Elohim Bijbel

Numeri 21

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De koperen slang, Sichon en Og

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De overwinning bij Chorma

1De Kanaäniet, de koning van Arad, die in de Negev woonde, hoorde dat Israël over de weg van Atarim kwam. Hij streed tegen Israël en nam enkelen van hen gevangen.
וַיִּשְׁמַ֞ע
(vayishma)
en hoorde
הַכְּנַעֲנִ֤י
(hakenaani)
de Kanaäniet
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
עֲרָד֙
(arad)
Arad
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
die woonde in
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
de Negev
כִּ֚י
(ki)
dat
בָּ֣א
(ba)
was gekomen
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
de weg van
הָאֲתָרִ֑ים
(haatarim)
Atarim
וַיִּלָּ֨חֶם֙
(vayilachem)
en hij streed
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיִּ֥שְׁבְּ
(vayishb)
en hij nam
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van hem
שֶֽׁבִי
(shevi)
gevangenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Arad ligt in de Negev, ten zuiden van het huidige Arad (Tel Arad) in Israël.

De Negev is het dorre zuiden van het land.

Lezing

דֶּרֶךְ הָאֲתָרִים (derekh haatarim).

Wij nemen ‘Atarim’ als plaatsnaam, de weg van Atarim.

Het woord kan ook ‘weg van de verkenners’ betekenen; de ligging van Atarim is niet bekend.

2Toen deed Israël een gelofte aan Yahweh en zei: „Stel dat U dit volk werkelijk in mijn hand geeft. Dan zal ik hun steden aan de ban wijden.”
וַיִּדַּ֨ר
(vayidar)
en hij deed
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
נֶ֛דֶר
(neder)
een gelofte
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en hij zei
אִם
(im)
als
נָתֹ֨ן
(naton)
geven
תִּתֵּ֜ן
(titen)
U zult geven
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֤ם
(haam)
het volk
הַזֶּה֙
(haze)
dit
בְּיָדִ֔י
(beyadi)
in mijn hand
וְהַֽחֲרַמְתִּ֖י
(vehacharamti)
dan zal ik aan de ban wijden
אֶת
(et)
(obj.)
עָרֵיהֶֽם
(areihem)
hun steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָרַם (charam), ‘aan de ban wijden’: iets of iemand helemaal aan Yahweh toewijden, zodat het niet meer voor eigen gebruik is.

Het gaat meestal om vernietiging.

3Yahweh luisterde naar de stem van Israël en gaf de Kanaänieten over. Israël wijdde hen en hun steden aan de ban. Daarom noemde men de plaats Chorma.
וַיִּשְׁמַ֨ע
(vayishma)
en hoorde
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en gaf
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽכְּנַעֲנִ֔י
(hakenaani)
de Kanaäniet
וַיַּחֲרֵ֥ם
(vayacharem)
en hij wijdde aan de ban
אֶתְהֶ֖ם
(ethem)
hen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עָרֵיהֶ֑ם
(areihem)
hun steden
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
שֵׁם
(shem)
de naam van
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
חָרְמָֽה
(charema)
Chorma
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chorma (חָרְמָה, Chorma) is een naam die van חֵרֶם (cherem), ‘ban’, komt.

De ligging is niet zeker; de naam komt ook voor in Num. 14:45.

De vurige slangen en de koperen slang

4Zij braken op van de berg Hor, over de weg naar de Rietzee, om om het land Edom heen te trekken. Onderweg werd het volk ongeduldig.
וַיִּסְע֞וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵהֹ֤ר
(mehor)
van de berg
הָהָר֙
(hahar)
Hor
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
יַם
(yam)
de zee
ס֔וּף
(suf)
Riet
לִסְבֹ֖ב
(lisvov)
om heen te gaan
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
אֱד֑וֹם
(edom)
Edom
וַתִּקְצַ֥ר
(vatiqtsar)
en werd kort
נֶֽפֶשׁ
(nefesh)
de ziel van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בַּדָּֽרֶךְ
(badarekh)
onderweg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Rietzee (יַם־סוּף, jam suf) is hier de zee ten zuiden van Edom: de Golf van Akaba.

