Elohim Bijbel

2 Kronieken 6

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Het gebed van Salomo bij de inwijding van het huis

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Salomo spreekt tot het volk

1Toen zei Salomo: „Yahweh heeft gezegd dat Hij in de donkere wolk zou wonen.
אָ֖ז
(az)
toen
אָמַ֣ר
(amar)
zei
שְׁלֹמֹ֑ה
(shelomo)
Salomo
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אָמַ֔ר
(amar)
heeft gezegd
לִשְׁכּ֖וֹן
(lishkon)
te wonen
בָּעֲרָפֶֽל
(baarafel)
in de donkere wolk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk loopt grotendeels parallel met 1 Kon. 8:12–53.

De verzen 41–42 staan daar niet.

Waar de tekst afwijkt, wijzen wij dat aan.

עֲרָפֶל (arafel), ‘donkere wolk’: zoals in Exod. 20:21 en Deut. 4:11. De verzen 1–2 zijn een kort lied van Salomo (1 Kon. 8:12–13).

2Ik heb voor U een verheven huis gebouwd, een vaste plaats voor U om voor altijd te wonen.”
וַֽאֲנִ֛י
(vaani)
en ik
בָּנִ֥יתִי
(baniti)
heb gebouwd
בֵית
(beit)
een huis van
זְבֻ֖ל
(zevul)
verheffing
לָ֑ךְ
(lakh)
voor U
וּמָכ֥וֹן
(umakhon)
en een vaste plaats
לְשִׁבְתְּךָ֖
(leshivtekha)
voor Uw woning
עוֹלָמִֽים
(olamim)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זְבֻל (zevul), ‘verheven woning’.

מָכוֹן (makon), ‘vaste plaats’: het woord komt ook voor in de verzen 30, 33 en 39, waar het de hemel is.

3De koning draaide zich om en zegende heel de vergadering van Israël. Heel de vergadering van Israël stond.
וַיַּסֵּ֤ב
(vayasev)
en draaide om
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
וַיְבָ֕רֶךְ
(vayvarekh)
en zegende
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֣ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְכָל
(vekhal)
en heel
קְהַ֥ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עוֹמֵֽד
(omed)
staande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Hij zei: „Gezegend is Yahweh, de Elohim van Israël. Hij heeft met Zijn mond gesproken tot mijn vader David, en met Zijn hand heeft Hij het vervuld. Hij zei:
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
בָּר֤וּךְ
(barukh)
gezegend is
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
דִּבֶּ֣ר
(diber)
heeft gesproken
בְּפִ֔יו
(befiv)
met Zijn mond
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
וּבְיָדָ֥יו
(uveyadav)
en met Zijn hand
מִלֵּ֖א
(mile)
heeft vervuld
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Salomo haalt hier woorden van Yahweh aan (verzen 5–6 en 8–9).

Wij zetten ze zwart, met enkele aanhalingstekens, omdat een mens ze citeert.

Zo ook in 1 Kon. 8:15–19 en bij Natan in 1 Kron. 17:4–14.

בָּרוּךְ (baruch), ‘gezegend’: Yahweh wordt geprezen. De belofte waarnaar Salomo verwijst staat in 2 Sam. 7:12–13 en 1 Kron. 22:7–10.

5‘Vanaf de dag dat Ik Mijn volk uit het land Egypte heb geleid, heb Ik uit alle stammen van Israël geen stad gekozen om een huis te bouwen. Daar zou Mijn naam zijn. En Ik heb geen man gekozen om leider te zijn over Mijn volk Israël.
מִן
(min)
vanaf
הַיּ֗וֹם
(hayom)
de dag
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
הוֹצֵ֣אתִי
(hotseti)
Ik uitleidde
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֮
(ami)
Mijn volk
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרַיִם֒
(mitsrayim)
Egypte
לֹא
(lo)
niet
בָחַ֣רְתִּֽי
(bacharti)
heb Ik gekozen
בְעִ֗יר
(beir)
een stad
מִכֹּל֙
(mikol)
uit alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לִבְנ֣וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֔יִת
(bayit)
een huis
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
zodat zou zijn
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וְלֹא
(velo)
en niet
בָחַ֣רְתִּֽי
(bacharti)
heb Ik gekozen
בְאִ֔ישׁ
(beish)
een man
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
נָגִ֖יד
(nagid)
leider
עַל
(al)
over
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

נָגִיד (nagid), ‘leider’: een aangewezen leider of vorst, zoals in 1 Kron. 17:7.

Lezing

De verzen 5–6 hebben meer dan 1 Kon. 8:16.

Hier staat ook: ‘Ik heb geen man gekozen om leider te zijn over Mijn volk.’

Wij volgen de Masoretische tekst.

6Maar Ik heb Jeruzalem gekozen, zodat Mijn naam daar zou zijn. En Ik heb David gekozen om over Mijn volk Israël te zijn.’
וָאֶבְחַר֙
(vaevchar)
en Ik koos
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
Jeruzalem
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
zodat zou zijn
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וָאֶבְחַ֣ר
(vaevchar)
en Ik koos
בְּדָוִ֔יד
(bedavid)
David
לִהְי֖וֹת
(lihyot)
om te zijn
עַל
(al)
over
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Hier wordt de gekozen stad bij naam genoemd: Jeruzalem.

Vergelijk Deut. 12:5, 11: Yahweh zou een plaats kiezen om Zijn naam daar te laten wonen.

In 1 Kon. 8:16 staat alleen dat Yahweh David koos.

