Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De Filistijnen vragen hun priesters om raad
1De ark van Yahweh bleef zeven maanden in het gebied van de Filistijnen.
וַיְהִ֧י
(vayhi)
en was
אֲרוֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּשְׂדֵ֥ה
(bisde)
in het gebied van
פְלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
de Filistijnen
שִׁבְעָ֥ה
(shiva)
zeven
חֳדָשִֽׁים
(chodashim)
maanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
2De Filistijnen riepen de priesters en de waarzeggers en zeiden: „Wat moeten wij doen met de ark van Yahweh? Laat ons weten waarmee wij hem naar zijn plaats terugsturen.”
וַיִּקְרְא֣וּ
(vayiqreu)
en riepen
פְלִשְׁתִּ֗ים
(pelishtim)
de Filistijnen
לַכֹּהֲנִ֤ים
(lakohanim)
de priesters
וְלַקֹּֽסְמִים֙
(velaqosemim)
en de waarzeggers
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
מַֽה
(ma)
wat
נַּעֲשֶׂ֖ה
(naase)
zullen wij doen
לַאֲר֣וֹן
(laaron)
met de ark van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הוֹדִעֻ֕נוּ
(hodiunu)
laat ons weten
בַּמֶּ֖ה
(bame)
waarmee
נְשַׁלְּחֶ֥נּוּ
(neshalechenu)
zullen wij hem sturen
לִמְקוֹמֽוֹ
(limqomo)
naar zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
קֹסְמִים (qosemim), ‘waarzeggers’: mensen die door waarzeggerij de wil van hun goden willen kennen.
Zie Deut. 18:10–11, waar Yahweh dit voor Israël verbiedt.
3Zij zeiden: „Als jullie de ark van de Elohim van Israël wegsturen, stuur hem dan niet leeg weg. Geef Hem zeker een schuldoffer terug. Dan zullen jullie genezen en dan weten jullie waarom Zijn hand niet van jullie wijkt.”
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אִֽם
(im)
als
מְשַׁלְּחִ֞ים
(meshalechim)
jullie wegsturen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אַל
(al)
niet
תְּשַׁלְּח֤וּ
(teshalechu)
stuur weg
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
רֵיקָ֔ם
(reiqam)
leeg
כִּֽי
(ki)
maar
הָשֵׁ֥ב
(hashev)
teruggeven
תָּשִׁ֛יבוּ
(tashivu)
zul je teruggeven
ל֖וֹ
(lo)
aan Hem
אָשָׁ֑ם
(asham)
een schuldoffer
אָ֤ז
(az)
dan
תֵּרָֽפְאוּ֙
(terafeu)
zullen jullie genezen
וְנוֹדַ֣ע
(venoda)
en zal bekend zijn
לָכֶ֔ם
(lakhem)
aan jullie
לָ֛מָּה
(lama)
waarom
לֹא
(lo)
niet
תָס֥וּר
(tasur)
wijkt
יָד֖וֹ
(yado)
Zijn hand
מִכֶּֽם
(mikem)
van jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָשָׁם (asham), ‘schuldoffer’: een offer om schuld goed te maken, zie Lev. 5:15.
Hier gebruiken de Filistijnen het woord voor een herstelgeschenk aan de Elohim van Israël.
Het voornaamwoord ‘Hem’ (לוֹ, lo) wijst op de Elohim van Israël. De ark zelf noemen wij ‘hem’.
4Zij zeiden: „Wat is het schuldoffer dat wij Hem moeten teruggeven?” Zij zeiden: „Het aantal van de vorsten van de Filistijnen: vijf gouden gezwellen en vijf gouden muizen. Want er is één plaag voor jullie allemaal en voor jullie vorsten.
