Elohim Bijbel

Numeri 11

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Het klagen van het volk en de zeventig oudsten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het vuur van Yahweh bij Taberah

1Het volk was aan het klagen, en dat klonk slecht in de oren van Yahweh. Yahweh hoorde het en Zijn toorn ontbrandde. Het vuur van Yahweh brandde onder hen en verteerde het uiterste deel van het kamp.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
הָעָם֙
(haam)
het volk
כְּמִתְאֹ֣נְנִ֔ים
(kemitonenim)
als klagenden
רַ֖ע
(ra)
kwaad
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hoorde
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּ֣חַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וַתִּבְעַר
(vativar)
en brandde
בָּם֙
(bam)
onder hen
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתֹּ֖אכַל
(vatokhal)
en verteerde
בִּקְצֵ֥ה
(biqtse)
in het uiterste deel van
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִתְאֹנְנִים (mit’onenim), ‘klagenden’: een zeldzaam werkwoord voor ontevreden mopperen.

Het volk klaagt zonder een duidelijke reden.

2Het volk riep in nood tot Mozes. Mozes bad tot Yahweh en het vuur zakte weg.
וַיִּצְעַ֥ק
(vayitsaq)
en riep in nood
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
וַיִּתְפַּלֵּ֤ל
(vayitpalel)
en bad
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתִּשְׁקַ֖ע
(vatishqa)
en zakte weg
הָאֵֽשׁ
(haesh)
het vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צָעַק (tsa’aq), ‘in nood roepen’, hoort bij het woord ‘noodkreet’ (tsa’aqah): het volk roept Mozes aan als bemiddelaar.

3Men noemde die plaats Taberah, want het vuur van Yahweh had onder hen gebrand.
וַיִּקְרָ֛א
(vayiqra)
en men noemde
שֵֽׁם
(shem)
de naam van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
תַּבְעֵרָ֑ה
(tavera)
Taberah
כִּֽי
(ki)
want
בָעֲרָ֥ה
(baara)
had gebrand
בָ֖ם
(bam)
onder hen
אֵ֥שׁ
(esh)
vuur van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Taberah (תַּבְעֵרָה, tav’erah), ‘brand’: de plaats is niet bekend.

Zij lag in de woestijn Paran, tussen de Sinaï en Chaserot (vers 35 en Num. 10:12).

Uitleg

Het onderwerp van ‘noemde’ staat er niet; wij vertalen ‘men noemde’.

Vergelijk Deut. 9:22.

Het volk verlangt naar vlees

4Het samengeraapte volk in hun midden kreeg een sterke zin in vlees. Ook de zonen van Israël begonnen weer te huilen en zeiden: „Wie geeft ons vlees te eten?
וְהָֽאסַפְסֻף֙
(vehasafsuf)
en het samengeraapte volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּקִרְבּ֔וֹ
(beqirbo)
in hun midden
הִתְאַוּ֖וּ
(hitauu)
verlangde
תַּאֲוָ֑ה
(taava)
een verlangen
וַיָּשֻׁ֣בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיִּבְכּ֗וּ
(vayivku)
en zij huilden
גַּ֚ם
(gam)
ook
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
מִ֥י
(mi)
wie
יַאֲכִלֵ֖נוּ
(yaakhilenu)
zal ons laten eten
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאסַפְסֻף (ha’asafsuf), ‘het samengeraapte volk’: een zeldzaam woord voor mensen die zijn meegekomen, maar niet tot Israël behoren.

Vergelijk de ‘gemengde schare’ in Exod. 12:38.

מָן (man), ‘manna’: zie Exod. 16:31.

5Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de meloenen, de prei, de uien en de knoflook.
זָכַ֨רְנוּ֙
(zakharnu)
wij herinneren ons
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּגָ֔ה
(hadaga)
de vis
אֲשֶׁר
(asher)
die
נֹאכַ֥ל
(nokhal)
wij aten
בְּמִצְרַ֖יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
חִנָּ֑ם
(chinam)
voor niets
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
הַקִּשֻּׁאִ֗ים
(haqishuim)
de komkommers
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
הָֽאֲבַטִּחִ֔ים
(haavatichim)
de meloenen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הֶחָצִ֥יר
(hechatsir)
de prei
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבְּצָלִ֖ים
(habetsalim)
de uien
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשּׁוּמִֽים
(hashumim)
de knoflook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

הֶחָצִיר (hechatsir), ‘prei’: ook ‘bieslook’ of ‘gras’ is mogelijk.