Israël moet om Edom heen, omdat Edom de doortocht weigerde (Num. 20:21).

Zie Berg Hor: De berg Hor lag aan de grens van Edom.

Van oudsher wordt hij gezocht bij de Jebel Haroen, bij Petra in Jordanië.

Dit is niet zeker.

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

וַתִּקְצַר נֶפֶשׁ (wattiqtsar nefesh), ‘de ziel werd kort’: het volk raakte ongeduldig en moedeloos.

Vergelijk Exod. 6:9, waar een verwant woord staat.

5Het volk sprak tegen Elohim en tegen Mozes: „Waarom hebt u ons uit Egypte laten optrekken, om in de woestijn te sterven? Want er is geen brood en er is geen water, en wij walgen van dit armzalige brood.”
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
בֵּֽאלֹהִים֮
(bElohim)
tegen Elohim
וּבְמֹשֶׁה֒
(uvemoshe)
en tegen Mozes
לָמָ֤ה
(lama)
waarom
הֶֽעֱלִיתֻ֨נוּ֙
(heelitunu)
hebt u ons laten optrekken
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
לָמ֖וּת
(lamut)
om te sterven
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
er is niet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niet
מַ֔יִם
(mayim)
water
וְנַפְשֵׁ֣נוּ
(venafshenu)
en onze ziel
קָ֔צָה
(qatsa)
walgt
בַּלֶּ֖חֶם
(balechem)
van het brood
הַקְּלֹקֵֽל
(haqeloqel)
het armzalige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

הַקְּלֹקֵל (haqqelokel), ‘armzalig’: een zeldzaam woord voor iets wat licht en waardeloos is.

Het volk bedoelt het manna.

6Toen stuurde Yahweh de vurige slangen onder het volk. Zij beten het volk, en veel mensen uit Israël stierven.
וַיְשַׁלַּ֨ח
(vayshalach)
en stuurde
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּעָ֗ם
(baam)
onder het volk
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הַנְּחָשִׁ֣ים
(hanechashim)
de slangen
הַשְּׂרָפִ֔ים
(haserafim)
de vurige
וַֽיְנַשְּׁכ֖וּ
(vaynashekhu)
en zij beten
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיָּ֥מָת
(vayamat)
en stierf
עַם
(am)
volk
רָ֖ב
(rav)
veel
מִיִּשְׂרָאֵֽל
(miyisrael)
van Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשְּׂרָפִים (hassrafim), ‘de vurige slangen’: van שָׂרַף (saraf), ‘branden’.

De beet brandt als vuur.

7Het volk kwam bij Mozes en zei: „Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen Yahweh en tegen u gesproken. Bid tot Yahweh dat Hij de slangen van ons wegneemt.” Mozes bad voor het volk.
וַיָּבֹא֩
(vayavo)
en kwam
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
חָטָ֗אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
כִּֽי
(ki)
want
דִבַּ֤רְנוּ
(dibarnu)
wij hebben gesproken
בַֽיהוָה֙
(baYahweh)
tegen Yahweh
וָבָ֔ךְ
(vavakh)
en tegen u
הִתְפַּלֵּל֙
(hitpalel)
bid
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיָסֵ֥ר
(veyaser)
dat Hij wegneemt
מֵעָלֵ֖ינוּ
(mealeinu)
van ons
אֶת
(et)
(obj.)
הַנָּחָ֑שׁ
(hanachash)
de slang
וַיִּתְפַּלֵּ֥ל
(vayitpalel)
en bad
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּעַ֥ד
(bead)
ten behoeve van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Yahweh zei tot Mozes: „Maak een vurige slang en zet die op een paal. Ieder die gebeten is en ernaar kijkt, zal leven.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
עֲשֵׂ֤ה
(ase)
maak
לְךָ֙
(lekha)
voor jou
שָׂרָ֔ף
(saraf)
een vurige slang
וְשִׂ֥ים
(vesim)
en zet
אֹת֖וֹ
(oto)
haar
עַל
(al)
op
נֵ֑ס
(nes)
een paal
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כָּל
(kal)
ieder
הַנָּשׁ֔וּךְ
(hanashukh)
die gebeten is
וְרָאָ֥ה
(veraa)
en ziet
אֹת֖וֹ
(oto)
haar
וָחָֽי
(vachay)
en leeft
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵס (nes), ‘paal’: een hoge paal waaraan een teken hangt, zodat iedereen het kan zien.