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zij zeiden
מָ֣ה
(ma)
wat
הָאָשָׁם֮
(haasham)
het schuldoffer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
נָשִׁ֣יב
(nashiv)
wij moeten teruggeven
לוֹ֒
(lo)
aan Hem
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zij zeiden
מִסְפַּר֙
(mispar)
het aantal van
סַרְנֵ֣י
(sarnei)
de vorsten van
פְלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
de Filistijnen
חֲמִשָּׁה֙
(chamisha)
vijf
טְחֹרֵ֣י
(techorei)
gezwellen van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וַחֲמִשָּׁ֖ה
(vachamisha)
en vijf
עַכְבְּרֵ֣י
(akhberei)
muizen van
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
כִּֽי
(ki)
want
מַגֵּפָ֥ה
(magefa)
plaag
אַחַ֛ת
(achat)
één
לְכֻלָּ֖ם
(lekhulam)
voor allen
וּלְסַרְנֵיכֶֽם
(ulesarneikhem)
en voor jullie vorsten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
עַכְבָּרִים (akhbarim), ‘muizen’: kleine knaagdieren.
Zij worden hier ‘het land verdervend’ genoemd (vers 5).
מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: een slag waaraan velen sterven.
Lezing
In de tekst (ketiv) staat in de verzen 4 en 5 עפלים (ofalim); de lezing (qere) is טחרים (techorim).
Wij volgen de lezing en vertalen ‘gezwellen’, zoals in 1 Sam. 5:6.
5Maak beelden van jullie gezwellen en beelden van jullie muizen, die het land verderven. Geef eer aan de Elohim van Israël. Misschien maakt Hij Zijn hand lichter, van jullie af, van jullie god en van jullie land.
וַעֲשִׂיתֶם֩
(vaasitem)
en jullie zullen maken
צַלְמֵ֨י
(tsalmei)
beelden van
טְחֹרֵיכֶ֜ם
(techoreikhem)
jullie gezwellen
וְצַלְמֵ֣י
(vetsalmei)
en beelden van
עַכְבְּרֵיכֶ֗ם
(akhbereikhem)
jullie muizen
הַמַּשְׁחִיתִם֙
(hamashchitim)
die verderven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וּנְתַתֶּ֛ם
(unetatem)
en jullie zullen geven
לֵאלֹהֵ֥י
(lelohei)
aan de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כָּב֑וֹד
(kavod)
eer
אוּלַ֗י
(ulay)
misschien
יָקֵ֤ל
(yaqel)
maakt Hij lichter
אֶת
(et)
(obj.)
יָדוֹ֙
(yado)
Zijn hand
מֵֽעֲלֵיכֶ֔ם
(mealeikhem)
van jullie af
וּמֵעַ֥ל
(umeal)
en van
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie god
וּמֵעַ֥ל
(umeal)
en van
אַרְצְכֶֽם
(artsekhem)
jullie land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּבוֹד (kavod), ‘eer’: eigenlijk ‘gewicht’.
De Filistijnen willen de Elohim van Israël eer geven met deze beelden.
יָקֵל (yaqel), ‘maakt lichter’: het tegenovergestelde van ‘zwaar’ (כָּבֵד, kaved) in 5:6 en 6:6.
6Waarom maken jullie jullie hart zwaar, zoals Egypte en farao hun hart zwaar maakten? Is het niet zo? Toen Hij Zijn spot met hen dreef, lieten zij hen gaan en zij vertrokken.
וְלָ֤מָּה
(velama)
en waarom
תְכַבְּדוּ֙
(tekhabedu)
maken jullie zwaar
אֶת
(et)
(obj.)
לְבַבְכֶ֔ם
(levavkhem)
jullie hart
כַּאֲשֶׁ֧ר
(kaasher)
zoals
כִּבְּד֛וּ
(kibedu)
maakten zwaar
מִצְרַ֥יִם
(mitsrayim)
Egypte
וּפַרְעֹ֖ה
(ufaro)
en farao
אֶת
(et)
(obj.)
לִבָּ֑ם
(libam)
hun hart
הֲלוֹא֙
(halo)
is het niet
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
הִתְעַלֵּ֣ל
(hitalel)
Hij speelde
בָּהֶ֔ם
(bahem)
met hen
וַֽיְשַׁלְּח֖וּם
(vayshalechum)
en zij lieten hen gaan
וַיֵּלֵֽכוּ
(vayelekhu)
en zij vertrokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
תְכַבְּדוּ (tekabbedu), ‘maken zwaar’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 7:14 en 8:11, dat bij de farao ‘zwaar’ en ‘hard’ is.
