׁפָּ֗ט
(bamishpat)
in het recht
כַּקָּטֹ֤ן
(kaqaton)
de kleine
כַּגָּדֹל֙
(kagadol)
zoals de grote
תִּשְׁמָע֔וּן
(tishmaun)
zullen jullie horen
לֹ֤א
(lo)
niet
תָג֨וּרוּ֙
(taguru)
zullen jullie vrezen
מִפְּנֵי
(mipenei)
voor het aangezicht van
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
כִּ֥י
(ki)
want
הַמִּשְׁפָּ֖ט
(hamishpat)
het recht
לֵאלֹהִ֣ים
(lElohim)
van Elohim
ה֑וּא
(hu)
is het
וְהַדָּבָר֙
(vehadavar)
en de zaak
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יִקְשֶׁ֣ה
(yiqshe)
te zwaar is
מִכֶּ֔ם
(mikem)
voor jullie
תַּקְרִב֥וּן
(taqrivun)
zullen jullie brengen
אֵלַ֖י
(elay)
bij mij
וּשְׁמַעְתִּֽיו
(ushemativ)
en ik zal het horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא תַכִּירוּ פָנִים (lo takkiru panim), ‘niet de gezichten herkennen’: iemand voortrekken omdat je zijn gezicht kent of omdat hij belangrijk is.

18In die tijd gebood ik jullie alles wat jullie moesten doen.
וָאֲצַוֶּ֥ה
(vaatsave)
en ik gebood
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֑וא
(hahi)
die
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de dingen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תַּעֲשֽׂוּן
(taasun)
jullie zouden doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Van Horeb naar Kades-Barnea

19Wij braken op van Horeb en trokken door heel die grote, ontzagwekkende woestijn die jullie hebben gezien. Wij gingen op de weg naar het bergland van de Amorieten, zoals Yahweh, onze Elohim, ons had geboden. Wij kwamen bij Kades-Barnea.
וַנִּסַּ֣ע
(vanisa)
en wij braken op
מֵחֹרֵ֗ב
(mechorev)
vanaf Horeb
וַנֵּ֡לֶךְ
(vanelekh)
en wij gingen
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַמִּדְבָּ֣ר
(hamidbar)
de woestijn
הַגָּדוֹל֩
(hagadol)
grote
וְהַנּוֹרָ֨א
(vehanora)
en ontzagwekkende
הַה֜וּא
(hahu)
die
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
רְאִיתֶ֗ם
(reitem)
jullie hebben gezien
דֶּ֚רֶךְ
(derekh)
op de weg naar
הַ֣ר
(har)
het bergland van
הָֽאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amorieten
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֛ה
(tsiva)
geboden had
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
אֹתָ֑נוּ
(otanu)
ons
וַנָּבֹ֕א
(vanavo)
en wij kwamen
עַ֖ד
(ad)
tot
קָדֵ֥שׁ
(qadesh)
Kades
בַּרְנֵֽעַ
(barnea)
Barnea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev.

Uitleg

נוֹרָא (nora), ‘ontzagwekkend’: iets wat ontzag of angst wekt.

Dezelfde term gebruiken wij ook voor Elohim (Deut. 7:21; 10:17).

20Ik zei tegen jullie: „Jullie zijn gekomen bij het bergland van de Amorieten, dat Yahweh, onze Elohim, ons geeft.
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
אֲלֵכֶ֑ם
(alekhem)
tot jullie
בָּאתֶם֙
(batem)
jullie zijn gekomen
עַד
(ad)
tot
הַ֣ר
(har)
het bergland van
הָאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amorieten
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לָֽנוּ
(lanu)
aan ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Kijk, Yahweh, jullie Elohim, heeft het land voor jullie neergelegd. Trek op en neem het in bezit, zoals Yahweh, de Elohim van jullie vaders, tot jullie heeft gesproken. Wees niet bang en raak niet ontmoedigd.”
רְ֠אֵה
(ree)
zie
נָתַ֨ן
(natan)
heeft gegeven
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֛יךָ
(eloheikha)
je Elohim
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
voor jou uit
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
עֲלֵ֣ה
(ale)
trek op
רֵ֗שׁ
(resh)
neem in bezit
כַּאֲשֶׁר֩
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֨ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֹתֶ֨יךָ֙
(avoteikha)
je vaders
לָ֔ךְ
(lakh)
tot jou
אַל
(al)
niet
תִּירָ֖א
(tira)
wees bang
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּחָֽת
(techat)
wees ontmoedigd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De verspieders

