Elohim Bijbel

Ezechiël 34

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

De herders van Israël en de ene Herder

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wee de herders van Israël

1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël. Profeteer en zeg tegen hen, tegen de herders:” Zo zegt Heer Yahweh: „Wee de herders van Israël, die zichzelf weidden! Moeten herders niet de schapen weiden?
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
הִנָּבֵ֖א
(hinave)
profeteer
עַל
(al)
tegen
רוֹעֵ֣י
(roei)
herders van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הִנָּבֵ֣א
(hinave)
profeteer
וְאָמַרְתָּ֩
(veamarta)
en zeg
אֲלֵיהֶ֨ם
(aleihem)
tot hen
לָרֹעִ֜ים
(laroim)
tot de herders
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
ה֤וֹי
(hoy)
wee
רֹעֵֽי
(roei)
herders van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הָיוּ֙
(hayu)
waren
רֹעִ֣ים
(roim)
weidend
אוֹתָ֔ם
(otam)
zichzelf
הֲל֣וֹא
(halo)
niet
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de schapen
יִרְע֖וּ
(yiru)
weiden
הָרֹעִֽים
(haroim)
de herders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹעִים (ro’im), ‘herders’: in het Midden-Oosten noemt men koningen en leiders ‘herders’ van hun volk.

Hier gaat het om de leiders van Israël.

הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van aanklacht, zoals in Jes. 5:8.

De opdracht aan Ezechiël staat rood. De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn weer rood.

3Het vet eten jullie, de wol trekken jullie aan en het vette vee slachten jullie. Maar de schapen weiden jullie niet.
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֵ֤לֶב
(hachelev)
het vet
תֹּאכֵ֨לוּ֙
(tokhelu)
jullie eten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַצֶּ֣מֶר
(hatsemer)
de wol
תִּלְבָּ֔שׁוּ
(tilbashu)
jullie trekken aan
הַבְּרִיאָ֖ה
(haberia)
het vette vee
תִּזְבָּ֑חוּ
(tizbachu)
jullie slachten
הַצֹּ֖אן
(hatson)
de schapen
לֹ֥א
(lo)
niet
תִרְעֽוּ
(tiru)
jullie weiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַחֵלֶב (hacheleb), ‘het vet’: het woord kan ook als הֶחָלָב (hechalav), ‘de melk’, worden gelezen.

Wij volgen de klinkers van de Masoretische tekst.

הַבְּרִיאָה (habbri’ah), ‘het vette vee’: de gemeste dieren.

4De zwakke schapen hebben jullie niet sterk gemaakt. De zieke hebben jullie niet genezen en de gebroken niet verbonden. De verdreven schapen hebben jullie niet teruggebracht en de verloren schapen niet gezocht. Met kracht en met hardheid hebben jullie over hen geheerst.
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַנַּחְלוֹת֩
(hanachlot)
de zwakke
לֹ֨א
(lo)
niet
חִזַּקְתֶּ֜ם
(chizaqtem)
hebben jullie sterk gemaakt
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחוֹלָ֣ה
(hachola)
de zieke
לֹֽא
(lo)
niet
רִפֵּאתֶ֗ם
(ripetem)
hebben jullie genezen
וְלַנִּשְׁבֶּ֨רֶת֙
(velanishberet)
en de gebroken
לֹ֣א
(lo)
niet
חֲבַשְׁתֶּ֔ם
(chavashtem)
hebben jullie verbonden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנִּדַּ֨חַת֙
(hanidachat)
de verdreven
לֹ֣א
(lo)
niet
הֲשֵׁבֹתֶ֔ם
(hashevotem)
hebben jullie teruggebracht
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֹבֶ֖דֶת
(haovedet)
de verloren
לֹ֣א
(lo)
niet
בִקַּשְׁתֶּ֑ם
(biqashtem)
hebben jullie gezocht
וּבְחָזְקָ֛ה
(uvechazeqa)
en met kracht
רְדִיתֶ֥ם
(reditem)
hebben jullie geheerst
אֹתָ֖ם
(otam)
over hen
וּבְפָֽרֶךְ
(uvefarekh)
en met hardheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּפֶרֶךְ (befarekh), ‘met hardheid’: hetzelfde woord als voor de harde slavenarbeid in Exod. 1:13.

