Elohim Bijbel

Jesaja 41

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566

Yahweh roept de volken voor het gerecht en sterkt Israël

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De eilanden voor het gerecht

1„Wees stil voor Mij, eilanden. Laat de volkeren hun kracht vernieuwen. Laat hen naderen en dan spreken. Samen komen wij dichterbij voor de rechtszaak.
הַחֲרִ֤ישׁוּ
(hacharishu)
wees stil
אֵלַי֙
(elay)
voor Mij
אִיִּ֔ים
(iyim)
eilanden
וּלְאֻמִּ֖ים
(uleumim)
en volkeren
יַחֲלִ֣יפוּ
(yachalifu)
laat vernieuwen
כֹ֑חַ
(koach)
kracht
יִגְּשׁוּ֙
(yigeshu)
laat naderen
אָ֣ז
(az)
dan
יְדַבֵּ֔רוּ
(yedaberu)
laat spreken
יַחְדָּ֖ו
(yachdav)
samen
לַמִּשְׁפָּ֥ט
(lamishpat)
voor de rechtszaak
נִקְרָֽבָה
(niqrava)
komen wij dichterbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier spreekt Yahweh tot de volken in de verte.

Zijn woorden staan rood.

אִיִּים (iyyim), ‘eilanden’: ook ‘kustlanden’, de verre landen aan de zee (zoals Ps. 97:1).

יַחֲלִיפוּ כֹחַ (yachalifu koach), ‘zij vernieuwen hun kracht’: dezelfde woorden als in 40:31.

לַמִּשְׁפָּט (lamishpat), ‘voor de rechtszaak’: mishpat is ‘recht’. Hier is het het gerecht waar partijen hun zaak voorleggen.

2Wie wekte hem op uit het oosten? Bij elke stap roept de gerechtigheid hem. Wie geeft volken aan hem over en laat hem koningen onderwerpen? Wie geeft hen als stof aan zijn zwaard en als weggeblazen stro aan zijn boog?
מִ֤י
(mi)
wie
הֵעִיר֙
(heir)
heeft opgewekt
מִמִּזְרָ֔ח
(mimizrach)
uit het oosten
צֶ֖דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
יִקְרָאֵ֣הוּ
(yiqraehu)
roept hem
לְרַגְל֑וֹ
(leraglo)
tot zijn voet
יִתֵּ֨ן
(yiten)
geeft Hij
לְפָנָ֤יו
(lefanav)
voor hem
גּוֹיִם֙
(goyim)
volken
וּמְלָכִ֣ים
(umelakhim)
en koningen
יַ֔רְדְּ
(yard)
laat Hij heersen
יִתֵּ֤ן
(yiten)
geeft Hij
כֶּֽעָפָר֙
(keafar)
als stof
חַרְבּ֔וֹ
(charbo)
zijn zwaard
כְּקַ֥שׁ
(keqash)
als stro
נִדָּ֖ף
(nidaf)
weggeblazen
קַשְׁתּֽוֹ
(qashto)
zijn boog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִי הֵעִיר (mi he’ir), ‘wie wekte op’: de man die hier bedoeld wordt, krijgt geen naam.

Hij komt uit het oosten (vers 2) en uit het noorden (vers 25).

צֶדֶק יִקְרָאֵהוּ לְרַגְלוֹ (tsedeq yiqra’ehu leraglo), letterlijk ‘gerechtigheid roept hem tot zijn voet’. De zin is moeilijk. Mogelijk betekent hij: ‘gerechtigheid roept hem om haar te volgen’ of: ‘gerechtigheid ontmoet hem bij elke stap’. Wij nemen ‘bij elke stap’.

De werkwoorden ‘geeft’ en ‘laat heersen’ staan in het Hebreeuws zonder onderwerp. Wij lezen ze als vervolg op de vraag ‘Wie?’.

יַרְדְּ (yard), ‘laat heersen’: van רָדָה (radah), ‘heersen’, ‘onderwerpen’. De vorm is ongewoon; de betekenis is niet helemaal zeker.

