De Danieten nemen Micha’s beeld en priester mee naar Lais
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De stam Dan zoekt een erfdeel
1In die dagen was er geen koning in Israël. In die dagen zocht de stam van de Danieten een erfdeel om in te wonen. Want tot die dag was hun onder de stammen van Israël nog geen erfdeel toegevallen.
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֔ם
(hahem)
die
אֵ֥ין
(ein)
niet was
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
וּבַיָּמִ֣ים
(uvayamim)
en in de dagen
הָהֵ֗ם
(hahem)
die
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
de stam van
הַדָּנִ֞י
(hadani)
de Daniet
מְבַקֶּשׁ
(mevaqesh)
zocht
ל֤וֹ
(lo)
voor zich
נַֽחֲלָה֙
(nachala)
een erfdeel
לָשֶׁ֔בֶת
(lashevet)
om te wonen
כִּי֩
(ki)
want
לֹֽא
(lo)
niet
נָ֨פְלָה
(nafela)
was gevallen
לּ֜וֹ
(lo)
aan hem
עַד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַה֛וּא
(hahu)
die
בְּתוֹךְ
(betokh)
te midden van
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּנַחֲלָֽה
(benachala)
als erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het erfdeel van Dan was door het lot al aan hem toegewezen (Joz. 19:40–48), maar de stam kon het niet innemen: de Amorieten drongen de zonen van Dan terug het bergland in (Richt. 1:34).
Daarom zoeken zij nu een ander gebied.
Uitleg
Dit is de tweede keer dat het refrein ‘In die dagen was er geen koning in Israël’ voorkomt (zie de Uitleg bij 17:6).
Hier staat alleen de eerste helft, en de zin loopt door.
2De zonen van Dan stuurden vijf mannen uit hun geslacht weg. Het waren dappere mannen uit hun hele aantal, uit Tsora en Estaol. Zij moesten het land verkennen en onderzoeken. Zij zeiden tegen hen: „Ga, onderzoek het land.” Zij kwamen in het bergland van Efraïm, bij het huis van Micha, en overnachtten daar.
וַיִּשְׁלְח֣וּ
(vayishlechu)
en zonden
בְנֵי
(benei)
de zonen van
דָ֣ן
(dan)
Dan
מִֽמִּשְׁפַּחְתָּ֡ם
(mimishpachtam)
uit hun geslacht
חֲמִשָּׁ֣ה
(chamisha)
vijf
אֲנָשִׁ֣ים
(anashim)
mannen
מִקְצוֹתָם֩
(miqtsotam)
uit hun uiteinden
אֲנָשִׁ֨ים
(anashim)
mannen
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חַ֜יִל
(chayil)
kracht
מִצָּרְעָ֣ה
(mitsarea)
uit Tsora
וּמֵֽאֶשְׁתָּאֹ֗ל
(umeeshtaol)
en uit Estaol
לְרַגֵּ֤ל
(leragel)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
het land
וּלְחָקְרָ֔הּ
(ulechaqerah)
en om het te onderzoeken
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tot hen
לְכ֖וּ
(lekhu)
gaat
חִקְר֣וּ
(chiqru)
onderzoekt
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
הַר
(har)
het bergland van
אֶפְרַ֨יִם֙
(efrayim)
Efraïm
עַד
(ad)
tot
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
מִיכָ֔ה
(mikha)
Micha
וַיָּלִ֖ינוּ
(vayalinu)
en overnachtten
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tsora en Estaol liggen in de Sefela, ten westen van Jeruzalem in het huidige Israël.
Tsora ligt waarschijnlijk bij Tel Zor’a (Sar’a), Estaol bij Eshwa (Estaol); beide zijn waarschijnlijk, niet zeker.
Dit is het gebied van Dan zoals Simson het kent (Richt. 13:25).
Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes.
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
Uitleg
מִקְצוֹתָם (miqtsotam), ‘uit hun uiteinden’: de mannen zijn gekozen uit het hele volk van Dan.
Wij vertalen ‘uit hun hele aantal’.
Het kan ook betekenen ‘uit heel hun gebied’.
בְּנֵי חַיִל (bene chayil), ‘zonen van kracht’: dappere, sterke mannen.
3Toen zij bij het huis van Micha waren, herkenden zij de stem van de jongen, de Leviet. Zij gingen daarheen en zeiden tegen hem: „Wie heeft jou hierheen gebracht? Wat doe je hier? Wat heb je hier?”