7Mijn vader David had het in zijn hart om een huis te bouwen voor de naam van Yahweh, de Elohim van Israël.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
עִם
(im)
met
לְבַ֖ב
(levav)
het hart van
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֑י
(avi)
mijn vader
לִבְנ֣וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֔יִת
(bayit)
een huis
לְשֵׁ֥ם
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Yahweh zei tegen mijn vader David: ‘Omdat het in je hart was om een huis te bouwen voor Mijn naam, heb je goed gedaan. Het was immers in je hart.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
הָיָה֙
(haya)
het was
עִם
(im)
met
לְבָ֣בְךָ֔
(levavekha)
je hart
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
om te bouwen
בַּ֖יִת
(bayit)
een huis
לִשְׁמִ֑י
(lishmi)
voor Mijn naam
הֱֽטִיב֔וֹתָ
(hetivota)
heb je goed gedaan
כִּ֥י
(ki)
want
הָיָ֖ה
(haya)
het was
עִם
(im)
met
לְבָבֶֽךָ
(levavekha)
je hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Alleen, jij zult het huis niet bouwen. Maar je zoon, die uit je lendenen voortkomt, hij zal het huis bouwen voor Mijn naam.’
רַ֣ק
(raq)
alleen
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
לֹ֥א
(lo)
niet
תִבְנֶ֖ה
(tivne)
zult bouwen
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
כִּ֤י
(ki)
maar
בִנְךָ֙
(binkha)
je zoon
הַיּוֹצֵ֣א
(hayotse)
die voortkomt
מֵֽחֲלָצֶ֔יךָ
(mechalatseikha)
uit je lendenen
הֽוּא
(hu)
hij
יִבְנֶ֥ה
(yivne)
zal bouwen
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
לִשְׁמִֽי
(lishmi)
voor Mijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲלָצַיִם (chalatsayim), ‘lendenen’: ‘uit je lendenen voortkomen’ betekent ‘van jou afstammen’, zoals in Gen. 35:11.

10Yahweh heeft Zijn woord bevestigd dat Hij heeft gesproken. Ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David en ik zit op de troon van Israël, zoals Yahweh heeft gesproken. Ik heb het huis gebouwd voor de naam van Yahweh, de Elohim van Israël.
וַיָּ֣קֶם
(vayaqem)
en bevestigde
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָר֖וֹ
(devaro)
Zijn woord
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
דִּבֵּ֑ר
(diber)
Hij heeft gesproken
וָאָק֡וּם
(vaaqum)
en ik ben opgestaan
תַּחַת֩
(tachat)
in de plaats van
דָּוִ֨יד
(david)
David
אָבִ֜י
(avi)
mijn vader
וָאֵשֵׁ֣ב
(vaeshev)
en ik zit
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij heeft gesproken
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וָאֶבְנֶ֣ה
(vaevne)
en ik heb gebouwd
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
לְשֵׁ֥ם
(leshem)
voor de naam van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Daar heb ik de ark neergezet. In de ark ligt het verbond van Yahweh, dat Hij sloot met de zonen van Israël.”
וָאָשִׂ֥ים
(vaasim)
en ik heb gezet
שָׁם֙
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אָר֔וֹן
(haaron)
de ark
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
כָּרַ֖ת
(karat)
Hij sloot
עִם
(im)
met
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier staat dat het verbond met ‘de zonen van Israël’ is gesloten.

In 1 Kon. 8:21 staat ‘met onze vaders’.

Salomo knielt neer

12Hij ging staan voor het altaar van Yahweh, tegenover heel de vergadering van Israël, en spreidde zijn handen uit.
וַֽיַּעֲמֹ֗ד
(vayaamod)
en ging staan
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
נֶ֖גֶד
(neged)
tegenover
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֣ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּפְרֹ֖שׂ
(vayifros)
en spreidde uit
כַּפָּֽיו
(kapav)
zijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit vers staat geen naam.

Het gaat om Salomo, die in de verzen 1–4 spreekt en in vers 13 wordt genoemd.

13Want Salomo had een koperen platform gemaakt en midden op de binnenplaats gezet: vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog. Hij ging erop staan, knielde neer tegenover heel de vergadering van Israël en spreidde zijn handen uit naar de hemel.
כִּֽי
(ki)
want
עָשָׂ֨ה
(asa)
maakte
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
כִּיּ֣וֹר
(kiyor)
een platform van
נְחֹ֗שֶׁת
(nechoshet)
koper
וַֽיִּתְּנֵהוּ֮
(vayitenehu)
en zette het
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָעֲזָרָה֒
(haazara)
de binnenplaats
חָמֵ֨שׁ
(chamesh)
vijf
אַמּ֜וֹת
(amot)
el
אָרְכּ֗וֹ
(arko)
zijn lengte
וְחָמֵ֤שׁ
(vechamesh)
en vijf
אַמּוֹת֙
(amot)
el
רָחְבּ֔וֹ
(rachbo)
zijn breedte
וְאַמּ֥וֹת
(veamot)
en el
שָׁל֖וֹשׁ
(shalosh)
drie
קוֹמָת֑וֹ
(qomato)
zijn hoogte
וַיַּעֲמֹ֣ד
(vayaamod)
en ging staan
עָלָ֗יו
(alav)
erop
וַיִּבְרַ֤ךְ
(vayivrakh)
en knielde
עַל
(al)
op
בִּרְכָּיו֙
(birkav)
zijn knieën
נֶ֚גֶד
(neged)
tegenover
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֣ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיִּפְרֹ֥שׂ
(vayifros)
en spreidde uit
כַּפָּ֖יו
(kapav)
zijn handen
הַשָּׁמָֽיְמָה
(hashamayema)
naar de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּיּוֹר (kiyyor), ‘platform’: een koperen verhoging.

Hetzelfde woord is elders ‘wasbekken’ (Exod. 30:18; 1 Kon. 7:38).

Wij kiezen hier ‘platform’, omdat Salomo erop staat.

עֲזָרָה (azarah), ‘binnenplaats’: een plein bij het huis. De tekst zegt niet precies waar. Het is een ander woord dan חָצֵר (chatser), ‘voorhof’.

Een el is ongeveer 45 cm. Vijf el is dus ongeveer 2,25 meter en drie el ongeveer 1,35 meter.

Lezing

Dit platform staat niet in 1 Kon. 8:22.

Dat vers zegt alleen dat Salomo voor het altaar stond.

In 1 Kon. 8:54 staat dat hij op zijn knieën had gelegen.

