Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Daniël leest in Jeremia
1Het was in het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het nageslacht van de Meden. Hij was koning gemaakt over het koninkrijk van de Chaldeeën.
בִּשְׁנַ֣ת
(bishnat)
in het jaar
אַחַ֗ת
(achat)
één
לְדָרְיָ֛וֶשׁ
(ledareyavesh)
van Darius
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחַשְׁוֵר֖וֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
מִזֶּ֣רַע
(mizera)
uit het nageslacht van
מָדָ֑י
(maday)
Medië
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָמְלַ֔ךְ
(hamelakh)
was gemaakt tot koning
עַ֖ל
(al)
over
מַלְכ֥וּת
(malkhut)
het koninkrijk van
כַּשְׂדִּֽים
(kasdim)
Chaldeeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לדריושׁ (Daryavesh), ‘Darius’: koning ‘over het koninkrijk van de Chaldeeën’, uit het nageslacht van de Meden.
Hij komt ook voor in Dan. 6:1 (Hebr. telling; NL 5:31) en 11:1.
De Hebreeuwse zin loopt van vers 1 door in vers 2; in het Nederlands is hij gesplitst.
אחשׁורושׁ (Achashverosh), ‘Ahasveros’: dezelfde naam als de koning in het boek Ester. Of hier dezelfde man bedoeld is, zegt de tekst niet.
המלך על (hummlakh), ‘was gemaakt tot koning’: een lijdende vorm. De tekst zegt niet door wie hij koning werd gemaakt.
2In het eerste jaar van zijn koningschap begreep ik, Daniël, uit de boeken het aantal van de jaren. Daarover was het woord van Yahweh tot Jeremia, de profeet, gekomen: zeventig jaar zouden worden vervuld voor de verwoestingen van Jeruzalem.
בִּשְׁנַ֤ת
(bishnat)
in het jaar
אַחַת֙
(achat)
één
לְמָלְכ֔וֹ
(lemalekho)
van zijn koningschap
אֲנִי֙
(ani)
ik
דָּֽנִיֵּ֔אל
(daniyel)
Daniël
בִּינֹ֖תִי
(binoti)
begreep
בַּסְּפָרִ֑ים
(basefarim)
in de boeken
מִסְפַּ֣ר
(mispar)
het getal van
הַשָּׁנִ֗ים
(hashanim)
de jaren
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarvan
הָיָ֤ה
(haya)
was
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יִרְמִיָ֣ה
(yirmiya)
Jeremia
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
לְמַלֹּ֛אות
(lemalovt)
om te vervullen
לְחָרְב֥וֹת
(lecharevot)
voor de verwoestingen van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het ‘woord van Yahweh tot Jeremia’ over de zeventig jaar staat in Jer. 25:11–12 en 29:10.
In Jer. 25:12 staat dat Yahweh na zeventig jaar de koning van Babel ter verantwoording roept.
לחרבות ירושׁלם (lecharvot Yerushalaim), ‘voor de verwoestingen van Jeruzalem’: letterlijk ‘voor de ruïnes van Jeruzalem’.
4Ik bad tot Yahweh, mijn Elohim, en beleed. Ik zei: „Ach, Heer, de grote en ontzagwekkende El, die het verbond en de trouw bewaart voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden bewaren:
וָֽאֶתְפַּֽלְלָ֛ה
(vaetpalla)
en ik bad
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
tot Yahweh
אֱלֹהַ֖י
(elohay)
mijn Elohim
וָאֶתְוַדֶּ֑ה
(vaetvade)
en ik beleed
וָאֹֽמְרָ֗ה
(vaomera)
en ik zei
אָנָּ֤א
(ana)
ach
אֲדֹנָי֙
(adonay)
Heer
הָאֵ֤ל
(hael)
de El
הַגָּדוֹל֙
(hagadol)
de grote
וְהַנּוֹרָ֔א
(vehanora)
en de ontzagwekkende
שֹׁמֵ֤ר
(shomer)
die bewaart
הַבְּרִית֙
(haberit)
het verbond
וְֽהַחֶ֔סֶד
(vehachesed)
en de trouw
לְאֹהֲבָ֖יו
(leohavav)
voor wie Hem liefhebben
וּלְשֹׁמְרֵ֥י
(uleshomerei)
en voor wie bewaren
מִצְוֺתָֽיו
(mitsvotav)
Zijn geboden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הברית והחסד (haberit vehachesed), ‘het verbond en de trouw’: chesed is de trouw die bij het verbond hoort.