De andere vijf zijn komkommers, meloenen (waarschijnlijk watermeloenen), uien en knoflook.

6Maar nu verdort onze ziel. Er is niets, behalve het manna voor onze ogen.”
וְעַתָּ֛ה
(veata)
en nu
נַפְשֵׁ֥נוּ
(nafshenu)
onze ziel
יְבֵשָׁ֖ה
(yevesha)
is dor
אֵ֣ין
(ein)
niets
כֹּ֑ל
(kol)
al
בִּלְתִּ֖י
(bilti)
behalve
אֶל
(el)
naar
הַמָּ֥ן
(haman)
het manna
עֵינֵֽינוּ
(eineinu)
onze ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַפְשֵׁנוּ יְבֵשָׁה (nafshenu yevesha), ‘onze ziel is dor’: נֶפֶשׁ (nefesh) betekent hier ‘ziel, leven, eetlust’.

Het volk bedoelt dat het verlangen en de kracht weg zijn.

7Het manna was als koriandersaad, en zijn uiterlijk was als het uiterlijk van bedolach.
וְהַמָּ֕ן
(vehaman)
en het manna
כִּזְרַע
(kizra)
als zaad van
גַּ֖ד
(gad)
koriander
ה֑וּא
(hu)
het is
וְעֵינ֖וֹ
(veeino)
en zijn uiterlijk
כְּעֵ֥ין
(keein)
als het uiterlijk van
הַבְּדֹֽלַח
(habedolach)
bedolach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּדֹלַח (bedolach), ‘bedolach’: een kostbaar geelachtig of wit hars of een edelsteen.

De betekenis is niet zeker.

Zie Gen. 2:12.

8Het volk liep rond en verzamelde het. Zij maalden het met molens of stampten het in een vijzel, kookten het in een pot en maakten er koeken van. De smaak ervan was als de smaak van een oliekoek.
שָׁטוּ֩
(shatu)
zij liepen rond
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
וְלָֽקְט֜וּ
(velaqetu)
en verzamelden
וְטָחֲנ֣וּ
(vetachanu)
en maalden
בָרֵחַ֗יִם
(barechayim)
met molens
א֤וֹ
(o)
of
דָכוּ֙
(dakhu)
stampten
בַּמְּדֹכָ֔ה
(bamedokha)
in een vijzel
וּבִשְּׁלוּ֙
(uvishelu)
en kookten
בַּפָּר֔וּר
(baparur)
in een pot
וְעָשׂ֥וּ
(veasu)
en maakten
אֹת֖וֹ
(oto)
het
עֻג֑וֹת
(ugot)
koeken
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en was
טַעְמ֔וֹ
(tamo)
zijn smaak
כְּטַ֖עַם
(ketaam)
als de smaak van
לְשַׁ֥ד
(leshad)
koek van
הַשָּֽׁמֶן
(hashamen)
de olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

לְשַׁד הַשָּׁמֶן (leshad hashamen) vertalen wij ‘een oliekoek’.

Het woord שַׁד (shad) komt maar één keer voor; de betekenis is niet zeker.

De Septuaginta heeft ‘een koek gebakken in olie’.

In Exod. 16:31 smaakt het manna als een koek met honing.

9Wanneer ’s nachts de dauw op het kamp neerdaalde, daalde het manna erop neer.
וּבְרֶ֧דֶת
(uveredet)
en bij het neerdalen van
הַטַּ֛ל
(hatal)
de dauw
עַל
(al)
op
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het kamp
לָ֑יְלָה
(layela)
’s nachts
יֵרֵ֥ד
(yered)
daalde neer
הַמָּ֖ן
(haman)
het manna
עָלָֽיו
(alav)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De klacht van Mozes

