Elohim Bijbel

Leviticus 26

123456789101112131415161718192021222324252627

Zegen en vloek

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Geen nietige goden

1Jullie mogen geen nietige goden voor jezelf maken. Een gesneden beeld of een gewijde zuil mogen jullie niet oprichten. Een steen met beeldwerk mogen jullie niet in jullie land neerzetten om je ervoor neer te buigen. Want Ik ben Yahweh, jullie Elohim.
לֹֽא
(lo)
niet
תַעֲשׂ֨וּ
(taasu)
jullie zullen maken
לָכֶ֜ם
(lakhem)
voor jullie
אֱלִילִ֗ם
(elilim)
nietige goden
וּפֶ֤סֶל
(ufesel)
en gesneden beeld
וּמַצֵּבָה֙
(umatseva)
en gewijde zuil
לֹֽא
(lo)
niet
תָקִ֣ימוּ
(taqimu)
jullie zullen oprichten
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
וְאֶ֣בֶן
(veeven)
en steen van
מַשְׂכִּ֗ית
(maskit)
beeldwerk
לֹ֤א
(lo)
niet
תִתְּנוּ֙
(titenu)
jullie zullen plaatsen
בְּאַרְצְכֶ֔ם
(beartsekhem)
in jullie land
לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֖ת
(lehishtachavot)
om neer te buigen
עָלֶ֑יהָ
(aleiha)
voor haar
כִּ֛י
(ki)
want
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֱלִילִים (elilim), ‘nietige goden’: het woord betekent ‘niets, nietig’.

In vers 30 staat een ander woord, גִּלּוּלִים (gillulim), ‘afgoden’.

פֶּסֶל (pesel), ‘gesneden beeld’ (zoals in Exod. 20:4). מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde zuil’: een rechtopstaande steen voor aanbidding. אֶבֶן מַשְׂכִּית (even maskit), ‘steen met beeldwerk’: een steen met figuren erop; de betekenis van het woord is niet helemaal zeker.

Deze toespraak begint al in Lev. 25:2 en loopt door tot en met vers 45.

2Mijn sabbatten moeten jullie houden, en Mijn heiligdom moeten jullie vrezen. Ik ben Yahweh.
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁבְּתֹתַ֣י
(shabetotay)
Mijn sabbatten
תִּשְׁמֹ֔רוּ
(tishmoru)
jullie zullen houden
וּמִקְדָּשִׁ֖י
(umiqdashi)
en Mijn heiligdom
תִּירָ֑אוּ
(tirau)
jullie zullen vrezen
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִקְדָּשׁ (miqdash), ‘heiligdom’: het huis dat Israël voor Yahweh maakt (Exod. 25:8).

Wij vertalen ‘vrezen’ voor יָרֵא (yare), zoals in Lev. 25:17.

De zegen bij gehoorzaamheid

3Als jullie in Mijn voorschriften wandelen, Mijn geboden houden en ze doen,
אִם
(im)
als
בְּחֻקֹּתַ֖י
(bechuqotay)
in Mijn voorschriften
תֵּלֵ֑כוּ
(telekhu)
jullie zullen wandelen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִצְוֺתַ֣י
(mitsvotay)
Mijn geboden
תִּשְׁמְר֔וּ
(tishmeru)
jullie zullen houden
וַעֲשִׂיתֶ֖ם
(vaasitem)
en jullie zullen doen
אֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָלַךְ (halakh), ‘wandelen’: leven en handelen.

Wij houden ‘wandelen’ omdat het woord in dit hoofdstuk steeds terugkomt, ook in ‘in tegenstand wandelen’ (vers 21–28, 40–41).

Vanaf hier volgt de zegen (vers 3–13) en daarna de vloek (vers 14–45); zie ook Deut. 28:1–14 en 28:15–68.

4dan zal Ik jullie regen geven op zijn tijd. Het land zal zijn opbrengst geven en de bomen van het veld hun vrucht.
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
גִשְׁמֵיכֶ֖ם
(gishmeikhem)
jullie regens
בְּעִתָּ֑ם
(beitam)
op hun tijd
וְנָתְנָ֤ה
(venatena)
en zal geven
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
יְבוּלָ֔הּ
(yevulah)
haar opbrengst
וְעֵ֥ץ
(veets)
en boom van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
יִתֵּ֥ן
(yiten)
zal geven
פִּרְיֽוֹ
(piryo)
zijn vrucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Het dorsen zal voor jullie doorgaan tot de druivenoogst, en de druivenoogst tot het zaaien. Jullie zullen je brood eten tot jullie verzadigd zijn en veilig in jullie land wonen.
וְהִשִּׂ֨יג
(vehisig)
en zal reiken
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
דַּ֨יִשׁ֙
(dayish)
dorsen
אֶת
(et)
(obj.)
בָּצִ֔יר
(batsir)
druivenoogst
וּבָצִ֖יר
(uvatsir)
en druivenoogst
יַשִּׂ֣יג
(yasig)
zal reiken
אֶת
(et)
(obj.)
זָ֑רַע
(zara)
zaaitijd
וַאֲכַלְתֶּ֤ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
לַחְמְכֶם֙
(lachmekhem)
jullie brood
לָשֹׂ֔בַע
(lasova)
tot verzadiging
וִֽישַׁבְתֶּ֥ם
(vishavtem)
en jullie zullen wonen
לָבֶ֖טַח
(lavetach)
in veiligheid
בְּאַרְצְכֶֽם
(beartsekhem)
in jullie land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דַּיִשׁ (dayish), ‘dorsen’, en בָּצִיר (batsir), ‘druivenoogst’: de oogsten zijn zo rijk dat het werk van de ene tijd doorloopt in de volgende.

Het dorsen in het voorjaar loopt door tot de druivenoogst in het najaar, en die tot het zaaien.