9Mozes maakte een koperen slang en zette die op de paal. Als een slang iemand beet en hij naar de koperen slang keek, bleef hij leven.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en maakte
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
נְחַ֣שׁ
(nechash)
een slang van
נְחֹ֔שֶׁת
(nechoshet)
koper
וַיְשִׂמֵ֖הוּ
(vaysimehu)
en zette haar
עַל
(al)
op
הַנֵּ֑ס
(hanes)
de paal
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het was
אִם
(im)
als
נָשַׁ֤ךְ
(nashakh)
beet
הַנָּחָשׁ֙
(hanachash)
de slang
אֶת
(et)
(obj.)
אִ֔ישׁ
(ish)
iemand
וְהִבִּ֛יט
(vehibit)
en hij keek
אֶל
(el)
naar
נְחַ֥שׁ
(nechash)
de slang van
הַנְּחֹ֖שֶׁת
(hanechoshet)
het koper
וָחָֽי
(vachay)
en leefde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְחַשׁ נְחֹשֶׁת (nechash nechoshet), ‘koperen slang’.

De tochtstations en het lied van de put

10De zonen van Israël braken op en legerden zich in Obot.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en legerden zich
בְּאֹבֹֽת
(beovot)
in Obot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Zij braken op uit Obot en legerden zich in Ije-Abarim, in de woestijn tegenover Moab, aan de kant van de opkomende zon.
וַיִּסְע֖וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵאֹבֹ֑ת
(meovot)
uit Obot
וַֽיַּחֲנ֞וּ
(vayachanu)
en legerden zich
בְּעִיֵּ֣י
(beiyei)
in Ije
הָֽעֲבָרִ֗ים
(haavarim)
Abarim
בַּמִּדְבָּר֙
(bamidbar)
in de woestijn
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
עַל
(al)
tegenover
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
מִמִּזְרַ֖ח
(mimizrach)
vanaf de opgang van
הַשָּֽׁמֶשׁ
(hashamesh)
de zon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Obot en Ije-Abarim liggen in de woestijn ten oosten van Moab; de precieze ligging is onzeker.

12Vandaar braken zij op en legerden zich in het dal van Zered.
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
נָסָ֑עוּ
(nasau)
braken zij op
וַֽיַּחֲנ֖וּ
(vayachanu)
en legerden zich
בְּנַ֥חַל
(benachal)
in het dal van
זָֽרֶד
(zared)
Zered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het dal van Zered (nachal Zered) is waarschijnlijk het Wadi al-Hasa, in het huidige Jordanië.

De ligging is waarschijnlijk, niet zeker.

13Vandaar braken zij op en legerden zich aan de overkant van de Arnon. Die ligt in de woestijn en komt uit het gebied van de Amorieten. Want de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten.
מִשָּׁם֮
(misham)
vandaar
נָסָעוּ֒
(nasau)
braken zij op
וַֽיַּחֲנ֗וּ
(vayachanu)
en legerden zich
מֵעֵ֤בֶר
(meever)
aan de overkant van
אַרְנוֹן֙
(arnon)
de Arnon
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
הַיֹּצֵ֖א
(hayotse)
die uitgaat
מִגְּב֣וּל
(migevul)
uit het gebied van
הָֽאֱמֹרִ֑י
(haemori)
de Amorieten
כִּ֤י
(ki)
want
אַרְנוֹן֙
(arnon)
de Arnon
גְּב֣וּל
(gevul)
de grens van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הָאֱמֹרִֽי
(haemori)
de Amorieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Arnon is de rivier Wadi al-Mujib in het huidige Jordanië.