10Mozes hoorde het volk huilen, familie na familie, ieder bij de ingang van zijn tent. De toorn van Yahweh ontbrandde hevig, en ook in de ogen van Mozes was het slecht.
וַיִּשְׁמַ֨ע
(vayishma)
en hoorde
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
בֹּכֶה֙
(bokhe)
huilend
לְמִשְׁפְּחֹתָ֔יו
(lemishpechotav)
in zijn families
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
לְפֶ֣תַח
(lefetach)
bij de ingang van
אָהֳל֑וֹ
(aholo)
zijn tent
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֤ף
(af)
de toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וּבְעֵינֵ֥י
(uveeinei)
en in de ogen van
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
רָֽע
(ra)
slecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Mozes zei tot Yahweh: „Waarom hebt U Uw dienaar kwaad gedaan? Waarom heb ik geen gunst gevonden in Uw ogen, dat U de last van heel dit volk op mij legt?
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לָמָ֤ה
(lama)
waarom
הֲרֵעֹ֨תָ֙
(hareota)
hebt U kwaad gedaan
לְעַבְדֶּ֔ךָ
(leavdekha)
aan Uw dienaar
וְלָ֛מָּה
(velama)
en waarom
לֹא
(lo)
niet
מָצָ֥תִי
(matsati)
heb ik gevonden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in Uw ogen
לָשׂ֗וּם
(lasum)
om te leggen
אֶת
(et)
(obj.)
מַשָּׂ֛א
(masa)
de last van
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
עָלָֽי
(alay)
op mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Heb ik heel dit volk ontvangen? Heb ik het geboren, dat U tegen mij zegt: ‘Draag het aan je borst, zoals de verzorger het zuigende kind draagt,’ naar de grond die U aan zijn vaderen onder ede beloofd hebt?
הֶאָנֹכִ֣י
(heanokhi)
ben ik
הָרִ֗יתִי
(hariti)
heb ik ontvangen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אִם
(im)
of
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ben ik
יְלִדְתִּ֑יהוּ
(yelidtihu)
heb ik het geboren
כִּֽי
(ki)
dat
תֹאמַ֨ר
(tomar)
U zegt
אֵלַ֜י
(elay)
tot mij
שָׂאֵ֣הוּ
(saehu)
draag het
בְחֵיקֶ֗ךָ
(becheiqekha)
aan je borst
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יִשָּׂ֤א
(yisa)
draagt
הָאֹמֵן֙
(haomen)
de verzorger
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֹּנֵ֔ק
(hayoneq)
het zuigende kind
עַ֚ל
(al)
naar
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֖עְתָּ
(nishbata)
U onder ede beloofd hebt
לַאֲבֹתָֽיו
(laavotav)
aan zijn vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאֹמֵן (ho’omen), ‘de verzorger’: iemand die voor een zuigeling zorgt, zoals een voedster of een pleegvader.

Lezing

De woorden die Mozes citeert (‘Draag het aan je borst’) komen niet letterlijk elders voor.

Wij zetten ze rood, omdat Mozes ze aan Yahweh toeschrijft.

13Waar haal ik vlees vandaan om aan heel dit volk te geven? Want zij huilen tegen mij en zeggen: ‘Geef ons vlees, dan eten wij.’
מֵאַ֤יִן
(meayin)
waar vandaan
לִי֙
(li)
voor mij
בָּשָׂ֔ר
(basar)
vlees
לָתֵ֖ת
(latet)
om te geven
לְכָל
(lekhal)
aan heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
כִּֽי
(ki)
want
יִבְכּ֤וּ
(yivku)
zij huilen
עָלַי֙
(alay)
tegen mij
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
תְּנָה
(tena)
geef
לָּ֥נוּ
(lanu)
ons
בָשָׂ֖ר
(basar)
vlees
וְנֹאכֵֽלָה
(venokhela)
en wij zullen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Ik kan dit hele volk niet alleen dragen, want het is te zwaar voor mij.
לֹֽא
(lo)
niet
אוּכַ֤ל
(ukhal)
ik kan
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
לְבַדִּ֔י
(levadi)
alleen
לָשֵׂ֖את
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
כִּ֥י
(ki)
want
כָבֵ֖ד
(kaved)
te zwaar
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
voor mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15En als U zo met mij doet, dood mij dan toch, als ik gunst heb gevonden in Uw ogen. Laat mij mijn ellende niet zien.”
וְאִם
(veim)
en als
כָּ֣כָה
(kakha)
zo
אַתְּ
(at)
U
עֹ֣שֶׂה
(ose)
doet
לִּ֗י
(li)
met mij
הָרְגֵ֤נִי
(haregeni)
dood mij
נָא֙
(na)
toch
הָרֹ֔ג
(harog)
doden
אִם
(im)
als
מָצָ֥אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in Uw ogen
וְאַל
(veal)
en niet
אֶרְאֶ֖ה
(ere)
laat mij zien
בְּרָעָתִֽי
(beraati)
mijn ellende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh geeft zeventig oudsten Zijn Geest