Het gebed van Salomo

14Hij zei: „Yahweh, Elohim van Israël, er is geen Elohim zoals U, in de hemel en op de aarde. U houdt het verbond en de trouw voor Uw dienaars, die met heel hun hart voor Uw aangezicht gaan.
וַיֹּאמַ֗ר
(vayomar)
en zei
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֵין
(ein)
er is niet
כָּמ֣וֹךָ
(kamokha)
zoals U
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
בַּשָּׁמַ֖יִם
(bashamayim)
in de hemel
וּבָאָ֑רֶץ
(uvaarets)
en op de aarde
שֹׁמֵ֤ר
(shomer)
die houdt
הַבְּרִית֙
(haberit)
het verbond
וְֽהַחֶ֔סֶד
(vehachesed)
en de trouw
לַעֲבָדֶ֕יךָ
(laavadeikha)
aan Uw dienaars
הַהֹלְכִ֥ים
(haholekhim)
die gaan
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לִבָּֽם
(libam)
hun hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵין כָּמוֹךָ (ein kamokha), ‘er is niemand zoals U’: vergelijk Exod. 15:11 en Deut. 4:35, 39.

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.

‘Het verbond en de trouw houden’ staat ook in Deut. 7:9.

Vanaf hier spreekt Salomo Yahweh rechtstreeks aan, tot en met vers 42.

15U hebt gehouden wat U tegen Uw dienaar, mijn vader David, hebt gesproken. Met Uw mond hebt U gesproken en met Uw hand hebt U het vervuld, zoals het vandaag is.
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שָׁמַ֗רְתָּ
(shamarta)
U hebt gehouden
לְעַבְדְּךָ֙
(leavdekha)
aan Uw dienaar
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
דִּבַּ֖רְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
ל֑וֹ
(lo)
tegen hem
וַתְּדַבֵּ֥ר
(vatedaber)
en U sprak
בְּפִ֛יךָ
(befikha)
met Uw mond
וּבְיָדְךָ֥
(uveyadekha)
en met Uw hand
מִלֵּ֖אתָ
(mileta)
hebt U vervuld
כַּיּ֥וֹם
(kayom)
zoals de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Nu dan, Yahweh, Elohim van Israël, houd wat U tegen Uw dienaar, mijn vader David, hebt gesproken. U zei: ‘Er zal voor jou niemand worden afgesneden die voor Mijn aangezicht op de troon van Israël zit. Alleen als je zonen op hun weg letten, om in Mijn wet te gaan, zoals jij voor Mijn aangezicht bent gegaan.’
וְעַתָּ֞ה
(veata)
en nu
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
שְׁ֠מֹר
(shemor)
houd
לְעַבְדְּךָ֨
(leavdekha)
aan Uw dienaar
דָוִ֤יד
(david)
David
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
דִּבַּ֤רְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
לּוֹ֙
(lo)
tegen hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹא
(lo)
niet
יִכָּרֵ֨ת
(yikaret)
zal afgesneden worden
לְךָ֥
(lekha)
voor jou
אִישׁ֙
(ish)
man
מִלְּפָנַ֔י
(milefanay)
van Mijn aangezicht
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
zittend
עַל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
רַ֠ק
(raq)
alleen
אִם
(im)
als
יִשְׁמְר֨וּ
(yishmeru)
bewaken
בָנֶ֜יךָ
(baneikha)
je zonen
אֶת
(et)
(obj.)
דַּרְכָּ֗ם
(darkam)
hun weg
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
om te gaan
בְּת֣וֹרָתִ֔י
(betorati)
in Mijn wet
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
הָלַ֖כְתָּ
(halakhta)
je bent gegaan
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: de onderwijzing van Yahweh, de wet van Mozes (Deut. 17:18–20).

In 1 Kon. 8:25 staat hier ‘voor Mijn aangezicht te gaan’.

לֹא יִכָּרֵת לְךָ אִישׁ (lo yikkaret lekha ish), ‘er zal voor jou niemand worden afgesneden’: David zal altijd een opvolger op de troon hebben. Zie 1 Kon. 2:4 en 2 Sam. 7:12–16.

17Nu dan, Yahweh, Elohim van Israël, laat Uw woord bevestigd worden, dat U tegen Uw dienaar David hebt gesproken.
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
יֵֽאָמֵן֙
(yeamen)
laat bevestigd worden
דְּבָ֣רְךָ֔
(devarekha)
Uw woord
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
דִּבַּ֖רְתָּ
(dibarta)
U hebt gesproken
לְעַבְדְּךָ֥
(leavdekha)
aan Uw dienaar
לְדָוִֽיד
(ledavid)
David
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Maar zal Elohim werkelijk bij de mens op de aarde wonen? Zie, de hemel en de hemel van de hemelen kunnen U niet bevatten. Hoeveel minder dit huis dat ik heb gebouwd!
כִּ֚י
(ki)
want
הַֽאֻמְנָ֔ם
(haumnam)
is het werkelijk dat
יֵשֵׁ֧ב
(yeshev)
zal wonen
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
bij
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
עַל
(al)
op
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
הִ֠נֵּה
(hine)
zie
שָׁמַ֜יִם
(shamayim)
de hemel
וּשְׁמֵ֤י
(ushemei)
en de hemel van
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemelen
לֹ֣א
(lo)
niet
יְכַלְכְּל֔וּךָ
(yekhalkelukha)
kunnen U bevatten
אַ֕ף
(af)
hoeveel
כִּֽי
(ki)
minder
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בָּנִֽיתִי
(baniti)
ik heb gebouwd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַאֻמְנָם (ha’umnam), ‘werkelijk’.

Hier staat ‘bij de mens op de aarde’ (אֶת הָאָדָם עַל הָאָרֶץ); 1 Kon. 8:27 heeft alleen ‘op de aarde’.

שְׁמֵי הַשָּׁמַיִם (shemei hashamayim), ‘de hemel van de hemelen’: de hoogste hemel, zoals in Deut. 10:14.

19Wend U tot het gebed van Uw dienaar en tot zijn smeking, Yahweh, mijn Elohim. Luister naar de roep en naar het gebed dat Uw dienaar voor Uw aangezicht bidt.
וּפָנִ֜יתָ
(ufanita)
en wend U
אֶל
(el)
tot
תְּפִלַּ֧ת
(tefilat)
het gebed van
עַבְדְּךָ֛
(avdekha)
Uw dienaar
וְאֶל
(veel)
en tot
תְּחִנָּת֖וֹ
(techinato)
zijn smeking
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֑י
(elohay)
mijn Elohim
לִשְׁמֹ֤עַ
(lishmoa)
om te luisteren
אֶל
(el)
naar
הָרִנָּה֙
(harina)
de roep
וְאֶל
(veel)
en naar
הַתְּפִלָּ֔ה
(hatefila)
het gebed
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
Uw dienaar
מִתְפַּלֵּ֥ל
(mitpalel)
bidt
לְפָנֶֽיךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִנָּה (rinnah), ‘roep’: een luide kreet, van vreugde of in nood.