Hij mondt uit in de Dode Zee en was de grens tussen Moab en de Amorieten.

De ligging is zeker.

14Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van Yahweh: „Waheb in Sufa en de beekdalen van de Arnon,
עַל
(al)
daarom
כֵּן֙
(ken)
zo
יֵֽאָמַ֔ר
(yeamar)
wordt gezegd
בְּסֵ֖פֶר
(besefer)
in het boek van
מִלְחֲמֹ֣ת
(milchamot)
de oorlogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
וָהֵ֣ב
(vahev)
Waheb
בְּסוּפָ֔ה
(besufa)
in Sufa
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנְּחָלִ֖ים
(hanechalim)
de beekdalen van
אַרְנֽוֹן
(arnon)
de Arnon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab.

Uitleg

סֵפֶר מִלְחֲמֹת יְהוָה (sefer milchamot Yahweh), ‘het boek van de oorlogen van Yahweh’: een oud boek met liederen over Yahwehs strijd.

Het is niet bewaard gebleven.

Lezing

De zin is afgebroken en moeilijk: אֶת־וָהֵב בְּסוּפָה (et Waheb besufah).

Wij nemen Waheb en Sufa als plaatsnamen.

Het kan ook ‘Waheb in de storm’ betekenen (סוּפָה, sufah, ‘storm’).

Wij laten de tekst staan zoals hij is; de zin mist een werkwoord.

15en de helling van de beekdalen, die zich uitstrekt naar de woonplaats Ar en leunt tegen de grens van Moab.”
וְאֶ֨שֶׁד֙
(veeshed)
en de helling van
הַנְּחָלִ֔ים
(hanechalim)
de beekdalen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָטָ֖ה
(nata)
zich uitstrekt
לְשֶׁ֣בֶת
(leshevet)
naar de woonplaats van
עָ֑ר
(ar)
Ar
וְנִשְׁעַ֖ן
(venishan)
en leunt
לִגְב֥וּל
(ligvul)
tegen de grens van
מוֹאָֽב
(moav)
Moab
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ar was een stad of streek van Moab, vlak bij de Arnon.

De ligging is niet zeker.

16En vandaar gingen zij naar Beër. Dat is de put waarvan Yahweh tot Mozes zei: „Verzamel het volk, dan zal Ik hun water geven.”
וּמִשָּׁ֖ם
(umisham)
en vandaar
בְּאֵ֑רָה
(beera)
naar Beër
הִ֣וא
(hi)
zij
הַבְּאֵ֗ר
(habeer)
de put
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarvan
אָמַ֤ר
(amar)
zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְמֹשֶׁ֔ה
(lemoshe)
tot Mozes
אֱסֹף֙
(esof)
verzamel
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְאֶתְּנָ֥ה
(veetena)
en Ik zal geven
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Beër (בְּאֵרָה, beerah) betekent ‘put’.

De ligging is onbekend.

Uitleg

Dit is de put van het lied in de verzen 17–18.

Yahweh geeft het volk water, anders dan bij Meriba (Num. 20:8–11).

17Toen zong Israël dit lied: „Welt op, put! Zing voor haar!
אָ֚ז
(az)
toen
יָשִׁ֣יר
(yashir)
zong
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
הַשִּׁירָ֖ה
(hashira)
het lied
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
עֲלִ֥י
(ali)
welt op
בְאֵ֖ר
(beer)
put
עֱנוּ
(enu)
zing
לָֽהּ
(lah)
voor haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲלִי בְאֵר (ali beer), ‘welt op, put’: een lied dat bij het graven van een put werd gezongen.

ענו (anu) betekent ‘antwoorden, zingen’. Wij vertalen ‘zing voor haar’.