16Yahweh zei tot Mozes: „Verzamel voor Mij zeventig mannen van de oudsten van Israël. Dat zijn mannen van wie jij weet dat zij de oudsten van het volk zijn en hun opzichters. Neem hen mee naar de tent van samenkomst en laat hen daar bij je staan.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
אֶסְפָה
(esfa)
verzamel
לִּ֞י
(li)
voor Mij
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
אִישׁ֮
(ish)
man
מִזִּקְנֵ֣י
(miziqnei)
van de oudsten van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָדַ֔עְתָּ
(yadata)
je weet
כִּי
(ki)
dat
הֵ֛ם
(hem)
zij
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
de oudsten van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
וְשֹׁטְרָ֑יו
(veshoterav)
en hun opzichters
וְלָקַחְתָּ֤
(velaqachta)
en je zult nemen
אֹתָם֙
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
וְהִֽתְיַצְּב֥וּ
(vehityatsevu)
en zij zullen zich opstellen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit zijn de oudsten en opzichters die Mozes al kende (Exod. 24:1 en 24:9).

De opzichters (שֹׁטְרִים, shoterim) zijn ook de opzichters van Exod. 5:6.

17Dan kom Ik neer en spreek Ik daar met je. Ik neem een deel van de Geest die op jou is en leg die op hen. Zij zullen met jou de last van het volk dragen, zodat jij die niet alleen hoeft te dragen.
וְיָרַדְתִּ֗י
(veyaradti)
en Ik zal neerkomen
וְדִבַּרְתִּ֣י
(vedibarti)
en Ik zal spreken
עִמְּךָ֮
(imekha)
met je
שָׁם֒
(sham)
daar
וְאָצַלְתִּ֗י
(veatsalti)
en Ik zal nemen
מִן
(min)
van
הָר֛וּחַ
(haruach)
de Geest
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
op jou
וְשַׂמְתִּ֣י
(vesamti)
en Ik zal leggen
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
op hen
וְנָשְׂא֤וּ
(venaseu)
en zij zullen dragen
אִתְּךָ֙
(itekha)
met jou
בְּמַשָּׂ֣א
(bemasa)
de last van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְלֹא
(velo)
en niet
תִשָּׂ֥א
(tisa)
zul je dragen
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לְבַדֶּֽךָ
(levadekha)
alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאָצַלְתִּי (we’atsalti), ‘Ik neem een deel’: letterlijk ‘Ik zal opzijzetten, afscheiden’.

De Geest die op Mozes is, wordt met de zeventig gedeeld.

Lezing

רוּחַ (ruach) is hier de Geest van Yahweh, vergelijk vers 29 (‘Zijn Geest’).

Daarom schrijven wij ‘Geest’ met een hoofdletter.

18Zeg tegen het volk: Heilig jullie voor morgen, dan zullen jullie vlees eten. Want jullie hebben in de oren van Yahweh gehuild en gezegd: ‘Wie geeft ons vlees te eten? Want het was goed voor ons in Egypte.’ Yahweh zal jullie vlees geven en jullie zullen eten.
וְאֶל
(veel)
en tot
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
תֹּאמַ֜ר
(tomar)
zul je zeggen
הִתְקַדְּשׁ֣וּ
(hitqadeshu)
heilig jullie
לְמָחָר֮
(lemachar)
voor morgen
וַאֲכַלְתֶּ֣ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
בָּשָׂר֒
(basar)
vlees
כִּ֡י
(ki)
want
בְּכִיתֶם֩
(bekhitem)
jullie hebben gehuild
בְּאָזְנֵ֨י
(beazenei)
in de oren van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
מִ֤י
(mi)
wie
יַאֲכִלֵ֨נוּ֙
(yaakhilenu)
zal ons laten eten
בָּשָׂ֔ר
(basar)
vlees
כִּי
(ki)
want
ט֥וֹב
(tov)
goed
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
וְנָתַ֨ן
(venatan)
en zal geven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֛ם
(lakhem)
aan jullie
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
וַאֲכַלְתֶּֽם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

