Elohim Bijbel

Hebreeën 11

12345678910111213

Wat geloof is, en de wolk van getuigen van Abel tot de profeten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wat geloof is

1Nu is geloof de grondslag van wat men hoopt, het bewijs van dingen die men niet ziet.
Ἔστιν
(Estin)
is
δὲ
(de)
nu
πίστις
(pistis)
geloof
ἐλπιζομένων
(elpizomenon)
van wat gehoopt wordt
ὑπόστασις
(hypostasis)
grondslag
πραγμάτων
(pragmaton)
van dingen
ἔλεγχος
(elenchos)
bewijs
οὐ
(ou)
niet
βλεπομένων
(blepomenon)
van wat gezien wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

Dit vers is geen sluitende bepaling maar een omschrijving van wat geloof doet. ὑπόστασις (hypostasis), ‘grondslag’: letterlijk ‘wat eronder staat’; het woord betekent ook ‘zekerheid’ en ‘wezen’ (zoals in 1:3).

Het Grieks laat open of de ‘grondslag’ de werkelijkheid zelf is of de zekerheid die geloof geeft; wij vertalen ‘grondslag’. ἔλεγχος (elenchos), ‘bewijs’: ook ‘overtuiging’, het aantonen van wat niet zichtbaar is.

Het Grieks heeft geen lidwoord bij πίστις (pistis), ‘geloof’.

Zie ook Hebr. 1:3; Hebr. 3:14; Hebr. 10:38–39.

2Want daardoor hebben de ouderen getuigenis ontvangen.
ἐν
(en)
in
ταύτῃ
(taute)
deze
γὰρ
(gar)
want
ἐμαρτυρήθησαν
(emartyrethesan)
kregen getuigenis
οἱ
(hoi)
de
πρεσβύτεροι
(presbyteroi)
ouderen
Bron: SBLGNT
Uitleg

πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderen’: de mensen van vroeger, de gelovigen uit het OT; hier geen ambtsdragers. μαρτυρέω (martyreo), ‘getuigen’: het lijdende ἐμαρτυρήθησαν (emartyrethesan) betekent ‘zij kregen getuigenis’, dat is: Elohim getuigde in hun voordeel (vers 4, 5, 39).

Zie ook Hebr. 11:39.

3Door geloof begrijpen wij dat de eeuwen door het woord van Elohim gevormd zijn, zodat wat men ziet, niet uit zichtbare dingen is ontstaan.
πίστει
(pistei)
door geloof
νοοῦμεν
(nooumen)
begrijpen wij
κατηρτίσθαι
(katertisthai)
gevormd te zijn
τοὺς
(tous)
de
αἰῶνας
(aionas)
eeuwen
ῥήματι
(rhemati)
door woord
θεοῦ
(theou)
van Elohim
εἰς
(eis)
tot
τὸ
(to)
het
μὴ
(me)
niet
ἐκ
(ek)
uit
φαινομένων
(phainomenon)
zichtbare dingen
τὸ
(to)
het
βλεπόμενον
(blepomenon)
geziene
γεγονέναι
(gegonenai)
ontstaan te zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

αἰών (aion), ‘eeuw, wereldtijd’: de wereld met haar tijd, zoals in 1:2. καταρτίζω (katartizo), ‘in orde brengen, vormen’: hetzelfde werkwoord als in 10:5 (‘bereid’) en 13:21 (‘toerusten’). ῥῆμα θεοῦ (rema theou), ‘woord van Elohim’.

Het Grieks zegt: ‘dat wat gezien wordt niet uit verschijnende dingen is ontstaan’.

Zie ook Gen. 1:1–3; Ps. 33:6; Ps. 33:9; Hebr. 1:2.

Lezing

De SBLGNT markeert bij τὸ βλεπόμενον (to blepomenon), ‘wat men ziet’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

Abel, Henoch en Noach

4Door geloof bood Abel Elohim een groter offer aan dan Kaïn. Daardoor ontving hij het getuigenis dat hij rechtvaardig was, doordat Elohim zelf over zijn gaven getuigde. En daardoor spreekt hij nog, hoewel hij gestorven is.
Πίστει
(Pistei)
door geloof
πλείονα
(pleiona)
groter
θυσίαν
(thysian)
offer
Ἅβελ
(Habel)
Abel
παρὰ
(para)
dan
Κάϊν
(Kain)
Kaïn
προσήνεγκεν
(prosenenken)
bood aan
τῷ
(to)
aan de
θεῷ
(theo)
Elohim
δι’
(di’)
door
ἧς
(hes)
welke
ἐμαρτυρήθη
(emartyrethe)
kreeg getuigenis
εἶναι
(einai)
te zijn
δίκαιος
(dikaios)
rechtvaardig
μαρτυροῦντος
(martyrountos)
getuigend
ἐπὶ
(epi)
over
τοῖς
(tois)
de
δώροις
(dorois)
gaven
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τοῦ
(tou)
de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
δι’
(di’)
door
αὐτῆς
(autes)
haar
ἀποθανὼν
(apothanon)
gestorven zijnd
ἔτι
(eti)
nog
λαλεῖ
(lalei)
spreekt
Bron: SBLGNT
Uitleg

Gen. 4:3–10. πλείων (pleion), ‘groter, meer’: het Griekse woord is hier niet ‘beter’ (κρείττων); de brief zegt niet waarin het offer ‘groter’ was.