18De put die de vorsten hebben gegraven, die de edelen van het volk hebben uitgegraven met de scepter, met hun staven.” En uit de woestijn naar Mattana,
בְּאֵ֞ר
(beer)
de put
חֲפָר֣וּהָ
(chafaruha)
zij groeven haar
שָׂרִ֗ים
(sarim)
vorsten
כָּר֨וּהָ֙
(karuha)
zij groeven haar uit
נְדִיבֵ֣י
(nedivei)
de edelen van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
בִּמְחֹקֵ֖ק
(bimchoqeq)
met de scepter
בְּמִשְׁעֲנֹתָ֑ם
(bemishanotam)
met hun staven
וּמִמִּדְבָּ֖ר
(umimidbar)
en uit de woestijn
מַתָּנָֽה
(matana)
Mattana
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Mattana, Nachaliël en Bamot: de ligging is onbekend.

Het zijn stations op weg naar het noorden.

Uitleg

מְחֹקֵק (mechoqeq), ‘scepter’: de staf van een leider.

Lezing

Het lied staat tussen aanhalingstekens tot ‘staven’.

De woorden ‘en uit de woestijn Mattana’ volgen daarna als reisbeschrijving.

Wij vullen in verzen 18–20 alleen ‘naar’ aan; zo leest de tekst als een route.

19en van Mattana naar Nachaliël, en van Nachaliël naar Bamot,
וּמִמַּתָּנָ֖ה
(umimatana)
en van Mattana
נַחֲלִיאֵ֑ל
(nachaliel)
Nachaliël
וּמִנַּחֲלִיאֵ֖ל
(uminachaliel)
en van Nachaliël
בָּמֽוֹת
(bamot)
Bamot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20en van Bamot naar het dal in het veld van Moab, bij de top van de Pisga, die uitkijkt over de woestenij.
וּמִבָּמ֗וֹת
(umibamot)
en van Bamot
הַגַּיְא֙
(hagay)
het dal
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
בִּשְׂדֵ֣ה
(bisde)
in het veld van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
רֹ֖אשׁ
(rosh)
de top van
הַפִּסְגָּ֑ה
(hapisga)
de Pisga
וְנִשְׁקָ֖פָה
(venishqafa)
en die uitkijkt
עַל
(al)
over
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הַיְשִׁימֹֽן
(hayshimon)
de woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Pisga is een bergrug in het gebergte Abarim, ten noordoosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

De Nebo ligt daarbij.

De woestenij (jeshimon) is de dorre streek bij de Dode Zee.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Sichon, de koning van de Amorieten

21Israël stuurde boden naar Sichon, de koning van de Amorieten, met de woorden:
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
סִיחֹ֥ן
(sichon)
Sichon
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amorieten
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sichon was koning van de Amorieten en woonde in Chesbon (Tel Hesban), in het huidige Jordanië, ten oosten van de Jordaan.

De ligging is waarschijnlijk.

22„Laat mij door uw land trekken. Wij buigen niet af naar akker of wijngaard en wij drinken geen water uit een put. Wij gaan over de koningsweg, totdat wij uw gebied zijn gepasseerd.”
אֶעְבְּרָ֣ה
(ebera)
laat mij doortrekken
בְאַרְצֶ֗ךָ
(beartsekha)
door uw land
לֹ֤א
(lo)
niet
נִטֶּה֙
(nite)
wij buigen af
בְּשָׂדֶ֣ה
(besade)
naar akker
וּבְכֶ֔רֶם
(uvekherem)
en wijngaard
לֹ֥א
(lo)
niet
נִשְׁתֶּ֖ה
(nishte)
wij drinken
מֵ֣י
(mei)
water van
בְאֵ֑ר
(beer)
een put
בְּדֶ֤רֶךְ
(bederekh)
over de weg
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
נֵלֵ֔ךְ
(nelekh)
wij gaan
עַ֥ד
(ad)
totdat
אֲשֶֽׁר
(asher)
dat
נַעֲבֹ֖ר
(naavor)
wij zijn doorgetrokken
גְּבֻלֶֽךָ
(gevulekha)
uw gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk de vraag aan Edom (Num. 20:17).

Dezelfde woorden: ‘over de koningsweg’.