19Niet één dag zullen jullie het eten, niet twee dagen, niet vijf dagen, niet tien dagen, niet twintig dagen,
לֹ֣א
(lo)
niet
י֥וֹם
(yom)
dag
אֶחָ֛ד
(echad)
één
תֹּאכְל֖וּן
(tokhlun)
zullen jullie eten
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יוֹמָ֑יִם
(yomayim)
twee dagen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
חֲמִשָּׁ֣ה
(chamisha)
vijf
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
וְלֹא֙
(velo)
en niet
עֲשָׂרָ֣ה
(asara)
tien
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
יֽוֹם
(yom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20maar een hele maand, tot het jullie neus uitkomt en jullie er walging van krijgen. Want jullie hebben Yahweh verworpen, die in jullie midden is, en voor Zijn aangezicht gehuild en gezegd: ‘Waarom zijn wij toch uit Egypte getrokken?’”
עַ֣ד
(ad)
tot
חֹ֣דֶשׁ
(chodesh)
een maand van
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
עַ֤ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יֵצֵא֙
(yetse)
het uitkomt
מֵֽאַפְּכֶ֔ם
(meapekhem)
uit jullie neus
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לְזָרָ֑א
(lezara)
tot walging
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
כִּֽי
(ki)
dat
מְאַסְתֶּ֤ם
(meastem)
jullie hebben verworpen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּקִרְבְּכֶ֔ם
(beqirbekhem)
in jullie midden
וַתִּבְכּ֤וּ
(vativku)
en jullie hebben gehuild
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֖ה
(ze)
toch
יָצָ֥אנוּ
(yatsanu)
zijn wij uitgetrokken
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

זָרָא (zara), ‘walging’: iets waarvan je een afkeer krijgt.

Het volk eet maar één maand, tot het er genoeg van heeft.

21Mozes zei: „Het volk waarin ik ben telt 600.000 man te voet. En U zegt: ‘Vlees zal Ik hun geven, en zij zullen een maand lang eten.’
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁה֒
(moshe)
Mozes
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
אֶ֨לֶף֙
(elef)
duizend
רַגְלִ֔י
(ragli)
man te voet
הָעָ֕ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
בְּקִרְבּ֑וֹ
(beqirbo)
in zijn midden
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
אָמַ֗רְתָּ
(amarta)
hebt gezegd
בָּשָׂר֙
(basar)
vlees
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
לָהֶ֔ם
(lahem)
aan hen
וְאָכְל֖וּ
(veakhelu)
en zij zullen eten
חֹ֥דֶשׁ
(chodesh)
een maand van
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

600.000 man te voet is het aantal strijdbare mannen uit Num. 1:46; Exod. 12:37.

22Zouden schapen en runderen voor hen geslacht worden, zodat het genoeg voor hen is? Of zouden alle vissen van de zee voor hen bijeengebracht worden, zodat het genoeg voor hen is?”
הֲצֹ֧אן
(hatson)
schapen
וּבָקָ֛ר
(uvaqar)
en runderen
יִשָּׁחֵ֥ט
(yishachet)
zullen geslacht worden
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
וּמָצָ֣א
(umatsa)
en genoeg is
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
אִ֣ם
(im)
of
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דְּגֵ֥י
(degei)
vissen van
הַיָּ֛ם
(hayam)
de zee
יֵאָסֵ֥ף
(yeasef)
zullen bijeengebracht worden
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
וּמָצָ֥א
(umatsa)
en genoeg is
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Yahweh zei tot Mozes: „Is de hand van Yahweh te kort? Nu zul je zien of Mijn woord voor jou uitkomt of niet.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
הֲיַ֥ד
(hayad)
is de hand van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תִּקְצָ֑ר
(tiqtsar)
te kort
עַתָּ֥ה
(ata)
nu
תִרְאֶ֛ה
(tire)
zul je zien
הֲיִקְרְךָ֥
(hayiqrekha)
komt het je tegen
דְבָרִ֖י
(devari)
Mijn woord
אִם
(im)
of
לֹֽא
(lo)
niet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh spreekt over Zichzelf als ‘de hand van Yahweh’, zoals het Hebreeuws zegt.