6Ik zal vrede geven in het land. Jullie zullen gaan liggen en niemand zal jullie doen schrikken. Ik zal de gevaarlijke wilde dieren uit het land laten verdwijnen, en het zwaard zal niet door jullie land trekken.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
שָׁלוֹם֙
(shalom)
vrede
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וּשְׁכַבְתֶּ֖ם
(ushekhavtem)
en jullie zullen liggen
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is
מַחֲרִ֑יד
(macharid)
wie doet schrikken
וְהִשְׁבַּתִּ֞י
(vehishbati)
en Ik zal laten ophouden
חַיָּ֤ה
(chaya)
wild dier
רָעָה֙
(raa)
gevaarlijk
מִן
(min)
uit
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְחֶ֖רֶב
(vecherev)
en zwaard
לֹא
(lo)
niet
תַעֲבֹ֥ר
(taavor)
zal doortrekken
בְּאַרְצְכֶֽם
(beartsekhem)
in jullie land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַיָּה רָעָה (chayah ra’ah), ‘gevaarlijke wilde dieren’: in Gen. 37:20 staat dezelfde uitdrukking, daar vertaald als ‘wild dier’.

7Jullie zullen jullie vijanden achtervolgen, en zij zullen voor jullie vallen door het zwaard.
וּרְדַפְתֶּ֖ם
(uredaftem)
en jullie zullen achtervolgen
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבֵיכֶ֑ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
וְנָפְל֥וּ
(venafelu)
en zij zullen vallen
לִפְנֵיכֶ֖ם
(lifneikhem)
voor jullie
לֶחָֽרֶב
(lecharev)
door het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Vijf van jullie zullen honderd achtervolgen, en honderd van jullie zullen tienduizend achtervolgen. Jullie vijanden zullen voor jullie vallen door het zwaard.
וְרָדְפ֨וּ
(veradefu)
en zullen achtervolgen
מִכֶּ֤ם
(mikem)
van jullie
חֲמִשָּׁה֙
(chamisha)
vijf
מֵאָ֔ה
(mea)
honderd
וּמֵאָ֥ה
(umea)
en honderd
מִכֶּ֖ם
(mikem)
van jullie
רְבָבָ֣ה
(revava)
tienduizend
יִרְדֹּ֑פוּ
(yirdofu)
zullen achtervolgen
וְנָפְל֧וּ
(venafelu)
en zullen vallen
אֹיְבֵיכֶ֛ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
לִפְנֵיכֶ֖ם
(lifneikhem)
voor jullie
לֶחָֽרֶב
(lecharev)
door het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רְבָבָה (revavah), ‘tienduizend’.

9Ik zal Mij tot jullie wenden. Ik zal jullie vruchtbaar maken en talrijk maken, en Mijn verbond met jullie oprichten.
וּפָנִ֣יתִי
(ufaniti)
en Ik zal Mij wenden
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
tot jullie
וְהִפְרֵיתִ֣י
(vehifreiti)
en Ik zal vruchtbaar maken
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וְהִרְבֵּיתִ֖י
(vehirbeiti)
en Ik zal talrijk maken
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וַהֲקִימֹתִ֥י
(vahaqimoti)
en Ik zal oprichten
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֖י
(beriti)
Mijn verbond
אִתְּכֶֽם
(itekhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Jullie zullen eten wat oud is, lang bewaard, en wat oud is weghalen om plaats te maken voor het nieuwe.
וַאֲכַלְתֶּ֥ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
יָשָׁ֖ן
(yashan)
oud
נוֹשָׁ֑ן
(noshan)
lang bewaard
וְיָשָׁ֕ן
(veyashan)
en oud
מִפְּנֵ֥י
(mipenei)
om plaats voor
חָדָ֖שׁ
(chadash)
nieuw
תּוֹצִֽיאוּ
(totsiu)
jullie zullen weghalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Ik zal Mijn tabernakel in jullie midden zetten, en Ik zal jullie niet verafschuwen.
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal zetten
מִשְׁכָּנִ֖י
(mishkani)
Mijn tabernakel
בְּתוֹכְכֶ֑ם
(betokhekhem)
te midden van jullie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִגְעַ֥ל
(tigal)
zal verafschuwen
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
Mijn ziel
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁכָּן (mishkan), ‘tabernakel’: de woning van Yahweh in het midden van het kamp (Exod. 25:8–9).

נַפְשִׁי (nafshi), letterlijk ‘Mijn ziel’: dit is een manier om ‘Ik’ te zeggen. Wij vertalen ‘Ik’. Zo ook in vers 30, en ‘jullie ziel’ (vers 15) en ‘hun ziel’ (vers 43): wij laten ‘ziel’ weg.

גָּעַל (ga’al), ‘verafschuwen’. Let op: גָּעַל (met ayin) is iets anders dan גָּאַל (met alef), ‘lossen’, in Lev. 25.

12Ik zal in jullie midden wandelen. Ik zal jullie Elohim zijn en jullie zullen Mijn volk zijn.
וְהִתְהַלַּכְתִּי֙
(vehithalakhti)
en Ik zal wandelen
בְּת֣וֹכְכֶ֔ם
(betokhekhem)
te midden van jullie
וְהָיִ֥יתִי
(vehayiti)
en Ik zal zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לֵֽאלֹהִ֑ים
(lElohim)
tot Elohim
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
תִּהְיוּ
(tihyu)
zullen zijn
לִ֥י
(li)
voor Mij
לְעָֽם
(leam)
tot volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze zin is de kern van het verbond.

Vergelijk Exod. 29:45.