3Hij achtervolgt hen. Hij trekt veilig voorbij, over een pad dat zijn voeten niet eerder betraden.
יִרְדְּפֵ֖ם
(yirdefem)
hij achtervolgt hen
יַעֲב֣וֹר
(yaavor)
hij trekt voorbij
שָׁל֑וֹם
(shalom)
in vrede
אֹ֥רַח
(orach)
pad
בְּרַגְלָ֖יו
(beraglav)
met zijn voeten
לֹ֥א
(lo)
niet
יָבֽוֹא
(yavo)
betreedt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Wie heeft dit gedaan en tot stand gebracht? Wie riep de generaties van het begin af? Ik, Yahweh, ben de eerste, en bij de laatsten ben Ik Hij.”
מִֽי
(mi)
wie
פָעַ֣ל
(paal)
heeft gewerkt
וְעָשָׂ֔ה
(veasa)
en gemaakt
קֹרֵ֥א
(qore)
die roept
הַדֹּר֖וֹת
(hadorot)
de generaties
מֵרֹ֑אשׁ
(merosh)
van het begin
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
רִאשׁ֔וֹן
(rishon)
de eerste
וְאֶת
(veet)
en met
אַחֲרֹנִ֖ים
(acharonim)
de laatsten
אֲנִי
(ani)
Ik
הֽוּא
(hu)
ben Hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲנִי הוּא (ani hu), ‘Ik ben Hij’: een vaste uitspraak van Yahweh.

Vergelijk Deut. 32:39: ‘Ik, Ik ben Hij’.

הַדֹּרוֹת (haddorot), ‘de generaties’: de opeenvolgende geslachten van mensen.

De volken en hun beelden

5De eilanden zien het en worden bang. De einden van de aarde beven. Zij naderen en komen.
רָא֤וּ
(rau)
hebben gezien
אִיִּים֙
(iyim)
eilanden
וְיִירָ֔אוּ
(veyirau)
en zijn bang
קְצ֥וֹת
(qetsot)
einden van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
יֶחֱרָ֑דוּ
(yecheradu)
beven
קָרְב֖וּ
(qarevu)
zij naderen
וַיֶּאֱתָיֽוּן
(vayeetayun)
en komen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Ieder helpt zijn naaste, en tegen zijn broer zegt hij: „Wees sterk!”
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֖הוּ
(reehu)
zijn naaste
יַעְזֹ֑רוּ
(yazoru)
helpen zij
וּלְאָחִ֖יו
(uleachiv)
en tegen zijn broer
יֹאמַ֥ר
(yomar)
zegt hij
חֲזָֽק
(chazaq)
sterk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7De ambachtsman sterkt de smelter. Wie met de hamer glad maakt, sterkt wie het aambeeld slaat. Hij zegt over het soldeer: „Het is goed.” Dan zet hij het vast met nagels, zodat het niet wankelt.
וַיְחַזֵּ֤ק
(vaychazeq)
en sterkt
חָרָשׁ֙
(charash)
de ambachtsman
אֶת
(et)
(obj.)
צֹרֵ֔ף
(tsoref)
de smelter
מַחֲלִ֥יק
(machaliq)
wie glad maakt
פַּטִּ֖ישׁ
(patish)
met de hamer
אֶת
(et)
(obj.)
ה֣וֹלֶם
(holem)
wie slaat
פָּ֑עַם
(paam)
het aambeeld
אֹמֵ֤ר
(omer)
zegt hij
לַדֶּ֨בֶק֙
(ladeveq)
over het soldeer
ט֣וֹב
(tov)
goed
ה֔וּא
(hu)
het is
וַיְחַזְּקֵ֥הוּ
(vaychazeqehu)
en hij zet het vast
בְמַסְמְרִ֖ים
(bemasmerim)
met nagels
לֹ֥א
(lo)
niet
יִמּֽוֹט
(yimot)
wankelt het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דֶּבֶק (devek), ‘soldeer’: de verbinding tussen twee delen metaal.

פָּעַם (pa’am), ‘aambeeld’: letterlijk ‘slag’ of ‘stap’. De betekenis is hier niet helemaal zeker.

