Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het woord van Yahweh aan Joël
1Het woord van Yahweh dat tot Joël, de zoon van Petoeël, kwam.
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֔ה
(haya)
kwam
אֶל
(el)
tot
יוֹאֵ֖ל
(yoel)
Joël
בֶּן
(ben)
zoon van
פְּתוּאֵֽל
(petuel)
Petoeël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹאֵל (Yo’el), ‘Joël’: de naam betekent ‘Yahweh is El’.
Over Joël en zijn vader Petoeël (פְּתוּאֵל) weten wij alleen wat hier staat.
Het boek noemt geen koning, dus de tijd waarin Joël optrad is niet te bepalen.
4Wat de knipper overliet, heeft de sprinkhaan opgegeten. Wat de sprinkhaan overliet, heeft de vreter opgegeten. Wat de vreter overliet, heeft de kaalvreter opgegeten.
יֶ֤תֶר
(yeter)
wat overbleef van
הַגָּזָם֙
(hagazam)
de knipper
אָכַ֣ל
(akhal)
heeft opgegeten
הָֽאַרְבֶּ֔ה
(haarbe)
de sprinkhaan
וְיֶ֥תֶר
(veyeter)
en wat overbleef van
הָאַרְבֶּ֖ה
(haarbe)
de sprinkhaan
אָכַ֣ל
(akhal)
heeft opgegeten
הַיָּ֑לֶק
(hayaleq)
de vreter
וְיֶ֣תֶר
(veyeter)
en wat overbleef van
הַיֶּ֔לֶק
(hayeleq)
de vreter
אָכַ֖ל
(akhal)
heeft opgegeten
הֶחָסִֽיל
(hechasil)
de kaalvreter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier staan vier woorden voor sprinkhanen of voor de stadia van de sprinkhaan: גָּזָם (gazam), ‘knipper’; אַרְבֶּה (arbeh), ‘sprinkhaan’; יֶלֶק (yelek), ‘vreter’; חָסִיל (chasil), ‘kaalvreter’.
Welk woord welke soort of welke fase is, is onzeker.
Wij houden in het hele boek dezelfde vier namen aan; in Joël 2:25 staan zij in een andere volgorde.
5Word wakker, dronkaards, en huil. Jammer, alle wijndrinkers, om de zoete wijn, want die is uit jullie mond afgesneden.
הָקִ֤יצוּ
(haqitsu)
word wakker
שִׁכּוֹרִים֙
(shikorim)
dronkaards
וּבְכ֔וּ
(uvekhu)
en huilt
וְהֵילִ֖לוּ
(veheililu)
en jammert
כָּל
(kal)
alle
שֹׁ֣תֵי
(shotei)
drinkers van
יָ֑יִן
(yayin)
wijn
עַל
(al)
om
עָסִ֕יס
(asis)
zoete wijn
כִּ֥י
(ki)
want
נִכְרַ֖ת
(nikhrat)
is afgesneden
מִפִּיכֶֽם
(mipikhem)
uit jullie mond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָסִיס (asis), ‘zoete wijn’: het sap van de druif of de nieuwe, zoete wijn.
Wij onderscheiden het van תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’ (vers 10).
נִכְרַת (nikhrat), ‘is afgesneden’: hetzelfde werkwoord staat in de verzen 9 en 16. Wat het land niet meer geeft, wordt van de tafel en het huis van Yahweh weggesneden.
6Want een volk is opgetrokken tegen mijn land, machtig en zonder getal. Zijn tanden zijn de tanden van een leeuw, en het heeft de kiezen van een leeuwin.
כִּֽי
(ki)
want
גוֹי֙
(goy)
een volk
עָלָ֣ה
(ala)
is opgetrokken
עַל
(al)
tegen
אַרְצִ֔י
(artsi)
mijn land
עָצ֖וּם
(atsum)
machtig
וְאֵ֣ין
(veein)
en geen
מִסְפָּ֑ר
(mispar)
getal
שִׁנָּיו֙
(shinav)
zijn tanden
שִׁנֵּ֣י
(shinei)
tanden van
אַרְיֵ֔ה
(arye)
een leeuw
וּֽמְתַלְּע֥וֹת
(umetaleot)
en kiezen van
לָבִ֖יא
(lavi)
een leeuwin
לֽוֹ
(lo)
heeft het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גּוֹי (goy), ‘volk’: het Hebreeuws noemt hier een volk met tanden van een leeuw.