13Ik ben Yahweh, jullie Elohim, die jullie uit het land Egypte heb geleid, zodat jullie niet langer hun slaven waren. Ik heb de staven van jullie juk gebroken en jullie rechtop laten lopen.
אֲנִ֞י
(ani)
Ik
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֗ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הוֹצֵ֤אתִי
(hotseti)
Ik uitleidde
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
מִֽהְיֹ֥ת
(mihyot)
van te zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
עֲבָדִ֑ים
(avadim)
slaven
וָאֶשְׁבֹּר֙
(vaeshbor)
en Ik brak
מֹטֹ֣ת
(motot)
staven van
עֻלְּכֶ֔ם
(ulekhem)
jullie juk
וָאוֹלֵ֥ךְ
(vaolekh)
en Ik liet gaan
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
קֽוֹמְמִיּֽוּת
(qomemiyut)
rechtop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

מֹטֹת עֹל (motot ol), ‘staven van het juk’: de staven waarmee dieren het juk dragen.

קוֹמְמִיּוּת (qomemiyyut), ‘rechtop’: met opgeheven hoofd, als vrije mensen.

De vloek bij ongehoorzaamheid

14Maar als jullie niet naar Mij luisteren en al deze geboden niet doen,
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשְׁמְע֖וּ
(tishmeu)
jullie luisteren
לִ֑י
(li)
naar Mij
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַעֲשׂ֔וּ
(taasu)
jullie doen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַמִּצְוֺ֖ת
(hamitsvot)
de geboden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15en als jullie Mijn voorschriften verwerpen en Mijn rechtsregels verafschuwen, zodat jullie al Mijn geboden niet doen en Mijn verbond verbreken,
וְאִם
(veim)
en als
בְּחֻקֹּתַ֣י
(bechuqotay)
Mijn voorschriften
תִּמְאָ֔סוּ
(timasu)
jullie verwerpen
וְאִ֥ם
(veim)
en als
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁפָּטַ֖י
(mishpatay)
Mijn rechtsregels
תִּגְעַ֣ל
(tigal)
verafschuwt
נַפְשְׁכֶ֑ם
(nafshekhem)
jullie ziel
לְבִלְתִּ֤י
(levilti)
om niet
עֲשׂוֹת֙
(asot)
te doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מִצְוֺתַ֔י
(mitsvotay)
Mijn geboden
לְהַפְרְכֶ֖ם
(lehafrekhem)
waardoor jullie verbreken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִֽי
(beriti)
Mijn verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is het begin van de lange reeks van vloeken.

Het woord ‘verwerpen’ (מָאַס, ma’as) en ‘verafschuwen’ (גָּעַל, ga’al) komen terug in vers 43–44.

16dan zal ook Ik dit jullie doen: Ik zal plotselinge schrik over jullie laten komen, tering en koorts, die de ogen doen versmachten en het leven doen wegkwijnen. Jullie zullen tevergeefs jullie zaad zaaien, en jullie vijanden zullen het opeten.
אַף
(af)
ook
אֲנִ֞י
(ani)
Ik
אֶֽעֱשֶׂה
(eese)
zal doen
זֹּ֣את
(zot)
dit
לָכֶ֗ם
(lakhem)
aan jullie
וְהִפְקַדְתִּ֨י
(vehifqadti)
en Ik zal laten komen
עֲלֵיכֶ֤ם
(aleikhem)
over jullie
בֶּֽהָלָה֙
(behala)
plotselinge schrik
אֶת
(et)
(obj.)
הַשַּׁחֶ֣פֶת
(hashachefet)
tering
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַקַּדַּ֔חַת
(haqadachat)
koorts
מְכַלּ֥וֹת
(mekhalot)
die doen versmachten
עֵינַ֖יִם
(einayim)
ogen
וּמְדִיבֹ֣ת
(umedivot)
en doen wegkwijnen
נָ֑פֶשׁ
(nafesh)
leven
וּזְרַעְתֶּ֤ם
(uzeratem)
en jullie zullen zaaien
לָרִיק֙
(lariq)
tevergeefs
זַרְעֲכֶ֔ם
(zarakhem)
jullie zaad
וַאֲכָלֻ֖הוּ
(vaakhaluhu)
en zullen het eten
אֹיְבֵיכֶֽם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּהָלָה (behalah), ‘plotselinge schrik’.

שַׁחֶפֶת (shachefet), ‘tering’: een ziekte die het lichaam uitput.

קַדַּחַת (qaddachat), ‘koorts’.

Zie ook Deut. 28:22.

17Ik zal Mijn aangezicht tegen jullie keren. Jullie zullen verslagen worden door jullie vijanden, en wie jullie haten, zullen over jullie heersen. Jullie zullen vluchten terwijl niemand jullie achtervolgt.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal zetten
פָנַי֙
(panay)
Mijn aangezicht
בָּכֶ֔ם
(bakhem)
tegen jullie
וְנִגַּפְתֶּ֖ם
(venigaftem)
en jullie zullen verslagen worden
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
אֹיְבֵיכֶ֑ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
וְרָד֤וּ
(veradu)
en zullen heersen
בָכֶם֙
(bakhem)
over jullie
שֹֽׂנְאֵיכֶ֔ם
(soneeikhem)
jullie haters
וְנַסְתֶּ֖ם
(venastem)
en jullie zullen vluchten
וְאֵין
(veein)
en niet is
רֹדֵ֥ף
(rodef)
wie achtervolgt
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Zevenmaal zwaarder

18En als jullie zelfs dan niet naar Mij luisteren, zal Ik doorgaan jullie te tuchtigen, zevenmaal zoveel vanwege jullie zonden.
וְאִ֨ם
(veim)
en als
עַד
(ad)
tot
אֵ֔לֶּה
(ele)
deze dingen
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשְׁמְע֖וּ
(tishmeu)
jullie luisteren
לִ֑י
(li)
naar Mij
וְיָסַפְתִּי֙
(veyasafti)
en Ik zal doorgaan
לְיַסְּרָ֣ה
(leyasera)
om te tuchtigen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
שֶׁ֖בַע
(sheva)
zeven
עַל
(al)
vanwege
חַטֹּאתֵיכֶֽם
(chatoteikhem)
jullie zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁבַע (sheva), ‘zeven’: het staat vier keer in dit hoofdstuk (vers 18, 21, 24 en 28).

