Elohim Bijbel

Joël 1

1234

De sprinkhanenplaag en de oproep tot rouw

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het woord van Yahweh aan Joël

1Het woord van Yahweh dat tot Joël, de zoon van Petoeël, kwam.
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֔ה
(haya)
kwam
אֶל
(el)
tot
יוֹאֵ֖ל
(yoel)
Joël
בֶּן
(ben)
zoon van
פְּתוּאֵֽל
(petuel)
Petoeël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹאֵל (Yo’el), ‘Joël’: de naam betekent ‘Yahweh is El’.

Over Joël en zijn vader Petoeël (פְּתוּאֵל) weten wij alleen wat hier staat.

Het boek noemt geen koning, dus de tijd waarin Joël optrad is niet te bepalen.

Een plaag zonder weerga

2Hoor dit, oudsten, en luister, alle inwoners van het land. Is dit gebeurd in jullie dagen, of in de dagen van jullie vaderen?
שִׁמְעוּ
(shimu)
hoort
זֹאת֙
(zot)
dit
הַזְּקֵנִ֔ים
(hazeqenim)
oudsten
וְהַֽאֲזִ֔ינוּ
(vehaazinu)
en luistert
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יוֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
הֶהָ֤יְתָה
(hehayeta)
is dit gebeurd
זֹּאת֙
(zot)
dit
בִּֽימֵיכֶ֔ם
(bimeikhem)
in jullie dagen
וְאִ֖ם
(veim)
en of
בִּימֵ֥י
(bimei)
in de dagen van
אֲבֹֽתֵיכֶֽם
(avoteikhem)
jullie vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Vertel erover aan jullie zonen. Laat jullie zonen het vertellen aan hun zonen, en hun zonen aan een volgend geslacht.
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
erover
לִבְנֵיכֶ֣ם
(livneikhem)
aan jullie zonen
סַפֵּ֑רוּ
(saperu)
vertelt
וּבְנֵיכֶם֙
(uveneikhem)
en jullie zonen
לִבְנֵיהֶ֔ם
(livneihem)
aan hun zonen
וּבְנֵיהֶ֖ם
(uveneihem)
en hun zonen
לְד֥וֹר
(ledor)
aan een generatie
אַחֵֽר
(acher)
volgende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Wat de knipper overliet, heeft de sprinkhaan opgegeten. Wat de sprinkhaan overliet, heeft de vreter opgegeten. Wat de vreter overliet, heeft de kaalvreter opgegeten.
יֶ֤תֶר
(yeter)
wat overbleef van
הַגָּזָם֙
(hagazam)
de knipper
אָכַ֣ל
(akhal)
heeft opgegeten
הָֽאַרְבֶּ֔ה
(haarbe)
de sprinkhaan
וְיֶ֥תֶר
(veyeter)
en wat overbleef van
הָאַרְבֶּ֖ה
(haarbe)
de sprinkhaan
אָכַ֣ל
(akhal)
heeft opgegeten
הַיָּ֑לֶק
(hayaleq)
de vreter
וְיֶ֣תֶר
(veyeter)
en wat overbleef van
הַיֶּ֔לֶק
(hayeleq)
de vreter
אָכַ֖ל
(akhal)
heeft opgegeten
הֶחָסִֽיל
(hechasil)
de kaalvreter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier staan vier woorden voor sprinkhanen of voor de stadia van de sprinkhaan: גָּזָם (gazam), ‘knipper’; אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’; יֶלֶק (yelek), ‘vreter’; חָסִיל (chasil), ‘kaalvreter’.

Welk woord welke soort of welke fase is, is onzeker.

Wij houden in het hele boek dezelfde vier namen aan; in Joël 2:25 staan zij in een andere volgorde.

Het woord arbeh staat ook in Exod. 10:4.