Het beeld past bij de sprinkhanenzwerm van vers 4; sommigen denken ook aan een vijandelijk leger.
Het Hebreeuws kiest niet, en wij laten het beeld staan.
‘Mijn land’: wie hier spreekt, is niet aangegeven. Het kan de profeet zijn, namens het volk, of Yahweh Zelf (vergelijk ‘Zijn land’ in Joël 2:18). Wij zetten het in de woorden van de profeet en schrijven ‘mijn’ met een kleine letter.
7Het heeft van mijn wijnstok een woestenij gemaakt en van mijn vijgenboom splinters. Het heeft hem helemaal kaalgestript en weggegooid. De takken zijn wit geworden.
שָׂ֤ם
(sam)
heeft gemaakt
גַּפְנִי֙
(gafni)
mijn wijnstok
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot een woestenij
וּתְאֵנָתִ֖י
(uteenati)
en mijn vijgenboom
לִקְצָפָ֑ה
(liqtsafa)
tot splinters
חָשֹׂ֤ף
(chasof)
helemaal kaalgestript
חֲשָׂפָהּ֙
(chasafah)
heeft het hem
וְהִשְׁלִ֔יךְ
(vehishlikh)
en weggegooid
הִלְבִּ֖ינוּ
(hilbinu)
zijn wit geworden
שָׂרִיגֶֽיהָ
(sarigeiha)
zijn takken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְצָפָה (qetsafah), ‘splinters’: het woord staat alleen hier.
De betekenis is onzeker: ‘splinters’, ‘afgebroken stukken’ of ‘schuim’.
De sprinkhanen vreten de bast van de stam, zodat de takken wit worden.
12De wijnstok is verdord en de vijgenboom is verkwijnd. Granaatappelboom, ook palm en appelboom, alle bomen van het veld zijn uitgedroogd. Want de vreugde is verdord bij de mensenkinderen.
הַגֶּ֣פֶן
(hagefen)
de wijnstok
הוֹבִ֔ישָׁה
(hovisha)
is verdord
וְהַתְּאֵנָ֖ה
(vehateena)
en de vijgenboom
אֻמְלָ֑לָה
(umlala)
is verkwijnd
רִמּ֞וֹן
(rimon)
granaatappelboom
גַּם
(gam)
ook
תָּמָ֣ר
(tamar)
palm
וְתַפּ֗וּחַ
(vetapuach)
en appelboom
כָּל
(kal)
alle
עֲצֵ֤י
(atsei)
bomen van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
יָבֵ֔שׁוּ
(yaveshu)
zijn uitgedroogd
כִּֽי
(ki)
want
הֹבִ֥ישׁ
(hovish)
is verdord
שָׂשׂ֖וֹן
(sason)
de vreugde
מִן
(min)
van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
אָדָֽם
(adam)
mensen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּפּוּחַ (tappuach), ‘appelboom’: de boom is niet zeker vast te stellen; het kan ook de abrikozenboom of de kweepeer zijn.
הֹבִישׁ (hovish) aan het slot: ‘is verdord’. Zie de Uitleg bij vers 10. De vreugde van de mensen verdort met het gewas.
13Gord je om en rouw, priesters. Jammer, dienaren van het altaar. Kom, breng de nacht door in rouwkleden, dienaren van mijn Elohim. Want graanoffer en plengoffer zijn onthouden aan het huis van jullie Elohim.