Het geeft een volle maat aan: na elke weigering komt de straf in een zwaardere vorm.

Wij vertalen ‘zevenmaal zoveel’.

19Ik zal de trots van jullie kracht breken. Ik zal jullie hemel maken als ijzer en jullie land als koper.
וְשָׁבַרְתִּ֖י
(veshavarti)
en Ik zal breken
אֶת
(et)
(obj.)
גְּא֣וֹן
(geon)
trots van
עֻזְּכֶ֑ם
(uzekhem)
jullie kracht
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמֵיכֶם֙
(shemeikhem)
jullie hemel
כַּבַּרְזֶ֔ל
(kabarzel)
als ijzer
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
אַרְצְכֶ֖ם
(artsekhem)
jullie land
כַּנְּחֻשָֽׁה
(kanechusha)
als koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een hemel als ijzer geeft geen regen en een land als koper geeft geen vrucht.

20Jullie kracht zal tevergeefs opgebruikt worden. Jullie land zal zijn opbrengst niet geven en de bomen van het land hun vrucht niet.
וְתַ֥ם
(vetam)
en zal opgebruikt zijn
לָרִ֖יק
(lariq)
tevergeefs
כֹּחֲכֶ֑ם
(kochakhem)
jullie kracht
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִתֵּ֤ן
(titen)
zal geven
אַרְצְכֶם֙
(artsekhem)
jullie land
אֶת
(et)
(obj.)
יְבוּלָ֔הּ
(yevulah)
haar opbrengst
וְעֵ֣ץ
(veets)
en boom van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
לֹ֥א
(lo)
niet
יִתֵּ֖ן
(yiten)
zal geven
פִּרְיֽוֹ
(piryo)
zijn vrucht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21En als jullie in tegenstand met Mij wandelen en niet naar Mij willen luisteren, dan zal Ik jullie nog een slag toevoegen, zevenmaal zoveel als jullie zonden.
וְאִם
(veim)
en als
תֵּֽלְכ֤וּ
(telekhu)
jullie wandelen
עִמִּי֙
(imi)
met Mij
קֶ֔רִי
(qeri)
in tegenstand
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תֹאב֖וּ
(tovu)
jullie willen
לִשְׁמֹ֣עַֽ
(lishmoa)
om te luisteren
לִ֑י
(li)
naar Mij
וְיָסַפְתִּ֤י
(veyasafti)
en Ik zal toevoegen
עֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
over jullie
מַכָּ֔ה
(maka)
slag
שֶׁ֖בַע
(sheva)
zeven
כְּחַטֹּאתֵיכֶֽם
(kechatoteikhem)
volgens jullie zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶרִי (qeri), ‘tegenstand’: een houding van weerstand, ‘tegen Mij ingaan’.

Het woord komt zeven keer voor in dit hoofdstuk.

Wij houden één woord: ‘in tegenstand wandelen’.

De betekenis is niet helemaal zeker.

22Ik zal de wilde dieren van het veld op jullie afsturen. Zij zullen jullie kinderloos maken, jullie vee uitroeien en jullie aantal verminderen, en jullie wegen zullen verlaten zijn.
וְהִשְׁלַחְתִּ֨י
(vehishlachti)
en Ik zal zenden
בָכֶ֜ם
(bakhem)
onder jullie
אֶת
(et)
(obj.)
חַיַּ֤ת
(chayat)
wilde dieren van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
וְשִׁכְּלָ֣ה
(veshikela)
en zij zullen kinderloos maken
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
וְהִכְרִ֨יתָה֙
(vehikhrita)
en zij zullen uitroeien
אֶת
(et)
(obj.)
בְּהֶמְתְּכֶ֔ם
(behemtekhem)
jullie vee
וְהִמְעִ֖יטָה
(vehimita)
en zij zullen verminderen
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וְנָשַׁ֖מּוּ
(venashamu)
en zullen verlaten zijn
דַּרְכֵיכֶֽם
(darkheikhem)
jullie wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23En als jullie je hierdoor niet door Mij laten tuchtigen en in tegenstand met Mij blijven wandelen,
וְאִ֨ם
(veim)
en als
בְּאֵ֔לֶּה
(beele)
door deze dingen
לֹ֥א
(lo)
niet
תִוָּסְר֖וּ
(tivaseru)
jullie laten tuchtigen
לִ֑י
(li)
door Mij
וַהֲלַכְתֶּ֥ם
(vahalakhtem)
en jullie zullen wandelen
עִמִּ֖י
(imi)
met Mij
קֶֽרִי
(qeri)
in tegenstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24dan zal ook Ik in tegenstand met jullie wandelen. Ik zal jullie slaan, ook Ik, zevenmaal zoveel vanwege jullie zonden.
וְהָלַכְתִּ֧י
(vehalakhti)
en Ik zal wandelen
אַף
(af)
ook
אֲנִ֛י
(ani)
Ik
עִמָּכֶ֖ם
(imakhem)
met jullie
בְּקֶ֑רִי
(beqeri)
in tegenstand
וְהִכֵּיתִ֤י
(vehikeiti)
en Ik zal slaan
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
גַּם
(gam)
ook
אָ֔נִי
(ani)
Ik
שֶׁ֖בַע
(sheva)
zeven
עַל
(al)
vanwege
חַטֹּאתֵיכֶֽם
(chatoteikhem)
jullie zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘ook Ik’ (אַף אֲנִי, af ani): Yahweh doet met Israël wat Israël met Hem doet.