De Filistijnen herinneren aan Egypte.
הִתְעַלֵּל (hit‘allel), ‘zijn spot drijven’: zie Exod. 10:2, waar wij vertalen ‘wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan’.
7Maak nu één nieuwe wagen. Neem twee zogende koeien, waarop nog nooit een juk is gekomen. Span de koeien voor de wagen. Breng hun kalveren van achter hen weg, naar huis.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
קְח֨וּ
(qechu)
neem
וַעֲשׂ֜וּ
(vaasu)
en maak
עֲגָלָ֤ה
(agala)
wagen
חֲדָשָׁה֙
(chadasha)
nieuwe
אֶחָ֔ת
(echat)
één
וּשְׁתֵּ֤י
(ushtei)
en twee
פָרוֹת֙
(parot)
koeien
עָל֔וֹת
(alot)
zogende
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
עָלָ֥ה
(ala)
is gekomen
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
op hen
עֹ֑ל
(ol)
juk
וַאֲסַרְתֶּ֤ם
(vaasartem)
en span
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּרוֹת֙
(haparot)
de koeien
בָּעֲגָלָ֔ה
(baagala)
aan de wagen
וַהֲשֵׁיבֹתֶ֧ם
(vahasheivotem)
en breng terug
בְּנֵיהֶ֛ם
(beneihem)
hun kalveren
מֵאַחֲרֵיהֶ֖ם
(meachareihem)
van achter hen
הַבָּֽיְתָה
(habayeta)
naar huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָלוֹת (alot), ‘zogende koeien’: koeien met een kalf dat nog drinkt.
Een dier ‘waarop nog nooit een juk is gekomen’ is voor heilig gebruik bestemd, zie Num. 19:2 en Deut. 21:3.
8Neem de ark van Yahweh en zet hem op de wagen. De gouden voorwerpen die jullie Hem als schuldoffer teruggeven, moeten jullie in een kist naast hem zetten. Stuur hem weg. Dan gaat hij.
וּלְקַחְתֶּ֞ם
(uleqachtem)
en jullie nemen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וּנְתַתֶּ֤ם
(unetatem)
en jullie zetten
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
אֶל
(el)
op
הָ֣עֲגָלָ֔ה
(haagala)
de wagen
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כְּלֵ֣י
(kelei)
de voorwerpen van
הַזָּהָ֗ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הֲשֵׁבֹתֶ֥ם
(hashevotem)
jullie hebben teruggegeven
לוֹ֙
(lo)
aan Hem
אָשָׁ֔ם
(asham)
als schuldoffer
תָּשִׂ֥ימוּ
(tasimu)
zullen jullie plaatsen
בָאַרְגַּ֖ז
(baargaz)
in de kist
מִצִּדּ֑וֹ
(mitsido)
naast hem
וְשִׁלַּחְתֶּ֥ם
(veshilachtem)
en jullie sturen weg
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
וְהָלָֽךְ
(vehalakh)
en hij gaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַרְגָּז (argaz), ‘kist’: een bakje of kistje voor de gouden voorwerpen.
Het woord staat alleen in dit hoofdstuk (verzen 8, 11 en 15).
9Let dan op. Gaat hij omhoog langs de weg naar zijn eigen gebied, naar Bet-Semes? Dan is Hij het die ons dit grote kwaad heeft aangedaan. Zo niet, dan weten wij dat Zijn hand ons niet heeft geslagen. Dan was het toeval dat ons overkwam.”
וּרְאִיתֶ֗ם
(ureitem)
en jullie zien
אִם
(im)
of
דֶּ֨רֶךְ
(derekh)
de weg van
גְּבוּל֤וֹ
(gevulo)
zijn gebied
יַֽעֲלֶה֙
(yaale)
hij gaat omhoog
בֵּ֣ית
(beit)
naar Bet
שֶׁ֔מֶשׁ
(shemesh)
Semes
ה֚וּא
(hu)
Hij
עָ֣שָׂה
(asa)
heeft gedaan
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
אֶת
(et)
(obj.)