22Toen kwamen jullie allemaal naar mij toe en zeiden: „Laten wij mannen vooruit sturen. Zij moeten het land voor ons verkennen. Zij moeten ons bericht brengen over de weg waarlangs wij moeten optrekken en over de steden waar wij naartoe moeten gaan.”
וַתִּקְרְב֣וּן
(vatiqrevun)
en jullie kwamen dichtbij
אֵלַי֮
(elay)
tot mij
כֻּלְּכֶם֒
(kulekhem)
jullie allemaal
וַתֹּאמְר֗וּ
(vatomru)
en jullie zeiden
נִשְׁלְחָ֤ה
(nishlecha)
laten wij sturen
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
לְפָנֵ֔ינוּ
(lefaneinu)
voor ons uit
וְיַחְפְּרוּ
(veyachperu)
en laten zij verkennen
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְיָשִׁ֤בוּ
(veyashivu)
en laten zij terugbrengen
אֹתָ֨נוּ֙
(otanu)
aan ons
דָּבָ֔ר
(davar)
bericht
אֶת
(et)
(obj.)
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarlangs
נַעֲלֶה
(naale)
wij zullen optrekken
בָּ֔הּ
(bah)
erop
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
הֶֽעָרִ֔ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
נָבֹ֖א
(navo)
wij zullen binnengaan
אֲלֵיהֶֽן
(aleihen)
naar hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Dat voorstel vond ik goed. Ik nam twaalf mannen uit jullie midden, één man per stam.
וַיִּיטַ֥ב
(vayitav)
en het was goed
בְּעֵינַ֖י
(beeinay)
in mijn ogen
הַדָּבָ֑ר
(hadavar)
het woord
וָאֶקַּ֤ח
(vaeqach)
en ik nam
מִכֶּם֙
(mikem)
van jullie
שְׁנֵ֣ים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֣ר
(asar)
tien
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לַשָּֽׁבֶט
(lashavet)
per stam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft ‘twee tien’ voor twaalf.

De twaalf verspieders worden genoemd in Num. 13:4–16.

24Zij keerden zich om, trokken het bergland in en kwamen bij het dal van Eskol. Daar verkenden zij het land.
וַיִּפְנוּ֙
(vayifnu)
en zij keerden zich om
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en zij trokken op
הָהָ֔רָה
(hahara)
naar het bergland
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
עַד
(ad)
tot
נַ֣חַל
(nachal)
het dal van
אֶשְׁכֹּ֑ל
(eshkol)
Eskol
וַֽיְרַגְּל֖וּ
(vayragelu)
en zij verkenden
אֹתָֽהּ
(otah)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het dal van Eskol (‘druiventros’) lag bij Hebron in het bergland van Juda (Num. 13:23–24).

De precieze plek is niet bekend.

25Zij namen wat vruchten van het land in hun hand mee, brachten het naar ons en brachten ons bericht. Zij zeiden: „Het land dat Yahweh, onze Elohim, ons geeft, is goed.”
וַיִּקְח֤וּ
(vayiqchu)
en zij namen
בְיָדָם֙
(beyadam)
in hun hand
מִפְּרִ֣י
(miperi)
van de vrucht van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וַיּוֹרִ֖דוּ
(vayoridu)
en zij brachten naar beneden
אֵלֵ֑ינוּ
(eleinu)
naar ons
וַיָּשִׁ֨בוּ
(vayashivu)
en zij brachten terug
אֹתָ֤נוּ
(otanu)
aan ons
דָבָר֙
(davar)
bericht
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
טוֹבָ֣ה
(tova)
goed
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
נֹתֵ֥ן
(noten)
geeft
לָֽנוּ
(lanu)
aan ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Maar jullie wilden niet optrekken. Jullie verzetten je tegen het bevel van Yahweh, jullie Elohim.
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אֲבִיתֶ֖ם
(avitem)
jullie wilden
לַעֲלֹ֑ת
(laalot)
op te trekken
וַתַּמְר֕וּ
(vatamru)
en jullie waren opstandig tegen
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֥י
(pi)
de mond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Jullie mopperden in jullie tenten en zeiden: „Omdat Yahweh ons haat, heeft Hij ons uit het land Egypte geleid. Hij deed dat om ons in de hand van de Amorieten te geven en ons te vernietigen.
וַתֵּרָגְנ֤וּ
(vateragenu)
en jullie mopperden
בְאָהֳלֵיכֶם֙
(beaholeikhem)
in jullie tenten
וַתֹּ֣אמְר֔וּ
(vatomru)
en jullie zeiden
בְּשִׂנְאַ֤ת
(besinat)
omdat Yahweh ons haat
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֹתָ֔נוּ
(otanu)
ons
הוֹצִיאָ֖נוּ
(hotsianu)
heeft Hij uitgeleid
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
אֹתָ֛נוּ
(otanu)
ons
בְּיַ֥ד
(beyad)
in de hand van
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amoriet
לְהַשְׁמִידֵֽנוּ
(lehashmidenu)
om ons te vernietigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

