Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het vuur van Yahweh bij Taberah
1Het volk was aan het klagen, en dat klonk slecht in de oren van Yahweh. Yahweh hoorde het en Zijn toorn ontbrandde. Het vuur van Yahweh brandde onder hen en verteerde het uiterste deel van het kamp.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
הָעָם֙
(haam)
het volk
כְּמִתְאֹ֣נְנִ֔ים
(kemitonenim)
als klagenden
רַ֖ע
(ra)
kwaad
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hoorde
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּ֣חַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַפּ֔וֹ
(apo)
Zijn toorn
וַתִּבְעַר
(vativar)
en brandde
בָּם֙
(bam)
onder hen
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתֹּ֖אכַל
(vatokhal)
en verteerde
בִּקְצֵ֥ה
(biqtse)
in het uiterste deel van
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִתְאֹנְנִים (mit’onenim), ‘klagenden’: een zeldzaam werkwoord voor ontevreden mopperen.
4Het samengeraapte volk in hun midden kreeg een sterke zin in vlees. Ook de zonen van Israël begonnen weer te huilen en zeiden: „Wie geeft ons vlees te eten?
וְהָֽאסַפְסֻף֙
(vehasafsuf)
en het samengeraapte volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בְּקִרְבּ֔וֹ
(beqirbo)
in hun midden
הִתְאַוּ֖וּ
(hitauu)
verlangde
תַּאֲוָ֑ה
(taava)
een verlangen
וַיָּשֻׁ֣בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
וַיִּבְכּ֗וּ
(vayivku)
en zij huilden
גַּ֚ם
(gam)
ook
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zij zeiden
מִ֥י
(mi)
wie
יַאֲכִלֵ֖נוּ
(yaakhilenu)
zal ons laten eten
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָאסַפְסֻף (ha’asafsuf), ‘het samengeraapte volk’: een zeldzaam woord voor mensen die zijn meegekomen, maar niet tot Israël behoren.
8Het volk liep rond en verzamelde het. Zij maalden het met molens of stampten het in een vijzel, kookten het in een pot en maakten er koeken van. De smaak ervan was als de smaak van een oliekoek.
שָׁטוּ֩
(shatu)
zij liepen rond
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
וְלָֽקְט֜וּ
(velaqetu)
en verzamelden
וְטָחֲנ֣וּ
(vetachanu)
en maalden
בָרֵחַ֗יִם
(barechayim)
met molens
א֤וֹ
(o)
of
דָכוּ֙
(dakhu)
stampten
בַּמְּדֹכָ֔ה
(bamedokha)
in een vijzel
וּבִשְּׁלוּ֙
(uvishelu)
en kookten
בַּפָּר֔וּר
(baparur)
in een pot
וְעָשׂ֥וּ
(veasu)
en maakten
אֹת֖וֹ
(oto)
het
עֻג֑וֹת
(ugot)
koeken
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en was
טַעְמ֔וֹ
(tamo)
zijn smaak
כְּטַ֖עַם
(ketaam)
als de smaak van
לְשַׁ֥ד
(leshad)
koek van
הַשָּֽׁמֶן
(hashamen)
de olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Mozes hoorde het volk huilen, familie na familie, ieder bij de ingang van zijn tent. De toorn van Yahweh ontbrandde hevig, en ook in de ogen van Mozes was het slecht.
וַיִּשְׁמַ֨ע
(vayishma)
en hoorde
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
בֹּכֶה֙
(bokhe)
huilend
לְמִשְׁפְּחֹתָ֔יו
(lemishpechotav)
in zijn families
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
לְפֶ֣תַח
(lefetach)
bij de ingang van
אָהֳל֑וֹ
(aholo)
zijn tent
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַ֤ף
(af)
de toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וּבְעֵינֵ֥י
(uveeinei)
en in de ogen van
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
רָֽע
(ra)
slecht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Mozes zei tot Yahweh: „Waarom hebt U Uw dienaar kwaad gedaan? Waarom heb ik geen gunst gevonden in Uw ogen, dat U de last van heel dit volk op mij legt?