Zie ookNum 20:17
23Maar Sichon stond Israël niet toe door zijn gebied te trekken. Sichon verzamelde heel zijn volk en trok de woestijn in, Israël tegemoet. Hij kwam bij Jahaz en streed tegen Israël.
וְלֹא
(velo)
en niet
נָתַ֨ן
(natan)
stond toe
סִיחֹ֣ן
(sichon)
Sichon
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
עֲבֹ֣ר
(avor)
door te trekken
בִּגְבֻלוֹ֒
(bigvulo)
door zijn gebied
וַיֶּאֱסֹ֨ף
(vayeesof)
en verzamelde
סִיחֹ֜ן
(sichon)
Sichon
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַמּ֗וֹ
(amo)
zijn volk
וַיֵּצֵ֞א
(vayetse)
en trok uit
לִקְרַ֤את
(liqrat)
tegemoet
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הַמִּדְבָּ֔רָה
(hamidbara)
naar de woestijn
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en kwam
יָ֑הְצָה
(yahetsa)
naar Jahaz
וַיִּלָּ֖חֶם
(vayilachem)
en streed
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
tegen Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jahaz: de ligging is onzeker, ergens op het plateau ten noorden van de Arnon.

24Israël versloeg hem met de scherpte van het zwaard. Het nam zijn land in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, tot aan de zonen van Ammon. Want de grens van de zonen van Ammon was sterk.
וַיַּכֵּ֥הוּ
(vayakehu)
en versloeg hem
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָ֑רֶב
(charev)
het zwaard
וַיִּירַ֨שׁ
(vayirash)
en nam in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצ֜וֹ
(artso)
zijn land
מֵֽאַרְנֹ֗ן
(mearnon)
van de Arnon
עַד
(ad)
tot
יַבֹּק֙
(yaboq)
de Jabbok
עַד
(ad)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
כִּ֣י
(ki)
want
עַ֔ז
(az)
sterk
גְּב֖וּל
(gevul)
de grens van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Jabbok is de rivier Zarqa in het huidige Jordanië.

De zonen van Ammon woonden ten oosten daarvan.

Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab.

Uitleg

עַז (az), ‘sterk’: de grens van Ammon was sterk bewaakt.

25Israël nam al deze steden in. Israël ging wonen in alle steden van de Amorieten, in Chesbon en in alle plaatsen eromheen.
וַיִּקַּח֙
(vayiqach)
en nam
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הֶעָרִ֖ים
(hearim)
de steden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיֵּ֤שֶׁב
(vayeshev)
en woonde
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
בְּכָל
(bekhal)
in alle
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
הָֽאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amorieten
בְּחֶשְׁבּ֖וֹן
(becheshbon)
in Chesbon
וּבְכָל
(uvekhal)
en in alle
בְּנֹתֶֽיהָ
(benoteiha)
haar dochterplaatsen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

26Want Chesbon was de stad van Sichon, de koning van de Amorieten. Hij had gestreden tegen de eerdere koning van Moab en had heel zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
כִּ֣י
(ki)
want
חֶשְׁבּ֔וֹן
(cheshbon)
Chesbon
עִ֗יר
(ir)
stad van
סִיחֹ֛ן
(sichon)
Sichon
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amorieten
הִ֑וא
(hi)
zij
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
נִלְחַ֗ם
(nilcham)
had gestreden
בְּמֶ֤לֶךְ
(bemelekh)
tegen de koning van
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
הָֽרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerdere
וַיִּקַּ֧ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
אַרְצ֛וֹ
(artso)
zijn land
מִיָּד֖וֹ
(miyado)
uit zijn hand
עַד
(ad)
tot
אַרְנֹֽן
(arnon)
de Arnon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab.

Uitleg

Sichon had Moab een groot deel van zijn land afgenomen.

Israël neemt nu wat Sichon in handen had.