Dezelfde woorden staan in Deut. 7:9 en Neh. 1:5.
האל (ha'El), ‘de El’: de oude benaming voor Elohim, met lidwoord.
5Wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerd gehandeld, wij zijn goddeloos geweest en in opstand gekomen. Wij zijn afgeweken van Uw geboden en van Uw rechtsregels.
חָטָ֥אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
וְעָוִ֖ינוּ
(veavinu)
en wij hebben verkeerd gehandeld
הִרְשַׁ֣עְנוּ
(hirshanu)
wij zijn goddeloos geweest
וּמָרָ֑דְנוּ
(umaradenu)
en wij zijn in opstand gekomen
וְס֥וֹר
(vesor)
en afwijkend
מִמִּצְוֺתֶ֖ךָ
(mimitsvotekha)
van Uw geboden
וּמִמִּשְׁפָּטֶֽיךָ
(umimishpateikha)
en van Uw rechtsregels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Wij hebben niet geluisterd naar Uw knechten, de profeten. Zij hebben in Uw naam gesproken tot onze koningen, onze oversten en onze vaderen, en tot heel het volk van het land.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שָׁמַ֨עְנוּ֙
(shamanu)
wij hebben geluisterd
אֶל
(el)
naar
עֲבָדֶ֣יךָ
(avadeikha)
Uw knechten
הַנְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
דִּבְּרוּ֙
(diberu)
spraken
בְּשִׁמְךָ֔
(beshimkha)
in Uw naam
אֶל
(el)
tot
מְלָכֵ֥ינוּ
(melakheinu)
onze koningen
שָׂרֵ֖ינוּ
(sareinu)
onze oversten
וַאֲבֹתֵ֑ינוּ
(vaavoteinu)
en onze vaderen
וְאֶ֖ל
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
heel
עַ֥ם
(am)
het volk van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עבדיך (avadekha), ‘Uw knechten’: de profeten.
Het woord eved wordt hier met een kleine letter geschreven, omdat het geen titel is.
7Bij U, Heer, is de gerechtigheid. Bij ons is de schaamte van het gezicht, zoals op deze dag. Zij is bij de man van Juda, bij de inwoners van Jeruzalem en bij heel Israël, dichtbij en veraf, in alle landen waarheen U hen hebt verdreven. Dat is om hun ontrouw waarmee zij tegen U ontrouw zijn geweest.
לְךָ֤
(lekha)
bij U
אֲדֹנָי֙
(adonay)
Heer
הַצְּדָקָ֔ה
(hatsedaqa)
de gerechtigheid
וְלָ֛נוּ
(velanu)
en bij ons
בֹּ֥שֶׁת
(boshet)
de schaamte van
הַפָּנִ֖ים
(hapanim)
het gezicht
כַּיּ֣וֹם
(kayom)
zoals op de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
לְאִ֤ישׁ
(leish)
bij de man van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּלְיוֹשְׁבֵ֣י
(uleyoshevei)
en bij de inwoners van
יְרֽוּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
וּֽלְכָל
(ulekhal)
en bij heel
יִשְׂרָאֵ֞ל
(yisrael)
Israël
הַקְּרֹבִ֣ים
(haqerovim)
dichtbij
וְהָרְחֹקִ֗ים
(veharechoqim)
en veraf
בְּכָל
(bekhal)
in alle
הָֽאֲרָצוֹת֙
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
הִדַּחְתָּ֣ם
(hidachtam)
U hebt hen verdreven
שָׁ֔ם
(sham)
daar
בְּמַעֲלָ֖ם
(bemaalam)
om hun ontrouw
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
מָֽעֲלוּ
(maalu)
zij ontrouw waren
בָֽךְ
(bakh)
tegen U
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
לאישׁ יהודה (le'ish Yehudah), ‘bij de man van Juda’: ‘man’ staat voor het geheel, dus ‘de mannen van Juda’.
Wij laten het enkelvoud.
במעלם אשׁר מעלו בך (bema'alam asher ma'alu vekha), ‘om hun ontrouw waarmee zij tegen U ontrouw zijn geweest’: dezelfde stam staat twee keer, ma'al, ‘ontrouw’. Het Hebreeuws heeft hier één lange zin; in het Nederlands is hij in drie zinnen gesplitst.
10Wij hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, onze Elohim, om te wandelen in Zijn wetten. Hij heeft ze ons voorgelegd door de hand van Zijn knechten, de profeten.