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לָמָ֤ה
(lama)
waarom
הֲרֵעֹ֨תָ֙
(hareota)
hebt U kwaad gedaan
לְעַבְדֶּ֔ךָ
(leavdekha)
aan Uw dienaar
וְלָ֛מָּה
(velama)
en waarom
לֹא
(lo)
niet
מָצָ֥תִי
(matsati)
heb ik gevonden
חֵ֖ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֑יךָ
(beeineikha)
in Uw ogen
לָשׂ֗וּם
(lasum)
om te leggen
אֶת
(et)
(obj.)
מַשָּׂ֛א
(masa)
de last van
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
עָלָֽי
(alay)
op mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Heb ik heel dit volk ontvangen? Heb ik het geboren, dat U tegen mij zegt: ‘Draag het aan je borst, zoals de verzorger het zuigende kind draagt,’ naar de grond die U aan zijn vaderen onder ede beloofd hebt?
הֶאָנֹכִ֣י
(heanokhi)
ben ik
הָרִ֗יתִי
(hariti)
heb ik ontvangen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
אִם
(im)
of
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ben ik
יְלִדְתִּ֑יהוּ
(yelidtihu)
heb ik het geboren
כִּֽי
(ki)
dat
תֹאמַ֨ר
(tomar)
U zegt
אֵלַ֜י
(elay)
tot mij
שָׂאֵ֣הוּ
(saehu)
draag het
בְחֵיקֶ֗ךָ
(becheiqekha)
aan je borst
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
יִשָּׂ֤א
(yisa)
draagt
הָאֹמֵן֙
(haomen)
de verzorger
אֶת
(et)
(obj.)
הַיֹּנֵ֔ק
(hayoneq)
het zuigende kind
עַ֚ל
(al)
naar
הָֽאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֖עְתָּ
(nishbata)
U onder ede beloofd hebt
לַאֲבֹתָֽיו
(laavotav)
aan zijn vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הָאֹמֵן (ho’omen), ‘de verzorger’: iemand die voor een zuigeling zorgt, zoals een voedster of een pleegvader.
Lezing
De woorden die Mozes citeert (‘Draag het aan je borst’) komen niet letterlijk elders voor.
Wij zetten ze rood, omdat Mozes ze aan Yahweh toeschrijft.
16Yahweh zei tot Mozes: „Verzamel voor Mij zeventig mannen van de oudsten van Israël. Dat zijn mannen van wie jij weet dat zij de oudsten van het volk zijn en hun opzichters. Neem hen mee naar de tent van samenkomst en laat hen daar bij je staan.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
אֶסְפָה
(esfa)
verzamel
לִּ֞י
(li)
voor Mij
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
אִישׁ֮
(ish)
man
מִזִּקְנֵ֣י
(miziqnei)
van de oudsten van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָדַ֔עְתָּ
(yadata)
je weet
כִּי
(ki)
dat
הֵ֛ם
(hem)
zij
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
de oudsten van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
וְשֹׁטְרָ֑יו
(veshoterav)
en hun opzichters
וְלָקַחְתָּ֤
(velaqachta)
en je zult nemen
אֹתָם֙
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
וְהִֽתְיַצְּב֥וּ
(vehityatsevu)
en zij zullen zich opstellen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עִמָּֽךְ
(imakh)
bij je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit zijn de oudsten en opzichters die Mozes al kende (Exod. 24:1 en 24:9).
De opzichters (שֹׁטְרִים, shoterim) zijn ook de opzichters van Exod. 5:6.
17Dan kom Ik neer en spreek Ik daar met je. Ik neem een deel van de Geest die op jou is en leg die op hen. Zij zullen met jou de last van het volk dragen, zodat jij die niet alleen hoeft te dragen.
וְיָרַדְתִּ֗י
(veyaradti)
en Ik zal neerkomen
וְדִבַּרְתִּ֣י
(vedibarti)
en Ik zal spreken
עִמְּךָ֮
(imekha)
met je
שָׁם֒
(sham)
daar
וְאָצַלְתִּ֗י
(veatsalti)
en Ik zal nemen
מִן
(min)
van
הָר֛וּחַ
(haruach)
de Geest
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
op jou
וְשַׂמְתִּ֣י
(vesamti)
en Ik zal leggen
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
op hen
וְנָשְׂא֤וּ
(venaseu)
en zij zullen dragen
אִתְּךָ֙
(itekha)
met jou
בְּמַשָּׂ֣א
(bemasa)
de last van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְלֹא
(velo)
en niet
תִשָּׂ֥א
(tisa)
zul je dragen
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לְבַדֶּֽךָ
(levadekha)
alleen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְאָצַלְתִּי (we’atsalti), ‘Ik neem een deel’: letterlijk ‘Ik zal opzijzetten, afscheiden’.