20Laat Uw ogen dag en nacht geopend zijn over dit huis, over de plaats waarvan U hebt gezegd dat U Uw naam daar zou vestigen. Luister naar het gebed dat Uw dienaar bidt in de richting van deze plaats.
לִהְיוֹת֩
(lihyot)
opdat zijn
עֵינֶ֨יךָ
(eineikha)
Uw ogen
פְתֻח֜וֹת
(petuchot)
geopend
אֶל
(el)
naar
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּה֙
(haze)
dit
יוֹמָ֣ם
(yomam)
overdag
וָלַ֔יְלָה
(valayla)
en 's nachts
אֶל
(el)
naar
הַ֨מָּק֔וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אָמַ֔רְתָּ
(amarta)
U hebt gezegd
לָשׂ֥וּם
(lasum)
om te vestigen
שִׁמְךָ֖
(shimkha)
Uw naam
שָׁ֑ם
(sham)
daar
לִשְׁמ֨וֹעַ֙
(lishmoa)
om te luisteren
אֶל
(el)
naar
הַתְּפִלָּ֔ה
(hatefila)
het gebed
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יִתְפַּלֵּ֣ל
(yitpalel)
zal bidden
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לָשׂוּם שִׁמְךָ שָׁם (lasum shimkha sham), ‘Uw naam daar vestigen’: zoals in Deut. 12:5.

In 1 Kon. 8:29 staat hier ‘Mijn naam zal daar zijn’.

21Luister naar de smekingen van Uw dienaar en van Uw volk Israël, wanneer zij bidden in de richting van deze plaats. Luister, U, vanuit de plaats waar U woont, vanuit de hemel. Luister dan en vergeef.
וְשָׁ֨מַעְתָּ֜
(veshamata)
en luister
אֶל
(el)
naar
תַּחֲנוּנֵ֤י
(tachanunei)
de smekingen van
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
Uw dienaar
וְעַמְּךָ֣
(veamekha)
en Uw volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִֽתְפַּֽלְל֖וּ
(yitpallu)
zullen bidden
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֣וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וְ֠אַתָּה
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֞ע
(tishma)
luister
מִמְּק֤וֹם
(mimeqom)
vanuit de plaats van
שִׁבְתְּךָ֙
(shivtekha)
Uw woning
מִן
(min)
vanuit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְשָׁמַעְתָּ֖
(veshamata)
en luister
וְסָלָֽחְתָּ
(vesalachta)
en vergeef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁמַע (shama), ‘luisteren’: wij vertalen dit werkwoord in het hele gebed met ‘luisteren’.

De vormen met ‘en’ (וְשָׁמַעְתָּ, veshamata) zijn hier een bede.

Vanaf het volgende vers volgen zeven situaties (verzen 22–39). Elke situatie begint met ‘wanneer’ en gaat verder met ‘luister dan vanuit de hemel’.

Bij een eed

22Wanneer iemand tegen zijn naaste zondigt en hem een eed wordt opgelegd om hem te laten zweren, en die eed komt voor Uw altaar in dit huis,
אִם
(im)
wanneer
יֶחֱטָ֥א
(yecheta)
zondigt
אִישׁ֙
(ish)
een man
לְרֵעֵ֔הוּ
(lereehu)
tegen zijn naaste
וְנָֽשָׁא
(venasha)
en wordt opgelegd
ב֥וֹ
(bo)
hem
אָלָ֖ה
(ala)
een eed
לְהַֽאֲלֹת֑וֹ
(lehaaloto)
om hem te laten zweren
וּבָ֗א
(uva)
en komt
אָלָ֛ה
(ala)
de eed
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מִֽזְבַּחֲךָ֖
(mizbachakha)
Uw altaar
בַּבַּ֥יִת
(babayit)
in het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָלָה (alah), ‘eed’: een eed met een vloek erbij, bijvoorbeeld in een rechtszaak.

Vergelijk Exod. 22:6–10 en Num. 5:19–22.

וְנָשָׁא בוֹ אָלָה (venasha vo alah), ‘en een eed wordt hem opgelegd’: letterlijk ‘en men draagt een eed op hem’. Wij volgen 1 Kon. 8:31.

23luister dan vanuit de hemel. Handel en spreek recht over Uw dienaars. Vergeld de goddeloze door zijn weg op zijn eigen hoofd te laten neerkomen. Verklaar de rechtvaardige rechtvaardig door hem te geven naar zijn gerechtigheid.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֣ע
(tishma)
luister
מִן
(min)
vanuit
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
וְעָשִׂ֨יתָ֙
(veasita)
en handel
וְשָׁפַטְתָּ֣
(veshafatta)
en spreek recht
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
Uw dienaars
לְהָשִׁ֣יב
(lehashiv)
om te vergelden
לְרָשָׁ֔ע
(lerasha)
de goddeloze
לָתֵ֥ת
(latet)
door te geven
דַּרְכּ֖וֹ
(darko)
zijn weg
בְּרֹאשׁ֑וֹ
(berosho)
op zijn hoofd
וּלְהַצְדִּ֣יק
(ulehatsdiq)
en om rechtvaardig te verklaren
צַדִּ֔יק
(tsadiq)
de rechtvaardige
לָ֥תֶת
(latet)
door te geven
ל֖וֹ
(lo)
hem
כְּצִדְקָתֽוֹ
(ketsidqato)
naar zijn gerechtigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְהָשִׁיב (lehashiv), ‘vergelden’: letterlijk ‘terugbrengen’.

In 1 Kon. 8:32 staat hier לְהַרְשִׁיעַ (leharshia), ‘schuldig verklaren’.

לְהַצְדִּיק (lehatsdiq), ‘rechtvaardig verklaren’: zoals in Deut. 25:1.