De ambachtslieden spreken elkaar moed in terwijl zij een beeld maken. Het vers staat in tegenstelling tot Yahweh, die Zijn volk sterk maakt (vers 10).

Wees niet bang, Mijn knecht

8„Maar jij, Israël, Mijn knecht, Jakob, die Ik gekozen heb, nageslacht van Abraham, die Mij liefheeft,
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
עַבְדִּ֔י
(avdi)
Mijn knecht
יַעֲקֹ֖ב
(yaaqov)
Jakob
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּחַרְתִּ֑יךָ
(bechartikha)
Ik heb gekozen
זֶ֖רַע
(zera)
nageslacht van
אַבְרָהָ֥ם
(avraham)
Abraham
אֹהֲבִֽי
(ohavi)
die Mij liefheeft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַבְדִּי (avdi), ‘Mijn knecht’: hier is Israël, ook Jakob genoemd, de knecht.

Vergelijk 42:1 en 42:19.

אֹהֲבִי (ohavi), ‘die Mij liefheeft’: ook ‘Mijn vriend’. Vergelijk 2 Kron. 20:7: ‘Abraham, die U liefhad’.

9jij die Ik van de einden van de aarde heb vastgegrepen en uit haar uithoeken heb geroepen. Ik zei tegen je: ‘Mijn knecht ben je.’ Ik heb je gekozen en niet verworpen.
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הֶחֱזַקְתִּ֨יךָ֙
(hechezaqtikha)
Ik heb vastgegrepen
מִקְצ֣וֹת
(miqtsot)
vanaf de einden van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
וּמֵאֲצִילֶ֖יהָ
(umeatsileiha)
en vanaf haar uithoeken
קְרָאתִ֑יךָ
(qeratikha)
Ik heb je geroepen
וָאֹ֤מַר
(vaomar)
en Ik zei
לְךָ֙
(lekha)
tegen je
עַבְדִּי
(avdi)
Mijn knecht
אַ֔תָּה
(ata)
ben je
בְּחַרְתִּ֖יךָ
(bechartikha)
Ik heb je gekozen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מְאַסְתִּֽיךָ
(meastikha)
Ik heb je verworpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲצִילֶיהָ (atsileiha), ‘haar uithoeken’: dit woord komt alleen hier voor.

De betekenis is niet zeker; het staat naast ‘de einden van de aarde’.

10Wees niet bang, want Ik ben met je. Kijk niet angstig om je heen, want Ik ben je Elohim. Ik maak je sterk. Ja, Ik help je. Ja, Ik steun je met de rechterhand van Mijn gerechtigheid.
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
כִּ֣י
(ki)
want
עִמְּךָ
(imekha)
met je
אָ֔נִי
(ani)
Ik
אַל
(al)
niet
תִּשְׁתָּ֖ע
(tishta)
kijk angstig rond
כִּֽי
(ki)
want
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
je Elohim
אִמַּצְתִּ֨יךָ֙
(imatstikha)
Ik maak je sterk
אַף
(af)
ja
עֲזַרְתִּ֔יךָ
(azartikha)
Ik help je
אַף
(af)
ja
תְּמַכְתִּ֖יךָ
(temakhtikha)
Ik steun je
בִּימִ֥ין
(bimin)
met de rechterhand van
צִדְקִֽי
(tsidqi)
Mijn gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּשְׁתָּע (tishta), ‘kijk angstig rond’: dit werkwoord komt alleen hier en in vers 23 voor.

Het betekent waarschijnlijk ‘angstig om je heen kijken’.

יְמִין צִדְקִי (yemin tsidqi), ‘de rechterhand van Mijn gerechtigheid’: de hand waarmee Yahweh recht doet en helpt.