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׁמַ֔עְנוּ
(shamanu)
wij hebben geluisterd
בְּק֖וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֑ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לָלֶ֤כֶת
(lalekhet)
om te wandelen
בְּתֽוֹרֹתָיו֙
(betorotav)
in Zijn wetten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָתַ֣ן
(natan)
Hij heeft gelegd
לְפָנֵ֔ינוּ
(lefaneinu)
voor ons
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
עֲבָדָ֥יו
(avadav)
Zijn knechten
הַנְּבִיאִֽים
(haneviim)
de profeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בתורתיו (betorotav), ‘in Zijn wetten’: torah betekent ‘onderricht’ of ‘wet’.
Het meervoud staat hier voor alles wat Yahweh heeft voorgelegd.
11Heel Israël heeft Uw wet overtreden en is afgeweken, zodat het niet naar Uw stem luisterde. Daarom is de vloek over ons uitgegoten, en de eed die geschreven staat in de wet van Mozes, de knecht van Elohim. Want wij hebben tegen Hem gezondigd.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
עָֽבְרוּ֙
(averu)
hebben overtreden
אֶת
(et)
(obj.)
תּ֣וֹרָתֶ֔ךָ
(toratekha)
Uw wet
וְס֕וֹר
(vesor)
en zijn afgeweken
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
om niet
שְׁמ֣וֹעַ
(shemoa)
te luisteren
בְּקֹלֶ֑ךָ
(beqolekha)
naar Uw stem
וַתִּתַּ֨ךְ
(vatitakh)
en is uitgegoten
עָלֵ֜ינוּ
(aleinu)
over ons
הָאָלָ֣ה
(haala)
de vloek
וְהַשְּׁבֻעָ֗ה
(vehashevua)
en de eed
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
כְּתוּבָה֙
(ketuva)
geschreven staat
בְּתוֹרַת֙
(betorat)
in de wet van
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עֶֽבֶד
(eved)
de knecht van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
כִּ֥י
(ki)
want
חָטָ֖אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לֽוֹ
(lo)
tegen Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עבד האלהים (eved ha'Elohim), ‘de knecht van Elohim’: Mozes.
Wij schrijven ‘knecht’ met een kleine letter.
האלה והשׁבעה (ha'alah vehashevu'ah), ‘de vloek en de eed’: de vloeken van het verbond, zoals in Lev. 26 en Deut. 28–29.
12Hij heeft Zijn woord bevestigd dat Hij over ons had gesproken en over onze rechters, die ons hebben gericht. Hij deed dat door groot onheil over ons te brengen. Onder heel de hemel is nooit zoiets gedaan als in Jeruzalem is gedaan.
וַיָּ֜קֶם
(vayaqem)
en Hij heeft bevestigd
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָר֣וֹ
(devaro)
Zijn woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
דִּבֶּ֣ר
(diber)
Hij sprak
עָלֵ֗ינוּ
(aleinu)
over ons
וְעַ֤ל
(veal)
en over
שֹֽׁפְטֵ֨ינוּ֙
(shofeteinu)
onze rechters
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שְׁפָט֔וּנוּ
(shefatunu)
ons hebben gericht
לְהָבִ֥יא
(lehavi)
door te brengen
עָלֵ֖ינוּ
(aleinu)
over ons
רָעָ֣ה
(raa)
onheil
גְדֹלָ֑ה
(gedola)
groot
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
נֶעֶשְׂתָ֗ה
(neesta)
is gedaan
תַּ֚חַת
(tachat)
onder
כָּל
(kal)
heel
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
נֶעֶשְׂתָ֖ה
(neesta)
is gedaan
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushalaim)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
רעה גדלה (ra'ah gedolah), ‘groot onheil’: ra'ah is ‘kwaad’ of ‘onheil’.
Wij vertalen hier ‘onheil’, omdat het om de gevolgen gaat die over Jeruzalem komen.
Het staat ook in vers 13 en 14.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) דְּבָרוֹ (devaro), ‘Zijn woord’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft de meervoudsvorm, ‘Zijn woorden’.
13Zoals in de wet van Mozes geschreven staat, is al dit onheil over ons gekomen. Maar wij hebben Yahweh, onze Elohim, niet gunstig gestemd door terug te keren van onze schuld en inzicht te krijgen in Uw waarheid.