‘Te kort’ betekent: te zwak om te doen wat Hij belooft.

De zeventig oudsten profeteren

24Mozes ging naar buiten en sprak tot het volk de woorden van Yahweh. Hij verzamelde zeventig mannen van de oudsten van het volk en liet hen rondom de tent staan.
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
וַיְדַבֵּר֙
(vaydaber)
en sprak
אֶל
(el)
tot
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֶּאֱסֹ֞ף
(vayeesof)
en verzamelde
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
אִישׁ֙
(ish)
man
מִזִּקְנֵ֣י
(miziqnei)
van de oudsten van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַֽיַּעֲמֵ֥ד
(vayaamed)
en liet staan
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
סְבִיבֹ֥ת
(sevivot)
rondom
הָאֹֽהֶל
(haohel)
de tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Yahweh daalde neer in de wolk en sprak met hem. Hij nam een deel van de Geest die op hem was en legde die op de zeventig oudsten. Toen de Geest op hen rustte, profeteerden zij, maar daarna niet meer.
וַיֵּ֨רֶד
(vayered)
en daalde neer
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
בֶּעָנָן֮
(beanan)
in de wolk
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
אֵלָיו֒
(elav)
tot hem
וַיָּ֗אצֶל
(vayatsel)
en nam
מִן
(min)
van
הָר֨וּחַ֙
(haruach)
de Geest
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָלָ֔יו
(alav)
op hem
וַיִּתֵּ֕ן
(vayiten)
en gaf
עַל
(al)
op
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
הַזְּקֵנִ֑ים
(hazeqenim)
de oudsten
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
כְּנ֤וֹחַ
(kenoach)
toen rustte
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
op hen
הָר֔וּחַ
(haruach)
de Geest
וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ
(vayitnabeu)
en zij profeteerden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָסָֽפוּ
(yasafu)
gingen zij door
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְלֹא יָסָפוּ (welo yasafu), ‘maar daarna niet meer’: de oudsten profeteerden alleen op dat ogenblik, als teken dat de Geest op hen rustte.

Een andere lezing is ‘zij hielden niet op’; wij volgen de eerste.

26Twee mannen waren in het kamp gebleven; de ene heette Eldad en de tweede Medad. De Geest rustte op hen. Zij stonden op de lijst, maar waren niet naar de tent gegaan. Zij profeteerden in het kamp.
וַיִּשָּׁאֲר֣וּ
(vayishaaru)
en bleven over
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
אֲנָשִׁ֣ים
(anashim)
mannen
בַּֽמַּחֲנֶ֡ה
(bamachane)
in het kamp
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
הָאֶחָ֣ד
(haechad)
de ene
אֶלְדָּ֡ד
(eldad)
Eldad
וְשֵׁם֩
(veshem)
en de naam van
הַשֵּׁנִ֨י
(hasheni)
de tweede
מֵידָ֜ד
(meidad)
Medad
וַתָּ֧נַח
(vatanach)
en rustte
עֲלֵיהֶ֣ם
(aleihem)
op hen
הָר֗וּחַ
(haruach)
de Geest
וְהֵ֨מָּה֙
(vehema)
en zij
בַּכְּתֻבִ֔ים
(baketuvim)
onder de opgeschrevenen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָצְא֖וּ
(yatseu)
waren uitgegaan
הָאֹ֑הֱלָה
(haohela)
naar de tent
וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ
(vayitnabeu)
en zij profeteerden
בַּֽמַּחֲנֶֽה
(bamachane)
in het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Eldad (אֶלְדָּד) en Medad (מֵידָד) bleven in het kamp, hoewel zij bij de zeventig hoorden.

De Geest rust ook op hen.