Bij een nederlaag

24Wanneer Uw volk Israël verslagen wordt door een vijand, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij terugkeren, Uw naam belijden, bidden en voor Uw aangezicht smeken in dit huis,
וְֽאִם
(veim)
en wanneer
יִנָּגֵ֞ף
(yinagef)
verslagen wordt
עַמְּךָ֧
(amekha)
Uw volk
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אוֹיֵ֖ב
(oyev)
een vijand
כִּ֣י
(ki)
omdat
יֶֽחֶטְאוּ
(yechetu)
zij zondigen
לָ֑ךְ
(lakh)
tegen U
וְשָׁ֨בוּ֙
(veshavu)
en terugkeren
וְהוֹד֣וּ
(vehodu)
en belijden
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמֶ֔ךָ
(shemekha)
Uw naam
וְהִתְפַּֽלְל֧וּ
(vehitpallu)
en bidden
וְהִֽתְחַנְּנ֛וּ
(vehitchanenu)
en smeken
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
בַּבַּ֥יִת
(babayit)
in het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהוֹדוּ אֶת שְׁמֶךָ (vehodu et shemekha), ‘Uw naam belijden’: het werkwoord (יָדָה, yadah) betekent ‘erkennen, belijden, loven’.

Hier gaat het om erkennen wie Yahweh is en om berouw.

Vergelijk Lev. 26:40.

25luister dan vanuit de hemel en vergeef de zonde van Uw volk Israël. Breng hen terug naar de grond die U aan hen en aan hun vaders hebt gegeven.
וְאַתָּה֙
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֣ע
(tishma)
luister
מִן
(min)
vanuit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְסָ֣לַחְתָּ֔
(vesalachta)
en vergeef
לְחַטַּ֖את
(lechatat)
de zonde van
עַמְּךָ֣
(amekha)
Uw volk
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַהֲשֵׁיבוֹתָם֙
(vahasheivotam)
en breng hen terug
אֶל
(el)
naar
הָ֣אֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥תָּה
(natata)
U hebt gegeven
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
וְלַאֲבֹתֵיהֶֽם
(velaavoteihem)
en aan hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bij droogte

26Wanneer de hemel is gesloten en er geen regen valt, omdat zij tegen U hebben gezondigd, en zij bidden in de richting van deze plaats, Uw naam belijden en van hun zonde terugkeren, omdat U hen laat lijden,
בְּהֵעָצֵ֧ר
(beheatser)
bij het sluiten van
הַשָּׁמַ֛יִם
(hashamayim)
de hemel
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
מָטָ֖ר
(matar)
regen
כִּ֣י
(ki)
omdat
יֶֽחֶטְאוּ
(yechetu)
zij zondigen
לָ֑ךְ
(lakh)
tegen U
וְהִֽתְפַּלְל֞וּ
(vehitpallu)
en bidden
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֤וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּה֙
(haze)
deze
וְהוֹד֣וּ
(vehodu)
en belijden
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמֶ֔ךָ
(shemekha)
Uw naam
מֵחַטָּאתָ֥ם
(mechatatam)
van hun zonde
יְשׁוּב֖וּן
(yeshuvun)
terugkeren
כִּ֥י
(ki)
omdat
תַעֲנֵֽם
(taanem)
U laat lijden hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Deut. 11:16–17 en 28:23–24: zonder regen wordt de hemel als koper.

Lezing

תַעֲנֵם (taanem), ‘U laat hen lijden’: van עָנָה (anah), ‘verdrukken, klein maken’.

Sommige oude vertalingen lezen ‘U antwoordt hen’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

27luister dan vanuit de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaars en van Uw volk Israël. Want U leert hun de goede weg waarop zij moeten gaan. Geef regen op Uw land, dat U aan Uw volk hebt gegeven als erfdeel.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֣ע
(tishma)
luister
הַשָּׁמַ֗יִם
(hashamayim)
de hemel
וְסָ֨לַחְתָּ֜
(vesalachta)
en vergeef
לְחַטַּ֤את
(lechatat)
de zonde van
עֲבָדֶ֨יךָ֙
(avadeikha)
Uw dienaars
וְעַמְּךָ֣
(veamekha)
en Uw volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּ֥י
(ki)
want
תוֹרֵ֛ם
(torem)
U leert hen
אֶל
(el)
naar
הַדֶּ֥רֶךְ
(haderekh)
de weg
הַטּוֹבָ֖ה
(hatova)
de goede
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
יֵֽלְכוּ
(yelekhu)
zij gaan
בָ֑הּ
(bah)
erin
וְנָתַתָּ֤ה
(venatata)
en geef
מָטָר֙
(matar)
regen
עַֽל
(al)
op
אַרְצְךָ֔
(artsekha)
Uw land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥תָּה
(natata)
U hebt gegeven
לְעַמְּךָ֖
(leamekha)
aan Uw volk
לְנַחֲלָֽה
(lenachala)
als erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרֵם (torem), ‘U leert hen’: van hetzelfde woord als תּוֹרָה (torah), ‘wet’.

Bij honger en ziekte

28Wanneer er honger is in het land, wanneer er pest is, wanneer er korenbrand, meeldauw, sprinkhanen of rupsen zijn, wanneer zijn vijanden hem belegeren in het land van zijn steden, bij elke plaag en elke ziekte,
רָעָ֞ב
(raav)
honger
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
er is
בָאָ֗רֶץ
(baarets)
in het land
דֶּ֣בֶר
(dever)
pest
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִֽ֠הְיֶה
(yihye)
er is
שִׁדָּפ֨וֹן
(shidafon)
korenbrand
וְיֵרָק֜וֹן
(veyeraqon)
en meeldauw
אַרְבֶּ֤ה
(arbe)
sprinkhaan
וְחָסִיל֙
(vechasil)
en rups
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יִהְיֶ֔ה
(yihye)
er is
כִּ֧י
(ki)
wanneer
יָֽצַר
(yatsar)
belegert
ל֛וֹ
(lo)
hem
אוֹיְבָ֖יו
(oyevav)
zijn vijanden
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
שְׁעָרָ֑יו
(shearav)
zijn steden
כָּל
(kal)
elke
נֶ֖גַע
(nega)
plaag
וְכָֽל
(vekhal)
en elke
מַחֲלָֽה
(machala)
ziekte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Deut. 28:21–22 (pest, korenbrand, meeldauw).

חָסִיל (chasil), ‘rups’: een insectenlarve of een soort sprinkhaan; de betekenis is onzeker.