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
עִם
(im)
bij
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
מִיכָ֔ה
(mikha)
Micha
וְהֵ֣מָּה
(vehema)
en zij
הִכִּ֔ירוּ
(hikiru)
herkenden
אֶת
(et)
(obj.)
ק֥וֹל
(qol)
de stem van
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
הַלֵּוִ֑י
(halevi)
de Leviet
וַיָּס֣וּרוּ
(vayasuru)
en zij keerden af
שָׁ֗ם
(sham)
daar
וַיֹּ֤אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
לוֹ֙
(lo)
tot hem
מִֽי
(mi)
wie
הֱבִיאֲךָ֣
(heviakha)
heeft jou gebracht
הֲלֹ֔ם
(halom)
hierheen
וּמָֽה
(uma)
en wat
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
עֹשֶׂ֛ה
(ose)
doet
בָּזֶ֖ה
(baze)
hierin
וּמַה
(uma)
en wat
לְּךָ֥
(lekha)
voor jou
פֹֽה
(po)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De verkenners kennen de stem van de Leviet; hoe, zegt de tekst niet.
Misschien kenden zij zijn manier van spreken, misschien hem zelf.
7De vijf mannen gingen verder en kwamen in Lais. Zij zagen het volk dat daar woonde. Het woonde veilig, op de manier van de Sidoniërs, rustig en zeker. In het land was niemand die hen in iets te schande maakte, niemand die macht had om hen tegen te houden. Zij woonden ver van de Sidoniërs en hadden met niemand iets te maken.
וַיֵּלְכוּ֙
(vayelekhu)
en gingen
חֲמֵ֣שֶׁת
(chameshet)
de vijf
הָאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en kwamen
לָ֑יְשָׁה
(layesha)
naar Lais
וַיִּרְא֣וּ
(vayiru)
en zagen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בְּקִרְבָּ֣הּ
(beqirbah)
in haar midden
יוֹשֶֽׁבֶת
(yoshevet)
woonde
לָ֠בֶטַח
(lavetach)
in veiligheid
כְּמִשְׁפַּ֨ט
(kemishpat)
naar de gewoonte van
צִדֹנִ֜ים
(tsidonim)
de Sidoniërs
שֹׁקֵ֣ט
(shoqet)
rustig
וּבֹטֵ֗חַ
(uvoteach)
en zeker
וְאֵין
(veein)
en niet was
מַכְלִ֨ים
(makhlim)
iemand die beschaamt
דָּבָ֤ר
(davar)
iets
בָּאָ֨רֶץ֙
(baarets)
in het land
יוֹרֵ֣שׁ
(yoresh)
bezitter van
עֶ֔צֶר
(etser)
beteugeling
וּרְחֹקִ֥ים
(urechoqim)
en ver
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
מִצִּ֣דֹנִ֔ים
(mitsidonim)
van de Sidoniërs
וְדָבָ֥ר
(vedavar)
en een zaak
אֵין
(ein)
niet
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
עִם
(im)
met
אָדָֽם
(adam)
een mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Lais ligt in het uiterste noorden van het land, aan de voet van de Hermon, bij Tel Dan in het noorden van Israël.
De ligging is zeker.
Lais heet ook Leshem (Joz. 19:47).
Sidon ligt aan de kust van Libanon.
Uitleg
בֶּטַח (betach), ‘veilig’: zonder angst voor aanvallen.
Lezing
Het einde van het vers is moeilijk.
יוֹרֵשׁ עֹצֶר (yoresh otser), letterlijk ‘een bezitter van beteugeling’: iemand met macht om hen tegen te houden.
Wij vertalen zo, maar zeker is het niet.
מַכְלִים דָּבָר (makhlim davar) vertalen wij als ‘in iets te schande maken’.
De laatste woorden zijn עִם אָדָם (im adam), ‘met een mens’. Bij één letter verschil leest het ‘met Aram’ (עִם אֲרָם); dan woonden zij ook ver van Syrië. Wij volgen de gelezen tekst; zie ook vers 28.
9Zij zeiden: „Sta op, laten wij tegen hen optrekken. Want wij hebben het land gezien en zie, het is zeer goed. En jullie zitten stil. Wees niet traag om te gaan, om binnen te komen en het land in bezit te nemen.