25Ik zal het zwaard over jullie brengen, dat de wraak van het verbond neemt. Als jullie je in jullie steden verzamelen, zal Ik de pest in jullie midden sturen, en jullie zullen in de hand van een vijand worden gegeven.
וְהֵבֵאתִ֨י
(veheveti)
en Ik zal brengen
עֲלֵיכֶ֜ם
(aleikhem)
over jullie
חֶ֗רֶב
(cherev)
zwaard
נֹקֶ֨מֶת֙
(noqemet)
dat wreekt
נְקַם
(neqam)
wraak van
בְּרִ֔ית
(berit)
verbond
וְנֶאֱסַפְתֶּ֖ם
(veneesaftem)
en jullie zullen zich verzamelen
אֶל
(el)
in
עָרֵיכֶ֑ם
(areikhem)
jullie steden
וְשִׁלַּ֤חְתִּי
(veshilachti)
en Ik zal zenden
דֶ֨בֶר֙
(dever)
pest
בְּת֣וֹכְכֶ֔ם
(betokhekhem)
te midden van jullie
וְנִתַּתֶּ֖ם
(venitatem)
en jullie zullen gegeven worden
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
אוֹיֵֽב
(oyev)
een vijand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְקַם בְּרִית (neqam berit), ‘wraak van het verbond’: de straf die het verbond zelf aankondigt voor wie het verbreekt.

26Wanneer Ik voor jullie de staf van het brood breek, zullen tien vrouwen jullie brood in één oven bakken. Zij geven jullie brood terug op gewicht. Jullie zullen eten en niet verzadigd worden.
בְּשִׁבְרִ֣י
(beshivri)
bij Mijn breken
לָכֶם֮
(lakhem)
voor jullie
מַטֵּה
(mate)
staf van
לֶחֶם֒
(lechem)
brood
וְ֠אָפוּ
(veafu)
en zullen bakken
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
נָשִׁ֤ים
(nashim)
vrouwen
לַחְמְכֶם֙
(lachmekhem)
jullie brood
בְּתַנּ֣וּר
(betanur)
in oven
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וְהֵשִׁ֥יבוּ
(veheshivu)
en zullen teruggeven
לַחְמְכֶ֖ם
(lachmekhem)
jullie brood
בַּמִּשְׁקָ֑ל
(bamishqal)
op gewicht
וַאֲכַלְתֶּ֖ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִשְׂבָּֽעוּ
(tisbau)
jullie zullen verzadigd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַטֵּה לֶחֶם (matteh lechem), ‘staf van het brood’: het brood is de steun van het leven en die steun wordt gebroken.

Dezelfde uitdrukking staat in Ps. 105:16 en Ezech. 4:16.

Tien vrouwen bakken in één oven: er is zo weinig brood dat één oven genoeg is.

27En als jullie hierdoor niet naar Mij luisteren en in tegenstand met Mij wandelen,
וְאִ֨ם
(veim)
en als
בְּזֹ֔את
(bezot)
door dit
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשְׁמְע֖וּ
(tishmeu)
jullie luisteren
לִ֑י
(li)
naar Mij
וַהֲלַכְתֶּ֥ם
(vahalakhtem)
en jullie zullen wandelen
עִמִּ֖י
(imi)
met Mij
בְּקֶֽרִי
(beqeri)
in tegenstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28dan zal Ik in woedende tegenstand met jullie wandelen en jullie tuchtigen, ook Ik, zevenmaal zoveel vanwege jullie zonden.
וְהָלַכְתִּ֥י
(vehalakhti)
en Ik zal wandelen
עִמָּכֶ֖ם
(imakhem)
met jullie
בַּחֲמַת
(bachamat)
in woede van
קֶ֑רִי
(qeri)
tegenstand
וְיִסַּרְתִּ֤י
(veyisarti)
en Ik zal tuchtigen
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
אַף
(af)
ook
אָ֔נִי
(ani)
Ik
שֶׁ֖בַע
(sheva)
zeven
עַל
(al)
vanwege
חַטֹּאתֵיכֶם
(chatoteikhem)
jullie zonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Jullie zullen het vlees van jullie zonen eten, en het vlees van jullie dochters zullen jullie eten.
וַאֲכַלְתֶּ֖ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
בְּשַׂ֣ר
(besar)
vlees van
בְּנֵיכֶ֑ם
(beneikhem)
jullie zonen
וּבְשַׂ֥ר
(uvesar)
en vlees van
בְּנֹתֵיכֶ֖ם
(benoteikhem)
jullie dochters
תֹּאכֵֽלוּ
(tokhelu)
jullie zullen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zie ook Deut. 28:53–57 en 2 Kon. 6:28–29.

30Ik zal jullie offerhoogten verdelgen en jullie wierookaltaren omhakken. Ik zal jullie lijken leggen op de lijken van jullie afgoden, en Ik zal jullie verafschuwen.
וְהִשְׁמַדְתִּ֞י
(vehishmadti)
en Ik zal verdelgen
אֶת
(et)
(obj.)
בָּמֹֽתֵיכֶ֗ם
(bamoteikhem)
jullie offerhoogten
וְהִכְרַתִּי֙
(vehikhrati)
en Ik zal omhakken
אֶת
(et)
(obj.)
חַמָּ֣נֵיכֶ֔ם
(chamaneikhem)
jullie wierookaltaren
וְנָֽתַתִּי֙
(venatati)
en Ik zal leggen
אֶת
(et)
(obj.)
פִּגְרֵיכֶ֔ם
(pigreikhem)
jullie lijken
עַל
(al)
op
פִּגְרֵ֖י
(pigrei)
lijken van
גִּלּוּלֵיכֶ֑ם
(giluleikhem)
jullie afgoden
וְגָעֲלָ֥ה
(vegaala)
en zal verafschuwen
נַפְשִׁ֖י
(nafshi)
Mijn ziel
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘offerhoogten’: plaatsen op de hoogte waar offers worden gebracht.

חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis van het woord is niet helemaal zeker.

גִּלּוּלִים (gillulim), ‘afgoden’: het woord wordt afgeleid van ‘mest’ en is een scheldwoord.

31Ik zal jullie steden tot een ruïne maken en jullie heiligdommen verwoesten, en Ik zal jullie aangename geur niet ruiken.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
עָֽרֵיכֶם֙
(areikhem)
jullie steden
חָרְבָּ֔ה
(charba)
tot ruïne
וַהֲשִׁמּוֹתִ֖י
(vahashimoti)
en Ik zal verwoesten
אֶת
(et)
(obj.)
מִקְדְּשֵׁיכֶ֑ם
(miqdesheikhem)
jullie heiligdommen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אָרִ֔יחַ
(ariach)
Ik zal ruiken
בְּרֵ֖יחַ
(bereiach)
de geur van
נִיחֹֽחֲכֶֽם
(nichochakhem)
jullie aangenaamheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵיחַ נִיחֹחַ (reach nichoach), ‘aangename geur’: zoals bij het brandoffer (Lev. 1:9).

Hier wordt Yahweh de geur van hun offers niet meer aangenaam; het Hebreeuws zegt alleen ‘jullie aangename geur’.

32Ik zal het land verwoesten, en jullie vijanden die erin wonen, zullen erover ontzet zijn.
וַהֲשִׁמֹּתִ֥י
(vahashimoti)
en Ik zal verwoesten
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְשָֽׁמְמ֤וּ
(veshamemu)
en zullen ontzet zijn
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
erover
אֹֽיְבֵיכֶ֔ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die wonen
בָּֽהּ
(bah)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Jullie zal Ik onder de volken verstrooien, en Ik zal het zwaard achter jullie aan trekken. Jullie land zal een woestenij worden en jullie steden een ruïne.
וְאֶתְכֶם֙
(veetkhem)
en jullie
אֱזָרֶ֣ה
(ezare)
Ik zal verstrooien
בַגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
וַהֲרִיקֹתִ֥י
(vahariqoti)
en Ik zal trekken
אַחֲרֵיכֶ֖ם
(achareikhem)
achter jullie
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal zijn
אַרְצְכֶם֙
(artsekhem)
jullie land
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
woestenij
וְעָרֵיכֶ֖ם
(veareikhem)
en jullie steden
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zullen zijn
חָרְבָּֽה
(charba)
ruïne
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het land maakt zijn sabbatten goed

34Dan zal het land zijn sabbatten goedmaken, al de dagen van de verwoesting, terwijl jullie in het land van jullie vijanden zijn. Dan zal het land rusten en zijn sabbatten goedmaken.
אָז֩
(az)
dan
תִּרְצֶ֨ה
(tirtse)
zal goedmaken
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁבְּתֹתֶ֗יהָ
(shabetoteiha)
haar sabbatten
כֹּ֚ל
(kol)
alle
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
הֳשַׁמָּ֔ה
(hoshama)
de verwoesting
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
אֹיְבֵיכֶ֑ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
אָ֚ז
(az)
dan
תִּשְׁבַּ֣ת
(tishbat)
zal rusten
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְהִרְצָ֖ת
(vehirtsat)
en zal goedmaken
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁבְּתֹתֶֽיהָ
(shabetoteiha)
haar sabbatten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָצָה (ratsah), ‘goedmaken’: het woord betekent ook ‘aanvaarden’ en ‘afbetalen’.

Het land maakt de sabbatjaren goed die het niet gekregen heeft (Lev. 25:2–7).

Zie ook 2 Kron. 36:21.

35Al de dagen van de verwoesting zal het rusten: de rust die het niet had op jullie sabbatten, toen jullie erop woonden.
כָּל
(kal)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
הָשַּׁמָּ֖ה
(hashama)
de verwoesting
תִּשְׁבֹּ֑ת
(tishbot)
zal rusten
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
wat
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁבְתָ֛ה
(shaveta)
het rustte
בְּשַׁבְּתֹתֵיכֶ֖ם
(beshabetoteikhem)
op jullie sabbatten
בְּשִׁבְתְּכֶ֥ם
(beshivtekhem)
bij jullie wonen
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
erop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier wordt de reden gegeven: Israël heeft de sabbatsjaren niet gehouden.

Zie ook Jer. 25:11–12 en 29:10.

36Wie van jullie overblijven: Ik zal zwakheid in hun hart brengen, in de landen van hun vijanden. Het geluid van een wegdrijvend blad zal hen achtervolgen. Zij zullen vluchten zoals men vlucht voor het zwaard, en vallen terwijl niemand hen achtervolgt.
וְהַנִּשְׁאָרִ֣ים
(vehanisharim)
en wie overblijven
בָּכֶ֔ם
(bakhem)
onder jullie
וְהֵבֵ֤אתִי
(veheveti)
en Ik zal brengen
מֹ֨רֶךְ֙
(morekh)
zwakheid
בִּלְבָבָ֔ם
(bilvavam)
in hun hart
בְּאַרְצֹ֖ת
(beartsot)
in de landen van
אֹיְבֵיהֶ֑ם
(oyeveihem)
hun vijanden
וְרָדַ֣ף
(veradaf)
en zal achtervolgen
אֹתָ֗ם
(otam)
hen
ק֚וֹל
(qol)
geluid van
עָלֶ֣ה
(ale)
blad
נִדָּ֔ף
(nidaf)
dat wegdrijft
וְנָס֧וּ
(venasu)
en zij zullen vluchten
מְנֻֽסַת
(menusat)
vluchten van
חֶ֛רֶב
(cherev)
zwaard
וְנָפְל֖וּ
(venafelu)
en zij zullen vallen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet is
רֹדֵֽף
(rodef)
wie achtervolgt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֹרֶךְ (morekh), ‘zwakheid’: de moed is weg.