הָרָעָ֥ה
(haraa)
het kwaad
הַגְּדוֹלָ֖ה
(hagedola)
het grote
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
וְאִם
(veim)
en indien
לֹ֗א
(lo)
niet
וְיָדַ֨עְנוּ֙
(veyadanu)
en wij weten
כִּ֣י
(ki)
dat
לֹ֤א
(lo)
niet
יָדוֹ֙
(yado)
Zijn hand
נָ֣גְעָה
(nagea)
heeft geraakt
בָּ֔נוּ
(banu)
ons
מִקְרֶ֥ה
(miqre)
toeval
ה֖וּא
(hu)
het
הָ֥יָה
(haya)
was
לָֽנוּ
(lanu)
ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Bet-Semes ligt bij Tel Bet-Semes, in het westen van het bergland van Juda, in Israël.
Het ligt dicht bij de grens van de Filistijnen.
Uitleg
מִקְרֶה (miqreh), ‘toeval’: iets wat gebeurt zonder dat iemand het heeft gestuurd.
12De koeien gingen recht op de weg af, de weg naar Bet-Semes. Zij bleven op één pad. Al lopend loeiden zij en zij weken niet af, naar rechts of naar links. De vorsten van de Filistijnen liepen achter hen aan, tot aan de grens van Bet-Semes.
וַיִשַּׁ֨רְנָה
(vayisharna)
en gingen recht
הַפָּר֜וֹת
(haparot)
de koeien
בַּדֶּ֗רֶךְ
(baderekh)
op de weg
עַל
(al)
op
דֶּ֨רֶךְ֙
(derekh)
de weg naar
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
שֶׁ֔מֶשׁ
(shemesh)
Semes
בִּמְסִלָּ֣ה
(bimsila)
op een pad
אַחַ֗ת
(achat)
één
הָלְכ֤וּ
(halekhu)
gingen zij
הָלֹךְ֙
(halokh)
lopend
וְגָע֔וֹ
(vegao)
en loeiden
וְלֹא
(velo)
en niet
סָ֖רוּ
(saru)
weken zij af
יָמִ֣ין
(yamin)
naar rechts
וּשְׂמֹ֑אול
(usemovl)
en naar links
וְסַרְנֵ֤י
(vesarnei)
en de vorsten van
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
de Filistijnen
הֹלְכִ֣ים
(holekhim)
gingen
אַחֲרֵיהֶ֔ם
(achareihem)
achter hen
עַד
(ad)
tot
גְּב֖וּל
(gevul)
de grens van
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
שָֽׁמֶשׁ
(shamesh)
Semes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.
In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
13Bet-Semes was bezig met de tarweoogst in het dal. Zij sloegen hun ogen op en zagen de ark. Zij waren blij haar te zien.
וּבֵ֣ית
(uveit)
en Bet
שֶׁ֔מֶשׁ
(shemesh)
Semes
קֹצְרִ֥ים
(qotserim)
maaiend
קְצִיר
(qetsir)
de oogst van
חִטִּ֖ים
(chitim)
tarwe
בָּעֵ֑מֶק
(baemeq)
in het dal
וַיִּשְׂא֣וּ
(vayisu)
en zij sloegen op
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינֵיהֶ֗ם
(eineihem)
hun ogen
וַיִּרְאוּ֙
(vayiru)
en zagen
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אָר֔וֹן
(haaron)
de ark
וַֽיִּשְׂמְח֖וּ
(vayismechu)
en zij waren blij
לִרְאֽוֹת
(lirot)
te zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.
In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea.
14De wagen kwam in het veld van Jozua uit Bet-Semes en bleef daar staan. Daar lag een grote steen. Zij hakten het hout van de wagen aan stukken. De koeien droegen zij op als brandoffer voor Yahweh.
