Open in de app Alle boeken Psalmen ← 106 108 → Psalmen 107 Dankt Yahweh: de verlosten vertellen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Dankt Yahweh, verlosten van Yahweh 1 Dank Yahweh, want Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig.
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
חַסְדּֽוֹ
(chasdo)
Zijn trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: verbondstrouw, goedertierenheid.
הוֹדוּ (hodu), ‘dankt’: ook ‘loven’ of ‘belijden’.
Dit vers staat ook aan het begin van Ps. 106 en Ps. 118:1.
2 Laten de verlosten van Yahweh het zeggen: zij die Hij verloste uit de hand van de tegenstander.
יֹ֭אמְרוּ
(yomru)
laten zeggen
גְּאוּלֵ֣י
(geulei)
verlosten van
גְּ֝אָלָ֗ם
(gealam)
Hij verloste hen
מִיַּד
(miyad)
uit de hand van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גְּאוּלֵי (ge’ulei), ‘verlosten’: van גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’.
Het woord hoort bij de losser uit de familie (Ruth 4:1).
צָר (tsar) kan ‘tegenstander’ of ‘nood’ betekenen. Wij vertalen hier ‘tegenstander’; in vers 6, 13 en 28 staat het woord als ‘nood’ (בַּצַּר , ‘in hun nood’).
3 Hij verzamelde hen uit de landen, uit het oosten en het westen, uit het noorden en van de zee.
וּֽמֵאֲרָצ֗וֹת
(umearatsot)
en uit landen
קִ֫בְּצָ֥ם
(qibetsam)
Hij verzamelde hen
מִמִּזְרָ֥ח
(mimizrach)
uit oosten
וּמִֽמַּעֲרָ֑ב
(umimaarav)
en uit westen
מִצָּפ֥וֹן
(mitsafon)
uit noorden
וּמִיָּֽם
(umiyam)
en van zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּמִיָּם (umiyyam), ‘en van de zee’: de zee is het westen, maar dat is al genoemd.
Sommigen lezen hier daarom ‘het zuiden’.
Wij vertalen letterlijk ‘van de zee’.
De dichter noemt zo alle windstreken.
Dwalend in de woestijn 4 Zij dwaalden rond in de woestijn, in de wildernis. Een weg naar een stad om in te wonen vonden zij niet.
בַ֭מִּדְבָּר
(bamidbar)
in woestijn
בִּישִׁימ֣וֹן
(bishimon)
in wildernis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דֶּרֶךְ עִיר מוֹשָׁב (derech ir moshav) kan ‘een weg naar een stad om in te wonen’ betekenen of ‘op de weg … een stad om in te wonen’.
Wij volgen de eerste lezing.
5 Zij waren hongerig en ook dorstig; hun ziel versmachtte in hen.
רְעֵבִ֥ים
(reevim)
hongerig
צְמֵאִ֑ים
(tsemeim)
dorstig
נַ֝פְשָׁ֗ם
(nafsham)
hun ziel
תִּתְעַטָּֽף
(titataf)
versmachtte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het levende wezen, de hele persoon.
6 Zij riepen tot Yahweh in hun nood. Uit hun benauwdheden bevrijdde Hij hen.
וַיִּצְעֲק֣וּ
(vayitsaqu)
en zij riepen
מִ֝מְּצֽוּקוֹתֵיהֶ֗ם
(mimetsuqoteihem)
uit hun benauwdheden
יַצִּילֵֽם
(yatsilem)
bevrijdde hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7 Hij liet hen over een rechte weg lopen, op weg naar een stad om in te wonen.
וַ֭יַּֽדְרִיכֵם
(vayadrikhem)
en Hij liet hen lopen
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op weg
לָ֝לֶ֗כֶת
(lalekhet)
om te gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8 Laten zij Yahweh danken voor Zijn trouw en voor Zijn wonderen aan de mensenkinderen.
יוֹד֣וּ
(yodu)
laten zij danken
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
חַסְדּ֑וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
וְ֝נִפְלְאוֹתָ֗יו
(venifleotav)
en Zijn wonderen
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de kinderen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנֵי אָדָם (bene adam), ‘mensenkinderen’, letterlijk ‘zonen van de mens’: de mensen.