27Een jongen rende naar Mozes en meldde: „Eldad en Medad profeteren in het kamp.”
וַיָּ֣רָץ
(vayarats)
en rende
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
וַיַּגֵּ֥ד
(vayaged)
en meldde
לְמֹשֶׁ֖ה
(lemoshe)
aan Mozes
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
אֶלְדָּ֣ד
(eldad)
Eldad
וּמֵידָ֔ד
(umeidad)
en Medad
מִֽתְנַבְּאִ֖ים
(mitnabeim)
profeterend
בַּֽמַּחֲנֶֽה
(bamachane)
in het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgekozenen, antwoordde: „Mijn heer Mozes, verbied het hun!”
וַיַּ֜עַן
(vayaan)
en antwoordde
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֗וּן
(nun)
Nun
מְשָׁרֵ֥ת
(mesharet)
dienaar van
מֹשֶׁ֛ה
(moshe)
Mozes
מִבְּחֻרָ֖יו
(mibechurav)
uit zijn uitgekozenen
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
כְּלָאֵֽם
(kelaem)
verbied hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

מִבְּחֻרָיו (mibbechuraw) lezen wij als ‘een van zijn uitgekozenen’.

Ook mogelijk is ‘van zijn jonge jaren af’, naar de leeftijd van Jozua toen hij Mozes ging dienen (Exod. 33:11).

29Mozes zei tot hem: „Ben jij jaloers voor mij? Was het maar zo dat heel het volk van Yahweh profeten was, dat Yahweh Zijn Geest op hen legde!”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
הַֽמְקַנֵּ֥א
(hamqane)
ben jij jaloers
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לִ֑י
(li)
voor mij
וּמִ֨י
(umi)
en wie
יִתֵּ֜ן
(yiten)
zal geven
כָּל
(kal)
heel
עַ֤ם
(am)
het volk van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
נְבִיאִ֔ים
(neviim)
profeten
כִּי
(ki)
dat
יִתֵּ֧ן
(yiten)
zal geven
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
רוּח֖וֹ
(rucho)
Zijn Geest
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes wil dat alle mensen van Yahweh profeteren.

Dat is een belofte die ook in Joël 2:28 voorkomt.

30Mozes keerde terug naar het kamp, hij en de oudsten van Israël.
וַיֵּאָסֵ֥ף
(vayeasef)
en keerde terug
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
het kamp
ה֖וּא
(hu)
hij
וְזִקְנֵ֥י
(veziqnei)
en de oudsten van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De kwartels en de slag bij Kibrot-Hattaava

31Een wind ging uit van Yahweh. Hij joeg kwartels op van de zee en liet ze neerkomen bij het kamp. Ze lagen een dagreis ver aan de ene kant en een dagreis ver aan de andere kant. Zo lagen ze rondom het kamp, ongeveer twee el hoog boven de grond.
וְר֜וּחַ
(veruach)
en een wind
נָסַ֣ע
(nasa)
ging uit
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּ֣גָז
(vayagaz)
en joeg op
שַׂלְוִים֮
(salvim)
kwartels
מִן
(min)
van
הַיָּם֒
(hayam)
de zee
וַיִּטֹּ֨שׁ
(vayitosh)
en liet neerkomen
עַל
(al)
op
הַֽמַּחֲנֶ֜ה
(hamachane)
het kamp
כְּדֶ֧רֶךְ
(kederekh)
zoals de weg van
י֣וֹם
(yom)
een dag
כֹּ֗ה
(ko)
zo
וּכְדֶ֤רֶךְ
(ukhederekh)
en zoals de weg van
יוֹם֙
(yom)
een dag
כֹּ֔ה
(ko)
zo
סְבִיב֖וֹת
(sevivot)
rondom
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
het kamp
וּכְאַמָּתַ֖יִם
(ukheamatayim)
en ongeveer twee el
עַל
(al)
boven
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘wind’: hier een wind van Yahweh.

Vergelijk Exod. 16:13, waar de kwartels ook komen.

כְּאַמָּתַיִם (ke’ammatayim), ‘ongeveer twee el’: 2 el is ongeveer 90 centimeter. Het kan betekenen dat de kwartels twee el hoog lagen of dat zij op die hoogte vlogen.

