Elohim Bijbel

Psalmen 72

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Gebed voor de koning

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Elohim, geef de koning Uw recht

1Van Salomo. Elohim, geef de koning Uw recht en de zoon van de koning Uw gerechtigheid.
לִשְׁלֹמֹ֨ה
(lishlomo)
van Salomo
אֱֽלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
מִ֭שְׁפָּטֶיךָ
(mishpateikha)
Uw recht
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning
תֵּ֑ן
(ten)
geef
וְצִדְקָתְךָ֥
(vetsidqatekha)
en Uw gerechtigheid
לְבֶן
(leven)
aan de zoon van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִשְׁלֹמֹה (lishlomo), ‘van Salomo’: het voorzetsel ל (le) kan ‘van’, ‘voor’ of ‘over’ betekenen.

De psalm kan door Salomo, voor Salomo of over Salomo zijn.

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’, en צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’: de twee kernwoorden van de psalm (zie ook vers 2 en 7).

2Moge hij Uw volk richten met gerechtigheid en Uw ellendigen met recht.
יָדִ֣ין
(yadin)
moge hij richten
עַמְּךָ֣
(amekha)
Uw volk
בְצֶ֑דֶק
(betsedeq)
met gerechtigheid
וַעֲנִיֶּ֥יךָ
(vaaniyeikha)
en Uw ellendigen
בְמִשְׁפָּֽט
(bemishpat)
met recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De werkwoorden in vers 2–17 kunnen als wens (‘moge hij’) of als verwachting (‘hij zal’) worden gelezen.

Wij vertalen als wens, zoals de duidelijke wensvormen in vers 16 en 17.

3Laten de bergen het volk vrede brengen, en de heuvels door gerechtigheid.
יִשְׂא֤וּ
(yisu)
laten dragen
הָרִ֓ים
(harim)
bergen
שָׁ֘ל֥וֹם
(shalom)
vrede
לָעָ֑ם
(laam)
aan het volk
וּ֝גְבָע֗וֹת
(ugevaot)
en heuvels
בִּצְדָקָֽה
(bitsdaqa)
door gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Moge hij de ellendigen van het volk recht doen, de kinderen van de armen redden en de onderdrukker vermorzelen.
יִשְׁפֹּ֤ט
(yishpot)
moge hij recht doen
עֲֽנִיֵּי
(aniyei)
ellendigen van
עָ֗ם
(am)
volk
י֭וֹשִׁיעַ
(yoshia)
moge hij redden
לִבְנֵ֣י
(livnei)
de kinderen van
אֶבְי֑וֹן
(evyon)
armen
וִֽידַכֵּ֣א
(vidake)
en moge hij vermorzelen
עוֹשֵֽׁק
(osheq)
onderdrukker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Laat men U vrezen zolang de zon er is en zolang de maan er is, van geslacht tot geslacht.
יִֽירָא֥וּךָ
(yiraukha)
laat vrezen U
עִם
(im)
met
שָׁ֑מֶשׁ
(shamesh)
zon
וְלִפְנֵ֥י
(velifnei)
en voor het aangezicht van
יָ֝רֵ֗חַ
(yareach)
maan
דּ֣וֹר
(dor)
geslacht van
דּוֹרִֽים
(dorim)
geslachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Wij volgen de Masoretische tekst: ‘Laat men U vrezen’.

Het onderwerp is in het Hebreeuws niet genoemd en de zin is moeilijk; andere oude vertalingen lezen een andere vorm (‘hij zal blijven’).

Wij volgen dat niet.

6Moge hij neerdalen als regen op het gemaaide veld, als stortbuien die de aarde drenken.
יֵ֭רֵד
(yered)
moge hij neerdalen
כְּמָטָ֣ר
(kematar)
als regen
עַל
(al)
op
גֵּ֑ז
(gez)
gemaaid veld
כִּ֝רְבִיבִ֗ים
(kirvivim)
als stortbuien
זַרְזִ֥יף
(zarzif)
druppelend over
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּז (gez), ‘gemaaid veld’: het woord betekent eigenlijk iets dat is afgesneden, zoals geschoren wol (Richt. 6:37) of gemaaid gras.