28Waar gaan wij heen? Onze broeders hebben ons moedeloos gemaakt. Zij zeiden: ‘Dat volk is groter en langer dan wij. De steden zijn groot en versterkt tot aan de hemel. En wij hebben daar ook de zonen van de Anakieten gezien.’”
אָנָ֣ה
(ana)
waarheen
אֲנַ֣חְנוּ
(anachnu)
wij
עֹלִ֗ים
(olim)
gaan op
אַחֵינוּ֩
(acheinu)
onze broeders
הֵמַ֨סּוּ
(hemasu)
hebben doen smelten
אֶת
(et)
(obj.)
לְבָבֵ֜נוּ
(levavenu)
ons hart
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
עַ֣ם
(am)
een volk
גָּד֤וֹל
(gadol)
groter
וָרָם֙
(varam)
en hoger
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
dan wij
עָרִ֛ים
(arim)
steden
גְּדֹלֹ֥ת
(gedolot)
groot
וּבְצוּרֹ֖ת
(uvetsurot)
en versterkt
בַּשָּׁמָ֑יִם
(bashamayim)
tot in de hemel
וְגַם
(vegam)
en ook
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עֲנָקִ֖ים
(anaqim)
de Anakieten
רָאִ֥ינוּ
(rainu)
wij hebben gezien
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִמַּסּוּ (himmasu), ‘doen smelten’: wij vertalen ‘moedeloos gemaakt’; vergelijk Jozua 2:11.

ענקים (Anakim), ‘Anakieten’: een volk van grote mensen in het bergland rond Hebron (Num. 13:22, 28, 33).

29Ik zei tegen jullie: „Schrik niet en wees niet bang voor hen.
וָאֹמַ֖ר
(vaomar)
en ik zei
אֲלֵכֶ֑ם
(alekhem)
tot jullie
לֹא
(lo)
niet
תַֽעַרְצ֥וּן
(taartsun)
schrik
וְֽלֹא
(velo)
en niet
תִֽירְא֖וּן
(tireun)
wees bang
מֵהֶֽם
(mehem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Yahweh, jullie Elohim, gaat voor jullie uit. Hij zal voor jullie strijden, zoals Hij alles voor jullie heeft gedaan in Egypte, voor jullie ogen,
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶם֙
(eloheikhem)
jullie Elohim
הַהֹלֵ֣ךְ
(haholekh)
die gaat
לִפְנֵיכֶ֔ם
(lifneikhem)
voor jullie uit
ה֖וּא
(hu)
Hij
יִלָּחֵ֣ם
(yilachem)
zal strijden
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
כְּ֠כֹל
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
עָשָׂ֧ה
(asa)
Hij heeft gedaan
אִתְּכֶ֛ם
(itekhem)
voor jullie
בְּמִצְרַ֖יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
לְעֵינֵיכֶֽם
(leeineikhem)
voor jullie ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

31en in de woestijn. Daar hebben jullie gezien hoe Yahweh, jullie Elohim, jullie droeg zoals een man zijn zoon draagt. Dat deed Hij op heel de weg die jullie hebben afgelegd, totdat jullie op deze plaats kwamen.”
וּבַמִּדְבָּר֙
(uvamidbar)
en in de woestijn
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
רָאִ֔יתָ
(raita)
heb je gezien
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
hoe
נְשָׂאֲךָ֙
(nesaakha)
droeg je
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
יִשָּׂא
(yisa)
draagt
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
בְּכָל
(bekhal)
op heel
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֲלַכְתֶּ֔ם
(halakhtem)
jullie zijn gegaan
עַד
(ad)
totdat
בֹּאֲכֶ֖ם
(boakhem)
jullie kwamen
עַד
(ad)
tot
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws schakelt in deze zin van ‘je’ (enkelvoud) naar ‘jullie’ (meervoud): Mozes spreekt zowel het hele volk aan als elke Israëliet apart.

Wij schrijven overal ‘jullie’.