5Zij werden verspreid, omdat er geen herder was. Zij werden tot voedsel voor alle wilde dieren van het veld, en zij werden verspreid.
וַתְּפוּצֶ֖ינָה
(vatefutseina)
en werden verspreid
מִבְּלִ֣י
(mibeli)
zonder
רֹעֶ֑ה
(roe)
herder
וַתִּהְיֶ֧ינָה
(vatihyeina)
en werden
לְאָכְלָ֛ה
(leakhela)
tot voedsel
לְכָל
(lekhal)
voor alle
חַיַּ֥ת
(chayat)
wilde dieren van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
וַתְּפוּצֶֽינָה
(vatefutseina)
en werden verspreid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Mijn schapen dwalen rond over alle bergen en over elke hoge heuvel. Over heel de aarde zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar hen vraagt en niemand die hen zoekt.
יִשְׁגּ֤וּ
(yishgu)
dwalen
צֹאנִי֙
(tsoni)
Mijn schapen
בְּכָל
(bekhal)
over alle
הֶ֣הָרִ֔ים
(heharim)
de bergen
וְעַ֖ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
elke
גִּבְעָ֣ה
(giva)
heuvel
רָמָ֑ה
(rama)
hoge
וְעַ֨ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
heel
פְּנֵ֤י
(penei)
het oppervlak van
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
נָפֹ֣צוּ
(nafotsu)
zijn verspreid
צֹאנִ֔י
(tsoni)
Mijn schapen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
דּוֹרֵ֖שׁ
(doresh)
die vraagt
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מְבַקֵּֽשׁ
(mevaqesh)
die zoekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Ik ben tegen de herders

7Daarom, herders, hoor het woord van Yahweh.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
רֹעִ֔ים
(roim)
herders
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
hoor
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֥ר
(devar)
woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zo waar Ik leef, godsspraak van Heer Yahweh: zeker, omdat Mijn schapen tot roof zijn geworden en tot voedsel voor alle wilde dieren van het veld, omdat er geen herder was, en omdat Mijn herders niet naar Mijn schapen vroegen. De herders weidden zichzelf, maar Mijn schapen weidden zij niet.
חַי
(chay)
levend is
אָ֜נִי
(ani)
Ik
נְאֻ֣ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אִם
(im)
als
לֹ֣א
(lo)
niet
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
הֱיֽוֹת
(heyot)
worden
צֹאנִ֣י
(tsoni)
Mijn schapen
לָבַ֡ז
(lavaz)
tot roof
וַתִּֽהְיֶינָה֩
(vatihyeina)
en werden
צֹאנִ֨י
(tsoni)
Mijn schapen
לְאָכְלָ֜ה
(leakhela)
tot voedsel
לְכָל
(lekhal)
voor alle
חַיַּ֤ת
(chayat)
wilde dieren van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
מֵאֵ֣ין
(meein)
zonder
רֹעֶ֔ה
(roe)
herder
וְלֹֽא
(velo)
en niet
דָרְשׁ֥וּ
(dareshu)
vroegen
רֹעַ֖י
(roay)
Mijn herders
אֶת
(et)
(obj.)
צֹאנִ֑י
(tsoni)
Mijn schapen
וַיִּרְע֤וּ
(vayiru)
en weidden
הָֽרֹעִים֙
(haroim)
de herders
אוֹתָ֔ם
(otam)
zichzelf
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
צֹאנִ֖י
(tsoni)
Mijn schapen
לֹ֥א
(lo)
niet
רָעֽוּ
(rau)
weidden zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’ en חַי אָנִי (chai ani), ‘zo waar Ik leef’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11.

אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: de zin loopt door tot vers 9, waar het ‘daarom’ de uitspraak voltooit.

9Daarom, herders, hoor het woord van Yahweh.”
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
הָֽרֹעִ֔ים
(haroim)
de herders
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
hoor
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Zo zegt Heer Yahweh: „Zie, Ik ben tegen de herders. Ik zal Mijn schapen van hen terugeisen en hen laten ophouden de schapen te weiden. De herders zullen zichzelf niet meer weiden. Ik zal Mijn schapen uit hun mond bevrijden, en zij zullen geen voedsel meer voor hen zijn.”
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
אֶֽל
(el)
tegen
הָרֹעִ֜ים
(haroim)
de herders
וְֽדָרַשְׁתִּ֧י
(vedarashti)
en Ik zal terugeisen
אֶת
(et)
(obj.)
צֹאנִ֣י
(tsoni)
Mijn schapen
מִיָּדָ֗ם
(miyadam)
uit hun hand
וְהִשְׁבַּתִּים֙
(vehishbatim)
en Ik zal laten ophouden
מֵרְע֣וֹת
(mereot)
van het weiden van
צֹ֔אן
(tson)
kudde
וְלֹא
(velo)
en niet
יִרְע֥וּ
(yiru)
zullen weiden
ע֛וֹד
(od)
meer
הָרֹעִ֖ים
(haroim)
de herders
אוֹתָ֑ם
(otam)
zichzelf
וְהִצַּלְתִּ֤י
(vehitsalti)
en Ik zal bevrijden
צֹאנִי֙
(tsoni)
Mijn schapen
מִפִּיהֶ֔ם
(mipihem)
uit hun mond
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִהְיֶ֥יןָ
(tihyeina)
zullen zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְאָכְלָֽה
(leakhela)
tot voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהִשְׁבַּתִּים (vehishbatim), ‘en Ik zal hen laten ophouden’: het werkwoord שָׁבַת (shavat) is ‘ophouden, rusten’.

Hier worden de herders van hun taak ontslagen.

הִצַּלְתִּי (hitsalti), ‘Ik zal bevrijden’: wij vertalen hitsil steeds met ‘bevrijden’.

Ik zal Mijn schapen zoeken

11Want zo zegt Heer Yahweh: „Zie, Ik, Ik zal naar Mijn schapen vragen en naar hen omzien.
כִּ֛י
(ki)
want
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִי
(hinni)
zie Mij
אָ֕נִי
(ani)
Ik
וְדָרַשְׁתִּ֥י
(vedarashti)
en Ik zal vragen naar
אֶת
(et)
(obj.)
צֹאנִ֖י
(tsoni)
Mijn schapen
וּבִקַּרְתִּֽים
(uviqartim)
en Ik zal omzien naar hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Zoals een herder naar zijn kudde omziet op de dag dat hij midden onder zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar Mijn schapen omzien. Ik zal hen bevrijden uit alle plaatsen waarheen zij verspreid waren op de dag van wolken en donkerheid.
כְּבַקָּרַת֩
(kevaqarat)
zoals het omzien van
רֹעֶ֨ה
(roe)
een herder
עֶדְר֜וֹ
(edro)
zijn kudde
בְּיוֹם
(beyom)
op de dag van
הֱיוֹת֤וֹ
(heyoto)
zijn zijn
בְתוֹךְ
(betokh)
te midden van
צֹאנוֹ֙
(tsono)
zijn schapen
נִפְרָשׁ֔וֹת
(nifrashot)
verspreide
כֵּ֖ן
(ken)
zo
אֲבַקֵּ֣ר
(avaqer)
zal Ik omzien
אֶת
(et)
(obj.)
צֹאנִ֑י
(tsoni)
Mijn schapen
וְהִצַּלְתִּ֣י
(vehitsalti)
en Ik zal bevrijden
אֶתְהֶ֗ם
(ethem)
hen
מִכָּל
(mikal)
uit alle
הַמְּקוֹמֹת֙
(hameqomot)
de plaatsen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
נָפֹ֣צוּ
(nafotsu)
zij verspreid waren
שָׁ֔ם
(sham)
daar
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
עָנָ֖ן
(anan)
wolk
וַעֲרָפֶֽל
(vaarafel)
en donkerheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָנָן וַעֲרָפֶל (anan va’arafel), ‘wolk en donkerheid’: beelden voor een dag van onheil en ballingschap, zoals in Joël 2:2.