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
ק֚וּמָה
(quma)
sta op
וְנַעֲלֶ֣ה
(venaale)
en laten wij optrekken
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
כִּ֤י
(ki)
want
רָאִ֨ינוּ֙
(rainu)
wij hebben gezien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
טוֹבָ֖ה
(tova)
goed
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וְאַתֶּ֣ם
(veatem)
en jullie
מַחְשִׁ֔ים
(machshim)
blijven stil
אַל
(al)
niet
תֵּעָ֣צְל֔וּ
(teatselu)
wees traag
לָלֶ֥כֶת
(lalekhet)
om te gaan
לָבֹ֖א
(lavo)
om binnen te komen
לָרֶ֥שֶׁת
(lareshet)
om in bezit te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is het begin van de woorden van de verkenners; hun toespraak loopt door tot vers 10.
10Als jullie komen, komen jullie bij een volk dat zich veilig voelt. Het land is wijd. Want Elohim heeft het in jullie hand gegeven. Het is een plaats waar niets ontbreekt van alles wat het land heeft.”
כְּבֹאֲכֶ֞ם
(kevoakhem)
bij jullie komen
תָּבֹ֣אוּ
(tavou)
jullie zullen komen
אֶל
(el)
naar
עַ֣ם
(am)
een volk
בֹּטֵ֗חַ
(boteach)
veilig
וְהָאָ֨רֶץ֙
(vehaarets)
en het land
רַחֲבַ֣ת
(rachavat)
wijd van
יָדַ֔יִם
(yadayim)
handen
כִּֽי
(ki)
want
נְתָנָ֥הּ
(netanah)
heeft gegeven
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
בְּיֶדְכֶ֑ם
(beyedkhem)
in jullie hand
מָקוֹם֙
(maqom)
een plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
אֵֽין
(ein)
niet is
שָׁ֣ם
(sham)
daar
מַחְס֔וֹר
(machsor)
gebrek
כָּל
(kal)
alles
דָּבָ֖ר
(davar)
ding
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רַחֲבַת יָדַיִם (rachavat yadayim), ‘wijd van handen’: een ruim land, waar plaats genoeg is.
מַחְסוֹר (machsor), ‘gebrek’. Het land is zo rijk dat er niets ontbreekt.
12Zij trokken op en legerden zich bij Kirjat-Jearim in Juda. Daarom noemt men die plaats tot op deze dag Machane-Dan. Zie, het ligt achter Kirjat-Jearim.
וַֽיַּעֲל֗וּ
(vayaalu)
en zij trokken op
וַֽיַּחֲנ֛וּ
(vayachanu)
en legerden zich
בְּקִרְיַ֥ת
(beqiryat)
bij Kirjat
יְעָרִ֖ים
(yearim)
Jearim
בִּֽיהוּדָ֑ה
(bihuda)
in Juda
עַל
(al)
daarom
כֵּ֡ן
(ken)
zo
קָרְאוּ֩
(qareu)
noemden zij
לַמָּק֨וֹם
(lamaqom)
die plaats
הַה֜וּא
(hahu)
die
מַחֲנֵה
(machane)
kamp van
דָ֗ן
(dan)
Dan
עַ֚ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
הִנֵּ֕ה
(hine)
zie
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
קִרְיַ֥ת
(qiryat)
Kirjat
יְעָרִֽים
(yearim)
Jearim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij het huidige Deir el-Azhar, bij Abu Gosh, ongeveer 12 kilometer ten westen van Jeruzalem.
De plaats is waarschijnlijk, niet zeker.
Machane-Dan (‘kamp van Dan’) is hetzelfde Machane-Dan als in Richt. 13:25, tussen Tsora en Estaol.
De ligging ervan is onzeker.
Uitleg
Het ‘kamp van Dan’ ligt dus ‘achter’ (dat is: ten westen van) Kirjat-Jearim, zoals het Hebreeuws zegt.
De schrijver noemt het ‘tot op deze dag’; de naam bestond dus nog toen het boek werd opgeschreven.
14De vijf mannen die het land Lais hadden verkend, antwoordden en zeiden tegen hun broeders: „Weten jullie dat er in deze huizen een efod is, huisgoden, een gesneden beeld en een gegoten beeld? Nu moeten jullie bedenken wat jullie gaan doen.”
