Hebreeën 11
Wat geloof is, en de wolk van getuigen van Abel tot de profeten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wat geloof is
Dit vers is geen sluitende bepaling maar een omschrijving van wat geloof doet. ὑπόστασις (hypostasis), ‘grondslag’: letterlijk ‘wat eronder staat’; het woord betekent ook ‘zekerheid’ en ‘wezen’ (zoals in 1:3).
Het Grieks laat open of de ‘grondslag’ de werkelijkheid zelf is of de zekerheid die geloof geeft; wij vertalen ‘grondslag’. ἔλεγχος (elenchos), ‘bewijs’: ook ‘overtuiging’, het aantonen van wat niet zichtbaar is.
Het Grieks heeft geen lidwoord bij πίστις (pistis), ‘geloof’.
Zie ook Hebr. 1:3; Hebr. 3:14; Hebr. 10:38–39.
πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderen’: de mensen van vroeger, de gelovigen uit het OT; hier geen ambtsdragers. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: het lijdende ἐμαρτυρήθησαν (emartyrethesan) betekent ‘zij kregen getuigenis’, dat is: Elohim getuigde in hun voordeel (vers 4, 5, 39).
Zie ook Hebr. 11:39.
αἰών (aion), ‘eeuw, wereldtijd’: de wereld met haar tijd, zoals in 1:2. καταρτίζω (katartizo), ‘in orde brengen, vormen’: hetzelfde werkwoord als in 10:5 (‘bereid’) en 13:21 (‘toerusten’). ῥῆμα θεοῦ (rema theou), ‘woord van Elohim’.
Het Grieks zegt: ‘dat wat gezien wordt niet uit verschijnende dingen is ontstaan’.
Zie ook Gen. 1:1–3; Ps. 33:6; Ps. 33:9; Hebr. 1:2.
De SBLGNT markeert bij τὸ βλεπόμενον (to blepomenon), ‘wat men ziet’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Abel, Henoch en Noach
Gen. 4:3–10. πλείων (pleion), ‘groter, meer’: het Griekse woord is hier niet ‘beter’ (κρείττων); de brief zegt niet waarin het offer ‘groter’ was.
‘Door welke’ (δι’ ἧς, di’ hes): het Griekse woord is vrouwelijk en kan op ‘geloof’ of op ‘offer’ wijzen; wij schrijven ‘daardoor’.
In Gen. 4:4 ziet Yahweh Abel en zijn offergave vriendelijk aan; dat is het ‘getuigen over zijn gaven’.
‘Hij spreekt nog’: zie Gen. 4:10 (‘het bloed van je broer schreeuwt naar Mij’) en Hebr. 12:24.
Kaïn staat in het Grieks als Κάϊν (Kain).
Zie ook Gen. 4:4; Gen. 4:10; Hebr. 12:24; Matt. 23:35.
De SBLGNT markeert bij λαλεῖ (lalei), ‘spreekt’, een variant en bij τοῦ θεοῦ (tou theou), ‘Elohim’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Gen. 5:21–24. μετατίθημι (metatithemi), ‘wegnemen, overbrengen’: in Gen. 5:24 staat ‘Elohim nam hem weg’.
‘Hij werd niet gevonden’: ons Hebreeuws heeft ‘hij was er niet meer’. εὐαρεστέω (euaresteo), ‘behagen’: ons Hebreeuws heeft ‘Henoch wandelde met Elohim’; de brief zegt ‘van hem is getuigd dat hij Elohim behaagd had’.
Over Henoch vertellen ook de aanvullende geschriften.
Zie ook Gen. 5:24; Henoch 12:1; Jubileeën 4:23.
De SBLGNT markeert bij μεταθέσεως (metatheseos), ‘wegneming’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
εὐαρεστέω (euaresteo), ‘behagen’, zoals in vers 5. προσέρχομαι (proserchomai), ‘nadert’, het werkwoord van 4:16 en 10:22. ἐκζητέω (ekzeteo), ‘zoeken’: met nadruk, ‘opzoeken’. μισθαποδότης (misthapodotes), ‘beloner’: verwant met μισθαποδοσία (misthapodosia), ‘beloning’ in 10:35 en 11:26.
Zie ook Jer. 29:13; Deut. 4:29; Hebr. 10:35.
Gen. 6:9–22; 7:1. χρηματίζω (chrematizo), ‘waarschuwen’: zoals in 8:5. εὐλαβέομαι (eulabeomai), ‘uit ontzag handelen, voorzichtig zijn’.