13Ik zal hen uit de volken laten uitgaan en uit de landen verzamelen. Ik zal hen naar hun eigen grond brengen. Ik zal hen weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle woonplaatsen van het land.
וְהוֹצֵאתִ֣ים
(vehotsetim)
en Ik zal hen laten uitgaan
מִן
(min)
uit
הָעַמִּ֗ים
(haamim)
de volken
וְקִבַּצְתִּים֙
(veqibatstim)
en Ik zal hen verzamelen
מִן
(min)
uit
הָ֣אֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
וַהֲבִיאֹתִ֖ים
(vahaviotim)
en Ik zal hen brengen
אֶל
(el)
naar
אַדְמָתָ֑ם
(admatam)
hun grond
וּרְעִיתִים֙
(ureitim)
en Ik zal hen weiden
אֶל
(el)
op
הָרֵ֣י
(harei)
de bergen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בָּאֲפִיקִ֕ים
(baafiqim)
bij de beekbeddingen
וּבְכֹ֖ל
(uvekhol)
en in alle
מוֹשְׁבֵ֥י
(moshevei)
woonplaatsen van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲפִיקִים (afiqim), ‘beekbeddingen’: de bedding van een beek, vaak droog; zoals in Ezech. 6:3.

14Op een goede weide zal Ik hen weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij neerliggen op een goede weideplaats, en op vette weide zullen zij grazen op de bergen van Israël.
בְּמִרְעֶה
(bemire)
op weide
טּוֹב֙
(tov)
goede
אֶרְעֶ֣ה
(ere)
zal Ik weiden
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וּבְהָרֵ֥י
(uveharei)
en op de bergen van
מְרֽוֹם
(merom)
hoogte van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
נְוֵהֶ֑ם
(nevehem)
hun weideplaats
שָׁ֤ם
(sham)
daar
תִּרְבַּ֨צְנָה֙
(tirbatsna)
zullen neerliggen
בְּנָ֣וֶה
(benave)
op een weideplaats
טּ֔וֹב
(tov)
goede
וּמִרְעֶ֥ה
(umire)
en weide
שָׁמֵ֛ן
(shamen)
vette
תִּרְעֶ֖ינָה
(tireina)
zullen grazen
אֶל
(el)
op
הָרֵ֥י
(harei)
de bergen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרֵי מְרוֹם יִשְׂרָאֵל (harei merom Yisra’el), ‘de hoge bergen van Israël’: de hoogte van Sion, vergelijk Ezech. 17:23 en 20:40.

