Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De overwinning bij Chorma
1De Kanaäniet, de koning van Arad, die in de Negev woonde, hoorde dat Israël over de weg van Atarim kwam. Hij streed tegen Israël en nam enkelen van hen gevangen.
וַיִּשְׁמַ֞ע
(vayishma)
en hoorde
הַכְּנַעֲנִ֤י
(hakenaani)
de Kanaäniet
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
עֲרָד֙
(arad)
Arad
יֹשֵׁ֣ב
(yoshev)
die woonde in
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
de Negev
כִּ֚י
(ki)
dat
בָּ֣א
(ba)
was gekomen
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
de weg van
הָאֲתָרִ֑ים
(haatarim)
Atarim
וַיִּלָּ֨חֶם֙
(vayilachem)
en hij streed
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיִּ֥שְׁבְּ
(vayishb)
en hij nam
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van hem
שֶֽׁבִי
(shevi)
gevangenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Arad ligt in de Negev, ten zuiden van het huidige Arad (Tel Arad) in Israël.
De Negev is het dorre zuiden van het land.
Lezing
דֶּרֶךְ הָאֲתָרִים (derekh haatarim).
Wij nemen ‘Atarim’ als plaatsnaam, de weg van Atarim.
Het woord kan ook ‘weg van de verkenners’ betekenen; de ligging van Atarim is niet bekend.
5Het volk sprak tegen Elohim en tegen Mozes: „Waarom hebt u ons uit Egypte laten optrekken, om in de woestijn te sterven? Want er is geen brood en er is geen water, en wij walgen van dit armzalige brood.”
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
בֵּֽאלֹהִים֮
(bElohim)
tegen Elohim
וּבְמֹשֶׁה֒
(uvemoshe)
en tegen Mozes
לָמָ֤ה
(lama)
waarom
הֶֽעֱלִיתֻ֨נוּ֙
(heelitunu)
hebt u ons laten optrekken
מִמִּצְרַ֔יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
לָמ֖וּת
(lamut)
om te sterven
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
er is niet
לֶ֨חֶם֙
(lechem)
brood
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niet
מַ֔יִם
(mayim)
water
וְנַפְשֵׁ֣נוּ
(venafshenu)
en onze ziel
קָ֔צָה
(qatsa)
walgt
בַּלֶּ֖חֶם
(balechem)
van het brood
הַקְּלֹקֵֽל
(haqeloqel)
het armzalige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
הַקְּלֹקֵל (haqqelokel), ‘armzalig’: een zeldzaam woord voor iets wat licht en waardeloos is.
7Het volk kwam bij Mozes en zei: „Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen Yahweh en tegen u gesproken. Bid tot Yahweh dat Hij de slangen van ons wegneemt.” Mozes bad voor het volk.
וַיָּבֹא֩
(vayavo)
en kwam
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
חָטָ֗אנוּ
(chatanu)
wij hebben gezondigd
כִּֽי
(ki)
want
דִבַּ֤רְנוּ
(dibarnu)
wij hebben gesproken
בַֽיהוָה֙
(baYahweh)
tegen Yahweh
וָבָ֔ךְ
(vavakh)
en tegen u
הִתְפַּלֵּל֙
(hitpalel)
bid
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְיָסֵ֥ר
(veyaser)
dat Hij wegneemt
מֵעָלֵ֖ינוּ
(mealeinu)
van ons
אֶת
(et)
(obj.)
הַנָּחָ֑שׁ
(hanachash)
de slang
וַיִּתְפַּלֵּ֥ל
(vayitpalel)
en bad
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּעַ֥ד
(bead)
ten behoeve van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Vandaar braken zij op en legerden zich aan de overkant van de Arnon. Die ligt in de woestijn en komt uit het gebied van de Amorieten. Want de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten.
מִשָּׁם֮
(misham)
vandaar
נָסָעוּ֒
(nasau)
braken zij op
וַֽיַּחֲנ֗וּ
(vayachanu)
en legerden zich
מֵעֵ֤בֶר
(meever)
aan de overkant van
אַרְנוֹן֙
(arnon)
de Arnon
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
הַיֹּצֵ֖א
(hayotse)
die uitgaat
מִגְּב֣וּל
(migevul)
uit het gebied van
הָֽאֱמֹרִ֑י
(haemori)
de Amorieten
כִּ֤י
(ki)
want
אַרְנוֹן֙
(arnon)
de Arnon
גְּב֣וּל
(gevul)
de grens van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הָאֱמֹרִֽי
(haemori)
de Amorieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Arnon is de rivier Wadi al-Mujib in het huidige Jordanië.