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
כָּתוּב֙
(katuv)
geschreven staat
בְּתוֹרַ֣ת
(betorat)
in de wet van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָרָעָ֥ה
(haraa)
het onheil
הַזֹּ֖את
(hazot)
dit
בָּ֣אָה
(baa)
is gekomen
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
over ons
וְלֹֽא
(velo)
en niet
חִלִּ֜ינוּ
(chilinu)
wij hebben gunstig gestemd
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לָשׁוּב֙
(lashuv)
door terug te keren
מֵֽעֲוֺנֵ֔נוּ
(meavonenu)
van onze schuld
וּלְהַשְׂכִּ֖יל
(ulehaskil)
en inzicht te krijgen
בַּאֲמִתֶּֽךָ
(baamitekha)
in Uw waarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חלינו (chillinu), ‘wij hebben gunstig gestemd’: het werkwoord betekent letterlijk ‘het gezicht zacht maken’, dus Yahweh gunstig stemmen.
ולהשׂכיל באמתך (ulehaskil be'amitekha), ‘en inzicht te krijgen in Uw waarheid’: emet is ‘waarheid’; zie ook Dan. 8:12.
14Yahweh heeft over het onheil gewaakt en het over ons gebracht. Want Yahweh, onze Elohim, is rechtvaardig in al Zijn werken die Hij doet. Maar wij hebben niet naar Zijn stem geluisterd.
וַיִּשְׁקֹ֤ד
(vayishqod)
en Hij heeft gewaakt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
over
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
וַיְבִיאֶ֖הָ
(vayvieha)
en Hij heeft het gebracht
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
over ons
כִּֽי
(ki)
want
צַדִּ֞יק
(tsadiq)
rechtvaardig
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
עַל
(al)
in
כָּל
(kal)
al
מַֽעֲשָׂיו֙
(maasav)
Zijn werken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֔ה
(asa)
Hij doet
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
שָׁמַ֖עְנוּ
(shamanu)
wij hebben geluisterd
בְּקֹלֽוֹ
(beqolo)
naar Zijn stem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וישׁקד (vayyishqod), ‘Hij heeft gewaakt’: het werkwoord betekent ‘wakker zijn’.
Yahweh waakte over het onheil, zodat het op het juiste moment kwam.
15En nu, Heer, onze Elohim: U hebt Uw volk met sterke hand uit het land Egypte geleid. U hebt U een naam gemaakt tot op deze dag. Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
הוֹצֵ֨אתָ
(hotseta)
U hebt uitgeleid
אֶֽת
(et)
(obj.)
עַמְּךָ֜
(amekha)
Uw volk
מֵאֶ֤רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
בְּיָ֣ד
(beyad)
met een hand
חֲזָקָ֔ה
(chazaqa)
sterke
וַתַּֽעַשׂ
(vataas)
en U hebt gemaakt
לְךָ֥
(lekha)
voor U
שֵׁ֖ם
(shem)
een naam
כַּיּ֣וֹם
(kayom)
zoals op de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
חָטָ֖אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
רָשָֽׁעְנוּ
(rashaenu)
wij zijn goddeloos geweest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
In het Hebreeuws begint dit vers met een bijzin: ‘die Uw volk hebt geleid’, gericht tot Elohim.
In het Nederlands is dat een hoofdzin geworden (‘U hebt … geleid’), zodat de zinnen korter zijn.
16Heer, laat toch, overeenkomstig al Uw gerechtigheid, Uw toorn en Uw grimmigheid terugkeren van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg. Want door onze zonden en de schuld van onze vaderen zijn Jeruzalem en Uw volk tot hoon geworden voor allen om ons heen.
אֲדֹנָ֗י
(adonay)
Heer
כְּכָל
(kekhal)
overeenkomstig al
צִדְקֹתֶ֨ךָ֙
(tsidqotekha)
Uw gerechtigheid
יָֽשָׁב
(yashav)
laat terugkeren
נָ֤א
(na)
toch
אַפְּךָ֙
(apekha)
Uw toorn
וַחֲמָ֣תְךָ֔
(vachamatekha)
en Uw grimmigheid
מֵעִֽירְךָ֥
(meirekha)
van Uw stad
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
הַר
(har)
de berg van
קָדְשֶׁ֑ךָ
(qadeshekha)
Uw heiligheid
כִּ֤י
(ki)
want
בַחֲטָאֵ֨ינוּ֙
(bachataeinu)
om onze zonden
וּבַעֲוֺנ֣וֹת
(uvaavonot)
en om de schulden van
אֲבֹתֵ֔ינוּ
(avoteinu)
onze vaderen
יְרוּשָׁלִַ֧ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
וְעַמְּךָ֛
(veamekha)
en Uw volk
לְחֶרְפָּ֖ה
(lecherpa)
tot hoon
לְכָל
(lekhal)
voor allen
סְבִיבֹתֵֽינוּ
(sevivoteinu)
om ons heen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
צדקתך (tsidqotekha), ‘Uw gerechtigheid’: het woord staat in het meervoud, ‘Uw gerechte daden’.
