Yahweh roept de volken voor het gerecht en sterkt Israël
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De eilanden voor het gerecht
1„Wees stil voor Mij, eilanden. Laat de volkeren hun kracht vernieuwen. Laat hen naderen en dan spreken. Samen komen wij dichterbij voor de rechtszaak.
הַחֲרִ֤ישׁוּ
(hacharishu)
wees stil
אֵלַי֙
(elay)
voor Mij
אִיִּ֔ים
(iyim)
eilanden
וּלְאֻמִּ֖ים
(uleumim)
en volkeren
יַחֲלִ֣יפוּ
(yachalifu)
laat vernieuwen
כֹ֑חַ
(koach)
kracht
יִגְּשׁוּ֙
(yigeshu)
laat naderen
אָ֣ז
(az)
dan
יְדַבֵּ֔רוּ
(yedaberu)
laat spreken
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
לַמִּשְׁפָּ֥ט
(lamishpat)
voor de rechtszaak
נִקְרָֽבָה
(niqrava)
komen wij dichterbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier spreekt Yahweh tot de volken in de verte.
Zijn woorden staan rood.
אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: ook ‘kustlanden’, de verre landen aan de zee (zoals Ps. 97:1).
יַחֲלִיפוּ כֹחַ (yachalifu koach), ‘zij vernieuwen hun kracht’: dezelfde woorden als in 40:31.
לַמִּשְׁפָּט (lamishpat), ‘voor de rechtszaak’: mishpat is ‘recht’. Hier is het het gerecht waar partijen hun zaak voorleggen.
2Wie wekte hem op uit het oosten? Bij elke stap roept de gerechtigheid hem. Wie geeft volken aan hem over en laat hem koningen onderwerpen? Wie geeft hen als stof aan zijn zwaard en als weggeblazen stro aan zijn boog?
מִ֤י
(mi)
wie
הֵעִיר֙
(heir)
heeft opgewekt
מִמִּזְרָ֔ח
(mimizrach)
uit het oosten
צֶ֖דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
יִקְרָאֵ֣הוּ
(yiqraehu)
roept hem
לְרַגְל֑וֹ
(leraglo)
tot zijn voet
יִתֵּ֨ן
(yiten)
geeft Hij
לְפָנָ֤יו
(lefanav)
voor hem
גּוֹיִם֙
(goyim)
volken
וּמְלָכִ֣ים
(umelakhim)
en koningen
יַ֔רְדְּ
(yard)
laat Hij heersen
יִתֵּ֤ן
(yiten)
geeft Hij
כֶּֽעָפָר֙
(keafar)
als stof
חַרְבּ֔וֹ
(charbo)
zijn zwaard
כְּקַ֥שׁ
(keqash)
als stro
נִדָּ֖ף
(nidaf)
weggeblazen
קַשְׁתּֽוֹ
(qashto)
zijn boog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִי הֵעִיר (mi he’ir), ‘wie wekte op’: de man die hier bedoeld wordt, krijgt geen naam.
Hij komt uit het oosten (vers 2) en uit het noorden (vers 25).
צֶדֶק יִקְרָאֵהוּ לְרַגְלוֹ (tsedeq yiqra’ehu leraglo), letterlijk ‘gerechtigheid roept hem tot zijn voet’. De zin is moeilijk. Mogelijk betekent hij: ‘gerechtigheid roept hem om haar te volgen’ of: ‘gerechtigheid ontmoet hem bij elke stap’. Wij nemen ‘bij elke stap’.
De werkwoorden ‘geeft’ en ‘laat heersen’ staan in het Hebreeuws zonder onderwerp. Wij lezen ze als vervolg op de vraag ‘Wie?’.
יַרְדְּ (yard), ‘laat heersen’: van רָדָה (radah), ‘heersen’, ‘onderwerpen’. De vorm is ongewoon; de betekenis is niet helemaal zeker.
7De ambachtsman sterkt de smelter. Wie met de hamer glad maakt, sterkt wie het aambeeld slaat. Hij zegt over het soldeer: „Het is goed.” Dan zet hij het vast met nagels, zodat het niet wankelt.