‘Hij veroordeelde de wereld’: zijn handelen stond tegenover dat van de wereld.
‘De gerechtigheid die naar het geloof is’: δικαιοσύνη κατὰ πίστιν (dikaiosyne kata pistin); Gen. 6:9 noemt Noach ‘rechtvaardig’.
Zie ook Gen. 6:9; Gen. 6:13–22; Gen. 7:1.
Abraham en Sarah, vreemdelingen op weg naar de stad
Gen. 12:1–4.
De brief gebruikt de naam Abraham, die hij pas in Gen. 17:5 krijgt (daarvoor heet hij Abram). κληρονομία (kleronomia), ‘erfenis’.
Het Grieks heeft ‘gehoorzaamde door uit te gaan’ (ὑπήκουσεν ἐξελθεῖν, hypekousen exelthein).
Zie ook Gen. 12:1–5; Gen. 17:5; Hand. 7:2–4.
De SBLGNT markeert bij Πίστει (Pistei), ‘Door geloof’, en bij τόπον (topon), ‘plaats’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
παροικέω (paroikeo), ‘als vreemdeling verblijven’: ‘vreemdeling en bijwoner’ is wat Abraham zich in Gen. 23:4 noemt. σκηναῖς (skenais), ‘tenten’: gewone tenten, anders dan de σκηνή van 8:2. συγκληρονόμοι (synkleronomoi), ‘mede-erfgenamen’.
Zie ook Gen. 12:8; Gen. 13:18; Gen. 23:4; Gen. 26:3; Gen. 35:12.
θεμέλιοι (themelioi), ‘fundamenten’: tegenover de tenten van vers 9. τεχνίτης (technites), ‘ontwerper, vakman’, δημιουργός (demiourgos), ‘bouwer, maker’.
De stad is die van vers 16: het hemelse Jeruzalem (12:22) en de toekomstige stad (13:14).
Zie ook Hebr. 12:22; Hebr. 13:14.
καταβολὴ σπέρματος (katabole spermatos), ‘het ontvangen van zaad’: letterlijk ‘het leggen van zaad’, dat is: zwanger worden.
Het Grieks heeft ‘Sarah zelf’ in de derde naamval (αὐτῇ Σάρρᾳ, aute Sarra); daardoor kan de zin ook gelezen worden als: Abraham kreeg kracht ‘met Sarah zelf’.
Wij nemen Sarah als onderwerp. ἡλικία (helikia), ‘leeftijd’.
Zie Gen. 17:17; 18:11–14; 21:1–2.
Zie ook Gen. 17:17; Gen. 18:11–14; Gen. 21:1–2; Rom. 4:19.
De SBLGNT markeert bij αὐτῇ Σάρρᾳ (aute Sarra), ‘Sarah zelf’, een variant en bij ἡλικίας (helikias), ‘leeftijd’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Κατὰ πίστιν (kata pistin), ‘in het geloof’: volgens het geloof; anders dan Πίστει (Pistei), ‘Door geloof’, in de andere verzen.
‘Dezen allen’ zijn Abel tot en met Sarah (verzen 4–12). ξένοι καὶ παρεπίδημοι (xenoi kai parepidemoi), ‘vreemdelingen en bijwoners’: in ons OT ‘vreemdeling en bijwoner’ (Gen. 23:4; Ps. 39:13; 1 Kron. 29:15). ἀσπάζομαι (aspazomai), ‘begroeten’.
Zie ook Gen. 23:4; Ps. 39:13; 1 Kron. 29:15; 1 Petr. 2:11.
De SBLGNT markeert bij λαβόντες (labontes), ‘ontvangen hebbend’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
πατρίς (patris), ‘vaderland’. ἐμφανίζω (emfanizo), ‘duidelijk maken, aan het licht brengen’: zoals in 9:24.
μνημονεύω (mnemoneuo), ‘denken aan, gedenken’.
Het Grieks heeft de tegenwoordige tijd; de zin zegt: als zij nog dachten aan het land waaruit zij waren vertrokken, zouden zij gelegenheid hebben gehad terug te keren.
Dat zij dat niet deden, laat zien waar zij naar uit zagen (vers 16).
Zie ook Gen. 24:6–8.
De SBLGNT markeert bij μνημονεύουσιν (mnemoneuousin), ‘denken aan’, en bij ἐξέβησαν (exebesan), ‘zij vertrokken’, varianten.