Jammer, dronkaards

5Word wakker, dronkaards, en huil. Jammer, alle wijndrinkers, om de zoete wijn, want die is uit jullie mond afgesneden.
הָקִ֤יצוּ
(haqitsu)
word wakker
שִׁכּוֹרִים֙
(shikorim)
dronkaards
וּבְכ֔וּ
(uvekhu)
en huilt
וְהֵילִ֖לוּ
(veheililu)
en jammert
כָּל
(kal)
alle
שֹׁ֣תֵי
(shotei)
drinkers van
יָ֑יִן
(yayin)
wijn
עַל
(al)
om
עָסִ֕יס
(asis)
zoete wijn
כִּ֥י
(ki)
want
נִכְרַ֖ת
(nikhrat)
is afgesneden
מִפִּיכֶֽם
(mipikhem)
uit jullie mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָסִיס (asis), ‘zoete wijn’: het sap van de druif of de nieuwe, zoete wijn.

Wij onderscheiden het van תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’ (vers 10).

נִכְרַת (nikhrat), ‘is afgesneden’: hetzelfde werkwoord staat in de verzen 9 en 16. Wat het land niet meer geeft, wordt van de tafel en het huis van Yahweh weggesneden.

6Want een volk is opgetrokken tegen mijn land, machtig en zonder getal. Zijn tanden zijn de tanden van een leeuw, en het heeft de kiezen van een leeuwin.
כִּֽי
(ki)
want
גוֹי֙
(goy)
een volk
עָלָ֣ה
(ala)
is opgetrokken
עַל
(al)
tegen
אַרְצִ֔י
(artsi)
mijn land
עָצ֖וּם
(atsum)
machtig
וְאֵ֣ין
(veein)
en geen
מִסְפָּ֑ר
(mispar)
getal
שִׁנָּיו֙
(shinav)
zijn tanden
שִׁנֵּ֣י
(shinei)
tanden van
אַרְיֵ֔ה
(arye)
een leeuw
וּֽמְתַלְּע֥וֹת
(umetaleot)
en kiezen van
לָבִ֖יא
(lavi)
een leeuwin
לֽוֹ
(lo)
heeft het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גּוֹי (goy), ‘volk’: het Hebreeuws noemt hier een volk met tanden van een leeuw.

Het beeld past bij de sprinkhanenzwerm van vers 4; sommigen denken ook aan een vijandelijk leger.

Het Hebreeuws kiest niet, en wij laten het beeld staan.

‘Mijn land’: wie hier spreekt, is niet aangegeven. Het kan de profeet zijn, namens het volk, of Yahweh Zelf (vergelijk ‘Zijn land’ in Joël 2:18). Wij zetten het in de woorden van de profeet en schrijven ‘mijn’ met een kleine letter.

7Het heeft van mijn wijnstok een woestenij gemaakt en van mijn vijgenboom splinters. Het heeft hem helemaal kaalgestript en weggegooid. De takken zijn wit geworden.
שָׂ֤ם
(sam)
heeft gemaakt
גַּפְנִי֙
(gafni)
mijn wijnstok
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot een woestenij
וּתְאֵנָתִ֖י
(uteenati)
en mijn vijgenboom
לִקְצָפָ֑ה
(liqtsafa)
tot splinters
חָשֹׂ֤ף
(chasof)
helemaal kaalgestript
חֲשָׂפָהּ֙
(chasafah)
heeft het hem
וְהִשְׁלִ֔יךְ
(vehishlikh)
en weggegooid
הִלְבִּ֖ינוּ
(hilbinu)
zijn wit geworden
שָׂרִיגֶֽיהָ
(sarigeiha)
zijn takken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קְצָפָה (qetsafah), ‘splinters’: het woord staat alleen hier.

De betekenis is onzeker: ‘splinters’, ‘afgebroken stukken’ of ‘schuim’.

De sprinkhanen vreten de bast van de stam, zodat de takken wit worden.

De rouw van het land

8Weeklaag als een maagd die een rouwkleed heeft omgord, om de man van haar jeugd.
אֱלִ֕י
(eli)
weeklaag
כִּבְתוּלָ֥ה
(kivtula)
als een maagd
חֲגֻֽרַת
(chagurat)
omgord
שַׂ֖ק
(saq)
met een rouwkleed
עַל
(al)
om
בַּ֥עַל
(baal)
de man van
נְעוּרֶֽיהָ
(neureiha)
haar jeugd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלִי (eli), ‘weeklaag’: dit is een vrouwelijke aanspreking, tot een vrouw.

Wie wordt aangesproken, staat er niet bij; mogelijk is het het volk of de stad.