וַיְחַזֵּ֤ק
(vaychazeq)
en sterkt
חָרָשׁ֙
(charash)
de ambachtsman
אֶת
(et)
(obj.)
צֹרֵ֔ף
(tsoref)
de smelter
מַחֲלִ֥יק
(machaliq)
wie glad maakt
פַּטִּ֖ישׁ
(patish)
met de hamer
אֶת
(et)
(obj.)
ה֣וֹלֶם
(holem)
wie slaat
פָּ֑עַם
(paam)
het aambeeld
אֹמֵ֤ר
(omer)
zegt hij
לַדֶּ֨בֶק֙
(ladeveq)
over het soldeer
ט֣וֹב
(tov)
goed
ה֔וּא
(hu)
het is
וַיְחַזְּקֵ֥הוּ
(vaychazeqehu)
en hij zet het vast
בְמַסְמְרִ֖ים
(bemasmerim)
met nagels
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמּֽוֹט
(yimot)
wankelt het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דֶּבֶק (devek), ‘soldeer’: de verbinding tussen twee delen metaal.
פָּעַם (pa’am), ‘aambeeld’: letterlijk ‘slag’ of ‘stap’. De betekenis is hier niet helemaal zeker.
De ambachtslieden spreken elkaar moed in terwijl zij een beeld maken. Het vers staat in tegenstelling tot Yahweh, die Zijn volk sterk maakt (vers 10).
9jij die Ik van de einden van de aarde heb vastgegrepen en uit haar uithoeken heb geroepen. Ik zei tegen je: ‘Mijn knecht ben je.’ Ik heb je gekozen en niet verworpen.
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הֶחֱזַקְתִּ֨יךָ֙
(hechezaqtikha)
Ik heb vastgegrepen
מִקְצ֣וֹת
(miqtsot)
vanaf de einden van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וּמֵאֲצִילֶ֖יהָ
(umeatsileiha)
en vanaf haar uithoeken
קְרָאתִ֑יךָ
(qeratikha)
Ik heb je geroepen
וָאֹ֤מַר
(vaomar)
en Ik zei
לְךָ֙
(lekha)
tegen je
עַבְדִּי
(avdi)
Mijn knecht
אַ֔תָּה
(ata)
ben je
בְּחַרְתִּ֖יךָ
(bechartikha)
Ik heb je gekozen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מְאַסְתִּֽיךָ
(meastikha)
Ik heb je verworpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲצִילֶיהָ (atsileiha), ‘haar uithoeken’: dit woord komt alleen hier voor.
De betekenis is niet zeker; het staat naast ‘de einden van de aarde’.
10Wees niet bang, want Ik ben met je. Kijk niet angstig om je heen, want Ik ben je Elohim. Ik maak je sterk. Ja, Ik help je. Ja, Ik steun je met de rechterhand van Mijn gerechtigheid.
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
כִּ֣י
(ki)
want
עִמְּךָ
(imekha)
met je
אָ֔נִי
(ani)
Ik
אַל
(al)
niet
תִּשְׁתָּ֖ע
(tishta)
kijk angstig rond
כִּֽי
(ki)
want
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אִמַּצְתִּ֨יךָ֙
(imatstikha)
Ik maak je sterk
אַף
(af)
ja
עֲזַרְתִּ֔יךָ
(azartikha)
Ik help je
אַף
(af)
ja
תְּמַכְתִּ֖יךָ
(temakhtikha)
Ik steun je
בִּימִ֥ין
(bimin)
met de rechterhand van
צִדְקִֽי
(tsidqi)
Mijn gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּשְׁתָּע (tishta), ‘kijk angstig rond’: dit werkwoord komt alleen hier en in vers 23 voor.
Het betekent waarschijnlijk ‘angstig om je heen kijken’.
יְמִין צִדְקִי (yemin tsidqi), ‘de rechterhand van Mijn gerechtigheid’: de hand waarmee Yahweh recht doet en helpt.
14Wees niet bang, worm Jakob, kleine schare van Israël. Ik help je, godsspraak van Yahweh. Je Verlosser is de Heilige van Israël.
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאִי֙
(tirei)
wees bang
תּוֹלַ֣עַת
(tolaat)
worm
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
מְתֵ֖י
(metei)
schare van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
עֲזַרְתִּיךְ֙
(azartikh)
help je
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְגֹאֲלֵ֖ךְ
(vegoalekh)
en je Verlosser
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.