Hij mondt uit in de Dode Zee en was de grens tussen Moab en de Amorieten.
18De put die de vorsten hebben gegraven, die de edelen van het volk hebben uitgegraven met de scepter, met hun staven.” En uit de woestijn naar Mattana,
בְּאֵ֞ר
(beer)
de put
חֲפָר֣וּהָ
(chafaruha)
zij groeven haar
שָׂרִ֗ים
(sarim)
vorsten
כָּר֨וּהָ֙
(karuha)
zij groeven haar uit
נְדִיבֵ֣י
(nedivei)
de edelen van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
בִּמְחֹקֵ֖ק
(bimchoqeq)
met de scepter
בְּמִשְׁעֲנֹתָ֑ם
(bemishanotam)
met hun staven
וּמִמִּדְבָּ֖ר
(umimidbar)
en uit de woestijn
מַתָּנָֽה
(matana)
Mattana
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Mattana, Nachaliël en Bamot: de ligging is onbekend.
Het zijn stations op weg naar het noorden.
Uitleg
מְחֹקֵק (mechoqeq), ‘scepter’: de staf van een leider.
Lezing
Het lied staat tussen aanhalingstekens tot ‘staven’.
De woorden ‘en uit de woestijn Mattana’ volgen daarna als reisbeschrijving.
Wij vullen in verzen 18–20 alleen ‘naar’ aan; zo leest de tekst als een route.
22„Laat mij door uw land trekken. Wij buigen niet af naar akker of wijngaard en wij drinken geen water uit een put. Wij gaan over de koningsweg, totdat wij uw gebied zijn gepasseerd.”
אֶעְבְּרָ֣ה
(ebera)
laat mij doortrekken
בְאַרְצֶ֗ךָ
(beartsekha)
door uw land
לֹ֤א
(lo)
niet
נִטֶּה֙
(nite)
wij buigen af
בְּשָׂדֶ֣ה
(besade)
naar akker
וּבְכֶ֔רֶם
(uvekherem)
en wijngaard
לֹ֥א
(lo)
niet
נִשְׁתֶּ֖ה
(nishte)
wij drinken
מֵ֣י
(mei)
water van
בְאֵ֑ר
(beer)
een put
בְּדֶ֤רֶךְ
(bederekh)
over de weg
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
נֵלֵ֔ךְ
(nelekh)
wij gaan
עַ֥ד
(ad)
totdat
אֲשֶֽׁר
(asher)
dat
נַעֲבֹ֖ר
(naavor)
wij zijn doorgetrokken
גְּבֻלֶֽךָ
(gevulekha)
uw gebied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Maar Sichon stond Israël niet toe door zijn gebied te trekken. Sichon verzamelde heel zijn volk en trok de woestijn in, Israël tegemoet. Hij kwam bij Jahaz en streed tegen Israël.
וְלֹא
(velo)
en niet
נָתַ֨ן
(natan)
stond toe
סִיחֹ֣ן
(sichon)
Sichon
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
עֲבֹ֣ר
(avor)
door te trekken
בִּגְבֻלוֹ֒
(bigvulo)
door zijn gebied
וַיֶּאֱסֹ֨ף
(vayeesof)
en verzamelde
סִיחֹ֜ן
(sichon)
Sichon
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַמּ֗וֹ
(amo)
zijn volk
וַיֵּצֵ֞א
(vayetse)
en trok uit
לִקְרַ֤את
(liqrat)
tegemoet
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הַמִּדְבָּ֔רָה
(hamidbara)
naar de woestijn
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en kwam
יָ֑הְצָה
(yahetsa)
naar Jahaz
וַיִּלָּ֖חֶם
(vayilachem)
en streed
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
tegen Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jahaz: de ligging is onzeker, ergens op het plateau ten noorden van de Arnon.
24Israël versloeg hem met de scherpte van het zwaard. Het nam zijn land in bezit, van de Arnon tot de Jabbok, tot aan de zonen van Ammon. Want de grens van de zonen van Ammon was sterk.
וַיַּכֵּ֥הוּ
(vayakehu)
en versloeg hem
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָ֑רֶב
(charev)
het zwaard
וַיִּירַ֨שׁ
(vayirash)
en nam in bezit
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצ֜וֹ
(artso)
zijn land
מֵֽאַרְנֹ֗ן
(mearnon)
van de Arnon
עַד
(ad)
tot
יַבֹּק֙
(yaboq)
de Jabbok
עַד
(ad)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
כִּ֣י
(ki)
want
עַ֔ז
(az)
sterk
גְּב֖וּל
(gevul)
de grens van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Jabbok is de rivier Zarqa in het huidige Jordanië.