15Ik, Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal hen laten neerliggen, godsspraak van Heer Yahweh.
אֲנִ֨י
(ani)
Ik
אֶרְעֶ֤ה
(ere)
zal weiden
צֹאנִי֙
(tsoni)
Mijn schapen
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en Ik
אַרְבִּיצֵ֔ם
(arbitsem)
zal laten neerliggen
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Wat verloren is, zal Ik zoeken. Wat verdreven is, zal Ik terugbrengen. Wat gebroken is, zal Ik verbinden, en wat ziek is, zal Ik sterken. Het vette en het sterke zal Ik vernietigen. Ik zal hen weiden met recht.”
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֹבֶ֤דֶת
(haovedet)
het verlorene
אֲבַקֵּשׁ֙
(avaqesh)
zal Ik zoeken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנִּדַּ֣חַת
(hanidachat)
het verdrevene
אָשִׁ֔יב
(ashiv)
zal Ik terugbrengen
וְלַנִּשְׁבֶּ֣רֶת
(velanishberet)
en het gebrokene
אֶחֱבֹ֔שׁ
(echevosh)
zal Ik verbinden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחוֹלָ֖ה
(hachola)
het zieke
אֲחַזֵּ֑ק
(achazeq)
zal Ik sterken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשְּׁמֵנָ֧ה
(hashemena)
het vette
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחֲזָקָ֛ה
(hachazaqa)
het sterke
אַשְׁמִ֖יד
(ashmid)
zal Ik vernietigen
אֶרְעֶ֥נָּה
(erena)
zal Ik hen weiden
בְמִשְׁפָּֽט
(bemishpat)
met recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַשְׁמִיד (ashmid), ‘Ik zal vernietigen’: het vette en sterke vee, dat de zwakke schapen onderdrukt.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘Ik zal bewaken’ (אֶשְׁמֹר, eshmor).

Wij volgen de Masoretische tekst.

Recht tussen schaap en schaap

17„En jullie, Mijn schapen: zo zegt Heer Yahweh: zie, Ik ga rechtspreken tussen schaap en schaap, tussen de rammen en de bokken.
וְאַתֵּ֣נָה
(veatena)
en jullie
צֹאנִ֔י
(tsoni)
Mijn schapen
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Mij
שֹׁפֵט֙
(shofet)
rechtsprekend
בֵּֽין
(bein)
tussen
שֶׂ֣ה
(se)
schaap
לָשֶׂ֔ה
(lase)
en schaap
לָאֵילִ֖ים
(laeilim)
tussen rammen
וְלָעַתּוּדִֽים
(velaatudim)
en bokken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Is het jullie te weinig dat jullie de goede weide afgrazen? Moeten jullie ook de rest van jullie weide met je voeten vertrappen? Is het te weinig dat jullie helder water drinken? Moeten jullie ook de rest met je voeten troebel maken?
הַמְעַ֣ט
(hamat)
is het weinig
מִכֶּ֗ם
(mikem)
voor jullie
הַמִּרְעֶ֤ה
(hamire)
de weide
הַטּוֹב֙
(hatov)
de goede
תִּרְע֔וּ
(tiru)
jullie grazen af
וְיֶ֨תֶר֙
(veyeter)
en de rest van
מִרְעֵיכֶ֔ם
(mireikhem)
jullie weiden
תִּרְמְס֖וּ
(tirmesu)
jullie vertrappen
בְּרַגְלֵיכֶ֑ם
(beragleikhem)
met jullie voeten
וּמִשְׁקַע
(umishqa)
en het helder van
מַ֣יִם
(mayim)
water
תִּשְׁתּ֔וּ
(tishtu)
jullie drinken
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
הַנּ֣וֹתָרִ֔ים
(hanotarim)
de overgeblevenen
בְּרַגְלֵיכֶ֖ם
(beragleikhem)
met jullie voeten
תִּרְפֹּשֽׂוּן
(tirposun)
jullie maken troebel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Moeten Mijn schapen grazen wat jullie voeten hebben vertrapt, en drinken wat jullie voeten troebel hebben gemaakt?”
וְצֹאנִ֑י
(vetsoni)
en Mijn schapen
מִרְמַ֤ס
(mirmas)
wat vertrapt is door
רַגְלֵיכֶם֙
(ragleikhem)
jullie voeten
תִּרְעֶ֔ינָה
(tireina)
grazen zij
וּמִרְפַּ֥שׂ
(umirpas)
en wat troebel is door
רַגְלֵיכֶ֖ם
(ragleikhem)
jullie voeten
תִּשְׁתֶּֽינָה
(tishteina)
drinken zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Daarom, zo zegt Heer Yahweh tot hen: „Zie, Ik, Ik zal rechtspreken tussen het vette schaap en het magere schaap.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tot hen
הִנְנִי
(hinni)
zie Mij
אָ֕נִי
(ani)
Ik
וְשָֽׁפַטְתִּי֙
(veshafatti)
en Ik zal rechtspreken
בֵּֽין
(bein)
tussen
שֶׂ֣ה
(se)
schaap
בִרְיָ֔ה
(birya)
vet
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
שֶׂ֖ה
(se)
schaap
רָזָֽה
(raza)
mager
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Omdat jullie met zij en schouder duwen en met jullie horens alle zwakke schapen stoten, totdat jullie ze naar buiten hebben verspreid,
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
בְּצַ֤ד
(betsad)
met zij
וּבְכָתֵף֙
(uvekhatef)
en met schouder
תֶּהְדֹּ֔פוּ
(tehdofu)
jullie duwen
וּבְקַרְנֵיכֶ֥ם
(uveqarneikhem)
en met jullie horens
תְּנַגְּח֖וּ
(tenagechu)
jullie stoten
כָּל
(kal)
alle
הַנַּחְל֑וֹת
(hanachlot)
de zwakke
עַ֣ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
הֲפִיצוֹתֶ֛ם
(hafitsotem)
jullie hebben verspreid
אוֹתָ֖נָה
(otana)
hen
אֶל
(el)
naar
הַחֽוּצָה
(hachutsa)
buiten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּצַד וּבְכָתֵף (betsad uvkhatef), ‘met zij en met schouder’: zo duwen sterke dieren de zwakke weg.