Wij schrijven ‘gerechtigheid’.
אפך וחמתך (apekha vachamatekha), ‘Uw toorn en Uw grimmigheid’: twee woorden voor toorn, af en chemah. Dezelfde keuze maken wij in Jes. 63:3.
17En nu, onze Elohim, luister naar het gebed van Uw knecht en naar zijn smeekbeden. Laat Uw gezicht schijnen over Uw verwoeste heiligdom, omwille van de Heer.
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
שְׁמַ֣ע
(shema)
luister
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
אֶל
(el)
naar
תְּפִלַּ֤ת
(tefilat)
het gebed van
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
Uw knecht
וְאֶל
(veel)
en naar
תַּ֣חֲנוּנָ֔יו
(tachanunav)
zijn smeekbeden
וְהָאֵ֣ר
(vehaer)
en laat schijnen
פָּנֶ֔יךָ
(paneikha)
Uw gezicht
עַל
(al)
over
מִקְדָּשְׁךָ֖
(miqdashekha)
Uw heiligdom
הַשָּׁמֵ֑ם
(hashamem)
het verwoeste
לְמַ֖עַן
(lemaan)
omwille van
אֲדֹנָֽי
(adonay)
de Heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אדני (Adonai), ‘de Heer’: de aanspreking van Yahweh, in het gebed ook in vers 4, 7, 9, 15, 16 en 19.
18Mijn Elohim, neig Uw oor en luister. Open Uw ogen en zie onze verwoestingen en de stad waarover Uw naam is uitgeroepen. Want niet op grond van onze gerechtigheid leggen wij onze smeekbeden voor U neer, maar op grond van Uw vele ontferming.
הַטֵּ֨ה
(hate)
neig
אֱלֹהַ֥י
(elohay)
mijn Elohim
אָזְנְךָ֮
(azenekha)
Uw oor
וּֽשֲׁמָע֒
(ushama)
en luister
פְּקַ֣ח
(peqach)
open
עֵינֶ֗יךָ
(eineikha)
Uw ogen
וּרְאֵה֙
(uree)
en zie
שֹֽׁמְמֹתֵ֔ינוּ
(shomemoteinu)
onze verwoestingen
וְהָעִ֕יר
(vehair)
en de stad
אֲשֶׁר
(asher)
waarover
נִקְרָ֥א
(niqra)
is uitgeroepen
שִׁמְךָ֖
(shimkha)
Uw naam
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
daarover
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
עַל
(al)
op grond van
צִדְקֹתֵ֗ינוּ
(tsidqoteinu)
onze gerechtigheid
אֲנַ֨חְנוּ
(anachnu)
wij
מַפִּילִ֤ים
(mapilim)
leggen neer
תַּחֲנוּנֵ֨ינוּ֙
(tachanuneinu)
onze smeekbeden
לְפָנֶ֔יךָ
(lefaneikha)
voor U
כִּ֖י
(ki)
maar
עַל
(al)
op grond van
רַחֲמֶ֥יךָ
(rachameikha)
Uw ontferming
הָרַבִּֽים
(harabim)
de vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Heer, luister. Heer, vergeef. Heer, let op en handel. Stel niet uit, omwille van Uzelf, mijn Elohim, want Uw naam is uitgeroepen over Uw stad en over Uw volk.”
אֲדֹנָ֤י
(adonay)
Heer
שְׁמָ֨עָה֙
(shemaa)
luister
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
סְלָ֔חָה
(selacha)
vergeef
אֲדֹנָ֛י
(adonay)
Heer
הַֽקֲשִׁ֥יבָה
(haqashiva)
let op
וַעֲשֵׂ֖ה
(vaase)
en handel
אַל
(al)
niet
תְּאַחַ֑ר
(teachar)
stel uit
לְמַֽעֲנְךָ֣
(lemaankha)
omwille van Uzelf
אֱלֹהַ֔י
(elohay)
mijn Elohim
כִּֽי
(ki)
want
שִׁמְךָ֣
(shimkha)
Uw naam
נִקְרָ֔א
(niqra)
is uitgeroepen
עַל
(al)
over
עִירְךָ֖
(irekha)
Uw stad
וְעַל
(veal)
en over
עַמֶּֽךָ
(amekha)
Uw volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Ik sprak nog en bad. Ik beleed mijn zonde en de zonde van mijn volk Israël. Ik legde mijn smeekbede neer voor het aangezicht van Yahweh, mijn Elohim, voor de heilige berg van mijn Elohim.