Wij volgen de SBLGNT.
ὀρέγομαι (oregomai), ‘streven naar’. κρείττων (kreitton), ‘beter’: het Grieks zegt niet wat er beter is; wij vullen ‘land’ aan, naar vers 14 (‘vaderland’). ἐπαισχύνομαι (epaischynomai), ‘zich schamen’.
‘Hun Elohim genoemd worden’: Exod. 3:6 en 3:15 (‘de Elohim van Abraham, de Elohim van Isaak en de Elohim van Jakob’). ἑτοιμάζω (hetoimazo), ‘gereedmaken’.
‘De stad’: zie bij vers 10.
Zie ook Exod. 3:6; Exod. 3:15; Hebr. 12:22; Hebr. 13:14.
De offering van Isaak
Gen. 22:1–19. πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: zoals in Gen. 22:1.
Het Grieks heeft twee tijden: προσενήνοχεν (prosenenochen), ‘heeft aangeboden’ (voltooide tijd), en προσέφερεν (prosferen), ‘bood aan’ (onvoltooide tijd, ‘was bezig aan te bieden’): Abraham heeft Isaak niet werkelijk geofferd (Gen. 22:12). μονογενής (monogenes), ‘enige’: Gen. 22:2 heeft ‘je enige’. ἀναδέχομαι (anadechomai), ‘ontvangen, op zich nemen’.
Zie ook Gen. 22:1–19; Jak. 2:21.
Aanhaling van Gen. 21:12.
Ons Hebreeuws heeft: ‘door Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden’.
De Griekse tekst heeft ‘In Isaak zal jouw zaad genoemd worden’, zoals ook Rom. 9:7.
De woorden worden hier door de brief aangehaald, zonder eerste persoon: zwart.
Zie ook Gen. 21:12; Rom. 9:7.
λογίζομαι (logizomai), ‘redeneren, rekenen op’. ἐν παραβολῇ (en parabole), ‘in beeldspraak’: ook ‘als voorafbeelding’; zoals in 9:9. ἐκομίσατο (ekomisato), ‘ontving terug’.
De brief ziet in het behoud van Isaak een beeld van opstanding.
Zie ook Gen. 22:5; Gen. 22:12–13; Rom. 4:17.
Isaak, Jakob en Jozef
Gen. 27:27–40.
Het Grieks heeft ‘over komende dingen’ (περὶ μελλόντων, peri mellonton): met het oog op de toekomst van beiden.
Zie ook Gen. 27:27–29; Gen. 27:39–40.
De SBLGNT markeert bij καί (kai), ‘ook’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Gen. 48:8–20 en 47:31.
Ons Hebreeuws heeft in Gen. 47:31 ‘Israël boog zich neer aan het hoofdeinde van het bed’; de Griekse tekst heeft ‘op de top van zijn staf’.
Het Hebreeuwse woord voor ‘bed’ (מִטָּה, mittah) en dat voor ‘staf’ (מַטֶּה, matteh) hebben dezelfde medeklinkers. προσκυνέω (proskuneo), ‘zich neerbuigen’.
Jakob heet hier met zijn eigen naam; in het Hebreeuws heet hij daar Israël.
Zie ook Gen. 47:29–31; Gen. 48:15–20.
ἔξοδος (exodos), ‘uittocht’.
Jozef gaf bevel over zijn beenderen: Gen. 50:24–25; ze werden meegenomen, Exod. 13:19, en begraven in Joz. 24:32.
Zie ook Gen. 50:24–26; Exod. 13:19; Joz. 24:32.
Mozes
Exod. 2:1–3; 1:22. πατέρες (pateres), ‘vaders’: hier de ouders, vader en moeder; Exod. 2:2 noemt de moeder, die haar zoon verborg. ἀστεῖος (asteios), ‘mooi’: ons Hebreeuws heeft in Exod. 2:2 ‘goed’; zo ook Hand. 7:20. διάταγμα (diatagma), ‘bevel’: het bevel van de farao in Exod. 1:22.
Zie ook Exod. 1:22; Exod. 2:2; Hand. 7:20.
Exod. 2:10–12.
De brief zegt ‘groot geworden’ (μέγας γενόμενος, megas genomenos), zoals Exod. 2:11.
Het Grieks heeft ‘Farao’ als eigennaam.
Zie ook Exod. 2:10–12.