11Zie, beschaamd en vernederd worden allen die tegen je woedend zijn. Zij worden als niets. De mannen die een rechtszaak tegen je voeren, komen om.
הֵ֤ן
(hen)
zie
יֵבֹ֨שׁוּ֙
(yevoshu)
worden beschaamd
וְיִכָּ֣לְמ֔וּ
(veyikalemu)
en vernederd
כֹּ֖ל
(kol)
allen
הַנֶּחֱרִ֣ים
(hanecherim)
die woedend zijn
בָּ֑ךְ
(bakh)
tegen je
יִֽהְי֥וּ
(yihyu)
zij worden
כְאַ֛יִן
(keayin)
als niets
וְיֹאבְד֖וּ
(veyovdu)
en komen om
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
רִיבֶֽךָ
(rivekha)
je rechtszaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַנְשֵׁי רִיבֶךָ (anshei rivekha), ‘de mannen die een rechtszaak tegen je voeren’: letterlijk ‘de mannen van je twist’.

Het woord רִיב (riv) is ‘twist’ en ‘rechtszaak’; zie vers 21.

12Je zoekt hen en vindt hen niet, de mannen die met je twisten. De mannen die oorlog tegen je voeren, worden als niets en als nietigheid.
תְּבַקְשֵׁם֙
(tevaqshem)
je zoekt hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִמְצָאֵ֔ם
(timtsaem)
je vindt hen
אַנְשֵׁ֖י
(anshei)
mannen van
מַצֻּתֶ֑ךָ
(matsutekha)
je twist
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zij worden
כְאַ֛יִן
(keayin)
als niets
וּכְאֶ֖פֶס
(ukheefes)
en als nietigheid
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
מִלְחַמְתֶּֽךָ
(milchamtekha)
je oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַצֻּתֶךָ (matsutekha), ‘je twist’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet helemaal zeker.

13Want Ik ben Yahweh, je Elohim. Ik houd je rechterhand vast. Ik zeg tegen je: ‘Wees niet bang. Ik help je.’
כִּ֗י
(ki)
want
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֖יךָ
(eloheikha)
je Elohim
מַחֲזִ֣יק
(machaziq)
houdt vast
יְמִינֶ֑ךָ
(yeminekha)
je rechterhand
הָאֹמֵ֥ר
(haomer)
Ik die zeg
לְךָ֛
(lekha)
tegen je
אַל
(al)
niet
תִּירָ֖א
(tira)
wees bang
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
עֲזַרְתִּֽיךָ
(azartikha)
help je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Wees niet bang, worm Jakob, kleine schare van Israël. Ik help je, godsspraak van Yahweh. Je Verlosser is de Heilige van Israël.
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאִי֙
(tirei)
wees bang
תּוֹלַ֣עַת
(tolaat)
worm
יַֽעֲקֹ֔ב
(yaaqov)
Jakob
מְתֵ֖י
(metei)
schare van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
עֲזַרְתִּיךְ֙
(azartikh)
help je
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְגֹאֲלֵ֖ךְ
(vegoalekh)
en je Verlosser
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jes. 1:24.

תּוֹלַעַת (tola’at), ‘worm’: een kleine worm, het beeld van zwakte. מְתֵי (metei), ‘schare’: letterlijk ‘mannen van’. Het woord wordt gebruikt voor een klein aantal; de betekenis is hier niet helemaal zeker.

גֹּאֲלֵךְ (go’alekh), ‘je Verlosser’: de go’el is de naaste verwant die iemand loskoopt of zijn recht herstelt (Lev. 25:25; Ruth 4:1–6). In eerdere boeken noemen wij hem ‘losser’; in Jesaja heet hij ‘Verlosser’.

15Zie, Ik maak je tot een dorsslede, scherp en nieuw, met tanden. Je dorst bergen en vermaalt ze. Van heuvels maak je kaf.
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
שַׂמְתִּ֗יךְ
(samtikh)
Ik maak je
לְמוֹרַג֙
(lemorag)
tot een dorsslede
חָר֣וּץ
(charuts)
scherp
חָדָ֔שׁ
(chadash)
nieuw
בַּ֖עַל
(baal)
bezitter van
פִּֽיפִיּ֑וֹת
(pifiyot)
tanden
תָּד֤וּשׁ
(tadush)
je dorst
הָרִים֙
(harim)
bergen
וְתָדֹ֔ק
(vetadoq)
en je vermaalt ze
וּגְבָע֖וֹת
(ugevaot)
en heuvels
כַּמֹּ֥ץ
(kamots)
als kaf
תָּשִֽׂים
(tasim)
maak je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מוֹרַג (morag), ‘dorsslede’: een zware slede met scherpe stenen of ijzer eronder, die over het graan wordt getrokken.