De psalm heeft vier scènes: dwalenden in de woestijn (4–9), gevangenen (10–16), zieken (17–22) en zeevaarders (23–32). Elke scène heeft dezelfde bouw: de nood, de roep tot Yahweh (6, 13, 19, 28), de redding en het dankrefrein (8, 15, 21, 31).
9 Want Hij heeft de smachtende ziel verzadigd. De hongerige ziel heeft Hij gevuld met het goede.
הִ֭שְׂבִּיעַ
(hisbia)
Hij verzadigde
שֹׁקֵקָ֑ה
(shoqeqa)
smachtende
וְנֶ֥פֶשׁ
(venefesh)
en ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Gevangen in duisternis 10 Zij zaten in duisternis en diepe schaduw, gevangenen van ellende en ijzer.
יֹ֭שְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
חֹ֣שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וְצַלְמָ֑וֶת
(vetsalmavet)
en diepe schaduw
אֲסִירֵ֖י
(asirei)
gevangenen van
וּבַרְזֶֽל
(uvarzel)
en ijzer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צַלְמָוֶת (tsalmavet), ‘diepe schaduw’: zoals in Job 3:5.
Het woord klinkt als ‘schaduw’ (צֵל ) en ‘dood’ (מָוֶת ).
11 Want zij waren opstandig tegen de woorden van El en hadden de raad van de Allerhoogste veracht.
הִמְר֥וּ
(himru)
zij waren opstandig tegen
אִמְרֵי
(imrei)
woorden van
וַעֲצַ֖ת
(vaatsat)
en raad van
עֶלְי֣וֹן
(elyon)
Allerhoogste
נָאָֽצוּ
(naatsu)
zij verachtten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֶלְיוֹן (elyon), ‘de Allerhoogste’: een naam of titel van Elohim, de Hoogste boven alles.
אֵל (el), ‘El’: een korte vorm van Elohim.
12 Hij vernederde hun hart met zware arbeid. Zij struikelden, en er was niemand die hielp.
וַיַּכְנַ֣ע
(vayakhna)
en Hij vernederde
בֶּעָמָ֣ל
(beamal)
met zware arbeid
כָּ֝שְׁל֗וּ
(kashelu)
zij struikelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13 Zij schreeuwden tot Yahweh in hun nood. Hij redde hen uit hun benauwdheden.
וַיִּזְעֲק֣וּ
(vayizaqu)
en zij schreeuwden
מִ֝מְּצֻֽקוֹתֵיהֶ֗ם
(mimetsuqoteihem)
uit hun benauwdheden
יוֹשִׁיעֵֽם
(yoshiem)
Hij redde hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14 Hij leidde hen uit duisternis en diepe schaduw en rukte hun boeien los.
יֽ֭וֹצִיאֵם
(yotsiem)
Hij leidde hen uit
מֵחֹ֣שֶׁךְ
(mechoshekh)
uit duisternis
וְצַלְמָ֑וֶת
(vetsalmavet)
en diepe schaduw
וּמוֹסְר֖וֹתֵיהֶ֣ם
(umoseroteihem)
en hun boeien
יְנַתֵּֽק
(yenateq)
Hij rukte los
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹסְרוֹת (mosrot), ‘boeien’: de banden van de gevangenen uit vers 10.
15 Laten zij Yahweh danken voor Zijn trouw en voor Zijn wonderen aan de mensenkinderen.
יוֹד֣וּ
(yodu)
laten zij danken
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
חַסְדּ֑וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
וְ֝נִפְלְאוֹתָ֗יו
(venifleotav)
en Zijn wonderen
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de kinderen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16 Want Hij brak deuren van koper en hakte grendels van ijzer in stukken.
דַּלְת֣וֹת
(daltot)
deuren van
נְחֹ֑שֶׁת
(nechoshet)
koper
וּבְרִיחֵ֖י
(uverichei)
en grendels van
גִּדֵּֽעַ
(gidea)
Hij hakte stuk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Gekweld om hun overtreding 17 Dwazen werden gekweld vanwege de weg van hun overtreding en vanwege hun ongerechtigheden.