עָלֶה נִדָּף (aleh niddaf), ‘wegdrijvend blad’: een blad dat door de wind wordt meegevoerd.

37Zij zullen struikelen, ieder over zijn broer, als voor het zwaard, terwijl niemand hen achtervolgt. Jullie zullen voor jullie vijanden niet kunnen standhouden.
וְכָשְׁל֧וּ
(vekhashelu)
en zij zullen struikelen
אִישׁ
(ish)
ieder
בְּאָחִ֛יו
(beachiv)
over zijn broer
כְּמִפְּנֵי
(kemipenei)
als voor
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard
וְרֹדֵ֣ף
(verodef)
en achtervolger
אָ֑יִן
(ayin)
niet is
וְלֹא
(velo)
en niet
תִֽהְיֶ֤ה
(tihye)
zal zijn
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
תְּקוּמָ֔ה
(tequma)
standhouden
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
אֹֽיְבֵיכֶֽם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Jullie zullen omkomen onder de volken, en het land van jullie vijanden zal jullie opeten.
וַאֲבַדְתֶּ֖ם
(vaavadtem)
en jullie zullen omkomen
בַּגּוֹיִ֑ם
(bagoyim)
onder de volken
וְאָכְלָ֣ה
(veakhela)
en zal opeten
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
אֶ֖רֶץ
(erets)
land van
אֹיְבֵיכֶֽם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39Wie van jullie overblijven, zullen wegkwijnen door hun schuld in de landen van jullie vijanden. Ook door de schuld van hun vaderen zullen zij met hen wegkwijnen.
וְהַנִּשְׁאָרִ֣ים
(vehanisharim)
en wie overblijven
בָּכֶ֗ם
(bakhem)
onder jullie
יִמַּ֨קּוּ֙
(yimaqu)
zullen wegkwijnen
בַּֽעֲוֺנָ֔ם
(baavonam)
door hun schuld
בְּאַרְצֹ֖ת
(beartsot)
in de landen van
אֹיְבֵיכֶ֑ם
(oyeveikhem)
jullie vijanden
וְאַ֛ף
(veaf)
en ook
בַּעֲוֺנֹ֥ת
(baavonot)
door de schuld van
אֲבֹתָ֖ם
(avotam)
hun vaderen
אִתָּ֥ם
(itam)
met hen
יִמָּֽקּוּ
(yimaqu)
zullen wegkwijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִמַּקּוּ (yimmaqqu), ‘wegkwijnen’.

Het Hebreeuws zegt ‘met hen’ (אִתָּם): samen met hun eigen schuld dragen zij ook de schuld van hun vaderen.

Belijdenis en herinnering aan het verbond

40Dan zullen zij hun schuld belijden en de schuld van hun vaderen. Hun ontrouw waarmee zij ontrouw tegen Mij zijn geweest, en ook dat zij in tegenstand met Mij zijn gewandeld.
וְהִתְוַדּ֤וּ
(vehitvadu)
en zij zullen belijden
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנָם֙
(avonam)
hun schuld
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
אֲבֹתָ֔ם
(avotam)
hun vaderen
בְּמַעֲלָ֖ם
(bemaalam)
in hun ontrouw
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
מָֽעֲלוּ
(maalu)
zij waren ontrouw
בִ֑י
(bi)
tegen Mij
וְאַ֕ף
(veaf)
en ook
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הָֽלְכ֥וּ
(halekhu)
zij wandelden
עִמִּ֖י
(imi)
met Mij
בְּקֶֽרִי
(beqeri)
in tegenstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעַל (ma’al), ‘ontrouw’: het woord wordt gebruikt voor het breken van de trouw aan Yahweh (vergelijk Lev. 5:15).

41Ook Ik zal in tegenstand met hen wandelen en hen naar het land van hun vijanden brengen. Als dan hun onbesneden hart zich buigt en zij dan hun schuld goedmaken,
אַף
(af)
ook
אֲנִ֗י
(ani)
Ik
אֵלֵ֤ךְ
(elekh)
zal wandelen
עִמָּם֙
(imam)
met hen
בְּקֶ֔רִי
(beqeri)
in tegenstand
וְהֵבֵאתִ֣י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
אֹיְבֵיהֶ֑ם
(oyeveihem)
hun vijanden
אוֹ
(o)
of
אָ֣ז
(az)
dan
יִכָּנַ֗ע
(yikana)
zal zich buigen
לְבָבָם֙
(levavam)
hun hart
הֶֽעָרֵ֔ל
(hearel)
het onbesneden
וְאָ֖ז
(veaz)
en dan
יִרְצ֥וּ
(yirtsu)
zullen goedmaken
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנָֽם
(avonam)
hun schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרֵל (arel), ‘onbesneden’: een onbesneden hart is een hart dat dicht is en niet luistert (zie Deut. 10:16).

Lezing

Het Hebreeuws heeft אוֹ אָז (o az), ‘of dan’.

Vers 41 en vers 42 horen bij elkaar: wanneer hun hart zich dan buigt (vers 41), dan gedenkt Yahweh het verbond (vers 42).

Wij laten ‘of’ weg en vertalen ‘als dan’.