בַּעַל פִּיפִיּוֹת (ba’al pifiyyot), ‘met tanden’: letterlijk ‘bezitter van monden’. Het woord פִּיפִיּוֹת komt alleen hier voor; het zijn de scherpe randen of tanden van de slede.

16Je want ze, en de wind voert ze weg, en een storm verstrooit ze. Maar jij zult juichen in Yahweh. In de Heilige van Israël zul je je beroemen.
תִּזְרֵם֙
(tizrem)
je want ze
וְר֣וּחַ
(veruach)
en de wind
תִּשָּׂאֵ֔ם
(tisaem)
voert ze weg
וּסְעָרָ֖ה
(useara)
en een storm
תָּפִ֣יץ
(tafits)
verstrooit
אוֹתָ֑ם
(otam)
hen
וְאַתָּה֙
(veata)
maar jij
תָּגִ֣יל
(tagil)
zult juichen
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
in Yahweh
בִּקְד֥וֹשׁ
(biqdosh)
in de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
תִּתְהַלָּֽל
(tithalal)
zul je je beroemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תִּזְרֵם (tizrem), ‘je want ze’: wannen is het graan omhoog gooien, zodat de wind het kaf wegblaast.

Water in de woestijn

17De ellendigen en de armen zoeken water, maar er is geen. Hun tong is uitgedroogd van dorst. Ik, Yahweh, zal hen antwoorden. Ik, de Elohim van Israël, zal hen niet verlaten.
הָעֲנִיִּ֨ים
(haaniyim)
de ellendigen
וְהָאֶבְיוֹנִ֜ים
(vehaevyonim)
en de armen
מְבַקְשִׁ֥ים
(mevaqshim)
zoeken
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
וָאַ֔יִן
(vaayin)
en er is geen
לְשׁוֹנָ֖ם
(leshonam)
hun tong
בַּצָּמָ֣א
(batsama)
van dorst
נָשָׁ֑תָּה
(nashata)
is uitgedroogd
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶעֱנֵ֔ם
(eenem)
zal hen antwoorden
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
אֶעֶזְבֵֽם
(eezvem)
zal hen verlaten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶעֱנֵם (e’enem), ‘Ik zal hen antwoorden’: van עָנָה (anah), ‘antwoorden’; zo ook in Hos. 2:23–24.

עֲנִיִּים (aniyyim), ‘ellendigen’, en אֶבְיוֹנִים (evyonim), ‘armen’: mensen zonder macht of bezit.

18Ik open rivieren op kale hoogten en bronnen midden in de vlakten. Ik maak de woestijn tot een waterpoel en het dorre land tot waterbronnen.
אֶפְתַּ֤ח
(eftach)
Ik open
עַל
(al)
op
שְׁפָיִים֙
(shefayim)
kale hoogten
נְהָר֔וֹת
(neharot)
rivieren
וּבְת֥וֹךְ
(uvetokh)
en midden in
בְּקָע֖וֹת
(beqaot)
vlakten
מַעְיָנ֑וֹת
(mayanot)
bronnen
אָשִׂ֤ים
(asim)
Ik maak
מִדְבָּר֙
(midbar)
woestijn
לַאֲגַם
(laagam)
tot een poel van
מַ֔יִם
(mayim)
water
וְאֶ֥רֶץ
(veerets)
en land van
צִיָּ֖ה
(tsiya)
dorheid
לְמוֹצָ֥אֵי
(lemotsaei)
tot bronnen van
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁפָיִים (shefayim), ‘kale hoogten’: kale heuveltoppen zonder begroeiing.

בְּקָעוֹת (beqa’ot), ‘vlakten’: dezelfde stam als ‘vlakte’ in 40:4.