מִדֶּ֣רֶךְ
(miderekh)
vanwege de weg van
פִּשְׁעָ֑ם
(pisham)
hun overtreding
וּֽ֝מֵעֲוֺֽנֹתֵיהֶ֗ם
(umeavonoteihem)
en vanwege hun ongerechtigheden
יִתְעַנּֽוּ
(yitanu)
werden gekweld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱוִלִים (evilim), ‘dwazen’: mensen die niet willen luisteren en hun eigen weg gaan.
18 Hun ziel walgde van elk voedsel, en zij kwamen tot aan de poorten van de dood.
נַפְשָׁ֑ם
(nafsham)
hun ziel
וַ֝יַּגִּ֗יעוּ
(vayagiu)
en zij kwamen
שַׁ֥עֲרֵי
(shaarei)
poorten van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19 Zij schreeuwden tot Yahweh in hun nood. Hij redde hen uit hun benauwdheden.
וַיִּזְעֲק֣וּ
(vayizaqu)
en zij schreeuwden
מִ֝מְּצֻֽקוֹתֵיהֶ֗ם
(mimetsuqoteihem)
uit hun benauwdheden
יוֹשִׁיעֵֽם
(yoshiem)
Hij redde hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20 Hij zond Zijn woord en genas hen. Hij deed hen ontkomen aan hun kuilen.
יִשְׁלַ֣ח
(yishlach)
Hij zond
דְּ֭בָרוֹ
(devaro)
Zijn woord
וְיִרְפָּאֵ֑ם
(veyirpaem)
en Hij genas hen
וִֽ֝ימַלֵּ֗ט
(vimalet)
en Hij deed ontkomen
מִשְּׁחִיתוֹתָֽם
(mishechitotam)
aan hun kuilen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דְּבָרוֹ (devaro), ‘Zijn woord’: Yahweh geneest door Zijn woord te zenden.
Lezing
מִשְּׁחִיתוֹתָם (mishchitotam) komt alleen hier voor.
Het woord kan bij שַׁחַת (shachat), ‘kuil’, horen of bij ‘verderf’.
Wij vertalen ‘kuilen’.
21 Laten zij Yahweh danken voor Zijn trouw en voor Zijn wonderen aan de mensenkinderen.
יוֹד֣וּ
(yodu)
laten zij danken
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
חַסְדּ֑וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
וְ֝נִפְלְאוֹתָ֗יו
(venifleotav)
en Zijn wonderen
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de kinderen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22 Laten zij dankoffers brengen en Zijn werken vertellen met gejuich.
וְ֭יִזְבְּחוּ
(veyizbechu)
en laten zij offeren
זִבְחֵ֣י
(zivchei)
offers van
וִֽיסַפְּר֖וּ
(visaperu)
en laten zij vertellen
מַעֲשָׂ֣יו
(maasav)
Zijn werken
בְּרִנָּֽה
(berina)
met gejuich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זִבְחֵי תוֹדָה (zivchei todah), ‘dankoffers’: het offer van dank, zoals in Lev. 7:12.
Zeevaarders in de storm 23 Zij gingen met schepen de zee op en deden hun werk op grote wateren.
יוֹרְדֵ֣י
(yoredei)
afdalenden naar
בָּאֳנִיּ֑וֹת
(baoniyot)
in schepen
בְּמַ֣יִם
(bemayim)
op wateren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24 Zij zagen de werken van Yahweh en Zijn wonderen in de diepte.
מַעֲשֵׂ֣י
(maasei)
werken van
וְ֝נִפְלְאוֹתָ֗יו
(venifleotav)
en Zijn wonderen
בִּמְצוּלָֽה
(bimtsula)
in de diepte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25 Hij sprak en liet een stormwind opstaan. Die tilde de golven omhoog.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en Hij sprak
וַֽ֭יַּעֲמֵד
(vayaamed)
en Hij liet opstaan
וַתְּרוֹמֵ֥ם
(vateromem)
en zij tilde op
גַּלָּֽיו
(galav)
zijn golven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt ‘Hij sprak’: Yahweh.