בַּעַל נְעוּרֶיהָ (ba’al ne’ureha), ‘de man van haar jeugd’: de bruidegom met wie zij als jong meisje trouwde.

9Graanoffer en plengoffer zijn afgesneden uit het huis van Yahweh. De priesters rouwen, de dienaren van Yahweh.
הָכְרַ֥ת
(hakherat)
is afgesneden
מִנְחָ֛ה
(mincha)
graanoffer
וָנֶ֖סֶךְ
(vanesekh)
en plengoffer
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אָֽבְלוּ֙
(avelu)
rouwen
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
מְשָׁרְתֵ֖י
(mesharetei)
de dienaren van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’, en נֶסֶךְ (nesech), ‘plengoffer’: deze offers hoorden bij het dagelijkse offer in het huis van Yahweh.

Zonder koren en wijn kunnen zij niet meer worden gebracht.

Zie Num. 28:7–8.

10Het veld is verwoest, de grond rouwt. Want het koren is verwoest, de most is opgedroogd, de olie is verkwijnd.
שֻׁדַּ֣ד
(shudad)
is verwoest
שָׂדֶ֔ה
(sade)
het veld
אָבְלָ֖ה
(avela)
rouwt
אֲדָמָ֑ה
(adama)
de grond
כִּ֚י
(ki)
want
שֻׁדַּ֣ד
(shudad)
is verwoest
דָּגָ֔ן
(dagan)
het koren
הוֹבִ֥ישׁ
(hovish)
is opgedroogd
תִּיר֖וֹשׁ
(tirosh)
de most
אֻמְלַ֥ל
(umlal)
is verkwijnd
יִצְהָֽר
(yitshar)
de olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹבִישׁ (hovish), ‘is opgedroogd’: dit werkwoord klinkt als het werkwoord voor ‘beschaamd zijn’.

In de verzen 10, 11, 12 en 17 spelen beide betekenissen mee.

Wij vertalen ‘opgedroogd’ en ‘verdord’ bij gewassen, en ‘beschaamd’ bij mensen (vers 11).

11Wees beschaamd, landbouwers. Jammer, wijnbouwers, om de tarwe en om de gerst, want de oogst van het veld is verloren.
הֹבִ֣ישׁוּ
(hovishu)
wees beschaamd
אִכָּרִ֗ים
(ikarim)
landbouwers
הֵילִ֨ילוּ֙
(heililu)
jammert
כֹּֽרְמִ֔ים
(koremim)
wijnbouwers
עַל
(al)
om
חִטָּ֖ה
(chita)
tarwe
וְעַל
(veal)
en om
שְׂעֹרָ֑ה
(seora)
gerst
כִּ֥י
(ki)
want
אָבַ֖ד
(avad)
is verloren
קְצִ֥יר
(qetsir)
de oogst van
שָׂדֶֽה
(sade)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֹבִישׁוּ (hovishu), ‘wees beschaamd’: het gebaar van mensen die het gewas zien mislukken.

Het woord klinkt als het werkwoord voor ‘verdorren’ in vers 10.

12De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verkwijnd. Granaatappelboom, ook palm en appelboom, alle bomen van het veld zijn uitgedroogd. Want de vreugde is verdord bij de mensenkinderen.
הַגֶּ֣פֶן
(hagefen)
de wijnstok
הוֹבִ֔ישָׁה
(hovisha)
is verdord
וְהַתְּאֵנָ֖ה
(vehateena)
en de vijgenboom
אֻמְלָ֑לָה
(umlala)
is verkwijnd
רִמּ֞וֹן
(rimon)
granaatappelboom
גַּם
(gam)
ook
תָּמָ֣ר
(tamar)
palm
וְתַפּ֗וּחַ
(vetapuach)
en appelboom
כָּל
(kal)
alle
עֲצֵ֤י
(atsei)
bomen van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
יָבֵ֔שׁוּ
(yaveshu)
zijn uitgedroogd
כִּֽי
(ki)
want
הֹבִ֥ישׁ
(hovish)
is verdord
שָׂשׂ֖וֹן
(sason)
de vreugde
מִן
(min)
van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
אָדָֽם
(adam)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּפּוּחַ (tappuach), ‘appelboom’: de boom is niet zeker vast te stellen; het kan ook de abrikozenboom of de kweepeer zijn.