19In de woestijn geef Ik ceder, acacia, mirte en olijfboom. In de steppe zet Ik samen cipres, es en buksboom.
אֶתֵּ֤ן
(eten)
Ik geef
בַּמִּדְבָּר֙
(bamidbar)
in de woestijn
אֶ֣רֶז
(erez)
ceder
שִׁטָּ֔ה
(shita)
acacia
וַהֲדַ֖ס
(vahadas)
en mirte
וְעֵ֣ץ
(veets)
en boom van
שָׁ֑מֶן
(shamen)
olie
אָשִׂ֣ים
(asim)
Ik zet
בָּעֲרָבָ֗ה
(baarava)
in de steppe
בְּר֛וֹשׁ
(berosh)
cipres
תִּדְהָ֥ר
(tidhar)
es
וּתְאַשּׁ֖וּר
(uteashur)
en buksboom
יַחְדָּֽו
(yachdav)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁטָּה (shittah), ‘acacia’: de boom van het ‘acaciahout’ (Exod. 25:5).

עֵץ שֶׁמֶן (ets shemen), ‘olijfboom’: letterlijk ‘boom van olie’; waarschijnlijk de olijfboom of een verwante boom.

תִּדְהָר (tidhar), ‘es’, en תְּאַשּׁוּר (te’ashur), ‘buksboom’: de betekenis van beide boomnamen is niet zeker.

20Zo zullen zij samen zien en weten, het ter harte nemen en begrijpen: de hand van Yahweh heeft dit gedaan. De Heilige van Israël heeft het geschapen.”
לְמַ֧עַן
(lemaan)
opdat
יִרְא֣וּ
(yiru)
zij zien
וְיֵדְע֗וּ
(veyedeu)
en weten
וְיָשִׂ֤ימוּ
(veyasimu)
en ter harte nemen
וְיַשְׂכִּ֨ילוּ֙
(veyaskilu)
en begrijpen
יַחְדָּ֔ו
(yachdav)
samen
כִּ֥י
(ki)
dat
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עָ֣שְׂתָה
(aseta)
heeft gedaan
זֹּ֑את
(zot)
dit
וּקְד֥וֹשׁ
(uqedosh)
en de Heilige van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּרָאָֽהּ
(beraah)
heeft het geschapen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְיָשִׂימוּ (veyasimu), ‘het ter harte nemen’: letterlijk ‘en zij leggen’; de woorden ‘ter harte’ staan er niet, maar horen bij de uitdrukking (vergelijk vers 22).

Dien jullie bewijzen in

21„Breng jullie rechtszaak naar voren, zegt Yahweh. Dien jullie bewijzen in, zegt de Koning van Jakob.
קָרְב֥וּ
(qarevu)
breng naar voren
רִֽיבְכֶ֖ם
(rivekhem)
jullie rechtszaak
יֹאמַ֣ר
(yomar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הַגִּ֨ישׁוּ֙
(hagishu)
dien in
עֲצֻמ֣וֹתֵיכֶ֔ם
(atsumoteikhem)
jullie bewijzen
יֹאמַ֖ר
(yomar)
zegt
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de Koning van
יַעֲקֹֽב
(yaaqov)
Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲצֻמוֹת (atsumot), ‘bewijzen’: eigenlijk ‘sterke gronden’; het woord komt alleen hier voor.

מֶלֶךְ יַעֲקֹב (melekh Ya’aqov), ‘de Koning van Jakob’: Yahweh.