22zal Ik Mijn schapen redden. Zij zullen niet meer tot roof zijn. Ik zal rechtspreken tussen schaap en schaap.
וְהוֹשַׁעְתִּ֣י
(vehoshati)
en Ik zal redden
לְצֹאנִ֔י
(letsoni)
Mijn schapen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תִהְיֶ֥ינָה
(tihyeina)
zullen zijn
ע֖וֹד
(od)
meer
לָבַ֑ז
(lavaz)
tot roof
וְשָׁ֣פַטְתִּ֔י
(veshafatti)
en Ik zal rechtspreken
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
שֶׂ֖ה
(se)
schaap
לָשֶֽׂה
(lase)
en schaap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mijn knecht David als herder

23Ik zal één herder over hen aanstellen, en hij zal hen weiden: Mijn knecht David. Hij zal hen weiden en hij zal hun herder zijn.
וַהֲקִמֹתִ֨י
(vahaqimoti)
en Ik zal aanstellen
עֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
over hen
רֹעֶ֤ה
(roe)
herder
אֶחָד֙
(echad)
één
וְרָעָ֣ה
(veraa)
en hij zal weiden
אֶתְהֶ֔ן
(ethen)
hen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
עַבְדִּ֣י
(avdi)
Mijn knecht
דָוִ֑יד
(david)
David
ה֚וּא
(hu)
hij
יִרְעֶ֣ה
(yire)
zal weiden
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לָהֶ֖ן
(lahen)
voor hen
לְרֹעֶֽה
(leroe)
tot herder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַבְדִּי דָוִד (avdi David), ‘Mijn knecht David’: David is de koning die al lang dood is.

Het gaat om een herder uit zijn huis, zoals in Ezech. 37:24.

Vergelijk 2 Sam. 7:12–16.

רֹעֶה אֶחָד (ro’eh echad), ‘één herder’: één leider voor heel het volk, vergelijk Ezech. 37:22.