וְע֨וֹד
(veod)
en nog
אֲנִ֤י
(ani)
ik
מְדַבֵּר֙
(medaber)
sprekend
וּמִתְפַּלֵּ֔ל
(umitpalel)
en biddend
וּמִתְוַדֶּה֙
(umitvade)
en belijdend
חַטָּאתִ֔י
(chatati)
mijn zonde
וְחַטַּ֖את
(vechatat)
en de zonde van
עַמִּ֣י
(ami)
mijn volk
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּמַפִּ֣יל
(umapil)
en neerleggend
תְּחִנָּתִ֗י
(techinati)
mijn smeekbede
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהַ֔י
(elohay)
mijn Elohim
עַ֖ל
(al)
om
הַר
(har)
de berg van
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid van
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Ja, terwijl ik nog in gebed sprak, raakte de man Gabriël mij aan, in snelle vlucht, omstreeks de tijd van het avondgraanoffer. Ik had hem eerder in het gezicht gezien.
וְע֛וֹד
(veod)
en nog
אֲנִ֥י
(ani)
ik
מְדַבֵּ֖ר
(medaber)
sprekend
בַּתְּפִלָּ֑ה
(batefila)
in gebed
וְהָאִ֣ישׁ
(vehaish)
en de man
גַּבְרִיאֵ֡ל
(gavriel)
Gabriël
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
רָאִ֨יתִי
(raiti)
ik had gezien
בֶחָז֤וֹן
(bechazon)
in het gezicht
בַּתְּחִלָּה֙
(batechila)
in het begin
מֻעָ֣ף
(muaf)
snel vliegend
בִּיעָ֔ף
(biaf)
in vlucht
נֹגֵ֣עַ
(nogea)
raakte aan
אֵלַ֔י
(elay)
mij
כְּעֵ֖ת
(keet)
omstreeks de tijd van
מִנְחַת
(minchat)
het graanoffer van
עָֽרֶב
(arev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מעף ביעף (mu'af bi'af), ‘in snelle vlucht’: twee zeldzame woorden van één stam, die ‘vliegen’ of ‘uitgeput zijn’ kunnen betekenen.
De betekenis is niet zeker; wij kiezen ‘in snelle vlucht’.
מנחת ערב (minchat arev), ‘het avondgraanoffer’: het graanoffer (minchah) van de avond; zie Exod. 29:41 en 1 Kon. 18:36. Het avondoffer was ook een tijdstip van gebed (Ps. 141:2).
23Bij het begin van je smeekbeden is een woord uitgegaan, en ik ben gekomen om het je te vertellen, want jij bent zeer gewaardeerd. Begrijp dus het woord en heb inzicht in het beeld.
בִּתְחִלַּ֨ת
(bitchilat)
bij het begin van
תַּחֲנוּנֶ֜יךָ
(tachanuneikha)
je smeekbeden
יָצָ֣א
(yatsa)
is uitgegaan
דָבָ֗ר
(davar)
een woord
וַאֲנִי֙
(vaani)
en ik
בָּ֣אתִי
(bati)
ben gekomen
לְהַגִּ֔יד
(lehagid)
om te vertellen
כִּ֥י
(ki)
want
חֲמוּד֖וֹת
(chamudot)
zeer gewaardeerd
אָ֑תָּה
(ata)
jij
וּבִין֙
(uvin)
dus begrijp
בַּדָּבָ֔ר
(badavar)
het woord
וְהָבֵ֖ן
(vehaven)
en heb inzicht
בַּמַּרְאֶֽה
(bamare)
in het beeld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חמודות (chamudot), ‘zeer gewaardeerd’: letterlijk ‘kostbaarheden’, dus iemand die zeer kostbaar is.
24Zeventig weken zijn vastgesteld over jouw volk en over jouw heilige stad: om de overtreding tegen te houden, de zonde ten einde te brengen, voor de schuld verzoening te doen, gerechtigheid voor eeuwig te brengen, gezicht en profeet te verzegelen en het hoogheilige te zalven.