27Daarom zeggen de spreukdichters: „Kom naar Chesbon! Laat de stad van Sichon gebouwd en hersteld worden.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֛ן
(ken)
zo
יֹאמְר֥וּ
(yomru)
zeggen
הַמֹּשְׁלִ֖ים
(hamoshelim)
de spreukdichters
בֹּ֣אוּ
(bou)
kom
חֶשְׁבּ֑וֹן
(cheshbon)
naar Chesbon
תִּבָּנֶ֥ה
(tibane)
laat worden gebouwd
וְתִכּוֹנֵ֖ן
(vetikonen)
en laat worden hersteld
עִ֥יר
(ir)
de stad van
סִיחֽוֹן
(sichon)
Sichon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

Uitleg

הַמֹּשְׁלִים (hammoshelim), ‘de spreukdichters’: mensen die een מָשָׁל (mashal), ‘spreuk, dichterlijk woord’, uitspreken.

Het woord komt terug in Num. 23:7.

28Want een vuur is uitgegaan uit Chesbon, een vlam uit de stad van Sichon. Het heeft Ar van Moab verteerd, de heren van de hoogten van de Arnon.
כִּי
(ki)
want
אֵשׁ֙
(esh)
een vuur
יָֽצְאָ֣ה
(yatsea)
is uitgegaan
מֵֽחֶשְׁבּ֔וֹן
(mecheshbon)
uit Chesbon
לֶהָבָ֖ה
(lehava)
een vlam
מִקִּרְיַ֣ת
(miqiryat)
uit de stad van
סִיחֹ֑ן
(sichon)
Sichon
אָֽכְלָה֙
(akhela)
het heeft verteerd
עָ֣ר
(ar)
Ar
מוֹאָ֔ב
(moav)
van Moab
בַּעֲלֵ֖י
(baalei)
de heren van
בָּמ֥וֹת
(bamot)
de hoogten van
אַרְנֹֽן
(arnon)
de Arnon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ar van Moab: zie vers 15.

De ‘hoogten’ (bamot) van de Arnon zijn de heuvels boven de rivier.

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

29Wee je, Moab! Je bent verloren, volk van Kemosj! Hij heeft zijn zonen als vluchtelingen en zijn dochters als gevangenen overgegeven aan Sichon, de koning van de Amorieten.
אוֹי
(oy)
wee
לְךָ֣
(lekha)
je
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
אָבַ֖דְתָּ
(avadta)
je bent verloren
עַם
(am)
volk van
כְּמ֑וֹשׁ
(kemosh)
Kemosj
נָתַ֨ן
(natan)
hij heeft gegeven
בָּנָ֤יו
(banav)
zijn zonen
פְּלֵיטִם֙
(peleitim)
als vluchtelingen
וּבְנֹתָ֣יו
(uvenotav)
en zijn dochters
בַּשְּׁבִ֔ית
(bashevit)
in gevangenschap
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
אֱמֹרִ֖י
(emori)
de Amorieten
סִיחֽוֹן
(sichon)
Sichon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּמוֹשׁ (Kemosj) is de god van Moab.

Het volk van Moab wordt hier zijn volk genoemd.

Het lied bespot Moab: zijn god kon hen niet redden.

Wij schrijven ‘hij’ met een kleine letter.

30Wij schoten op hen. Chesbon is verloren, tot aan Dibon. Wij maakten alles woest, tot aan Nofach, dat reikt tot aan Medeba.”
וַנִּירָ֛ם
(vaniram)
en wij schoten op hen
אָבַ֥ד
(avad)
is verloren
חֶשְׁבּ֖וֹן
(cheshbon)
Chesbon
עַד
(ad)
tot
דִּיב֑וֹן
(divon)
Dibon
וַנַּשִּׁ֣ים
(vanashim)
en wij maakten woest
עַד
(ad)
tot
נֹ֔פַח
(nofach)
Nofach
אֲשֶׁ֖רׄ
(asher)
dat
עַד
(ad)
tot
מֵֽידְבָֽא
(meideva)
Medeba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dibon, Nofach en Medeba liggen op het plateau ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië.

Dibon en Medeba zijn zeker; Nofach is onzeker.

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

Lezing

De tekst van dit vers is moeilijk.

Wij vertalen וַנִּירָם (wanniram) als ‘wij schoten op hen’.