De Geest die op Mozes is, wordt met de zeventig gedeeld.
Lezing
רוּחַ (ruach) is hier de Geest van Yahweh, vergelijk vers 29 (‘Zijn Geest’).
18Zeg tegen het volk: Heilig jullie voor morgen, dan zullen jullie vlees eten. Want jullie hebben in de oren van Yahweh gehuild en gezegd: ‘Wie geeft ons vlees te eten? Want het was goed voor ons in Egypte.’ Yahweh zal jullie vlees geven en jullie zullen eten.
וְאֶל
(veel)
en tot
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
תֹּאמַ֜ר
(tomar)
zul je zeggen
הִתְקַדְּשׁ֣וּ
(hitqadeshu)
heilig jullie
לְמָחָר֮
(lemachar)
voor morgen
וַאֲכַלְתֶּ֣ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
בָּשָׂר֒
(basar)
vlees
כִּ֡י
(ki)
want
בְּכִיתֶם֩
(bekhitem)
jullie hebben gehuild
בְּאָזְנֵ֨י
(beazenei)
in de oren van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
מִ֤י
(mi)
wie
יַאֲכִלֵ֨נוּ֙
(yaakhilenu)
zal ons laten eten
בָּשָׂ֔ר
(basar)
vlees
כִּי
(ki)
want
ט֥וֹב
(tov)
goed
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
בְּמִצְרָ֑יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
וְנָתַ֨ן
(venatan)
en zal geven
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֛ם
(lakhem)
aan jullie
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
וַאֲכַלְתֶּֽם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
19Niet één dag zullen jullie het eten, niet twee dagen, niet vijf dagen, niet tien dagen, niet twintig dagen,
לֹ֣א
(lo)
niet
י֥וֹם
(yom)
dag
אֶחָ֛ד
(echad)
één
תֹּאכְל֖וּן
(tokhlun)
zullen jullie eten
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יוֹמָ֑יִם
(yomayim)
twee dagen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
חֲמִשָּׁ֣ה
(chamisha)
vijf
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
וְלֹא֙
(velo)
en niet
עֲשָׂרָ֣ה
(asara)
tien
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
יֽוֹם
(yom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20maar een hele maand, tot het jullie neus uitkomt en jullie er walging van krijgen. Want jullie hebben Yahweh verworpen, die in jullie midden is, en voor Zijn aangezicht gehuild en gezegd: ‘Waarom zijn wij toch uit Egypte getrokken?’”
עַ֣ד
(ad)
tot
חֹ֣דֶשׁ
(chodesh)
een maand van
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
עַ֤ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
יֵצֵא֙
(yetse)
het uitkomt
מֵֽאַפְּכֶ֔ם
(meapekhem)
uit jullie neus
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לְזָרָ֑א
(lezara)
tot walging
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
כִּֽי
(ki)
dat
מְאַסְתֶּ֤ם
(meastem)
jullie hebben verworpen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּקִרְבְּכֶ֔ם
(beqirbekhem)
in jullie midden
וַתִּבְכּ֤וּ
(vativku)
en jullie hebben gehuild
לְפָנָיו֙
(lefanav)
voor Zijn aangezicht
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
זֶּ֖ה
(ze)
toch
יָצָ֥אנוּ
(yatsanu)
zijn wij uitgetrokken
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
זָרָא (zara), ‘walging’: iets waarvan je een afkeer krijgt.
Het volk eet maar één maand, tot het er genoeg van heeft.
22Zouden schapen en runderen voor hen geslacht worden, zodat het genoeg voor hen is? Of zouden alle vissen van de zee voor hen bijeengebracht worden, zodat het genoeg voor hen is?”