וַֽיַּעֲנ֞וּ
(vayaanu)
en antwoordden
חֲמֵ֣שֶׁת
(chameshet)
de vijf
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
הַהֹלְכִים֮
(haholekhim)
die gingen
לְרַגֵּל֮
(leragel)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
לַיִשׁ֒
(layish)
Lais
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
אֲחֵיהֶ֔ם
(acheihem)
hun broeders
הַיְדַעְתֶּ֗ם
(haydatem)
weten jullie
כִּ֠י
(ki)
dat
יֵ֣שׁ
(yesh)
er is
בַּבָּתִּ֤ים
(babatim)
in deze huizen
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
אֵפ֣וֹד
(efod)
een efod
וּתְרָפִ֔ים
(uterafim)
en huisgoden
וּפֶ֖סֶל
(ufesel)
en een gesneden beeld
וּמַסֵּכָ֑ה
(umasekha)
en een gegoten beeld
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
דְּע֥וּ
(deu)
weet
מַֽה
(ma)
wat
תַּעֲשֽׂוּ
(taasu)
jullie zullen doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan).
Uitleg
Efod, huisgoden, gesneden beeld en gegoten beeld: zie de Uitleg bij 17:3 en 17:5.
17De vijf mannen die het land hadden verkend, gingen naar binnen. Zij namen het gesneden beeld, de efod, de huisgoden en het gegoten beeld. De priester stond bij de ingang van de poort, samen met de 600 man die met oorlogswapens waren omgord.
וַֽיַּעֲל֞וּ
(vayaalu)
en trokken op
חֲמֵ֣שֶׁת
(chameshet)
de vijf
הָאֲנָשִׁ֗ים
(haanashim)
de mannen
הַהֹלְכִים֮
(haholekhim)
die gingen
לְרַגֵּ֣ל
(leragel)
om te verkennen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָרֶץ֒
(haarets)
het land
בָּ֣אוּ
(bau)
zij kwamen
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
לָקְח֗וּ
(laqechu)
zij namen
אֶת
(et)
(obj.)
הַפֶּ֨סֶל֙
(hapesel)
het gesneden beeld
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָ֣אֵפ֔וֹד
(haefod)
de efod
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתְּרָפִ֖ים
(haterafim)
de huisgoden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמַּסֵּכָ֑ה
(hamasekha)
het gegoten beeld
וְהַכֹּהֵ֗ן
(vehakohen)
en de priester
נִצָּב֙
(nitsav)
stond
פֶּ֣תַח
(petach)
ingang van
הַשַּׁ֔עַר
(hashaar)
de poort
וְשֵׁשׁ
(veshesh)
en zes
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
הֶחָג֖וּר
(hechagur)
de omgorde
כְּלֵ֥י
(kelei)
wapens van
הַמִּלְחָמָֽה
(hamilchama)
de oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De verkenners nemen de vier voorwerpen uit het huis van Micha terwijl de priester met de 600 man bij de poort staat.
Het Hebreeuws zegt niet dat de priester hen hielp.
18Toen zij in het huis van Micha kwamen, namen zij het beeld van de efod, de huisgoden en het gegoten beeld. De priester zei tegen hen: „Wat doen jullie?”
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dezen
בָּ֚אוּ
(bau)
kwamen
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
מִיכָ֔ה
(mikha)
Micha
וַיִּקְחוּ֙
(vayiqchu)
en namen
אֶת
(et)
(obj.)
פֶּ֣סֶל
(pesel)
het beeld van
הָאֵפ֔וֹד
(haefod)
de efod
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתְּרָפִ֖ים
(haterafim)
de huisgoden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמַּסֵּכָ֑ה
(hamasekha)
het gegoten beeld
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
מָ֥ה
(ma)
wat
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
עֹשִֽׂים
(osim)
doende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פֶּסֶל הָאֵפוֹד (pesel ha’efod), ‘het beeld van de efod’: in vers 17 en 20 staan het gesneden beeld en de efod los van elkaar.
Hier staan ze in één uitdrukking.
Wij vertalen letterlijk en laten de verhouding tussen beide open.
19Zij zeiden tegen hem: „Zwijg! Leg je hand op je mond en ga met ons mee. Wees voor ons een vader en een priester. Is het beter dat je priester bent voor het huis van één man, of dat je priester bent voor een stam en een geslacht in Israël?”