συγκακουχέομαι (synkakoucheomai), ‘mee mishandeld worden, mee lijden’. πρόσκαιρος (proskairos), ‘voor korte tijd’. ἀπόλαυσις (apolausis), ‘genot’.
Zie ook Exod. 2:11.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
ὀνειδισμός (oneidismos), ‘smaad’. Χριστός (Christos), ‘Messias, Gezalfde’: de brief zegt niet hoe Mozes de ‘smaad van de Messias’ droeg; Ps. 89:51–52 spreekt van de smaad van Yahweh’s gezalfde. μισθαποδοσία (misthapodosia), ‘beloning’: zoals in 10:35.
Zie ook Ps. 89:51–52; Hebr. 10:35; Hebr. 13:13.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Het Grieks laat open welk vertrek uit Egypte bedoeld is: Exod. 2:14–15 vertelt dat Mozes bang werd en vluchtte; Exod. 12:37 vertelt de uittocht van het volk.
De brief zegt dat hij de woede van de koning niet vreesde. τὸν ἀόρατον (ton aoraton), ‘de Onzienlijke’: Elohim, zoals Kol. 1:15 Hem noemt. καρτερέω (kartereo), ‘volhouden, standvastig zijn’.
Zie ook Exod. 2:14–15; Exod. 12:37; Kol. 1:15.
Exod. 12:1–13 en 12:21–23. πάσχα (pascha), ‘Pesach’. πρόσχυσις (proschysis), ‘sprenkeling’: het uitgieten van het bloed op de deurposten. ὁ ὀλοθρεύων (ho olothreuon), ‘de verderver’: zo ook Exod. 12:23. πρωτότοκα (prototoka), ‘eerstgeborenen’.
Zie ook Exod. 12:21–23.
De zee, Jericho en Rachab
Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.
De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.
Exod. 14:21–31. Ἐρυθρὰ Θάλασσα (Erythra Thalassa) betekent ‘Rode Zee’; in ons OT heet de zee in de vertelling van de uittocht de Rietzee, naar het Hebreeuws; wij houden ‘Rietzee’, zoals in Hand. 7:36. πεῖραν λαμβάνω (peiran lambano), ‘een poging doen, het proberen’. καταπίνω (katapino), ‘verzwelgen’.
Zie ook Exod. 14:21–31; Exod. 15:4; Hand. 7:36.
De SBLGNT markeert bij γῆς (ges), ‘land’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.
Joz. 6:1–20. κυκλόω (kykloo), ‘omringen, rondtrekken’.
Zeven dagen: Joz. 6:3–4, 14–15, 20.
Zie ook Joz. 6:1–21.
De SBLGNT markeert bij ἔπεσαν (epesan), ‘vielen’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Joz. 2 en 6:22–25.
Rachab: de spelling van Joz. 2. πόρνη (porne), ‘hoer’: Joz. 2:1. ἀπειθέω (apeitheo), ‘ongehoorzaam zijn’: de inwoners van Jericho, die de aankondiging van de ondergang niet geloofden. κατάσκοπος (kataskopos), ‘verkenner, spion’.
Zie ook Joz. 2:1–21; Joz. 6:22–25; Jak. 2:25.
Zij die door geloof overwonnen en zij die leden
Het Grieks heeft ‘Gideon, Barak, Simson, Jefta’: niet in de volgorde van het boek Richteren, waar Barak (Richt. 4–5) vóór Gideon (Richt. 6–8) komt.
‘David en Samuël en de profeten’ staan er naast. διηγέομαι (diegeomai), ‘vertellen’.
De tijd zou de schrijver tekortschieten: hij geeft slechts een opsomming.
Zie ook Richt. 4:6; Richt. 6:11; Richt. 11:1; Richt. 13:24; 1 Sam. 16:13; 1 Sam. 3:20.
De SBLGNT markeert bij με γάρ (me gar), ‘mij want’, een variant en bij Σαμψών (Sampson), ‘Simson’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
κατηγωνίσαντο (katagonisanto), ‘overwonnen’: ook ‘bestreden’. εἰργάσαντο δικαιοσύνην (eirgasanto dikaiosynen), ‘gerechtigheid gewrocht’: recht gedaan.
De brief noemt hier geen namen; bij de ‘muilen van leeuwen’ past bijvoorbeeld Dan. 6:23, bij de koninkrijken en de gerechtigheid 2 Sam. 8:1–15.