תּוֹלַעַת (tola’at), ‘worm’: een kleine worm, het beeld van zwakte. מְתֵי (metei), ‘schare’: letterlijk ‘mannen van’. Het woord wordt gebruikt voor een klein aantal; de betekenis is hier niet helemaal zeker.
גֹּאֲלֵךְ (go’alekh), ‘je Verlosser’: de go’el is de naaste verwant die iemand loskoopt of zijn recht herstelt (Lev. 25:25; Ruth 4:1–6). In eerdere boeken noemen wij hem ‘losser’; in Jesaja heet hij ‘Verlosser’.
15Zie, Ik maak je tot een dorsslede, scherp en nieuw, met tanden. Je dorst bergen en vermaalt ze. Van heuvels maak je kaf.
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
שַׂמְתִּ֗יךְ
(samtikh)
Ik maak je
לְמוֹרַג֙
(lemorag)
tot een dorsslede
חָר֣וּץ
(charuts)
scherp
חָדָ֔שׁ
(chadash)
nieuw
בַּ֖עַל
(baal)
bezitter van
פִּֽיפִיּ֑וֹת
(pifiyot)
tanden
תָּד֤וּשׁ
(tadush)
je dorst
הָרִים֙
(harim)
bergen
וְתָדֹ֔ק
(vetadoq)
en je vermaalt ze
וּגְבָע֖וֹת
(ugevaot)
en heuvels
כַּמֹּ֥ץ
(kamots)
als kaf
תָּשִֽׂים
(tasim)
maak je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹרַג (morag), ‘dorsslede’: een zware slede met scherpe stenen of ijzer eronder, die over het graan wordt getrokken.
בַּעַל פִּיפִיּוֹת (ba’al pifiyyot), ‘met tanden’: letterlijk ‘bezitter van monden’. Het woord פִּיפִיּוֹת komt alleen hier voor; het zijn de scherpe randen of tanden van de slede.
17De ellendigen en de armen zoeken water, maar er is geen. Hun tong is uitgedroogd van dorst. Ik, Yahweh, zal hen antwoorden. Ik, de Elohim van Israël, zal hen niet verlaten.
הָעֲנִיִּ֨ים
(haaniyim)
de ellendigen
וְהָאֶבְיוֹנִ֜ים
(vehaevyonim)
en de armen
מְבַקְשִׁ֥ים
(mevaqshim)
zoeken
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
וָאַ֔יִן
(vaayin)
en er is geen
לְשׁוֹנָ֖ם
(leshonam)
hun tong
בַּצָּמָ֣א
(batsama)
van dorst
נָשָׁ֑תָּה
(nashata)
is uitgedroogd
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶעֱנֵ֔ם
(eenem)
zal hen antwoorden
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
אֶעֶזְבֵֽם
(eezvem)
zal hen verlaten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶעֱנֵם (e’enem), ‘Ik zal hen antwoorden’: van עָנָה (anah), ‘antwoorden’; zo ook in Hos. 2:23–24.
עֲנִיִּים (aniyyim), ‘ellendigen’, en אֶבְיוֹנִים (evyonim), ‘armen’: mensen zonder macht of bezit.
20Zo zullen zij samen zien en weten, het ter harte nemen en begrijpen: de hand van Yahweh heeft dit gedaan. De Heilige van Israël heeft het geschapen.”
לְמַ֧עַן
(lemaan)
opdat
יִרְא֣וּ
(yiru)
zij zien
וְיֵדְע֗וּ
(veyedeu)
en weten
וְיָשִׂ֤ימוּ
(veyasimu)
en ter harte nemen
וְיַשְׂכִּ֨ילוּ֙
(veyaskilu)
en begrijpen
יַחְדָּ֔ו
(yachdav)
samen
כִּ֥י
(ki)
dat
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עָ֣שְׂתָה
(aseta)
heeft gedaan
זֹּ֑את
(zot)
dit
וּקְד֥וֹשׁ
(uqedosh)
en de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּרָאָֽהּ
(beraah)
heeft het geschapen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְיָשִׂימוּ (veyasimu), ‘het ter harte nemen’: letterlijk ‘en zij leggen’; de woorden ‘ter harte’ staan er niet, maar horen bij de uitdrukking (vergelijk vers 22).