וְהָעֲגָלָ֡ה
(vehaagala)
en de wagen
בָּ֠אָה
(baa)
kwam
אֶל
(el)
naar
שְׂדֵ֨ה
(sede)
het veld van
יְהוֹשֻׁ֤עַ
(yehoshua)
Jozua
בֵּֽית
(beit)
uit Bet
הַשִּׁמְשִׁי֙
(hashimshi)
Hasjimsji
וַתַּעֲמֹ֣ד
(vataamod)
en bleef staan
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וְשָׁ֖ם
(vesham)
en daar
אֶ֣בֶן
(even)
steen
גְּדוֹלָ֑ה
(gedola)
grote
וַֽיְבַקְּעוּ֙
(vayvaqeu)
en zij hakten aan stukken
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצֵ֣י
(atsei)
het hout van
הָעֲגָלָ֔ה
(haagala)
de wagen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַ֨פָּר֔וֹת
(haparot)
de koeien
הֶעֱל֥וּ
(heelu)
droegen zij op
עֹלָ֖ה
(ola)
als brandoffer
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.
In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea.
Uitleg
בֵּית הַשִּׁמְשִׁי (beit hashimshi), ‘uit Bet-Semes’: Jozua is een inwoner van Bet-Semes.
15De Levieten haalden de ark van Yahweh naar beneden, met de kist die erbij stond en waarin de gouden voorwerpen lagen. Zij zetten die op de grote steen. De mannen van Bet-Semes droegen die dag brandoffers op en brachten slachtoffers aan Yahweh.
וְהַלְוִיִּ֞ם
(vehalviyim)
en de Levieten
הוֹרִ֣ידוּ
(horidu)
brachten naar beneden
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַרְגַּ֤ז
(haargaz)
de kist
אֲשֶׁר
(asher)
die
אִתּוֹ֙
(ito)
bij haar
אֲשֶׁר
(asher)
die
בּ֣וֹ
(bo)
daarin
כְלֵֽי
(kelei)
voorwerpen van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וַיָּשִׂ֖מוּ
(vayasimu)
en zij zetten
אֶל
(el)
op
הָאֶ֣בֶן
(haeven)
de steen
הַגְּדוֹלָ֑ה
(hagedola)
de grote
וְאַנְשֵׁ֣י
(veanshei)
en de mannen van
בֵֽית
(beit)
Bet
שֶׁ֗מֶשׁ
(shemesh)
Semes
הֶעֱל֨וּ
(heelu)
droegen op
עֹל֜וֹת
(olot)
brandoffers
וַֽיִּזְבְּח֧וּ
(vayizbechu)
en slachtten
זְבָחִ֛ים
(zevachim)
slachtoffers
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op die
הַה֖וּא
(hahu)
dag
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.
In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea.
Uitleg
Alleen de Levieten mochten de ark dragen en neerzetten, zie Num. 4:15 en Deut. 10:8.
Bet-Semes was een stad voor de priesters (Joz. 21:16).
17Dit zijn de gouden gezwellen die de Filistijnen als schuldoffer aan Yahweh teruggaven. Voor Asdod één, voor Gaza één, voor Askelon één, voor Gat één, voor Ekron één.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit zijn
טְחֹרֵ֣י
(techorei)
de gezwellen van
הַזָּהָ֔ב
(hazahav)
het goud
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הֵשִׁ֧יבוּ
(heshivu)
teruggaven
פְלִשְׁתִּ֛ים
(pelishtim)
de Filistijnen
אָשָׁ֖ם
(asham)
als schuldoffer
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לְאַשְׁדּ֨וֹד
(leashdod)
voor Asdod
אֶחָ֜ד
(echad)
één
לְעַזָּ֤ה
(leaza)
voor Gaza
אֶחָד֙
(echad)
één
לְאַשְׁקְל֣וֹן
(leashqelon)
voor Askelon
אֶחָ֔ד
(echad)
één
לְגַ֥ת
(legat)
voor Gat
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לְעֶקְר֥וֹן
(leeqron)
voor Ekron
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De vijf steden van de Filistijnen zijn Asdod, Gaza, Askelon, Gat en Ekron (Joz. 13:3).
Gaza ligt in de Gazastrook, Askelon bij Ashkelon in Israël, Asdod en Ekron liggen ook in Israël.
Gat ligt waarschijnlijk bij Tel es-Safi.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
18De gouden muizen waren naar het aantal van alle steden van de Filistijnen, van de vijf vorsten. Het ging van de ommuurde stad tot het dorp zonder muren en tot aan de grote Abel, waarop zij de ark van Yahweh hadden neergezet. Zij is er tot op deze dag, in het veld van Jozua uit Bet-Semes.