שָׁבֻעִ֨ים
(shavuim)
weken
שִׁבְעִ֜ים
(shivim)
zeventig
נֶחְתַּ֥ךְ
(nechtakh)
zijn vastgesteld
עַֽל
(al)
over
עַמְּךָ֣
(amekha)
jouw volk
וְעַל
(veal)
en over
עִ֣יר
(ir)
de stad van
קָדְשֶׁ֗ךָ
(qadeshekha)
jouw heiligheid
לְכַלֵּ֨א
(lekhale)
om tegen te houden
הַפֶּ֜שַׁע
(hapesha)
de overtreding
וּלְהָתֵ֤ם
(ulehatem)
en om ten einde te brengen
חַטָּאת֙
(chatat)
zonde
וּלְכַפֵּ֣ר
(ulekhaper)
en om verzoening te doen
עָוֺ֔ן
(avon)
schuld
וּלְהָבִ֖יא
(ulehavi)
en om te brengen
צֶ֣דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid van
עֹֽלָמִ֑ים
(olamim)
eeuwigheden
וְלַחְתֹּם֙
(velachtom)
en om te verzegelen
חָז֣וֹן
(chazon)
gezicht
וְנָבִ֔יא
(venavi)
en profeet
וְלִמְשֹׁ֖חַ
(velimshoach)
en om te zalven
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid van
קָֽדָשִֽׁים
(qadashim)
heiligheden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁבעים שׁבעים (shavu'im shiv'im), ‘zeventig weken’: shavua is een periode van zeven.
Het woord kan zeven dagen zijn, maar ook zeven jaren, zoals bij de sabbatsjaren (Lev. 25:8).
De tekst zegt niet welke maat bedoeld is.
Zie ook Jer. 25:11–12 en 29:10 voor de zeventig jaar.
נחתך (nechtak), ‘zijn vastgesteld’: het werkwoord komt maar één keer voor. Het betekent letterlijk ‘afgesneden’, dus afgemeten of vastgesteld.
לכלא (lekhalle), ‘tegen te houden’: het werkwoord betekent ‘afsluiten’ of ‘in toom houden’.
קדשׁ קדשׁים (qodesh qodashim), ‘het hoogheilige’: dezelfde uitdrukking als in Exod. 30:29. Het kan een plaats, een voorwerp of een persoon zijn; de tekst zegt het niet.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) וּלְהָתֵם חַטָּאת (ulehatem chattat), ‘en om de zonde ten einde te brengen’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft וּלַחְתֹּם חַטָּאוֹת (ulachtom chata'ot), ‘en om de zonden te verzegelen’.
25Je moet weten en begrijpen. Van het uitgaan van het woord om Jeruzalem terug te brengen en te bouwen, tot een gezalfde, een leider, zijn het zeven weken. En tweeënzestig weken lang zal zij worden hersteld en herbouwd, plein en gracht, maar in de benauwdheid van de tijden.
וְתֵדַ֨ע
(veteda)
en je zult weten
וְתַשְׂכֵּ֜ל
(vetaskel)
en je zult begrijpen
מִן
(min)
van
מֹצָ֣א
(motsa)
het uitgaan van
דָבָ֗ר
(davar)
woord
לְהָשִׁיב֙
(lehashiv)
om terug te brengen
וְלִבְנ֤וֹת
(velivnot)
en te bouwen
יְרֽוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushalaim)
Jeruzalem
עַד
(ad)
tot
מָשִׁ֣יחַ
(mashiach)
gezalfde
נָגִ֔יד
(nagid)
leider
שָׁבֻעִ֖ים
(shavuim)
weken
שִׁבְעָ֑ה
(shiva)
zeven
וְשָׁבֻעִ֞ים
(veshavuim)
en weken
שִׁשִּׁ֣ים
(shishim)
zestig
וּשְׁנַ֗יִם
(ushenayim)
en twee
תָּשׁוּב֙
(tashuv)
zal terugkeren
וְנִבְנְתָה֙
(venivneta)
en zal worden herbouwd
רְח֣וֹב
(rechov)
plein
וְחָר֔וּץ
(vecharuts)
en gracht
וּבְצ֖וֹק
(uvetsoq)
en in de benauwdheid van
הָעִתִּֽים
(haitim)
de tijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
משׁיח נגיד (mashiach nagid), ‘een gezalfde, een leider’: mashiach betekent ‘gezalfde’ en nagid ‘leider’.
De tekst noemt geen naam.
Voor wie hier bedoeld wordt, bestaan veel verschillende lezingen; wij geven geen identificatie.
שׁבעים שׁבעה (shavu'im shiv'ah), ‘zeven weken’: de Masoretische accenten plaatsen hier een scheiding. Wij volgen dat: ‘zeven weken’ en daarna ‘tweeënzestig weken’ als twee aparte tijdvakken.