24Ik, Yahweh, zal hun Elohim zijn, en Mijn knecht David zal vorst zijn in hun midden. Ik, Yahweh, heb gesproken.
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶהְיֶ֤ה
(ehye)
zal zijn
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
לֵֽאלֹהִ֔ים
(lElohim)
tot Elohim
וְעַבְדִּ֥י
(veavdi)
en Mijn knecht
דָוִ֖ד
(david)
David
נָשִׂ֣יא
(nasi)
vorst
בְתוֹכָ֑ם
(betokham)
in hun midden
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּֽרְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: bij Ezechiël de titel voor de leider van het volk, ook in 37:25 en 44:3.

Een verbond van vrede

25Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Ik zal de wilde dieren uit het land laten verdwijnen. Zij zullen veilig in de woestijn wonen en in de bossen slapen.
וְכָרַתִּ֤י
(vekharati)
en Ik zal sluiten
לָהֶם֙
(lahem)
met hen
בְּרִ֣ית
(berit)
verbond van
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
וְהִשְׁבַּתִּ֥י
(vehishbati)
en Ik zal laten verdwijnen
חַיָּֽה
(chaya)
dier
רָעָ֖ה
(raa)
wild
מִן
(min)
uit
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְיָשְׁב֤וּ
(veyashevu)
en zij zullen wonen
בַמִּדְבָּר֙
(bamidbar)
in de woestijn
לָבֶ֔טַח
(lavetach)
veilig
וְיָשְׁנ֖וּ
(veyashenu)
en zullen slapen
בַּיְּעָרִֽים
(bayearim)
in de bossen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּרִית שָׁלוֹם (berit shalom), ‘een verbond van vrede’: vergelijk Num. 25:12 en Jes. 54:10.

חַיָּה רָעָה (chayyah ra’ah), ‘wilde dieren’: letterlijk ‘kwade dieren’; het gaat om roofdieren, zoals in Lev. 26:6.

26Ik zal hen en de omgeving van Mijn heuvel tot een zegen maken. Ik zal de regen laten vallen op zijn tijd: regens van zegen zullen het zijn.
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal maken
אוֹתָ֛ם
(otam)
hen
וּסְבִיב֥וֹת
(usevivot)
en de omgeving van
גִּבְעָתִ֖י
(givati)
Mijn heuvel
בְּרָכָ֑ה
(berakha)
tot zegen
וְהוֹרַדְתִּ֤י
(vehoradti)
en Ik zal laten neerkomen
הַגֶּ֨שֶׁם֙
(hageshem)
de regen
בְּעִתּ֔וֹ
(beito)
op zijn tijd
גִּשְׁמֵ֥י
(gishmei)
regens van
בְרָכָ֖ה
(berakha)
zegen
יִֽהְיֽוּ
(yihyu)
zullen zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּבְעָתִי (giv’ati), ‘Mijn heuvel’: de heuvel van Sion, waar Yahweh woont.

גִּשְׁמֵי בְרָכָה (gishmei verakhah), ‘regens van zegen’: de regen komt op tijd, zoals in Lev. 26:4 en Deut. 28:12.

27De bomen van het veld zullen hun vrucht geven en het land zal zijn opbrengst geven. Zij zullen veilig op hun grond zijn. Zij zullen weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik de stangen van hun juk breek. Dan bevrijd Ik hen uit de hand van wie hen tot slaaf maakten.
וְנָתַן֩
(venatan)
en zal geven
עֵ֨ץ
(ets)
boom van
הַשָּׂדֶ֜ה
(hasade)
het veld
אֶת
(et)
(obj.)
פִּרְי֗וֹ
(piryo)
zijn vrucht
וְהָאָ֨רֶץ֙
(vehaarets)
en het land
תִּתֵּ֣ן
(titen)
zal geven
יְבוּלָ֔הּ
(yevulah)
zijn opbrengst
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
עַל
(al)
op
אַדְמָתָ֖ם
(admatam)
hun grond
לָבֶ֑טַח
(lavetach)
veilig
וְֽיָדְע֞וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּשִׁבְרִי֙
(beshivri)
bij mijn breken
אֶת
(et)
(obj.)
מֹט֣וֹת
(motot)
stangen van
עֻלָּ֔ם
(ulam)
juk
וְהִ֨צַּלְתִּ֔ים
(vehitsaltim)
en Ik zal hen bevrijden
מִיַּ֖ד
(miyad)
uit de hand van
הָעֹבְדִ֥ים
(haovedim)
die tot slaaf maakten
בָּהֶֽם
(bahem)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֹטֹת עֻלָּם (motot ullam), ‘de stangen van hun juk’: de houten delen van het juk, een beeld van slavernij; vergelijk Lev. 26:13.