בְּאֶרֶץ שְׁעָרָיו (be’erets she’arav), ‘in het land van zijn steden’: letterlijk ‘in het land van zijn poorten’. De poorten staan voor de steden.

29elk gebed en elke smeking, van welke mens ook en van heel Uw volk Israël, wanneer ieder zijn plaag en zijn pijn kent en zijn handen uitspreidt naar dit huis:
כָּל
(kal)
elk
תְּפִלָּ֣ה
(tefila)
gebed
כָל
(kal)
elke
תְּחִנָּ֗ה
(techina)
smeking
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
יִהְיֶה֙
(yihye)
zal zijn
לְכָל
(lekhal)
van elke
הָ֣אָדָ֔ם
(haadam)
mens
וּלְכֹ֖ל
(ulekhol)
en van heel
עַמְּךָ֣
(amekha)
Uw volk
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wanneer
יֵדְע֗וּ
(yedeu)
kennen
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
נִגְעוֹ֙
(nigo)
zijn plaag
וּמַכְאֹב֔וֹ
(umakhovo)
en zijn pijn
וּפָרַ֥שׂ
(ufaras)
en uitspreidt
כַּפָּ֖יו
(kapav)
zijn handen
אֶל
(el)
naar
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַכְאוֹב (makhov), ‘pijn’.

In 1 Kon. 8:38 staat hier ‘de plaag van zijn hart’ (נֶגַע לְבָבוֹ).

30luister dan vanuit de hemel, de vaste plaats waar U woont. Vergeef en geef ieder naar al zijn wegen. U kent zijn hart, want U alleen kent het hart van de mensenkinderen,
וְ֠אַתָּה
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֨ע
(tishma)
luister
מִן
(min)
vanuit
הַשָּׁמַ֜יִם
(hashamayim)
de hemel
מְכ֤וֹן
(mekhon)
de vaste plaats van
שִׁבְתֶּ֨ךָ֙
(shivtekha)
Uw woning
וְסָ֣לַחְתָּ֔
(vesalachta)
en vergeef
וְנָתַתָּ֤ה
(venatata)
en geef
לָאִישׁ֙
(laish)
aan ieder
כְּכָל
(kekhal)
naar al
דְּרָכָ֔יו
(derakhav)
zijn wegen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
תֵּדַ֖ע
(teda)
U kent
אֶת
(et)
(obj.)
לְבָב֑וֹ
(levavo)
zijn hart
כִּ֤י
(ki)
want
אַתָּה֙
(ata)
U
לְבַדְּךָ֣
(levadekha)
alleen
יָדַ֔עְתָּ
(yadata)
kent
אֶת
(et)
(obj.)
לְבַ֖ב
(levav)
het hart van
בְּנֵ֥י
(benei)
de kinderen van
הָאָדָֽם
(haadam)
de mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘U alleen kent het hart’: vergelijk 1 Sam. 16:7 en 1 Kron. 28:9.

Lezing

In 1 Kon. 8:39 staat bij ‘vergeef’ ook ‘handel’ (וְעָשִׂיתָ).

Hier ontbreekt dat.

Wij volgen de Masoretische tekst.

31zodat zij U vrezen en op Uw wegen gaan, al de dagen dat zij leven op de grond die U aan onze vaders hebt gegeven.
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
יִֽירָא֗וּךָ
(yiraukha)
zij U vrezen
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
om te gaan
בִּדְרָכֶ֔יךָ
(bidrakheikha)
op Uw wegen
כָּל
(kal)
alle
הַ֨יָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵ֥ם
(hem)
zij
חַיִּ֖ים
(chayim)
levend zijn
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
הָאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תָּה
(natata)
U hebt gegeven
לַאֲבֹתֵֽינוּ
(laavoteinu)
aan onze vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Voor de buitenlander

32En ook voor de buitenlander, die niet van Uw volk Israël is en uit een ver land komt omwille van Uw grote naam, Uw sterke hand en Uw uitgestrekte arm: wanneer zij komen en bidden in de richting van dit huis,
וְגַ֣ם
(vegam)
en ook
אֶל
(el)
voor
הַנָּכְרִ֗י
(hanakheri)
de buitenlander
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
לֹ֥א
(lo)
niet
מֵעַמְּךָ֣
(meamekha)
van Uw volk
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
הוּא֒
(hu)
is
וּבָ֣א
(uva)
en komt
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit een land
רְחוֹקָ֗ה
(rechoqa)
ver
לְמַ֨עַן
(lemaan)
omwille van
שִׁמְךָ֤
(shimkha)
Uw naam
הַגָּדוֹל֙
(hagadol)
de grote
וְיָדְךָ֣
(veyadekha)
en Uw hand
הַחֲזָקָ֔ה
(hachazaqa)
de sterke
וּֽזְרֽוֹעֲךָ֖
(uzeroakha)
en Uw arm
הַנְּטוּיָ֑ה
(hanetuya)
de uitgestrekte
וּבָ֥אוּ
(uvau)
en zij komen
וְהִֽתְפַּלְל֖וּ
(vehitpallu)
en bidden
אֶל
(el)
naar
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָכְרִי (nokhri), ‘buitenlander’: iemand van een ander volk, die niet in het land woont.

Dit is een ander woord dan גֵּר (ger), ‘vreemdeling’, die in het land woont (Exod. 22:20).