De zonen van Ammon woonden ten oosten daarvan.
Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab.
Uitleg
עַז (az), ‘sterk’: de grens van Ammon was sterk bewaakt.
26Want Chesbon was de stad van Sichon, de koning van de Amorieten. Hij had gestreden tegen de eerdere koning van Moab en had heel zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.
כִּ֣י
(ki)
want
חֶשְׁבּ֔וֹן
(cheshbon)
Chesbon
עִ֗יר
(ir)
stad van
סִיחֹ֛ן
(sichon)
Sichon
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
הָאֱמֹרִ֖י
(haemori)
de Amorieten
הִ֑וא
(hi)
zij
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
נִלְחַ֗ם
(nilcham)
had gestreden
בְּמֶ֤לֶךְ
(bemelekh)
tegen de koning van
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
הָֽרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerdere
וַיִּקַּ֧ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
אַרְצ֛וֹ
(artso)
zijn land
מִיָּד֖וֹ
(miyado)
uit zijn hand
עַד
(ad)
tot
אַרְנֹֽן
(arnon)
de Arnon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Arnon: De Arnon (Wadi Mudjib) stroomt van het oosten naar de Dode Zee en vormde de grens van Moab.
Uitleg
Sichon had Moab een groot deel van zijn land afgenomen.
Israël neemt nu wat Sichon in handen had.
27Daarom zeggen de spreukdichters: „Kom naar Chesbon! Laat de stad van Sichon gebouwd en hersteld worden.
עַל
(al)
daarom
כֵּ֛ן
(ken)
zo
יֹאמְר֥וּ
(yomru)
zeggen
הַמֹּשְׁלִ֖ים
(hamoshelim)
de spreukdichters
בֹּ֣אוּ
(bou)
kom
חֶשְׁבּ֑וֹן
(cheshbon)
naar Chesbon
תִּבָּנֶ֥ה
(tibane)
laat worden gebouwd
וְתִכּוֹנֵ֖ן
(vetikonen)
en laat worden hersteld
עִ֥יר
(ir)
de stad van
סִיחֽוֹן
(sichon)
Sichon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.
Uitleg
הַמֹּשְׁלִים (hammoshelim), ‘de spreukdichters’: mensen die een מָשָׁל (mashal), ‘spreuk, dichterlijk woord’, uitspreken.
29Wee je, Moab! Je bent verloren, volk van Kemosj! Hij heeft zijn zonen als vluchtelingen en zijn dochters als gevangenen overgegeven aan Sichon, de koning van de Amorieten.
אוֹי
(oy)
wee
לְךָ֣
(lekha)
je
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
אָבַ֖דְתָּ
(avadta)
je bent verloren
עַם
(am)
volk van
כְּמ֑וֹשׁ
(kemosh)
Kemosj
נָתַ֨ן
(natan)
hij heeft gegeven
בָּנָ֤יו
(banav)
zijn zonen
פְּלֵיטִם֙
(peleitim)
als vluchtelingen
וּבְנֹתָ֣יו
(uvenotav)
en zijn dochters
בַּשְּׁבִ֔ית
(bashevit)
in gevangenschap
לְמֶ֥לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
אֱמֹרִ֖י
(emori)
de Amorieten
סִיחֽוֹן
(sichon)
Sichon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּמוֹשׁ (Kemosj) is de god van Moab.
Het volk van Moab wordt hier zijn volk genoemd.
Het lied bespot Moab: zijn god kon hen niet redden.
34Yahweh zei tot Mozes: „Wees niet bang voor hem, want Ik heb hem, heel zijn volk en zijn land in jouw hand gegeven. Je moet met hem doen zoals je met Sichon hebt gedaan, de koning van de Amorieten, die in Chesbon woonde.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אַל
(al)
niet
תִּירָ֣א
(tira)
wees bang
אֹת֔וֹ
(oto)
voor hem
כִּ֣י
(ki)
want
בְיָדְךָ֞
(beyadekha)
in je hand
נָתַ֧תִּי
(natati)
Ik heb gegeven
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַמּ֖וֹ
(amo)
zijn volk
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַרְצ֑וֹ
(artso)
zijn land
וְעָשִׂ֣יתָ
(veasita)
en je zult doen
לּ֔וֹ
(lo)
met hem
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֗יתָ
(asita)
je hebt gedaan
לְסִיחֹן֙
(lesichon)
met Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הָֽאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amorieten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
woonde
בְּחֶשְׁבּֽוֹן
(becheshbon)
in Chesbon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.