הֹבִישׁ (hovish) aan het slot: ‘is verdord’. Zie de Uitleg bij vers 10. De vreugde van de mensen verdort met het gewas.

Roep de priesters op

13Gord je om en rouw, priesters. Jammer, dienaren van het altaar. Kom, breng de nacht door in rouwkleden, dienaren van mijn Elohim. Want graanoffer en plengoffer zijn onthouden aan het huis van jullie Elohim.
חִגְר֨וּ
(chigru)
gordt u om
וְסִפְד֜וּ
(vesifdu)
en rouwt
הַכֹּהֲנִ֗ים
(hakohanim)
de priesters
הֵילִ֨ילוּ֙
(heililu)
jammert
מְשָׁרְתֵ֣י
(mesharetei)
dienaren van
מִזְבֵּ֔חַ
(mizbeach)
het altaar
בֹּ֚אוּ
(bou)
komt
לִ֣ינוּ
(linu)
breng de nacht door
בַשַּׂקִּ֔ים
(basaqim)
in de rouwkleden
מְשָׁרְתֵ֖י
(mesharetei)
dienaren van
אֱלֹהָ֑י
(elohay)
mijn Elohim
כִּ֥י
(ki)
want
נִמְנַ֛ע
(nimna)
is onthouden
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
aan het huis van
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
מִנְחָ֥ה
(mincha)
graanoffer
וָנָֽסֶךְ
(vanasekh)
en plengoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Heilig een vasten, roep een plechtige bijeenkomst uit. Breng de oudsten samen, alle inwoners van het land, in het huis van Yahweh, jullie Elohim. En roep om hulp tot Yahweh.
קַדְּשׁוּ
(qadeshu)
heiligt
צוֹם֙
(tsom)
een vasten
קִרְא֣וּ
(qiru)
roept uit
עֲצָרָ֔ה
(atsara)
een plechtige bijeenkomst
אִסְפ֣וּ
(isfu)
brengt samen
זְקֵנִ֗ים
(zeqenim)
oudsten
כֹּ֚ל
(kol)
alle
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
בֵּ֖ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְזַעֲק֖וּ
(vezaaqu)
en roept om hulp
אֶל
(el)
tot
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲצָרָה (atsarah), ‘plechtige bijeenkomst’: een samenkomst waarbij het volk zich van gewone arbeid onthoudt.

Het woord is verwant aan עֲצֶרֶת (atseret), dat wij in Lev. 23:36 en Deut. 16:8 met ‘slotsamenkomst’ vertalen.

Hier gaat het om een bijzondere bijeenkomst bij een vasten, niet om het slot van een feest.

De dag van Yahweh is nabij

15Wee, die dag! Want de dag van Yahweh is nabij, en als een verwoesting van Sjaddai komt hij.
אֲהָ֖הּ
(ahah)
wee
לַיּ֑וֹם
(layom)
die dag
כִּ֤י
(ki)
want
קָרוֹב֙
(qarov)
nabij
י֣וֹם
(yom)
de dag van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּכְשֹׁ֖ד
(ukheshod)
en als een verwoesting
מִשַׁדַּ֥י
(mishaday)
van Sjaddai
יָבֽוֹא
(yavo)
komt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh zichtbaar ingrijpt en oordeelt.

Het thema loopt door het hele boek: Joël 2:1, 2:11 en in het vervolg van het boek.

Vergelijk Jes. 13:6 en Ezech. 30:3.

כְּשֹׁד מִשַּׁדַּי (keshod mishaddai), ‘als een verwoesting van Sjaddai’: in het Hebreeuws klinken ‘verwoesting’ (shod) en ‘Sjaddai’ bijna hetzelfde. Wij houden de naam Sjaddai.