וַיֹּאמְרוּ֩
(vayomru)
en zeiden
ל֨וֹ
(lo)
tot hem
הַחֲרֵ֜שׁ
(hacharesh)
zwijg
שִֽׂים
(sim)
leg
יָדְךָ֤
(yadekha)
je hand
עַל
(al)
op
פִּ֨יךָ֙
(pikha)
je mond
וְלֵ֣ךְ
(velekh)
en ga
עִמָּ֔נוּ
(imanu)
met ons
וֶֽהְיֵה
(vehye)
en wees
לָ֖נוּ
(lanu)
voor ons
לְאָ֣ב
(leav)
tot vader
וּלְכֹהֵ֑ן
(ulekhohen)
en tot priester
הֲט֣וֹב
(hatov)
is het beter
הֱיוֹתְךָ֣
(heyotekha)
dat je bent
כֹהֵ֗ן
(kohen)
priester
לְבֵית֙
(leveit)
voor het huis van
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶחָ֔ד
(echad)
één
א֚וֹ
(o)
of
הֱיוֹתְךָ֣
(heyotekha)
dat je bent
כֹהֵ֔ן
(kohen)
priester
לְשֵׁ֥בֶט
(leshevet)
voor een stam
וּלְמִשְׁפָּחָ֖ה
(ulemishpacha)
en voor een geslacht
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Hij zei: „Mijn goden, die ik heb gemaakt, hebben jullie genomen, en de priester ook. Jullie zijn weggegaan. Wat heb ik nog? Hoe kunnen jullie dan tegen mij zeggen: ‘Wat is er met jou?’”
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶת
(et)
(obj.)
אֱלֹהַי֩
(elohay)
mijn goden
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשִׂ֨יתִי
(asiti)
ik heb gemaakt
לְקַחְתֶּ֧ם
(leqachtem)
jullie hebben ze genomen
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
וַתֵּלְכ֖וּ
(vatelekhu)
en jullie zijn gegaan
וּמַה
(uma)
en wat
לִּ֣י
(li)
voor mij
ע֑וֹד
(od)
nog
וּמַה
(uma)
en wat
זֶּ֛ה
(ze)
dit
תֹּאמְר֥וּ
(tomru)
jullie zeggen
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
מַה
(ma)
wat
לָּֽךְ
(lakh)
voor jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱלֹהַי (elohai), ‘mijn goden’: Micha noemt zijn beelden zijn goden.
Het is dezelfde vorm als Laban in Gen. 31:30 gebruikt voor zijn huisgoden.
25De zonen van Dan zeiden tegen hem: „Laat je stem niet bij ons horen. Anders vallen verbitterde mannen jullie aan, en dan verlies je je leven en het leven van je huis.”
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
דָ֔ן
(dan)
Dan
אַל
(al)
niet
תַּשְׁמַ֥ע
(tashma)
laat horen
קוֹלְךָ֖
(qolekha)
je stem
עִמָּ֑נוּ
(imanu)
bij ons
פֶּֽן
(pen)
opdat niet
יִפְגְּע֣וּ
(yifgeu)
zij vallen aan
בָכֶ֗ם
(bakhem)
jullie
אֲנָשִׁים֙
(anashim)
mannen
מָ֣רֵי
(marei)
bitter van
נֶ֔פֶשׁ
(nefesh)
ziel
וְאָסַפְתָּ֥ה
(veasafta)
en je verliest
נַפְשְׁךָ֖
(nafshekha)
je leven
וְנֶ֥פֶשׁ
(venefesh)
en het leven van
בֵּיתֶֽךָ
(beitekha)
je huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָרֵי נֶפֶשׁ (mare nefesh), ‘bitter van ziel’: mannen die verbitterd zijn.
Wij vertalen ‘verbitterde mannen’.
וְאָסַפְתָּה נַפְשְׁךָ (ve’asafta nafshekha), ‘en je neemt je leven weg’: dat wil zeggen dat hij zijn leven kwijtraakt.
26De zonen van Dan gingen hun weg. Micha zag dat zij sterker waren dan hij. Hij keerde zich om en ging terug naar zijn huis.
וַיֵּלְכ֥וּ
(vayelekhu)
en gingen
בְנֵי
(benei)
de zonen van
דָ֖ן
(dan)
Dan
לְדַרְכָּ֑ם
(ledarkam)
hun weg
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en zag
מִיכָ֗ה
(mikha)
Micha
כִּי
(ki)
dat
חֲזָקִ֥ים
(chazaqim)
sterker
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
dan hij
וַיִּ֖פֶן
(vayifen)
en keerde zich
וַיָּ֥שָׁב
(vayashav)
en ging terug
אֶל
(el)
naar
בֵּיתֽוֹ
(beito)
zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lais wordt veroverd en Dan genoemd
27Zij namen wat Micha had gemaakt, en de priester die hij had. Zij kwamen bij Lais, bij een rustig en zeker volk. Zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard en verbrandden de stad met vuur.