וְעַכְבְּרֵ֣י
(veakhberei)
en de muizen van
הַזָּהָ֗ב
(hazahav)
het goud
מִסְפַּ֞ר
(mispar)
het aantal van
כָּל
(kal)
alle
עָרֵ֤י
(arei)
steden van
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
de Filistijnen
לַחֲמֵ֣שֶׁת
(lachameshet)
voor de vijf
הַסְּרָנִ֔ים
(haseranim)
vorsten
מֵעִ֣יר
(meir)
van de stad
מִבְצָ֔ר
(mivtsar)
versterkt
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
כֹּ֣פֶר
(kofer)
dorp
הַפְּרָזִ֑י
(haperazi)
zonder muren
וְעַ֣ד
(vead)
en tot
אָבֵ֣ל
(avel)
Abel
הַגְּדוֹלָ֗ה
(hagedola)
de grote
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarop
הִנִּ֤יחוּ
(hinichu)
zij hadden neergezet
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
op haar
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
עַ֚ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
בִּשְׂדֵ֥ה
(bisde)
in het veld van
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
בֵּֽית
(beit)
uit Bet
הַשִּׁמְשִֽׁי
(hashimshi)
Hasjimsji
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.
In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea.
Uitleg
כֹּפֶר הַפְּרָזִי (kofer happerazi), ‘dorp zonder muren’: een open dorp op het platteland.
Lezing
Er staat אָבֵל (Abel), ‘weide’.
In de verzen 14 en 15 gaat het over ‘de grote steen’ (אֶבֶן, even).
Waarschijnlijk is dezelfde plaats bedoeld.
Wij volgen de Masoretische tekst en vertalen ‘Abel’.
19Hij sloeg de mannen van Bet-Semes, omdat zij naar de ark van Yahweh hadden gekeken. Onder het volk sloeg Hij 70 man, 50.000 man. Het volk rouwde, want Yahweh had het volk met een grote slag geslagen.
וַיַּ֞ךְ
(vayakh)
en Hij sloeg
בְּאַנְשֵׁ֣י
(beanshei)
de mannen van
בֵֽית
(beit)
Bet
שֶׁ֗מֶשׁ
(shemesh)
Semes
כִּ֤י
(ki)
omdat
רָאוּ֙
(rau)
zij hadden gekeken
בַּאֲר֣וֹן
(baaron)
naar de ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en Hij sloeg
בָּעָם֙
(baam)
onder het volk
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
אִ֔ישׁ
(ish)
man
חֲמִשִּׁ֥ים
(chamishim)
vijftig
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וַיִּֽתְאַבְּל֣וּ
(vayitabelu)
en rouwde
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
כִּֽי
(ki)
want
הִכָּ֧ה
(hika)
had geslagen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּעָ֖ם
(baam)
onder het volk
מַכָּ֥ה
(maka)
een slag
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.
In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea.
Uitleg
רָאוּ בַּאֲרוֹן (ra’u ba’aron), ‘zij hadden naar de ark gekeken’.
Het kan betekenen dat zij in de ark keken, of dat zij er oneerbiedig naar keken.
Zie Num. 4:20, waar het verboden is om het heilige te zien.
Lezing
Het getal ‘70 man, 50.000 man’ staat zo in de Masoretische tekst.
21Zij stuurden boden naar de inwoners van Kirjat-Jearim. Zij zeiden: „De Filistijnen hebben de ark van Yahweh teruggebracht. Kom naar beneden en breng haar naar jullie omhoog.”
וַֽיִּשְׁלְחוּ֙
(vayishlechu)
en zij stuurden
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
יוֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
de inwoners van
קִרְיַת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִ֖ים
(yearim)
Jearim
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הֵשִׁ֤בוּ
(heshivu)
hebben teruggebracht
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
de Filistijnen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
רְד֕וּ
(redu)
kom naar beneden
הַעֲל֥וּ
(haalu)
breng omhoog
אֹת֖וֹ
(oto)
haar
אֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
naar jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij Abu Gosh, ten westen van Jeruzalem, in Israël.
De ligging is niet helemaal zeker.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.