הֲצֹ֧אן
(hatson)
schapen
וּבָקָ֛ר
(uvaqar)
en runderen
יִשָּׁחֵ֥ט
(yishachet)
zullen geslacht worden
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
וּמָצָ֣א
(umatsa)
en genoeg is
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
אִ֣ם
(im)
of
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דְּגֵ֥י
(degei)
vissen van
הַיָּ֛ם
(hayam)
de zee
יֵאָסֵ֥ף
(yeasef)
zullen bijeengebracht worden
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
וּמָצָ֥א
(umatsa)
en genoeg is
לָהֶֽם
(lahem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Mozes ging naar buiten en sprak tot het volk de woorden van Yahweh. Hij verzamelde zeventig mannen van de oudsten van het volk en liet hen rondom de tent staan.
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
וַיְדַבֵּר֙
(vaydaber)
en sprak
אֶל
(el)
tot
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֶּאֱסֹ֞ף
(vayeesof)
en verzamelde
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
אִישׁ֙
(ish)
man
מִזִּקְנֵ֣י
(miziqnei)
van de oudsten van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַֽיַּעֲמֵ֥ד
(vayaamed)
en liet staan
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
סְבִיבֹ֥ת
(sevivot)
rondom
הָאֹֽהֶל
(haohel)
de tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Yahweh daalde neer in de wolk en sprak met hem. Hij nam een deel van de Geest die op hem was en legde die op de zeventig oudsten. Toen de Geest op hen rustte, profeteerden zij, maar daarna niet meer.
וַיֵּ֨רֶד
(vayered)
en daalde neer
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
בֶּעָנָן֮
(beanan)
in de wolk
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
אֵלָיו֒
(elav)
tot hem
וַיָּ֗אצֶל
(vayatsel)
en nam
מִן
(min)
van
הָר֨וּחַ֙
(haruach)
de Geest
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָלָ֔יו
(alav)
op hem
וַיִּתֵּ֕ן
(vayiten)
en gaf
עַל
(al)
op
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
הַזְּקֵנִ֑ים
(hazeqenim)
de oudsten
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het gebeurde
כְּנ֤וֹחַ
(kenoach)
toen rustte
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
op hen
הָר֔וּחַ
(haruach)
de Geest
וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ
(vayitnabeu)
en zij profeteerden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָסָֽפוּ
(yasafu)
gingen zij door
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְלֹא יָסָפוּ (welo yasafu), ‘maar daarna niet meer’: de oudsten profeteerden alleen op dat ogenblik, als teken dat de Geest op hen rustte.
Een andere lezing is ‘zij hielden niet op’; wij volgen de eerste.
26Twee mannen waren in het kamp gebleven; de ene heette Eldad en de tweede Medad. De Geest rustte op hen. Zij stonden op de lijst, maar waren niet naar de tent gegaan. Zij profeteerden in het kamp.
וַיִּשָּׁאֲר֣וּ
(vayishaaru)
en bleven over
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee
אֲנָשִׁ֣ים
(anashim)
mannen
בַּֽמַּחֲנֶ֡ה
(bamachane)
in het kamp
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
הָאֶחָ֣ד
(haechad)
de ene
אֶלְדָּ֡ד
(eldad)
Eldad
וְשֵׁם֩
(veshem)
en de naam van
הַשֵּׁנִ֨י
(hasheni)
de tweede
מֵידָ֜ד
(meidad)
Medad
וַתָּ֧נַח
(vatanach)
en rustte
עֲלֵיהֶ֣ם
(aleihem)
op hen
הָר֗וּחַ
(haruach)
de Geest
וְהֵ֨מָּה֙
(vehema)
en zij
בַּכְּתֻבִ֔ים
(baketuvim)
onder de opgeschrevenen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָצְא֖וּ
(yatseu)
waren uitgegaan
הָאֹ֑הֱלָה
(haohela)
naar de tent
וַיִּֽתְנַבְּא֖וּ
(vayitnabeu)
en zij profeteerden
בַּֽמַּחֲנֶֽה
(bamachane)
in het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Eldad (אֶלְדָּד) en Medad (מֵידָד) bleven in het kamp, hoewel zij bij de zeventig hoorden.
30Mozes keerde terug naar het kamp, hij en de oudsten van Israël.