זַרְזִיף (zarzif), ‘drenken’: het woord komt elders niet voor. De betekenis ‘druppelen, drenken’ past bij de zin.

7Moge in zijn dagen de rechtvaardige bloeien, en moge er volop vrede zijn, totdat er geen maan meer is.
יִֽפְרַח
(yifrach)
moge bloeien
בְּיָמָ֥יו
(beyamav)
in zijn dagen
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardige
וְרֹ֥ב
(verov)
en overvloed van
שָׁ֝ל֗וֹם
(shalom)
vrede
עַד
(ad)
totdat
בְּלִ֥י
(beli)
zonder
יָרֵֽחַ
(yareach)
maan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Moge hij heersen van zee tot zee en van de Rivier tot de uiteinden van de aarde.
וְ֭יֵרְדְּ
(veyerd)
en moge hij heersen
מִיָּ֣ם
(miyam)
van zee
עַד
(ad)
tot
יָ֑ם
(yam)
zee
וּ֝מִנָּהָ֗ר
(uminahar)
en van de Rivier
עַד
(ad)
tot
אַפְסֵי
(afsei)
uiteinden van
אָֽרֶץ
(arets)
aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De Rivier’ (הַנָּהָר, hannahar) is meestal de Eufraat; vergelijk Gen. 15:18 en Exod. 23:31.

9Laten de woestijnbewoners voor hem knielen, en zijn vijanden het stof likken.
לְ֭פָנָיו
(lefanav)
voor zijn aangezicht
יִכְרְע֣וּ
(yikhreu)
laten knielen
צִיִּ֑ים
(tsiyim)
woestijnbewoners
וְ֝אֹיְבָ֗יו
(veoyevav)
en zijn vijanden
עָפָ֥ר
(afar)
stof
יְלַחֵֽכוּ
(yelachekhu)
laten likken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִיִּים (tsiyim), ‘woestijnbewoners’: letterlijk ‘bewoners van dorre streken’.

Het woord kan ook woestijndieren of schepen betekenen; de betekenis is onzeker.

10Laten de koningen van Tarsis en de eilanden geschenken brengen. Laten de koningen van Sjeba en Seba gaven aanbieden.
מַלְכֵ֬י
(malkhei)
koningen van
תַרְשִׁ֣ישׁ
(tarshish)
Tarsis
וְ֭אִיִּים
(veiyim)
en de eilanden
מִנְחָ֣ה
(mincha)
geschenk
יָשִׁ֑יבוּ
(yashivu)
laten terugbrengen
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
שְׁבָ֥א
(sheva)
Sjeba
וּ֝סְבָ֗א
(useva)
en Seba
אֶשְׁכָּ֥ר
(eshkar)
gave
יַקְרִֽיבוּ
(yaqrivu)
laten aanbieden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tarsis lag ver in het westen (ligging onzeker), Sjeba in het zuidwesten van Arabië en Seba waarschijnlijk in Noordoost-Afrika (ligging onzeker).

Samen staan zij voor de verste uithoeken van de bekende wereld.

Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘geschenk’: hier geen offer, maar een gift van onderworpen koningen.

Zie ook 2 Sam. 8:2.

הֵשִׁיב (heshiv), ‘terugbrengen’: hier ‘brengen, betalen’ (een geschenk dat men verschuldigd is).

אֶשְׁכָּר (eshkar), ‘gave’: het woord komt elders niet voor; de betekenis ‘gift’ past bij de zin.