חִגְר֨וּ
(chigru)
gordt u om
וְסִפְד֜וּ
(vesifdu)
en rouwt
הַכֹּהֲנִ֗ים
(hakohanim)
de priesters
הֵילִ֨ילוּ֙
(heililu)
jammert
מְשָׁרְתֵ֣י
(mesharetei)
dienaren van
מִזְבֵּ֔חַ
(mizbeach)
het altaar
בֹּ֚אוּ
(bou)
komt
לִ֣ינוּ
(linu)
breng de nacht door
בַשַּׂקִּ֔ים
(basaqim)
in de rouwkleden
מְשָׁרְתֵ֖י
(mesharetei)
dienaren van
אֱלֹהָ֑י
(elohay)
mijn Elohim
כִּ֥י
(ki)
want
נִמְנַ֛ע
(nimna)
is onthouden
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
aan het huis van
אֱלֹהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
מִנְחָ֥ה
(mincha)
graanoffer
וָנָֽסֶךְ
(vanasekh)
en plengoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Heilig een vasten, roep een plechtige bijeenkomst uit. Breng de oudsten samen, alle inwoners van het land, in het huis van Yahweh, jullie Elohim. En roep om hulp tot Yahweh.
קַדְּשׁוּ
(qadeshu)
heiligt
צוֹם֙
(tsom)
een vasten
קִרְא֣וּ
(qiru)
roept uit
עֲצָרָ֔ה
(atsara)
een plechtige bijeenkomst
אִסְפ֣וּ
(isfu)
brengt samen
זְקֵנִ֗ים
(zeqenim)
oudsten
כֹּ֚ל
(kol)
alle
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
בֵּ֖ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֑ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְזַעֲק֖וּ
(vezaaqu)
en roept om hulp
אֶל
(el)
tot
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲצָרָה (atsarah), ‘plechtige bijeenkomst’: een samenkomst waarbij het volk zich van gewone arbeid onthoudt.
Het woord is verwant aan עֲצֶרֶת (atseret), dat wij in Lev. 23:36 en Deut. 16:8 met ‘slotsamenkomst’ vertalen.
Hier gaat het om een bijzondere bijeenkomst bij een vasten, niet om het slot van een feest.
15Wee, die dag! Want de dag van Yahweh is nabij, en als een verwoesting van Sjaddai komt hij.
אֲהָ֖הּ
(ahah)
wee
לַיּ֑וֹם
(layom)
die dag
כִּ֤י
(ki)
want
קָרוֹב֙
(qarov)
nabij
י֣וֹם
(yom)
de dag van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּכְשֹׁ֖ד
(ukheshod)
en als een verwoesting
מִשַׁדַּ֥י
(mishaday)
van Sjaddai
יָבֽוֹא
(yavo)
komt hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh zichtbaar ingrijpt en oordeelt.
Het thema loopt door het hele boek: Joël 2:1, 2:11 en in het vervolg van het boek.
Vergelijk Jes. 13:6 en Ezech. 30:3.
כְּשֹׁד מִשַּׁדַּי (keshod mishaddai), ‘als een verwoesting van Sjaddai’: in het Hebreeuws klinken ‘verwoesting’ (shod) en ‘Sjaddai’ bijna hetzelfde. Wij houden de naam Sjaddai.
17De zaadkorrels zijn verschrompeld onder hun kluiten. De voorraadschuren liggen verwoest, de graanschuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.
עָבְשׁ֣וּ
(aveshu)
zijn verschrompeld
פְרֻד֗וֹת
(perudot)
zaadkorrels
תַּ֚חַת
(tachat)
onder
מֶגְרְפֹ֣תֵיהֶ֔ם
(megrefoteihem)
hun kluiten
נָשַׁ֨מּוּ֙
(nashamu)
liggen verwoest
אֹֽצָר֔וֹת
(otsarot)
voorraadschuren
נֶהֶרְס֖וּ
(nehersu)
zijn afgebroken
מַמְּגֻר֑וֹת
(mamegurot)
graanschuren
כִּ֥י
(ki)
want
הֹבִ֖ישׁ
(hovish)
is verdord
דָּגָֽן
(dagan)
het koren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers bevat drie woorden die elders niet of zelden voorkomen: פְּרֻדוֹת (perudot), ‘zaadkorrels’; מֶגְרְפֹתֵיהֶם (megrefoteihem), ‘hun kluiten’; מַמְּגֻרוֹת (mammegurot), ‘graanschuren’.
De betekenis van de eerste twee is onzeker.
Het beeld is dat het zaad in de droge grond verschrompelt.