22Laat hen die naar voren brengen en ons vertellen wat er zal gebeuren. De vroegere dingen: wat zijn ze? Vertel het, dan nemen wij het ter harte en kennen hun afloop. Of laat ons de komende dingen horen.
יַגִּ֨ישׁוּ֙
(yagishu)
laat hen naar voren brengen
וְיַגִּ֣ידוּ
(veyagidu)
en vertellen
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
תִּקְרֶ֑ינָה
(tiqreina)
zal gebeuren
הָרִאשֹׁנ֣וֹת
(harishonot)
de vroegere dingen
מָ֣ה
(ma)
wat
הֵ֗נָּה
(hena)
zijn zij
הַגִּ֜ידוּ
(hagidu)
vertel
וְנָשִׂ֤ימָה
(venasima)
en laten wij leggen
לִבֵּ֨נוּ֙
(libenu)
ons hart
וְנֵדְעָ֣ה
(venedea)
en laten wij weten
אַחֲרִיתָ֔ן
(acharitan)
hun afloop
א֥וֹ
(o)
of
הַבָּא֖וֹת
(habaot)
de komende dingen
הַשְׁמִיעֻֽנוּ
(hashmiunu)
laat ons horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Ik heb er een opgewekt uit het noorden, en hij is gekomen. Uit het opkomen van de zon roept hij Mijn naam aan. Hij komt over bestuurders als over leem en vertrapt ze, zoals een pottenbakker klei vertrapt.
הַעִיר֤וֹתִי
(hairoti)
Ik heb opgewekt
מִצָּפוֹן֙
(mitsafon)
uit het noorden
וַיַּ֔את
(vayat)
en hij is gekomen
מִמִּזְרַח
(mimizrach)
uit het opkomen van
שֶׁ֖מֶשׁ
(shemesh)
de zon
יִקְרָ֣א
(yiqra)
roept hij aan
בִשְׁמִ֑י
(bishmi)
Mijn naam
וְיָבֹ֤א
(veyavo)
en hij komt
סְגָנִים֙
(seganim)
bestuurders
כְּמוֹ
(kemo)
als
חֹ֔מֶר
(chomer)
leem
וּכְמ֥וֹ
(ukhemo)
en zoals
יוֹצֵ֖ר
(yotser)
een pottenbakker
יִרְמָס
(yirmas)
vertrapt hij
טִֽיט
(tit)
klei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סְגָנִים (seganim), ‘bestuurders’: stadhouders of hoge ambtenaren.
יִקְרָא בִשְׁמִי (yiqra vishmi), ‘roept Mijn naam aan’: letterlijk ‘roept bij Mijn naam’. Het kan ook ‘hij roept in Mijn naam’ betekenen.
26Wie heeft het van het begin af verteld, zodat wij het weten, en van tevoren, zodat wij zeggen: ‘Hij is rechtvaardig’? Niemand heeft het verteld. Niemand heeft het laten horen. Niemand heeft jullie woorden gehoord.
מִֽי
(mi)
wie
הִגִּ֤יד
(higid)
heeft verteld
מֵרֹאשׁ֙
(merosh)
van het begin
וְנֵדָ֔עָה
(venedaa)
dan weten wij
וּמִלְּפָנִ֖ים
(umilefanim)
en van tevoren
וְנֹאמַ֣ר
(venomar)
dan zeggen wij
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardig
אַ֣ף
(af)
zelfs
אֵין
(ein)
er is niet
מַגִּ֗יד
(magid)
iemand die vertelt
אַ֚ף
(af)
zelfs
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
מַשְׁמִ֔יעַ
(mashmia)
iemand die laat horen
אַ֥ף
(af)
zelfs
אֵין
(ein)
er is niet
שֹׁמֵ֖עַ
(shomea)
iemand die hoort
אִמְרֵיכֶֽם
(imreikhem)
jullie woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: in een rechtszaak betekent het ‘in zijn recht’, ‘gelijk hebbend’.