וְהֵ֨מָּה
(vehema)
en zij
לָקְח֜וּ
(laqechu)
namen
אֵ֧ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשָׂ֣ה
(asa)
had gemaakt
מִיכָ֗ה
(mikha)
Micha
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכֹּהֵן֮
(hakohen)
de priester
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הָיָה
(haya)
was
לוֹ֒
(lo)
voor hem
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
עַל
(al)
tegen
לַ֗יִשׁ
(layish)
Lais
עַל
(al)
tegen
עַם֙
(am)
een volk
שֹׁקֵ֣ט
(shoqet)
rustig
וּבֹטֵ֔חַ
(uvoteach)
en zeker
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en sloegen
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
שָׂרְפ֥וּ
(sarefu)
verbrandden zij
בָאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dan: Dan lag in het uiterste noorden van het land, bij een bron van de Jordaan (Tel Dan).
Uitleg
Wat Micha had gemaakt: het gesneden beeld, de efod, de huisgoden en het gegoten beeld van vers 17–18.
28Er was niemand die hen redde, want de stad lag ver van Sidon. Zij hadden met niemand iets te maken. De stad lag in het dal dat bij Bet-Rechob hoort. Zij bouwden de stad op en gingen er wonen.
וְאֵ֨ין
(veein)
en niet is
מַצִּ֜יל
(matsil)
redder
כִּ֧י
(ki)
want
רְֽחוֹקָה
(rechoqa)
ver
הִ֣יא
(hi)
zij
מִצִּיד֗וֹן
(mitsidon)
van Sidon
וְדָבָ֤ר
(vedavar)
en een zaak
אֵין
(ein)
niet
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
עִם
(im)
met
אָדָ֔ם
(adam)
een mens
וְהִ֕יא
(vehi)
en zij
בָּעֵ֖מֶק
(baemeq)
in het dal
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לְבֵית
(leveit)
bij het huis van
רְח֑וֹב
(rechov)
Rechob
וַיִּבְנ֥וּ
(vayivnu)
en bouwden
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
וַיֵּ֥שְׁבוּ
(vayeshevu)
en woonden
בָֽהּ
(bah)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Sidon: zie vers 7.
Bet-Rechob ligt in het noorden van het huidige Israël of het zuiden van Libanon, in de buurt van Lais.
De ligging is onzeker (zie ook Num. 13:21).
Lezing
Ook hier staat ‘met een mens’ (im adam); zie de Lezing bij vers 7.
30De zonen van Dan richtten voor zich het gesneden beeld op. Jonatan was de zoon van Gersom, de zoon van Manasse. Hij en zijn zonen waren priesters voor de stam van de Danieten, tot de dag van de ballingschap van het land.
וַיָּקִ֧ימוּ
(vayaqimu)
en zetten op
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor zich
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
דָ֖ן
(dan)
Dan
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּ֑סֶל
(hapasel)
het gesneden beeld
וִ֠יהוֹנָתָן
(vihonatan)
en Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
גֵּרְשֹׁ֨ם
(gereshom)
Gersom
בֶּן
(ben)
zoon van
מְנַשֶּׁ֜ה
(menashe)
Manasse
ה֣וּא
(hu)
hij
וּבָנָ֗יו
(uvanav)
en zijn zonen
הָי֤וּ
(hayu)
waren
כֹהֲנִים֙
(kohanim)
priesters
לְשֵׁ֣בֶט
(leshevet)
voor de stam van
הַדָּנִ֔י
(hadani)
de Daniet
עַד
(ad)
tot
י֖וֹם
(yom)
dag van
גְּל֥וֹת
(gelot)
ballingschap van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גְּלוּת הָאָרֶץ (galut ha’arets), ‘de ballingschap van het land’: het gaat om een wegvoering uit het land.
Welke bedoeld is, zegt de tekst niet.
Lezing
In het Hebreeuws staat bij ‘Manasse’ (מְנַשֶּׁה) een nun (נ) die hoger staat dan de andere letters.
Zonder die letter staat er ‘Mozes’ (מֹשֶׁה).
Wij vertalen de tekst zoals hij er staat: ‘Manasse’.
Valt de nun weg, dan is Jonatan een kleinzoon van Mozes, want Gersom was een zoon van Mozes (Exod. 2:22).