32Maar in deze zaak geloofden jullie niet in Yahweh, jullie Elohim.
וּבַדָּבָ֖ר
(uvadavar)
en in de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
אֵֽינְכֶם֙
(einekhem)
zijn jullie niet
מַאֲמִינִ֔ם
(maaminim)
gelovend
בַּיהוָ֖ה
(baYahweh)
in Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Hij ging voor jullie uit op de weg om een plaats te zoeken waar jullie je kamp konden opslaan. Hij ging in een vuur 's nachts, om jullie de weg te laten zien waarop jullie moesten gaan, en overdag in een wolk.
הַהֹלֵ֨ךְ
(haholekh)
die gaat
לִפְנֵיכֶ֜ם
(lifneikhem)
voor jullie uit
בַּדֶּ֗רֶךְ
(baderekh)
op de weg
לָת֥וּר
(latur)
om te zoeken
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
מָק֖וֹם
(maqom)
een plaats
לַֽחֲנֹֽתְכֶ֑ם
(lachanotekhem)
voor jullie kamp
בָּאֵ֣שׁ
(baesh)
in vuur
לַ֗יְלָה
(layla)
's nachts
לַרְאֹֽתְכֶם֙
(larotekhem)
om jullie te laten zien
בַּדֶּ֨רֶךְ֙
(baderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
תֵּֽלְכוּ
(telekhu)
jullie zouden gaan
בָ֔הּ
(bah)
erop
וּבֶעָנָ֖ן
(uveanan)
en in een wolk
יוֹמָֽם
(yomam)
overdag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De wolk- en vuurkolom: Exod. 13:21–22; 40:36–38.

Het vonnis over dat geslacht

34Yahweh hoorde de stem van jullie woorden. Hij werd woedend en zwoer:
וַיִּשְׁמַ֥ע
(vayishma)
en hoorde
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
ק֣וֹל
(qol)
de stem van
דִּבְרֵיכֶ֑ם
(divreikhem)
jullie woorden
וַיִּקְצֹ֖ף
(vayiqtsof)
en Hij werd woedend
וַיִּשָּׁבַ֥ע
(vayishava)
en Hij zwoer
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָצַף (qatsaf), ‘woedend worden’, is een ander woord dan אָנַף (anaf), ‘toornig worden’, in vers 37.

35„Niet één van deze mannen, van dit slechte geslacht, zal het goede land zien dat Ik aan jullie vaders te geven heb gezworen,
אִם
(im)
voorwaar niet
יִרְאֶ֥ה
(yire)
zal zien
אִישׁ֙
(ish)
een man
בָּאֲנָשִׁ֣ים
(baanashim)
onder de mannen
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
הַדּ֥וֹר
(hador)
het geslacht
הָרָ֖ע
(hara)
slechte
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַטּוֹבָ֔ה
(hatova)
goede
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
נִשְׁבַּ֔עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לָתֵ֖ת
(latet)
om te geven
לַאֲבֹתֵיכֶֽם
(laavoteikhem)
aan jullie vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookPs 95:11
36behalve Kaleb, de zoon van Jefunne. Hij zal het zien. Hem en zijn zonen zal Ik het land geven waarop hij heeft gelopen, omdat hij Yahweh volledig is gevolgd.”
זֽוּלָתִ֞י
(zulati)
behalve
כָּלֵ֤ב
(kalev)
Kaleb
בֶּן
(ben)
de zoon van
יְפֻנֶּה֙
(yefune)
Jefunne
ה֣וּא
(hu)
hij
יִרְאֶ֔נָּה
(yirena)
zal het zien
וְלֽוֹ
(velo)
en aan hem
אֶתֵּ֧ן
(eten)
zal Ik geven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֛רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarop
דָּֽרַךְ
(darakh)
hij heeft gelopen
בָּ֖הּ
(bah)
erop
וּלְבָנָ֑יו
(ulevanav)
en aan zijn zonen
יַ֕עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
מִלֵּ֖א
(mile)
hij volledig heeft gevolgd
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִלֵּא אַחֲרֵי (mille acharei), ‘volledig volgen’: letterlijk ‘achter Yahweh aan vol maken’.

Kaleb en Jozua waren de enige twee verspieders die het land goed noemden (Num. 14:6–9, 24, 30).