33luister dan vanuit de hemel, de vaste plaats waar U woont. Doe alles waarom de buitenlander tot U roept, zodat alle volken van de aarde Uw naam kennen. Zo vrezen zij U zoals Uw volk Israël en weten zij dat Uw naam is uitgeroepen over dit huis dat ik heb gebouwd.
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en U
תִּשְׁמַ֤ע
(tishma)
luister
מִן
(min)
vanuit
הַשָּׁמַ֨יִם֙
(hashamayim)
de hemel
מִמְּכ֣וֹן
(mimekhon)
vanuit de vaste plaats van
שִׁבְתֶּ֔ךָ
(shivtekha)
Uw woning
וְעָשִׂ֕יתָ
(veasita)
en doe
כְּכֹ֛ל
(kekhol)
naar alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יִקְרָ֥א
(yiqra)
roept
אֵלֶ֖יךָ
(eleikha)
tot U
הַנָּכְרִ֑י
(hanakheri)
de buitenlander
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
יֵדְעוּ֩
(yedeu)
kennen
כָל
(kal)
alle
עַמֵּ֨י
(amei)
volken van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
de aarde
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמֶ֗ךָ
(shemekha)
Uw naam
וּלְיִרְאָ֤ה
(uleyira)
en om te vrezen
אֹֽתְךָ֙
(otekha)
U
כְּעַמְּךָ֣
(keamekha)
zoals Uw volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְלָדַ֕עַת
(veladaat)
en om te weten
כִּֽי
(ki)
dat
שִׁמְךָ֣
(shimkha)
Uw naam
נִקְרָ֔א
(niqra)
is uitgeroepen
עַל
(al)
over
הַבַּ֥יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּ֖ה
(haze)
dit
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בָּנִֽיתִי
(baniti)
ik heb gebouwd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁמְךָ נִקְרָא עַל (shimkha niqra al), ‘Uw naam is uitgeroepen over’: het huis hoort bij Yahweh en draagt Zijn naam.

Bij oorlog

34Wanneer Uw volk uittrekt om oorlog te voeren tegen zijn vijanden, op de weg waarop U hen zendt, en zij tot U bidden in de richting van deze stad, die U hebt gekozen, en van het huis dat ik voor Uw naam heb gebouwd,
כִּֽי
(ki)
wanneer
יֵצֵ֨א
(yetse)
uittrekt
עַמְּךָ֤
(amekha)
Uw volk
לַמִּלְחָמָה֙
(lamilchama)
naar de oorlog
עַל
(al)
tegen
א֣וֹיְבָ֔יו
(oyevav)
zijn vijanden
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
תִּשְׁלָחֵ֑ם
(tishlachem)
U hen zendt
וְהִתְפַּֽלְל֣וּ
(vehitpallu)
en zij bidden
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot U
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
in de richting van
הָעִ֤יר
(hair)
de stad
הַזֹּאת֙
(hazot)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּחַ֣רְתָּ
(bacharta)
U hebt gekozen
בָּ֔הּ
(bah)
in haar
וְהַבַּ֖יִת
(vehabayit)
en het huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּנִ֥יתִי
(baniti)
ik heb gebouwd
לִשְׁמֶֽךָ
(lishmekha)
voor Uw naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35luister dan vanuit de hemel naar hun gebed en hun smeking en handhaaf hun recht.
וְשָׁמַעְתָּ֙
(veshamata)
en luister
מִן
(min)
vanuit
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
אֶת
(et)
(obj.)
תְּפִלָּתָ֖ם
(tefilatam)
hun gebed
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תְּחִנָּתָ֑ם
(techinatam)
hun smeking
וְעָשִׂ֖יתָ
(veasita)
en handhaaf
מִשְׁפָּטָֽם
(mishpatam)
hun recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Bij ballingschap

36Wanneer zij tegen U zondigen (want er is geen mens die niet zondigt) en U toornig op hen wordt en hen overgeeft aan een vijand, zodat hun gevangennemers hen wegvoeren naar een land, ver weg of dichtbij,
כִּ֣י
(ki)
wanneer
יֶחֶטְאוּ
(yechetu)
zij zondigen
לָ֗ךְ
(lakh)
tegen U
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֤ין
(ein)
er is niet
אָדָם֙
(adam)
mens
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יֶחֱטָ֔א
(yecheta)
zondigt
וְאָנַפְתָּ֣
(veanafta)
en U wordt toornig
בָ֔ם
(bam)
op hen
וּנְתַתָּ֖ם
(unetatam)
en geeft hen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אוֹיֵ֑ב
(oyev)
een vijand
וְשָׁב֧וּם
(veshavum)
en voeren hen weg
שׁוֹבֵיהֶ֛ם
(shoveihem)
hun gevangennemers
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
een land
רְחוֹקָ֖ה
(rechoqa)
ver weg
א֥וֹ
(o)
of
קְרוֹבָֽה
(qerova)
dichtbij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָנַף (anaf), ‘toornig worden’.

Dit vers hoort bij de waarschuwingen over ballingschap: Lev. 26:33; Deut. 4:27; 28:36, 64.

‘Er is geen mens die niet zondigt’: vergelijk Pred. 7:20.

שֹׁבֵיהֶם (shovehem), ‘hun gevangennemers’: zoals in 1 Kon. 8:46.

37en zij het ter harte nemen in het land waar zij gevangen zijn gevoerd, en terugkeren en U smeken in het land van hun gevangenschap: ‘Wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerd gehandeld, wij zijn goddeloos geweest,’
וְהֵשִׁ֨יבוּ֙
(veheshivu)
en zij nemen ter harte
אֶל
(el)
naar
לְבָבָ֔ם
(levavam)
hun hart
בָּאָ֖רֶץ
(baarets)
in het land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
נִשְׁבּוּ
(nishbu)
zij gevangen zijn gevoerd
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וְשָׁ֣בוּ
(veshavu)
en terugkeren
וְהִֽתְחַנְּנ֣וּ
(vehitchanenu)
en smeken
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot U
בְּאֶ֤רֶץ
(beerets)
in het land van
שִׁבְיָם֙
(shivyam)
hun gevangenschap
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
חָטָ֥אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
הֶעֱוִ֖ינוּ
(heevinu)
wij hebben verkeerd gehandeld
וְרָשָֽׁעְנוּ
(verashaenu)
en wij zijn goddeloos geweest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהֵשִׁיבוּ אֶל לְבָבָם (vehesheivu el levavam), ‘ter harte nemen’: letterlijk ‘terugbrengen naar hun hart’, zoals in Deut. 30:1.

הֶעֱוִינוּ (heevinu), ‘wij hebben verkeerd gehandeld’: van עָוָה (avah), zoals in 2 Sam. 7:14.

שִׁבְיָם (shivyam), ‘hun gevangenschap’: in 1 Kon. 8:47 staat hier ‘het land van hun gevangennemers’.