32Het volk stond de hele dag op, de hele nacht en de hele volgende dag, en verzamelde de kwartels. Wie het minst verzameld had, had 10 chomer. Zij spreidden ze voor zich uit rondom het kamp.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
הָעָ֡ם
(haam)
het volk
כָּל
(kal)
heel
הַיּוֹם֩
(hayom)
die dag
הַה֨וּא
(hahu)
die
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַלַּ֜יְלָה
(halayla)
de nacht
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en heel
י֣וֹם
(yom)
de dag van
הַֽמָּחֳרָ֗ת
(hamachorat)
de volgende dag
וַיַּֽאַסְפוּ֙
(vayaasfu)
en zij verzamelden
אֶת
(et)
(obj.)
הַשְּׂלָ֔ו
(haselav)
de kwartels
הַמַּמְעִ֕יט
(hamamit)
wie het minst
אָסַ֖ף
(asaf)
verzamelde
עֲשָׂרָ֣ה
(asara)
tien
חֳמָרִ֑ים
(chomarim)
chomer
וַיִּשְׁטְח֤וּ
(vayishtechu)
en zij spreidden uit
לָהֶם֙
(lahem)
voor zich
שָׁט֔וֹחַ
(shatoach)
uitgespreid
סְבִיב֖וֹת
(sevivot)
rondom
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹמֶר (chomer), een inhoudsmaat van ongeveer 220 liter (10 efa).

Zelfs wie het minst verzameld had, had dus enorm veel.

Het getal is onzeker.

33Het vlees was nog tussen hun tanden, voordat het was doorgekauwd, toen de toorn van Yahweh tegen het volk ontbrandde. Yahweh trof het volk met een zeer zware slag.
הַבָּשָׂ֗ר
(habasar)
het vlees
עוֹדֶ֨נּוּ֙
(odenu)
nog
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
שִׁנֵּיהֶ֔ם
(shineihem)
hun tanden
טֶ֖רֶם
(terem)
voordat
יִכָּרֵ֑ת
(yikaret)
het werd doorgekauwd
וְאַ֤ף
(veaf)
en de toorn
יְהוָה֙
(Yahweh)
van Yahweh
חָרָ֣ה
(chara)
ontbrandde
בָעָ֔ם
(baam)
tegen het volk
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en trof
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בָּעָ֔ם
(baam)
het volk
מַכָּ֖ה
(maka)
met een slag
רַבָּ֥ה
(raba)
grote
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Men noemde die plaats Kibrot-Hattaava, want daar begroef men het volk dat verlangd had.
וַיִּקְרָ֛א
(vayiqra)
en men noemde
אֶת
(et)
(obj.)
שֵֽׁם
(shem)
de naam van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַה֖וּא
(hahu)
die
קִבְר֣וֹת
(qivrot)
Kibroth
הַֽתַּאֲוָ֑ה
(hataava)
Hattaava
כִּי
(ki)
want
שָׁם֙
(sham)
daar
קָֽבְר֔וּ
(qaveru)
begroef men
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
הַמִּתְאַוִּֽים
(hamitavim)
dat verlangde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kibrot-Hattaava (קִבְרוֹת הַתַּאֲוָה, qivroth hatta’awah), ‘graven van de begeerte’: de plaats is niet bekend.

Zij lag tussen de Sinaï en Chaserot.

35Van Kibrot-Hattaava trok het volk verder naar Chaserot, en zij bleven in Chaserot.
מִקִּבְר֧וֹת
(miqivrot)
van Kibroth
הַֽתַּאֲוָ֛ה
(hataava)
Hattaava
נָסְע֥וּ
(naseu)
trokken verder
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
חֲצֵר֑וֹת
(chatserot)
Chaserot
וַיִּהְי֖וּ
(vayihyu)
en zij waren
בַּחֲצֵרֽוֹת
(bachatserot)
in Chaserot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chaserot (חֲצֵרוֹת, chatserot): de ligging is onzeker.

Een voorstel is het huidige Ain Chudra, ongeveer 50 kilometer ten noordoosten van de Jebel Musa op het Sinaïschiereiland (Egypte).

Dit is niet zeker.