רחוב וחרוץ (rechov vecharuts), ‘plein en gracht’: rechov is een breed plein of straat, charuts een gracht of insnijding. De tweede betekenis is niet helemaal zeker.
מצא דבר (motsa davar), ‘het uitgaan van het woord’: de tekst zegt niet welk woord of welk bevel bedoeld is.
26Na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden afgesneden, en er zal niets voor hem zijn. Het volk van een leider die komt, zal de stad en het heiligdom verderven. Zijn einde komt met een overstroming, en tot het einde is er oorlog: verwoestingen zijn vastgesteld.
וְאַחֲרֵ֤י
(veacharei)
en na
הַשָּׁבֻעִים֙
(hashavuim)
de weken
שִׁשִּׁ֣ים
(shishim)
zestig
וּשְׁנַ֔יִם
(ushenayim)
en twee
יִכָּרֵ֥ת
(yikaret)
zal worden afgesneden
מָשִׁ֖יחַ
(mashiach)
gezalfde
וְאֵ֣ין
(veein)
en niets
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
וְהָעִ֨יר
(vehair)
en de stad
וְהַקֹּ֜דֶשׁ
(vehaqodesh)
en het heiligdom
יַ֠שְׁחִית
(yashchit)
zal verderven
עַ֣ם
(am)
het volk van
נָגִ֤יד
(nagid)
een leider
הַבָּא֙
(haba)
die komt
וְקִצּ֣וֹ
(veqitso)
en zijn einde
בַשֶּׁ֔טֶף
(bashetef)
in overstroming
וְעַד֙
(vead)
en tot
קֵ֣ץ
(qets)
het einde van
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
נֶחֱרֶ֖צֶת
(necheretset)
vastgesteld
שֹׁמֵמֽוֹת
(shomemot)
verwoestingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
משׁיח (mashiach), ‘een gezalfde’: zonder lidwoord.
Het kan dezelfde zijn als in vers 25, maar dat zegt de tekst niet.
ואין לו (ve'ein lo), ‘en er zal niets voor hem zijn’: letterlijk ‘en niets voor hem’. Wat er niet voor hem is, wordt niet gezegd.
נגיד הבא (nagid haba), ‘een leider die komt’: wie dat is, zegt de tekst niet. Het voornaamwoord ‘zijn einde’ kan terugwijzen op de leider of op de stad.
Dit vers is moeilijk; wij vertalen zo letterlijk mogelijk.
27Hij zal voor velen een verbond sterk maken, één week lang. In de helft van de week laat hij slachtoffer en graanoffer ophouden. Op de vleugel van gruwelbeelden komt een verwoester, tot de vernietiging. En wat vastgesteld is, wordt uitgegoten over de verwoester.”
וְהִגְבִּ֥יר
(vehigbir)
en hij zal sterk maken
בְּרִ֛ית
(berit)
verbond
לָרַבִּ֖ים
(larabim)
voor velen
שָׁב֣וּעַ
(shavua)
week
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וַחֲצִ֨י
(vachatsi)
en de helft van
הַשָּׁב֜וּעַ
(hashavua)
de week
יַשְׁבִּ֣ית
(yashbit)
zal doen ophouden
זֶ֣בַח
(zevach)
slachtoffer
וּמִנְחָ֗ה
(umincha)
en graanoffer
וְעַ֨ל
(veal)
en op
כְּנַ֤ף
(kenaf)
de vleugel van
שִׁקּוּצִים֙
(shiqutsim)
gruwelbeelden
מְשֹׁמֵ֔ם
(meshomem)
een verwoester
וְעַד
(vead)
en tot
כָּלָה֙
(kala)
vernietiging
וְנֶ֣חֱרָצָ֔ה
(venecheratsa)
en wat vastgesteld is
תִּתַּ֖ךְ
(titakh)
zal worden uitgegoten
עַל
(al)
over
שֹׁמֵֽם
(shomem)
de verwoester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
והגביר (vehigbir), ‘hij zal sterk maken’: wie ‘hij’ is, zegt de tekst niet.
Het kan de leider uit vers 26 zijn, of een ander.
שׁקוצים משׁמם (shiqqutsim meshomem), ‘gruwelbeelden, een verwoester’: letterlijk ‘een verwoester van gruwelbeelden’, of ‘op de vleugel van gruwelbeelden komt een verwoester’. Het Hebreeuws is hier moeilijk; vergelijk Dan. 11:31 en 12:11.