37Ook tegen mij werd Yahweh toornig, vanwege jullie. Hij zei: „Ook jij zult daar niet binnengaan.
גַּם
(gam)
ook
בִּי֙
(bi)
tegen mij
הִתְאַנַּ֣ף
(hitanaf)
werd toornig
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּגְלַלְכֶ֖ם
(biglalkhem)
vanwege jullie
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
גַּם
(gam)
ook
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לֹא
(lo)
niet
תָבֹ֥א
(tavo)
zult binnengaan
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes mag het land niet in, vanwege wat bij Meriba gebeurde (Num. 20:12).

Hier zegt hij dat het ook ‘vanwege jullie’ is: de last van het volk is er de aanleiding van.

38Jozua, de zoon van Nun, die voor je staat, hij zal daar binnengaan. Maak hem sterk, want hij zal het aan Israël als erfdeel geven.
יְהוֹשֻׁ֤עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
de zoon van
נוּן֙
(nun)
Nun
הָעֹמֵ֣ד
(haomed)
die staat
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor jou
ה֖וּא
(hu)
hij
יָ֣בֹא
(yavo)
zal binnengaan
שָׁ֑מָּה
(shama)
erheen
אֹת֣וֹ
(oto)
hem
חַזֵּ֔ק
(chazeq)
maak sterk
כִּי
(ki)
want
ה֖וּא
(hu)
hij
יַנְחִלֶ֥נָּה
(yanchilena)
zal het laten erven
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Jullie kleine kinderen, van wie jullie zeiden dat zij tot buit zouden worden, zullen daar binnengaan. Ook jullie zonen, die vandaag nog geen goed en kwaad kennen, zullen daar binnengaan. Hun zal Ik het land geven en zij zullen het in bezit nemen.
וְטַפְּכֶם֩
(vetapekhem)
en jullie kleine kinderen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֲמַרְתֶּ֜ם
(amartem)
jullie zeiden
לָבַ֣ז
(lavaz)
tot buit
יִהְיֶ֗ה
(yihye)
zullen worden
וּ֠בְנֵיכֶם
(uveneikhem)
en jullie zonen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יָדְע֤וּ
(yadeu)
kennen
הַיּוֹם֙
(hayom)
vandaag
ט֣וֹב
(tov)
goed
וָרָ֔ע
(vara)
en kwaad
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
יָבֹ֣אוּ
(yavou)
zullen binnengaan
שָׁ֑מָּה
(shama)
erheen
וְלָהֶ֣ם
(velahem)
en aan hen
אֶתְּנֶ֔נָּה
(etenena)
zal Ik het geven
וְהֵ֖ם
(vehem)
en zij
יִירָשֽׁוּהָּ
(yirashuha)
zullen het in bezit nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Maar jullie moeten omkeren, opbreken en de woestijn intrekken, de weg naar de Rietzee.”
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
פְּנ֣וּ
(penu)
keer om
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
וּסְע֥וּ
(useu)
en breek op
הַמִּדְבָּ֖רָה
(hamidbara)
naar de woestijn
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
de weg naar
יַם
(yam)
de zee van
סֽוּף
(suf)
Suf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Zie ookNum 14:25

De poging om toch op te trekken

41Jullie antwoordden en zeiden tegen mij: „Wij hebben tegen Yahweh gezondigd. Wij zullen zelf optrekken en strijden, precies zoals Yahweh, onze Elohim, ons heeft geboden.” Ieder van jullie omgordde zijn wapens en jullie waren bereid om het bergland in te trekken.
וַֽתַּעֲנ֣וּ
(vataanu)
en jullie antwoordden
וַתֹּאמְר֣וּ
(vatomru)
en jullie zeiden
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
חָטָאנוּ֮
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לַֽיהוָה֒
(laYahweh)
tegen Yahweh
אֲנַ֤חְנוּ
(anachnu)
wij
נַעֲלֶה֙
(naale)
zullen optrekken
וְנִלְחַ֔מְנוּ
(venilchamnu)
en wij zullen strijden
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖נוּ
(tsivanu)
heeft geboden
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וַֽתַּחְגְּר֗וּ
(vatachgeru)
en jullie omgordden
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
כְּלֵ֣י
(kelei)
de wapens van
מִלְחַמְתּ֔וֹ
(milchamto)
zijn oorlog
וַתָּהִ֖ינוּ
(vatahinu)
en jullie waren bereid
לַעֲלֹ֥ת
(laalot)
om op te trekken
הָהָֽרָה
(hahara)
naar het bergland
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וַתָּהִינוּ (watahinu) komt maar één keer voor, dus de betekenis is niet zeker.

Wij vertalen ‘jullie waren bereid’.