Zie ook Dan. 6:23; Richt. 14:5–6; 1 Sam. 17:34–36; 2 Sam. 8:15.
De brief noemt geen namen.
‘De kracht van vuur’: vergelijk Dan. 3:19–27. στόματα μαχαίρης (stomata machaires), ‘scherpte van het zwaard’: letterlijk ‘mond van het zwaard’, een uitdrukking voor de snede.
‘Kracht uit zwakheid’: vergelijk Richt. 16:28–30. παρεμβολή (parembole), ‘leger, legerkamp’; ἀλλότριοι (allotrioi), ‘vreemden’.
Zie ook Dan. 3:19–27; Richt. 16:28–30; Richt. 7:21; 1 Sam. 14:20.
De SBLGNT markeert bij μαχαίρης (machaires), ‘zwaard’, en bij ἐδυναμώθησαν (edynamothesan), ‘werden krachtig gemaakt’, varianten.
Wij volgen de SBLGNT.
Vrouwen kregen hun doden terug: vergelijk 1 Kon. 17:17–24 en 2 Kon. 4:32–37. ἐτυμπανίσθησαν (etympanisthesan), ‘werden gemarteld’: van τύμπανον (tympanon), ‘trom, slagwerktuig’; het werkwoord betekent ‘slaan, folteren’. ἀπολύτρωσις (apolytrosis), ‘loskoping’: hier de vrijlating die hun geboden werd, als zij hun geloof zouden opgeven. κρείττων ἀνάστασις (kreitton anastasis), ‘betere opstanding’: tegenover de terugkeer in dit leven.
Zie ook 1 Kon. 17:17–24; 2 Kon. 4:32–37; Hebr. 9:15.
ἐμπαιγμός (empaigmos), ‘bespotting’; μάστιξ (mastix), ‘geseling’; δεσμά (desma), ‘boeien’; φυλακή (fylake), ‘gevangenis’.
De brief noemt geen namen; vergelijk 1 Kon. 22:26–27, Jer. 20:2 en Jer. 37:15.
Zie ook 1 Kon. 22:26–27; Jer. 20:2; Jer. 37:15.
Gestenigd: vergelijk 2 Kron. 24:20–22.
‘In tweeën gezaagd’: ἐπρίσθησαν (epristhesan), van πρίζω, ‘zagen’; de brief noemt geen naam of bron.
‘Door het zwaard gedood’: vergelijk 1 Kon. 19:10 en Jer. 26:23. μηλωτή (melote), ‘schapenvacht’; αἴγειον δέρμα (aigeion derma), ‘geitenvel’: vergelijk 2 Kon. 1:8 en Zach. 13:4. ὑστερέομαι (hysteromai), ‘gebrek lijden’; κακουχέομαι (kakoucheomai), ‘mishandeld worden’.
Zie ook 2 Kron. 24:20–22; Jer. 26:23; 1 Kon. 19:10; 2 Kon. 1:8; Zach. 13:4.
De SBLGNT markeert bij ἐπρίσθησαν (epristhesan), ‘werden gezaagd’, en bij μαχαίρης (machaires), ‘zwaard’, varianten.
Wij volgen de SBLGNT.
ἐρημία (eremia), ‘woestenij, verlaten streek’; σπήλαιον (spelaion), ‘spelonk’; ὀπή (ope), ‘gat, hol’.
Vergelijk 1 Kon. 18:4 en 19:9.
‘De wereld was hen niet waardig’: de wereld die hen verstootte, was hun niet waard.
Zie ook 1 Kon. 18:4; 1 Kon. 19:9.
De SBLGNT markeert bij ἐπί (epi), ‘in’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
‘Getuigenis ontvangen’: zoals in vers 2.
‘De belofte niet verkregen’: zoals in vers 13; de belofte is de volle vervulling, zie 6:12–15 en 10:36.
Zie ook Hebr. 6:12; Hebr. 10:36; Hebr. 11:13.
De SBLGNT markeert bij καί (kai), ‘en’, een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
προβλέπω (problepo), ‘tevoren uitzien, tevoren voorzien’. τελειόω (teleioo), ‘volmaken’: zoals in 9:9, 10:1 en 10:14.
‘Zij’ zijn de gelovigen van vers 39.
Het ‘betere’ wordt niet verder genoemd; vergelijk 12:23 (‘de geesten van de rechtvaardigen die volmaakt zijn gemaakt’).
Zie ook Hebr. 10:14; Hebr. 12:23.