42dan zal Ik Mijn verbond met Jakob gedenken, en ook Mijn verbond met Isaak, en ook Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken. En het land zal Ik gedenken.
וְזָכַרְתִּ֖י
(vezakharti)
en Ik zal gedenken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֣י
(beriti)
Mijn verbond met
יַעֲק֑וֹב
(yaaqov)
Jakob
וְאַף֩
(veaf)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֨י
(beriti)
Mijn verbond met
יִצְחָ֜ק
(yitschaq)
Isaak
וְאַ֨ף
(veaf)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיתִ֧י
(beriti)
Mijn verbond met
אַבְרָהָ֛ם
(avraham)
Abraham
אֶזְכֹּ֖ר
(ezkor)
Ik zal gedenken
וְהָאָ֥רֶץ
(vehaarets)
en het land
אֶזְכֹּֽר
(ezkor)
Ik zal gedenken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De volgorde is hier omgekeerd: Jakob, Isaak en Abraham.

Zo staat het alleen hier.

Vergelijk Exod. 2:24, waar de volgorde Abraham, Isaak en Jakob is.

43Het land zal door hen verlaten worden en zijn sabbatten goedmaken terwijl het zonder hen verwoest ligt. Zij zullen hun schuld goedmaken, omdat, ja omdat zij Mijn rechtsregels verworpen hebben en Mijn voorschriften verafschuwd hebben.
וְהָאָרֶץ֩
(vehaarets)
en het land
תֵּעָזֵ֨ב
(teazev)
zal verlaten worden
מֵהֶ֜ם
(mehem)
door hen
וְתִ֣רֶץ
(vetirets)
en zal goedmaken
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁבְּתֹתֶ֗יהָ
(shabetoteiha)
haar sabbatten
בָּהְשַׁמָּה֙
(baheshama)
terwijl het verwoest ligt
מֵהֶ֔ם
(mehem)
zonder hen
וְהֵ֖ם
(vehem)
en zij
יִרְצ֣וּ
(yirtsu)
zullen goedmaken
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺנָ֑ם
(avonam)
hun schuld
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
וּבְיַ֔עַן
(uveyaan)
en omdat
בְּמִשְׁפָּטַ֣י
(bemishpatay)
Mijn rechtsregels
מָאָ֔סוּ
(maasu)
zij verwierpen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֻקֹּתַ֖י
(chuqotay)
Mijn voorschriften
גָּעֲלָ֥ה
(gaala)
verafschuwde
נַפְשָֽׁם
(nafsham)
hun ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het land rust en maakt zijn sabbatten goed terwijl Israël weg is; zie vers 34–35.

44En toch, ook dan, terwijl zij in het land van hun vijanden zijn, heb Ik hen niet verworpen en niet verafschuwd. Om hen te vernietigen en Mijn verbond met hen te verbreken. Want Ik ben Yahweh, hun Elohim.
וְאַף
(veaf)
en ook
גַּם
(gam)
zelfs
זֹ֠את
(zot)
dit
בִּֽהְיוֹתָ֞ם
(bihyotam)
terwijl zij zijn
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
אֹֽיְבֵיהֶ֗ם
(oyeveihem)
hun vijanden
לֹֽא
(lo)
niet
מְאַסְתִּ֤ים
(meastim)
Ik heb hen verworpen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
גְעַלְתִּים֙
(gealtim)
Ik heb hen verafschuwd
לְכַלֹּתָ֔ם
(lekhalotam)
om hen te vernietigen
לְהָפֵ֥ר
(lehafer)
om te verbreken
בְּרִיתִ֖י
(beriti)
Mijn verbond
אִתָּ֑ם
(itam)
met hen
כִּ֛י
(ki)
want
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De werkwoorden staan in de voltooide tijd: ‘Ik heb hen niet verworpen’.

Wij volgen die voltooide tijd.

45Ik zal voor hen het verbond met de eersten gedenken. Die Ik voor de ogen van de volken uit het land Egypte heb geleid om hun Elohim te zijn. Ik ben Yahweh.”
וְזָכַרְתִּ֥י
(vezakharti)
en Ik zal gedenken
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond van
רִאשֹׁנִ֑ים
(rishonim)
de eersten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הוֹצֵֽאתִי
(hotseti)
Ik uitleidde
אֹתָם֩
(otam)
hen
מֵאֶ֨רֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרַ֜יִם
(mitsrayim)
Egypte
לְעֵינֵ֣י
(leeinei)
voor de ogen van
הַגּוֹיִ֗ם
(hagoyim)
de volken
לִהְיֹ֥ת
(lihyot)
om te zijn
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor hen
לֵאלֹהִ֖ים
(lElohim)
tot Elohim
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

רִאשֹׁנִים (rishonim), ‘de eersten’: de generatie die uit Egypte is geleid.

Aanvullend

Jubileeën 1:13–18 bevestigt de verstrooiing onder de volken, de terugkeer en dat Yahweh hun Elohim zal zijn.

Slot van de wetten van de Sinaï

46Dit zijn de voorschriften, de rechtsregels en de wetten die Yahweh tussen Zich en de zonen van Israël gegeven heeft op de berg Sinaï, door Mozes.
אֵ֠לֶּה
(ele)
dit zijn
הַֽחֻקִּ֣ים
(hachuqim)
de voorschriften
וְהַמִּשְׁפָּטִים֮
(vehamishpatim)
en de rechtsregels
וְהַתּוֹרֹת֒
(vehatorot)
en de wetten
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
נָתַ֣ן
(natan)
gaf
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בֵּינ֕וֹ
(beino)
tussen Zich
וּבֵ֖ין
(uvein)
en tussen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
סִינַ֖י
(sinay)
Sinaï
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De berg Sinaï wordt traditioneel gezocht bij Jebel Musa, in het zuiden van het Sinaïschiereiland (Egypte).

De ligging is niet zeker.

Uitleg

תּוֹרוֹת (torot), ‘wetten’: meervoud van תּוֹרָה (torah), ‘wet’ of ‘onderwijs’.

Het slot noemt de voorschriften, rechtsregels en wetten samen.

Vergelijk Lev. 7:37.