38en zij met heel hun hart en met heel hun ziel tot U terugkeren, in het land van hun gevangenschap waar men hen gevangen heeft genomen, en bidden in de richting van hun land, dat U aan hun vaders hebt gegeven, van de stad die U hebt gekozen en van het huis dat ik voor Uw naam heb gebouwd,
וְשָׁ֣בוּ
(veshavu)
en zij keren terug
אֵלֶ֗יךָ
(eleikha)
tot U
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לִבָּם֙
(libam)
hun hart
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
נַפְשָׁ֔ם
(nafsham)
hun ziel
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
שִׁבְיָ֖ם
(shivyam)
hun gevangenschap
אֲשֶׁר
(asher)
waar
שָׁב֣וּ
(shavu)
men gevangen nam
אֹתָ֑ם
(otam)
hen
וְהִֽתְפַּֽלְל֗וּ
(vehitpallu)
en bidden
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
in de richting van
אַרְצָם֙
(artsam)
hun land
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
נָתַ֣תָּה
(natata)
U hebt gegeven
לַאֲבוֹתָ֔ם
(laavotam)
aan hun vaders
וְהָעִיר֙
(vehair)
en de stad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּחַ֔רְתָּ
(bacharta)
U hebt gekozen
וְלַבַּ֖יִת
(velabayit)
en het huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּנִ֥יתִי
(baniti)
ik heb gebouwd
לִשְׁמֶֽךָ
(lishmekha)
voor Uw naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de levende mens met zijn leven en verlangen.

‘Met heel je hart en met heel je ziel’ staat ook in Deut. 6:5 en 30:2.

39luister dan vanuit de hemel, de vaste plaats waar U woont, naar hun gebed en hun smekingen. Handhaaf hun recht en vergeef Uw volk dat tegen U gezondigd heeft.
וְשָׁמַעְתָּ֨
(veshamata)
en luister
מִן
(min)
vanuit
הַשָּׁמַ֜יִם
(hashamayim)
de hemel
מִמְּכ֣וֹן
(mimekhon)
vanuit de vaste plaats van
שִׁבְתְּךָ֗
(shivtekha)
Uw woning
אֶת
(et)
(obj.)
תְּפִלָּתָם֙
(tefilatam)
hun gebed
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תְּחִנֹּ֣תֵיהֶ֔ם
(techinoteihem)
hun smekingen
וְעָשִׂ֖יתָ
(veasita)
en handhaaf
מִשְׁפָּטָ֑ם
(mishpatam)
hun recht
וְסָלַחְתָּ֥
(vesalachta)
en vergeef
לְעַמְּךָ֖
(leamekha)
aan Uw volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
חָֽטְאוּ
(chateu)
gezondigd heeft
לָֽךְ
(lakh)
tegen U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Slot van het gebed

40Nu dan, mijn Elohim, laat Uw ogen toch geopend zijn en Uw oren aandachtig voor het gebed op deze plaats.
עַתָּ֣ה
(ata)
nu
אֱלֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
יִֽהְיוּ
(yihyu)
laat zijn
נָ֤א
(na)
toch
עֵינֶ֨יךָ֙
(eineikha)
Uw ogen
פְּתֻח֔וֹת
(petuchot)
geopend
וְאָזְנֶ֖יךָ
(veazeneikha)
en Uw oren
קַשֻּׁב֑וֹת
(qashuvot)
aandachtig
לִתְפִלַּ֖ת
(litfilat)
voor het gebed van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Met dit vers begint het slot van het gebed.

Het wijkt af van 1 Kon. 8:52–53.

De verzen 41–42 hebben daar geen parallel.

לִתְפִלַּת הַמָּקוֹם הַזֶּה (litfillat hamakom hazeh), letterlijk ‘voor het gebed van deze plaats’: het gebed dat op deze plaats wordt gebeden.

41Nu dan, sta op, Yahweh Elohim, naar Uw rustplaats, U en de ark van Uw sterkte. Laat Uw priesters, Yahweh Elohim, zich kleden in redding, en laat Uw getrouwen zich verheugen in het goede.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
קוּמָ֞ה
(quma)
sta op
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
לְֽנוּחֶ֔ךָ
(lenuchekha)
naar Uw rustplaats
אַתָּ֖ה
(ata)
U
וַאֲר֣וֹן
(vaaron)
en de ark van
עֻזֶּ֑ךָ
(uzekha)
Uw sterkte
כֹּהֲנֶ֜יךָ
(kohaneikha)
Uw priesters
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
יִלְבְּשׁ֣וּ
(yilbeshu)
laten zich kleden
תְשׁוּעָ֔ה
(teshua)
in redding
וַחֲסִידֶ֖יךָ
(vachasideikha)
en Uw getrouwen
יִשְׂמְח֥וּ
(yismechu)
laten zich verheugen
בַטּֽוֹב
(batov)
in het goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze verzen lijken sterk op Ps. 132:8–10.

Verschillen: Ps. 132:8 heeft alleen ‘Yahweh’.

Ps. 132:9 heeft ‘gerechtigheid’ (צֶדֶק) en ‘jubelen’ (יְרַנֵּנוּ); hier staat ‘redding’ (תְשׁוּעָה) en ‘zich verheugen in het goede’.

נוּחַ (nuach), ‘rustplaats’: de plaats waar de ark rust. חֲסִידִים (chasidim), ‘getrouwen’: wie Yahweh trouw is, van חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.

42Yahweh Elohim, wijs het aangezicht van Uw gezalfden niet af. Gedenk de blijken van trouw aan David, Uw dienaar.”
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
אַל
(al)
niet
תָּשֵׁ֖ב
(tashev)
wijs af
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
מְשִׁיחֶ֑יךָ
(meshicheikha)
Uw gezalfden
זָכְרָ֕ה
(zakhera)
gedenk
לְחַֽסְדֵ֖י
(lechasdei)
de trouwbewijzen aan
דָּוִ֥יד
(david)
David
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
Uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְשִׁיחֶיךָ (meshichekha), ‘Uw gezalfden’: een meervoud.

Ps. 132:10 heeft het enkelvoud, ‘Uw gezalfde’.

Een מָשִׁיחַ (mashiach) is een gezalfde.

De tekst zegt niet wie hier bedoeld wordt.

חַסְדֵי דָוִיד (chasdei David), ‘de trouwbewijzen van David’: wij lezen dit als de blijken van trouw die Yahweh aan David gaf (2 Sam. 7:15; 1 Kron. 17:13). Het kan ook gaan om de trouwe daden van David zelf.