22Laat hen die naar voren brengen en ons vertellen wat er zal gebeuren. De vroegere dingen: wat zijn ze? Vertel het, dan nemen wij het ter harte en kennen hun afloop. Of laat ons de komende dingen horen.
יַגִּ֨ישׁוּ֙
(yagishu)
laat hen naar voren brengen
וְיַגִּ֣ידוּ
(veyagidu)
en vertellen
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
תִּקְרֶ֑ינָה
(tiqreina)
zal gebeuren
הָרִאשֹׁנ֣וֹת
(harishonot)
de vroegere dingen
מָ֣ה
(ma)
wat
הֵ֗נָּה
(hena)
zijn zij
הַגִּ֜ידוּ
(hagidu)
vertel
וְנָשִׂ֤ימָה
(venasima)
en laten wij leggen
לִבֵּ֨נוּ֙
(libenu)
ons hart
וְנֵדְעָ֣ה
(venedea)
en laten wij weten
אַחֲרִיתָ֔ן
(acharitan)
hun afloop
א֥וֹ
(o)
of
הַבָּא֖וֹת
(habaot)
de komende dingen
הַשְׁמִיעֻֽנוּ
(hashmiunu)
laat ons horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Vertel wat later komt, dan weten wij dat jullie goden zijn. Doe iets goeds of iets kwaads, dan kijken wij elkaar verschrikt aan en zien het samen.
הַגִּ֨ידוּ֙
(hagidu)
vertel
הָאֹתִיּ֣וֹת
(haotiyot)
de komende dingen
לְאָח֔וֹר
(leachor)
in de toekomst
וְנֵ֣דְעָ֔ה
(venedea)
dan weten wij
כִּ֥י
(ki)
dat
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
goden
אַתֶּ֑ם
(atem)
jullie zijn
אַף
(af)
ja
תֵּיטִ֣יבוּ
(teitivu)
doe goed
וְתָרֵ֔עוּ
(vetareu)
of doe kwaad
וְנִשְׁתָּ֖עָה
(venishtaa)
dan kijken wij elkaar verschrikt aan
וְנִרְאֶ֥ה
(venire)
en zien wij
יַחְדָּֽו
(yachdav)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלֹהִים (elohim), ‘goden’: hier meervoud.

Yahweh daagt de beelden uit te bewijzen dat zij goden zijn.

נִשְׁתָּעָה (nishta’ah), ‘dan kijken wij elkaar verschrikt aan’: dezelfde stam als ‘kijk angstig rond’ in vers 10.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft וְנִרְא (venir) zonder slotletter.

De voorgelezen tekst (qere) heeft וְנִרְאֶה (venir’eh), ‘en wij zien’.

Wij volgen de qere.

De betekenis is gelijk.

24Zie, jullie zijn minder dan niets, en jullie werk is minder dan nietigheid. Een gruwel is wie jullie kiest.
הֵן
(hen)
zie
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
מֵאַ֔יִן
(meayin)
minder dan niets
וּפָעָלְכֶ֖ם
(ufaalekhem)
en jullie werk
מֵאָ֑פַע
(meafa)
minder dan nietigheid
תּוֹעֵבָ֖ה
(toeva)
een gruwel
יִבְחַ֥ר
(yivchar)
kiest
בָּכֶֽם
(bakhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵאַיִן (me’ayin), ‘minder dan niets’: het voorzetsel min kan ‘van’ of ‘minder dan’ betekenen; zie 40:17.

מֵאָפַע (me’afa), ‘minder dan nietigheid’: een zeldzaam woord; de betekenis is niet helemaal zeker.

25Ik heb er een opgewekt uit het noorden, en hij is gekomen. Uit het opkomen van de zon roept hij Mijn naam aan. Hij komt over bestuurders als over leem en vertrapt ze, zoals een pottenbakker klei vertrapt.
הַעִיר֤וֹתִי
(hairoti)
Ik heb opgewekt
מִצָּפוֹן֙
(mitsafon)
uit het noorden
וַיַּ֔את
(vayat)
en hij is gekomen
מִמִּזְרַח
(mimizrach)
uit het opkomen van
שֶׁ֖מֶשׁ
(shemesh)
de zon
יִקְרָ֣א
(yiqra)
roept hij aan
בִשְׁמִ֑י
(bishmi)
Mijn naam
וְיָבֹ֤א
(veyavo)
en hij komt
סְגָנִים֙
(seganim)
bestuurders
כְּמוֹ
(kemo)
als
חֹ֔מֶר
(chomer)
leem
וּכְמ֥וֹ
(ukhemo)
en zoals
יוֹצֵ֖ר
(yotser)
een pottenbakker
יִרְמָס
(yirmas)
vertrapt hij
טִֽיט
(tit)
klei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סְגָנִים (seganim), ‘bestuurders’: stadhouders of hoge ambtenaren.