26 Zij stegen op naar de hemel, zij daalden af naar de diepten. Hun ziel smolt weg in de ellende.
יַעֲל֣וּ
(yaalu)
zij stegen op
יֵרְד֣וּ
(yeredu)
zij daalden af
תְהוֹמ֑וֹת
(tehomot)
diepten
נַ֝פְשָׁ֗ם
(nafsham)
hun ziel
בְּרָעָ֥ה
(beraa)
in ellende
תִתְמוֹגָֽג
(titmogag)
smolt weg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27 Zij tuimelden en wankelden als een dronkaard, en al hun wijsheid werd verzwolgen.
יָח֣וֹגּוּ
(yachogu)
zij zwaaiden
וְ֭יָנוּעוּ
(veyanuu)
en wankelden
כַּשִּׁכּ֑וֹר
(kashikor)
als een dronkaard
חָ֝כְמָתָ֗ם
(chakhematam)
hun wijsheid
תִּתְבַּלָּֽע
(titbala)
werd verzwolgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָכְמָתָם (chokhmatam), ‘hun wijsheid’: hun kennis en vakmanschap als zeelieden.
28 Zij riepen tot Yahweh in hun nood. Hij leidde hen uit hun benauwdheden.
וַיִּצְעֲק֣וּ
(vayitsaqu)
en zij riepen
וּֽ֝מִמְּצֽוּקֹתֵיהֶ֗ם
(umimetsuqoteihem)
en uit hun benauwdheden
יוֹצִיאֵֽם
(yotsiem)
Hij leidde hen uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29 Hij bracht de storm tot stilte, en de golven zwegen.
יָקֵ֣ם
(yaqem)
Hij deed opstaan
לִדְמָמָ֑ה
(lidmama)
tot stilte
וַ֝יֶּחֱשׁ֗וּ
(vayecheshu)
en zij zwegen
גַּלֵּיהֶֽם
(galeihem)
hun golven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דְּמָמָה (demamah), ‘stilte’: hetzelfde woord als in 1 Kon. 19:12.
30 Zij verheugden zich, want het werd stil, en Hij bracht hen naar de haven van hun verlangen.
וַיִּשְׂמְח֥וּ
(vayismechu)
en zij verheugden zich
יִשְׁתֹּ֑קוּ
(yishtoqu)
zij werden stil
וַ֝יַּנְחֵ֗ם
(vayanchem)
en Hij leidde hen
חֶפְצָֽם
(cheftsam)
hun verlangen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31 Laten zij Yahweh danken voor Zijn trouw en voor Zijn wonderen aan de mensenkinderen.
יוֹד֣וּ
(yodu)
laten zij danken
לַיהוָ֣ה
(laYahweh)
aan Yahweh
חַסְדּ֑וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
וְ֝נִפְלְאוֹתָ֗יו
(venifleotav)
en Zijn wonderen
לִבְנֵ֥י
(livnei)
aan de kinderen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32 Laten zij Hem verheffen in de vergadering van het volk en Hem prijzen in de zitting van de oudsten.
וִֽ֭ירֹמְמוּהוּ
(viromemuhu)
en laten zij Hem verheffen
בִּקְהַל
(biqhal)
in vergadering van
וּבְמוֹשַׁ֖ב
(uvemoshav)
en in zitting van
זְקֵנִ֣ים
(zeqenim)
oudsten
יְהַלְלֽוּהוּ
(yehalluhu)
laten zij Hem prijzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Yahweh verandert land en lot 33 Hij maakt rivieren tot woestijn en waterbronnen tot dorstig land.
נְהָר֣וֹת
(neharot)
rivieren
לְמִדְבָּ֑ר
(lemidbar)
tot woestijn
וּמֹצָ֥אֵי
(umotsaei)
en bronnen van
לְצִמָּאֽוֹן
(letsimaon)
tot dorstig land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf vers 33 beschrijft de dichter hoe Yahweh landschappen en levens verandert.
Wij vertalen de werkwoorden in de tegenwoordige tijd.