Ook mogelijk: ‘jullie vonden het gemakkelijk’ of ‘jullie waren vermetel’.

42Yahweh zei tegen mij: „Zeg tegen hen: Trek niet op en strijd niet, zodat jullie niet verslagen worden door jullie vijanden. Want Ik ben niet in jullie midden.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
אֱמֹ֤ר
(emor)
zeg
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
לֹ֤א
(lo)
niet
תַֽעֲלוּ֙
(taalu)
trek op
וְלֹא
(velo)
en niet
תִלָּ֣חֲמ֔וּ
(tilachamu)
strijd
כִּ֥י
(ki)
want
אֵינֶ֖נִּי
(eineni)
Ik ben niet
בְּקִרְבְּכֶ֑ם
(beqirbekhem)
in jullie midden
וְלֹא֙
(velo)
en niet
תִּנָּֽגְפ֔וּ
(tinagefu)
zodat jullie verslagen worden
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
אֹיְבֵיכֶֽם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Ik sprak tot jullie, maar jullie luisterden niet. Jullie verzetten je tegen het bevel van Yahweh, waren overmoedig en trokken het bergland in.
וָאֲדַבֵּ֥ר
(vaadaber)
en ik sprak
אֲלֵיכֶ֖ם
(aleikhem)
tot jullie
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שְׁמַעְתֶּ֑ם
(shematem)
jullie luisterden
וַתַּמְרוּ֙
(vatamru)
en jullie waren opstandig tegen
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֣י
(pi)
de mond van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתָּזִ֖דוּ
(vatazidu)
en jullie waren overmoedig
וַתַּעֲל֥וּ
(vataalu)
en jullie trokken op
הָהָֽרָה
(hahara)
naar het bergland
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Toen kwamen de Amorieten die in dat bergland woonden jullie tegemoet. Zij achtervolgden jullie zoals bijen dat doen en versloegen jullie in Seïr, tot aan Chorma.
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en trok uit
הָאֱמֹרִ֜י
(haemori)
de Amoriet
הַיֹּשֵׁ֨ב
(hayoshev)
die woonde
בָּהָ֤ר
(bahar)
in het bergland
הַהוּא֙
(hahu)
dat
לִקְרַאתְכֶ֔ם
(liqratkhem)
jullie tegemoet
וַיִּרְדְּפ֣וּ
(vayirdefu)
en zij achtervolgden
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
תַּעֲשֶׂ֖ינָה
(taaseina)
doen
הַדְּבֹרִ֑ים
(hadevorim)
de bijen
וַֽיַּכְּת֥וּ
(vayaketu)
en zij versloegen
אֶתְכֶ֛ם
(etkhem)
jullie
בְּשֵׂעִ֖יר
(beseir)
in Seïr
עַד
(ad)
tot
חָרְמָֽה
(charema)
Chorma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chorma ligt in het zuiden van Kanaän, in de Negev.

De juiste plek is niet bekend.

Zie ook Num. 14:45; 21:3.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

Bijen zijn hier een beeld van een zwerm die je achtervolgt en steekt.

45Jullie keerden terug en huilden voor het aangezicht van Yahweh. Maar Yahweh luisterde niet naar jullie stem en schonk jullie geen gehoor.
וַתָּשֻׁ֥בוּ
(vatashuvu)
en jullie keerden terug
וַתִּבְכּ֖וּ
(vativku)
en jullie huilden
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שָׁמַ֤ע
(shama)
luisterde
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּקֹ֣לְכֶ֔ם
(beqolekhem)
naar jullie stem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הֶאֱזִ֖ין
(heezin)
gaf gehoor
אֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
aan jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
46Jullie bleven lange tijd in Kades, zo lang als jullie er gebleven zijn.
וַתֵּשְׁב֥וּ
(vateshevu)
en jullie bleven
בְקָדֵ֖שׁ
(beqadesh)
in Kades
יָמִ֣ים
(yamim)
dagen
רַבִּ֑ים
(rabim)
vele
כַּיָּמִ֖ים
(kayamim)
zoals de dagen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
יְשַׁבְתֶּֽם
(yeshavtem)
jullie bleven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kades: Kades (Kades-Barnea) ligt in het noorden van de Sinaïwoestijn, ten zuiden van de Negev.

Lezing

‘Zo lang als jullie er gebleven zijn’ klinkt vaag.

Het Hebreeuws wil zeggen: zo lang als jullie weten dat jullie er gebleven zijn.

Het ging om vele jaren (Num. 20:1).