וַיֵּאָסֵ֥ף
(vayeasef)
en keerde terug
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
het kamp
ה֖וּא
(hu)
hij
וְזִקְנֵ֥י
(veziqnei)
en de oudsten van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De kwartels en de slag bij Kibrot-Hattaava
31Een wind ging uit van Yahweh. Hij joeg kwartels op van de zee en liet ze neerkomen bij het kamp. Ze lagen een dagreis ver aan de ene kant en een dagreis ver aan de andere kant. Zo lagen ze rondom het kamp, ongeveer twee el hoog boven de grond.
וְר֜וּחַ
(veruach)
en een wind
נָסַ֣ע
(nasa)
ging uit
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּ֣גָז
(vayagaz)
en joeg op
שַׂלְוִים֮
(salvim)
kwartels
מִן
(min)
van
הַיָּם֒
(hayam)
de zee
וַיִּטֹּ֨שׁ
(vayitosh)
en liet neerkomen
עַל
(al)
op
הַֽמַּחֲנֶ֜ה
(hamachane)
het kamp
כְּדֶ֧רֶךְ
(kederekh)
zoals de weg van
י֣וֹם
(yom)
een dag
כֹּ֗ה
(ko)
zo
וּכְדֶ֤רֶךְ
(ukhederekh)
en zoals de weg van
יוֹם֙
(yom)
een dag
כֹּ֔ה
(ko)
zo
סְבִיב֖וֹת
(sevivot)
rondom
הַֽמַּחֲנֶ֑ה
(hamachane)
het kamp
וּכְאַמָּתַ֖יִם
(ukheamatayim)
en ongeveer twee el
עַל
(al)
boven
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוּחַ (ruach), ‘wind’: hier een wind van Yahweh.
Vergelijk Exod. 16:13, waar de kwartels ook komen.
כְּאַמָּתַיִם (ke’ammatayim), ‘ongeveer twee el’: 2 el is ongeveer 90 centimeter. Het kan betekenen dat de kwartels twee el hoog lagen of dat zij op die hoogte vlogen.
32Het volk stond de hele dag op, de hele nacht en de hele volgende dag, en verzamelde de kwartels. Wie het minst verzameld had, had 10 chomer. Zij spreidden ze voor zich uit rondom het kamp.
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
הָעָ֡ם
(haam)
het volk
כָּל
(kal)
heel
הַיּוֹם֩
(hayom)
die dag
הַה֨וּא
(hahu)
die
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַלַּ֜יְלָה
(halayla)
de nacht
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en heel
י֣וֹם
(yom)
de dag van
הַֽמָּחֳרָ֗ת
(hamachorat)
de volgende dag
וַיַּֽאַסְפוּ֙
(vayaasfu)
en zij verzamelden
אֶת
(et)
(obj.)
הַשְּׂלָ֔ו
(haselav)
de kwartels
הַמַּמְעִ֕יט
(hamamit)
wie het minst
אָסַ֖ף
(asaf)
verzamelde
עֲשָׂרָ֣ה
(asara)
tien
חֳמָרִ֑ים
(chomarim)
chomer
וַיִּשְׁטְח֤וּ
(vayishtechu)
en zij spreidden uit
לָהֶם֙
(lahem)
voor zich
שָׁט֔וֹחַ
(shatoach)
uitgespreid
סְבִיב֖וֹת
(sevivot)
rondom
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹמֶר (chomer), een inhoudsmaat van ongeveer 220 liter (10 efa).
Zelfs wie het minst verzameld had, had dus enorm veel.
33Het vlees was nog tussen hun tanden, voordat het was doorgekauwd, toen de toorn van Yahweh tegen het volk ontbrandde. Yahweh trof het volk met een zeer zware slag.
הַבָּשָׂ֗ר
(habasar)
het vlees
עוֹדֶ֨נּוּ֙
(odenu)
nog
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
שִׁנֵּיהֶ֔ם
(shineihem)
hun tanden
טֶ֖רֶם
(terem)
voordat
יִכָּרֵ֑ת
(yikaret)
het werd doorgekauwd
וְאַ֤ף
(veaf)
en de toorn
יְהוָה֙
(Yahweh)
van Yahweh
חָרָ֣ה
(chara)
ontbrandde
בָעָ֔ם
(baam)
tegen het volk
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en trof
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בָּעָ֔ם
(baam)
het volk
מַכָּ֖ה
(maka)
met een slag
רַבָּ֥ה
(raba)
grote
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)