28Zij zullen niet meer tot roof zijn voor de volken, en de wilde dieren van de aarde zullen hen niet meer eten. Zij zullen veilig wonen en niemand zal hen bang maken.
וְלֹא
(velo)
en niet
יִהְי֨וּ
(yihyu)
zullen zijn
ע֥וֹד
(od)
meer
בַּז֙
(baz)
roof
לַגּוֹיִ֔ם
(lagoyim)
voor de volken
וְחַיַּ֥ת
(vechayat)
en dier van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לֹ֣א
(lo)
niet
תֹאכְלֵ֑ם
(tokhlem)
zal eten hen
וְיָשְׁב֥וּ
(veyashevu)
en zij zullen wonen
לָבֶ֖טַח
(lavetach)
veilig
וְאֵ֥ין
(veein)
en niemand
מַחֲרִֽיד
(macharid)
die bang maakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Ik zal voor hen een beroemde beplanting laten opkomen. Zij zullen niet meer door honger uit het land weggerukt worden en niet meer de smaad van de volken dragen.
וַהֲקִמֹתִ֥י
(vahaqimoti)
en Ik zal laten opkomen
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor hen
מַטָּ֖ע
(mata)
beplanting
לְשֵׁ֑ם
(leshem)
tot naam
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְי֨וּ
(yihyu)
zullen zijn
ע֜וֹד
(od)
meer
אֲסֻפֵ֤י
(asufei)
weggerukt door
רָעָב֙
(raav)
honger
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִשְׂא֥וּ
(yisu)
zullen dragen
ע֖וֹד
(od)
meer
כְּלִמַּ֥ת
(kelimat)
smaad van
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַטָּע לְשֵׁם (matta le-shem), ‘een beplanting tot naam’: de betekenis is niet helemaal zeker.

Het kan ‘een beroemde beplanting’ zijn, of ‘een beplanting met een naam’, een land dat bekend staat om zijn vruchtbaarheid.

אֲסֻפֵי רָעָב (asufei ra’av), ‘weggerukt door honger’: letterlijk ‘weggenomen door honger’.

30Zij zullen weten dat Ik, Yahweh, hun Elohim, met hen ben, en dat zij, het huis van Israël, Mijn volk zijn, godsspraak van Heer Yahweh.
וְיָדְע֗וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲנִ֧י
(ani)
Ik
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֖ם
(eloheihem)
hun Elohim
אִתָּ֑ם
(itam)
met hen
וְהֵ֗מָּה
(vehema)
en zij
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Jullie zijn Mijn schapen, de schapen van Mijn weide. Mensen zijn jullie, en Ik ben jullie Elohim, godsspraak van Heer Yahweh.”
וְאַתֵּ֥ן
(veaten)
en jullie
צֹאנִ֛י
(tsoni)
Mijn schapen
צֹ֥אן
(tson)
schapen van
מַרְעִיתִ֖י
(mariti)
Mijn weide
אָדָ֣ם
(adam)
mensen
אַתֶּ֑ם
(atem)
jullie
אֲנִי֙
(ani)
Ik
אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָדָם אַתֶּם (adam attem), ‘mensen zijn jullie’: het volk is de kudde, Yahweh is de Herder.

Zie ook Ps. 23:1 en Ps. 100:3.