34 Vruchtbaar land maakt Hij tot zoutland, vanwege de boosheid van wie er wonen.
לִמְלֵחָ֑ה
(limlecha)
tot zoutland
מֵ֝רָעַ֗ת
(meraat)
vanwege boosheid van
יֹ֣שְׁבֵי
(yoshevei)
bewoners van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְלֵחָה (melechah), ‘zoutland’: onvruchtbare zoutgrond.
Zie ook Job 39:6.
35 Hij maakt van een woestijn een waterpoel en van dor land waterbronnen.
מִ֭דְבָּר
(midbar)
woestijn
לַֽאֲגַם
(laagam)
tot poel van
וְאֶ֥רֶץ
(veerets)
en land van
לְמֹצָ֥אֵי
(lemotsaei)
tot bronnen van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36 Hongerigen laat Hij daar wonen, en zij stichten een stad om in te wonen.
וַיּ֣וֹשֶׁב
(vayoshev)
en Hij laat wonen
רְעֵבִ֑ים
(reevim)
hongerigen
וַ֝יְכוֹנְנ֗וּ
(vaykhonenu)
en zij stichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37 Zij zaaien velden en planten wijngaarden, en zij brengen een oogst van vrucht voort.
וַיִּזְרְע֣וּ
(vayizreu)
en zij zaaien
וַיִּטְּע֣וּ
(vayiteu)
en zij planten
כְרָמִ֑ים
(keramim)
wijngaarden
וַ֝יַּעֲשׂ֗וּ
(vayaasu)
en zij maken
תְבֽוּאָה
(tevua)
opbrengst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38 Hij zegent hen, en zij worden zeer talrijk. Hun vee laat Hij niet minder worden.
וַיְבָרֲכֵ֣ם
(vayvarakhem)
en Hij zegent hen
וַיִּרְבּ֣וּ
(vayirbu)
en zij worden talrijk
וּ֝בְהֶמְתָּ֗ם
(uvehemtam)
en hun vee
יַמְעִֽיט
(yamit)
Hij laat verminderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39 Zij worden minder en gebogen, door de druk van onheil en verdriet.
וַיִּמְעֲט֥וּ
(vayimatu)
en zij worden minder
וַיָּשֹׁ֑חוּ
(vayashochu)
en zij worden gebogen
מֵעֹ֖צֶר
(meotser)
door druk van
וְיָגֽוֹן
(veyagon)
en verdriet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40 Hij stort minachting uit over edelen en laat hen dwalen in een leegte zonder weg.
שֹׁפֵ֣ךְ
(shofekh)
Hij die uitstort
נְדִיבִ֑ים
(nedivim)
edelen
וַ֝יַּתְעֵ֗ם
(vayatem)
en Hij laat hen dwalen
בְּתֹ֣הוּ
(betohu)
in leegte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers staat bijna woordelijk ook in Job 12:21 en 12:24.
41 Maar de arme zet Hij hoog, ver van ellende, en Hij maakt de families als een kudde.
וַיְשַׂגֵּ֣ב
(vaysagev)
en Hij zet hoog
מֵע֑וֹנִי
(meoni)
uit ellende
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en Hij maakt
כַּ֝צֹּ֗אן
(katson)
als een kudde
מִשְׁפָּחֽוֹת
(mishpachot)
families
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Wie wijs is, let hierop 42 De oprechten zien het en verheugen zich, en alle onrecht sluit zijn mond.
יְשָׁרִ֣ים
(yesharim)
oprechten
וְיִשְׂמָ֑חוּ
(veyismachu)
en zij verheugen zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43 Wie is wijs? Laat hij dit in acht nemen en de daden van trouw van Yahweh begrijpen.
וְיִשְׁמָר
(veyishmar)
en hij neemt in acht
וְ֝יִתְבּֽוֹנְנ֗וּ
(veyitbonenu)
en laten zij begrijpen
חַֽסְדֵ֥י
(chasdei)
daden van trouw van
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַסְדֵי (chasdei), ‘daden van trouw’: het meervoud van chesed, de vele bewijzen van Yahweh’s verbondstrouw die in de psalm zijn verteld.