11Laten alle koningen zich voor hem neerbuigen, en alle volken hem dienen.
וְיִשְׁתַּחֲווּ
(veyishtachavu)
en laten zich neerbuigen
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
כָל
(kal)
alle
מְלָכִ֑ים
(melakhim)
koningen
כָּל
(kal)
alle
גּוֹיִ֥ם
(goyim)
volken
יַֽעַבְדֽוּהוּ
(yaavduhu)
laten hem dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Hij bevrijdt de arme en de ellendige

12Want hij bevrijdt de arme die om hulp roept, en de ellendige die geen helper heeft.
כִּֽי
(ki)
want
יַ֭צִּיל
(yatsil)
hij bevrijdt
אֶבְי֣וֹן
(evyon)
arme
מְשַׁוֵּ֑עַ
(meshavea)
die om hulp roept
וְ֝עָנִ֗י
(veani)
en ellendige
וְֽאֵין
(veein)
en niet
עֹזֵ֥ר
(ozer)
helper
לֽוֹ
(lo)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Hij heeft medelijden met de zwakke en de arme, en de levens van de armen redt hij.
יָ֭חֹס
(yachos)
hij heeft medelijden
עַל
(al)
met
דַּ֣ל
(dal)
zwakke
וְאֶבְי֑וֹן
(veevyon)
en arme
וְנַפְשׁ֖וֹת
(venafshot)
en levens van
אֶבְיוֹנִ֣ים
(evyonim)
armen
יוֹשִֽׁיעַ
(yoshia)
hij redt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Uit onderdrukking en geweld verlost hij hun leven, en hun bloed is kostbaar in zijn ogen.
מִתּ֣וֹךְ
(mitokh)
uit onderdrukking
וּ֭מֵחָמָס
(umechamas)
en uit geweld
יִגְאַ֣ל
(yigal)
hij verlost
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun leven
וְיֵיקַ֖ר
(veyeiqar)
en kostbaar is
דָּמָ֣ם
(damam)
hun bloed
בְּעֵינָֽיו
(beeinav)
in zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תֹּךְ (tokh), ‘onderdrukking’: het woord komt vooral voor in Ps. 10:7 en 55:12.

גָּאַל (gaal), ‘verlossen’: de losser (goel) haalt iemand uit de nood en koopt zijn recht terug.

Zie Ruth 4.

Moge hij leven

15Moge hij leven! Moge men hem van het goud van Sjeba geven. Moge men voortdurend voor hem bidden en hem de hele dag zegenen.
וִיחִ֗י
(vichi)
en moge hij leven
וְיִתֶּן
(veyiten)
en moge men geven
לוֹ֮
(lo)
aan hem
מִזְּהַ֪ב
(mizehav)
van goud van
שְׁ֫בָ֥א
(sheva)
Sjeba
וְיִתְפַּלֵּ֣ל
(veyitpalel)
en moge men bidden
בַּעֲד֣וֹ
(baado)
voor hem
תָמִ֑יד
(tamid)
voortdurend
כָּל
(kal)
de hele
הַ֝יּ֗וֹם
(hayom)
dag
יְבָרֲכֶֽנְהֽוּ
(yevarakhenhu)
moge men hem zegenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sjeba: Sjeba lag in het zuidwesten van Arabië, in het huidige Jemen.

16Moge er een handvol graan zijn in het land, op de top van de bergen. Moge zijn vrucht ruisen als de Libanon, en mogen mensen uit de stad bloeien als het gras van de aarde.
יְהִ֤י
(yehi)
moge zijn
פִסַּת
(pisat)
handvol van
בַּ֨ר
(bar)
graan
בָּאָרֶץ֮
(baarets)
in het land
בְּרֹ֪אשׁ
(berosh)
op de top van
הָ֫רִ֥ים
(harim)
bergen
יִרְעַ֣שׁ
(yirash)
moge ruisen
כַּלְּבָנ֣וֹן
(kalevanon)
zoals de Libanon
פִּרְי֑וֹ
(piryo)
zijn vrucht
וְיָצִ֥יצוּ
(veyatsitsu)
en mogen bloeien
מֵ֝עִ֗יר
(meir)
uit de stad
כְּעֵ֣שֶׂב
(keesev)
zoals gras van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.