16Is het voedsel niet voor onze ogen afgesneden, en uit het huis van onze Elohim de blijdschap en de jubel?
הֲל֛וֹא
(halo)
is het niet
נֶ֥גֶד
(neged)
voor
עֵינֵ֖ינוּ
(eineinu)
onze ogen
אֹ֣כֶל
(okhel)
voedsel
נִכְרָ֑ת
(nikhrat)
afgesneden
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit het huis van
אֱלֹהֵ֖ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
שִׂמְחָ֥ה
(simcha)
blijdschap
וָגִֽיל
(vagil)
en jubel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De zaadkorrels zijn verschrompeld onder hun kluiten. De voorraadschuren liggen verwoest, de graanschuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.
עָבְשׁ֣וּ
(aveshu)
zijn verschrompeld
פְרֻד֗וֹת
(perudot)
zaadkorrels
תַּ֚חַת
(tachat)
onder
מֶגְרְפֹ֣תֵיהֶ֔ם
(megrefoteihem)
hun kluiten
נָשַׁ֨מּוּ֙
(nashamu)
liggen verwoest
אֹֽצָר֔וֹת
(otsarot)
voorraadschuren
נֶהֶרְס֖וּ
(nehersu)
zijn afgebroken
מַמְּגֻר֑וֹת
(mamegurot)
graanschuren
כִּ֥י
(ki)
want
הֹבִ֖ישׁ
(hovish)
is verdord
דָּגָֽן
(dagan)
het koren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers bevat drie woorden die elders niet of zelden voorkomen: פְּרֻדוֹת (perudot), ‘zaadkorrels’; מֶגְרְפֹתֵיהֶם (megrefoteihem), ‘hun kluiten’; מַמְּגֻרוֹת (mammegurot), ‘graanschuren’.

De betekenis van de eerste twee is onzeker.

Het beeld is dat het zaad in de droge grond verschrompelt.

De voorraadschuren staan leeg en vervallen.

18Hoe zucht het vee! De runderkudden zijn in verwarring, want zij hebben geen weide. Ook de kudden kleinvee boeten.
מַה
(ma)
hoe
נֶּאֶנְחָ֣ה
(neencha)
zucht
בְהֵמָ֗ה
(behema)
het vee
נָבֹ֨כוּ֙
(navokhu)
zijn in verwarring
עֶדְרֵ֣י
(edrei)
de kudden van
בָקָ֔ר
(baqar)
runderen
כִּ֛י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet is er
מִרְעֶ֖ה
(mire)
weide
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
גַּם
(gam)
ook
עֶדְרֵ֥י
(edrei)
de kudden van
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
נֶאְשָֽׁמוּ
(neshamu)
boeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶאְשָׁמוּ (ne’shamu), ‘boeten’: het werkwoord hoort bij ‘schuld’ (asham) en kan ook ‘lijden’ of ‘verwoest zijn’ betekenen.

Het vee draagt de gevolgen mee.

Het gebed van Joël

19Tot U, Yahweh, roep ik, want vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld verzengd.
אֵלֶ֥יךָ
(eleikha)
tot U
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶקְרָ֑א
(eqra)
roep ik
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֗שׁ
(esh)
vuur
אָֽכְלָה֙
(akhela)
heeft verteerd
נְא֣וֹת
(neot)
de weiden van
מִדְבָּ֔ר
(midbar)
de woestijn
וְלֶ֣הָבָ֔ה
(velehava)
en een vlam
לִהֲטָ֖ה
(lihata)
heeft verzengd
כָּל
(kal)
alle
עֲצֵ֥י
(atsei)
bomen van
הַשָּׂדֶֽה
(hasade)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Joël spreekt hier Yahweh rechtstreeks aan, met ‘U’.

De woorden zijn van de profeet, daarom staan zij zwart.

Vers 20 gaat door met dezelfde aanspreking.

20Ook de dieren van het veld hijgen naar U, want de waterbeken zijn opgedroogd, en vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd.
גַּם
(gam)
ook
בַּהֲמ֥וֹת
(bahamot)
de dieren van
שָׂדֶ֖ה
(sade)
het veld
תַּעֲר֣וֹג
(taarog)
hijgen
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
naar U
כִּ֤י
(ki)
want
יָֽבְשׁוּ֙
(yaveshu)
zijn opgedroogd
אֲפִ֣יקֵי
(afiqei)
de beken van
מָ֔יִם
(mayim)
water
וְאֵ֕שׁ
(veesh)
en vuur
אָכְלָ֖ה
(akhela)
heeft verteerd
נְא֥וֹת
(neot)
de weiden van
הַמִּדְבָּֽר
(hamidbar)
de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)