יִקְרָא בִשְׁמִי (yiqra vishmi), ‘roept Mijn naam aan’: letterlijk ‘roept bij Mijn naam’. Het kan ook ‘hij roept in Mijn naam’ betekenen.

26Wie heeft het van het begin af verteld, zodat wij het weten, en van tevoren, zodat wij zeggen: ‘Hij is rechtvaardig’? Niemand heeft het verteld. Niemand heeft het laten horen. Niemand heeft jullie woorden gehoord.
מִֽי
(mi)
wie
הִגִּ֤יד
(higid)
heeft verteld
מֵרֹאשׁ֙
(merosh)
van het begin
וְנֵדָ֔עָה
(venedaa)
dan weten wij
וּמִלְּפָנִ֖ים
(umilefanim)
en van tevoren
וְנֹאמַ֣ר
(venomar)
dan zeggen wij
צַדִּ֑יק
(tsadiq)
rechtvaardig
אַ֣ף
(af)
zelfs
אֵין
(ein)
er is niet
מַגִּ֗יד
(magid)
iemand die vertelt
אַ֚ף
(af)
zelfs
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
מַשְׁמִ֔יעַ
(mashmia)
iemand die laat horen
אַ֥ף
(af)
zelfs
אֵין
(ein)
er is niet
שֹׁמֵ֖עַ
(shomea)
iemand die hoort
אִמְרֵיכֶֽם
(imreikhem)
jullie woorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צַדִּיק (tsaddiq), ‘rechtvaardig’: in een rechtszaak betekent het ‘in zijn recht’, ‘gelijk hebbend’.

27Als eerste zeg Ik tegen Sion: ‘Zie, daar zijn ze!’ En aan Jeruzalem geef Ik een boodschapper van goed nieuws.
רִאשׁ֥וֹן
(rishon)
de eerste
לְצִיּ֖וֹן
(letsiyon)
aan Sion
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
הִנָּ֑ם
(hinam)
zie hen
וְלִירוּשָׁלִַ֖ם
(velirushaliam)
en aan Jeruzalem
מְבַשֵּׂ֥ר
(mevaser)
een boodschapper
אֶתֵּֽן
(eten)
geef Ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit vers is in het Hebreeuws zeer kort: letterlijk ‘de eerste aan Sion: zie, zie hen!

En aan Jeruzalem geef Ik een boodschapper.’

De woorden ‘zeg Ik tegen’ vullen wij aan.

Vergelijk 40:9.

28Ik keek, en er was niemand. Onder hen was er ook geen raadgever die een woord teruggaf als Ik hem vroeg.
וְאֵ֨רֶא֙
(veere)
en Ik keek
וְאֵ֣ין
(veein)
en er was niet
אִ֔ישׁ
(ish)
iemand
וּמֵאֵ֖לֶּה
(umeele)
en onder deze
וְאֵ֣ין
(veein)
en er was niet
יוֹעֵ֑ץ
(yoets)
een raadgever
וְאֶשְׁאָלֵ֖ם
(veeshalem)
en Ik vroeg hen
וְיָשִׁ֥יבוּ
(veyashivu)
en zij gaven terug
דָבָֽר
(davar)
een woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Zie, zij allen zijn ijdel. Hun werken zijn niets. Hun gegoten beelden zijn wind en leegte.”
הֵ֣ן
(hen)
zie
כֻּלָּ֔ם
(kulam)
zij allen
אָ֥וֶן
(aven)
ijdel
אֶ֖פֶס
(efes)
niets
מַעֲשֵׂיהֶ֑ם
(maaseihem)
hun werken
ר֥וּחַ
(ruach)
wind
וָתֹ֖הוּ
(vatohu)
en leegte
נִסְכֵּיהֶֽם
(niskeihem)
hun gegoten beelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָוֶן (aven), ‘ijdel’: ook ‘onheil’ of ‘nietigheid’.

נִסְכֵּיהֶם (niskeihem), ‘hun gegoten beelden’: hetzelfde woord betekent ook ‘plengoffer’. Hier staat het naast ‘hun werken’, zodat wij ‘gegoten beelden’ lezen.