Uitleg

פִּסַּת בַּר (pissat bar), ‘een handvol graan’: het eerste woord komt elders niet voor en de betekenis is onzeker.

Het beeld is: zelfs op de bergtoppen, waar niets groeit, staat graan.

Andere oude vertalingen lezen een ander woord (‘stevigheid’ of ‘overvloed’).

17Moge zijn naam voor eeuwig blijven. Moge zijn naam voortduren zolang de zon er is. Mogen alle volken zich in hem zegenen en hem gelukkig prijzen.
יְהִ֤י
(yehi)
moge zijn
שְׁמ֨וֹ
(shemo)
zijn naam
לְֽעוֹלָ֗ם
(leolam)
voor eeuwig
לִפְנֵי
(lifnei)
voor het aangezicht van
שֶׁמֶשׁ֮
(shemesh)
zon
יִנּ֪וֹן
(yinon)
moge voortduren
שְׁ֫מ֥וֹ
(shemo)
zijn naam
וְיִתְבָּ֥רְכוּ
(veyitbarekhu)
en mogen zich zegenen
ב֑וֹ
(bo)
in hem
כָּל
(kal)
alle
גּוֹיִ֥ם
(goyim)
volken
יְאַשְּׁרֽוּהוּ
(yeasheruhu)
mogen hem gelukkig prijzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Mogen alle volken zich in hem zegenen’ verwijst naar de belofte aan Abraham: Gen. 12:3 en 22:18.

Lezing

Het geschreven Hebreeuws (ketiv) heeft יָנִין (yanin), de gelezen vorm (qere) יִנּוֹן (yinon).

Het werkwoord komt alleen hier voor en betekent ‘voortduren, uitspruiten’.

Lofprijzing en slot van het tweede boek

18Gezegend is Yahweh Elohim, de Elohim van Israël, die wonderen doet, Hij alleen.
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱ֭לֹהִים
(Elohim)
Elohim
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
עֹשֵׂ֖ה
(ose)
die doet
נִפְלָא֣וֹת
(niflaot)
wonderen
לְבַדּֽוֹ
(levado)
Hij alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 18–19 zijn de lofprijzing waarmee het tweede boek van de Psalmen eindigt.

Een vergelijkbare slotprijzing staat aan het eind van Ps. 41:14, 89:53 en 106:48.

19Gezegend is voor eeuwig de naam van Zijn heerlijkheid. Moge heel de aarde vol worden van Zijn heerlijkheid. Amen en amen.
וּבָר֤וּךְ
(uvarukh)
en gezegend
שֵׁ֥ם
(shem)
naam van
כְּבוֹד֗וֹ
(kevodo)
Zijn heerlijkheid
לְע֫וֹלָ֥ם
(leolam)
voor eeuwig
וְיִמָּלֵ֣א
(veyimale)
en moge vol worden
כְ֭בוֹדוֹ
(kevodo)
Zijn heerlijkheid
אֶת
(et)
(obj.)
כֹּ֥ל
(kol)
heel
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
de aarde
אָ֘מֵ֥ן
(amen)
amen
וְאָמֵֽן
(veamen)
en amen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Num. 14:21: ‘heel de aarde wordt vol van de heerlijkheid van Yahweh’.

20Hier eindigen de gebeden van David, de zoon van Isaï.
כָּלּ֥וּ
(kalu)
zijn ten einde
תְפִלּ֑וֹת
(tefilot)
gebeden van
דָּ֝וִ֗ד
(david)
David
בֶּן
(ben)
zoon van
יִשָֽׁי
(yishay)
Isaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers sluit het tweede boek van de Psalmen af.

Het betekent niet dat daarna geen psalmen van David meer volgen: er staan nog enkele psalmen van David in latere delen, zoals Ps. 86 en Ps. 101.