Sommigen lezen ‘hun nageslacht’.

Het slot ‘dat tot aan Medeba’ is letterlijk ‘dat tot Medeba’.

31Israël ging wonen in het land van de Amorieten.
וַיֵּ֨שֶׁב֙
(vayeshev)
en woonde
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
הָאֱמֹרִֽי
(haemori)
de Amorieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Mozes stuurde mannen om Jaëzer te verkennen. Zij namen de plaatsen eromheen in, en men verdreef de Amorieten die daar waren.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
לְרַגֵּ֣ל
(leragel)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
יַעְזֵ֔ר
(yazer)
Jaëzer
וַֽיִּלְכְּד֖וּ
(vayilkedu)
en zij namen in
בְּנֹתֶ֑יהָ
(benoteiha)
haar dochterplaatsen
וַיּ֖וֹרֶשׁ
(vayoresh)
en men verdreef
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֱמֹרִ֥י
(haemori)
de Amorieten
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָֽׁם
(sham)
daar waren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jaëzer ligt waarschijnlijk in het noorden van het plateau, bij het huidige Amman.

De ligging is onzeker.

Uitleg

Het werkwoord וַיּוֹרֶשׁ (wayyoresh), ‘hij verdreef’, heeft geen genoemd onderwerp.

Wij vertalen onpersoonlijk: ‘men verdreef’.

Og, de koning van Basan

33Zij keerden om en gingen de weg naar Basan op. Og, de koning van Basan, trok hen tegemoet, hij en heel zijn volk, om te strijden bij Edrei.
וַיִּפְנוּ֙
(vayifnu)
en zij keerden om
וַֽיַּעֲל֔וּ
(vayaalu)
en zij gingen op
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַבָּשָׁ֑ן
(habashan)
Basan
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en trok uit
עוֹג֩
(og)
Og
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
הַבָּשָׁ֨ן
(habashan)
Basan
לִקְרָאתָ֜ם
(liqratam)
hen tegemoet
ה֧וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
עַמּ֛וֹ
(amo)
zijn volk
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
om te strijden
אֶדְרֶֽעִי
(edrei)
bij Edrei
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Basan is het hoogland ten noorden van de Jarmuk, in het huidige Syrië.

Edrei ligt in het zuiden van Basan, bij het huidige Daraa.

De ligging van Edrei is waarschijnlijk.

34Yahweh zei tot Mozes: „Wees niet bang voor hem, want Ik heb hem, heel zijn volk en zijn land in jouw hand gegeven. Je moet met hem doen zoals je met Sichon hebt gedaan, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אַל
(al)
niet
תִּירָ֣א
(tira)
wees bang
אֹת֔וֹ
(oto)
voor hem
כִּ֣י
(ki)
want
בְיָדְךָ֞
(beyadekha)
in je hand
נָתַ֧תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַרְצ֑וֹ
(artso)
zijn land
וְעָשִׂ֣יתָ
(veasita)
en je zult doen
לּ֔וֹ
(lo)
met hem
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֗יתָ
(asita)
je hebt gedaan
לְסִיחֹן֙
(lesichon)
met Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הָֽאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amorieten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woonde
בְּחֶשְׁבּֽוֹן
(becheshbon)
in Chesbon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

Uitleg

Og is de koning van Basan.

Zie ook Deut. 3:11 voor zijn bed.

35Zij versloegen hem, zijn zonen en heel zijn volk, totdat er niemand meer van hem over was. En zij namen zijn land in bezit.
וַיַּכּ֨וּ
(vayaku)
en zij versloegen
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַמּ֔וֹ
(amo)
zijn volk
עַד
(ad)
totdat
בִּלְתִּ֥י
(bilti)
niet
הִשְׁאִֽיר
(hishir)
was overgebleven
ל֖וֹ
(lo)
van hem
שָׂרִ֑יד
(sarid)
een overlevende
וַיִּֽירְשׁ֖וּ
(vayireshu)
en zij namen in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצֽוֹ
(artso)
zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)