‘Door welke’ (δι’ ἧς, di’ hes): het Griekse woord is vrouwelijk en kan op ‘geloof’ of op ‘offer’ wijzen; wij schrijven ‘daardoor’.

In Gen. 4:4 ziet Yahweh Abel en zijn offergave vriendelijk aan; dat is het ‘getuigen over zijn gaven’.

‘Hij spreekt nog’: zie Gen. 4:10 (‘het bloed van je broer schreeuwt naar Mij’) en Hebr. 12:24.

Kaïn staat in het Grieks als Κάϊν (Kain).

Zie ook Gen. 4:4; Gen. 4:10; Hebr. 12:24; Matt. 23:35.

Lezing

De SBLGNT markeert bij λαλεῖ (lalei), ‘spreekt’, een variant en bij τοῦ θεοῦ (tou theou), ‘Elohim’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

5Door geloof werd Henoch weggenomen, zodat hij de dood niet zou zien. En hij werd niet gevonden, omdat Elohim hem weggenomen had. Want vóór zijn wegneming is van hem getuigd dat hij Elohim behaagd had.
Πίστει
(Pistei)
door geloof
Ἑνὼχ
(Henoch)
Henoch
μετετέθη
(metetethe)
werd weggenomen
τοῦ
(tou)
om
μὴ
(me)
niet
ἰδεῖν
(idein)
te zien
θάνατον
(thanaton)
dood
καὶ
(kai)
en
οὐχ
(ouch)
niet
ηὑρίσκετο
(heyrisketo)
werd gevonden
διότι
(dioti)
omdat
μετέθηκεν
(metetheken)
had weggenomen
αὐτὸν
(auton)
hem
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
πρὸ
(pro)
vóór
γὰρ
(gar)
want
τῆς
(tes)
de
μεταθέσεως
(metatheseos)
wegneming
μεμαρτύρηται
(memartyretai)
is getuigd
εὐαρεστηκέναι
(euarestekenai)
behaagd te hebben
τῷ
(to)
aan de
θεῷ
(theo)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

Gen. 5:21–24. μετατίθημι (metatithemi), ‘wegnemen, overbrengen’: in Gen. 5:24 staat ‘Elohim nam hem weg’.

‘Hij werd niet gevonden’: ons Hebreeuws heeft ‘hij was er niet meer’. εὐαρεστέω (euaresteo), ‘behagen’: ons Hebreeuws heeft ‘Henoch wandelde met Elohim’; de brief zegt ‘van hem is getuigd dat hij Elohim behaagd had’.

Over Henoch vertellen ook de aanvullende geschriften.

Zie ook Gen. 5:24; Henoch 12:1; Jubileeën 4:23.

Lezing

De SBLGNT markeert bij μεταθέσεως (metatheseos), ‘wegneming’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

6Zonder geloof is het onmogelijk Elohim te behagen. Want wie tot Elohim komt, moet geloven dat Hij is en dat Hij een beloner wordt voor hen die Hem zoeken.
χωρὶς
(choris)
zonder
δὲ
(de)
maar
πίστεως
(pisteos)
geloof
ἀδύνατον
(adynaton)
onmogelijk
εὐαρεστῆσαι
(euarestesai)
te behagen
πιστεῦσαι
(pisteusai)
geloven
γὰρ
(gar)
want
δεῖ
(dei)
moet
τὸν
(ton)
degene
προσερχόμενον
(proserchomenon)
die nadert
τῷ
(to)
aan de
θεῷ
(theo)
Elohim
ὅτι
(hoti)
dat
ἔστιν
(estin)
Hij is
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
aan hen
ἐκζητοῦσιν
(ekzetousin)
die zoeken
αὐτὸν
(auton)
Hem
μισθαποδότης
(misthapodotes)
beloner
γίνεται
(ginetai)
Hij wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐαρεστέω (euaresteo), ‘behagen’, zoals in vers 5. προσέρχομαι (proserchomai), ‘nadert’, het werkwoord van 4:16 en 10:22. ἐκζητέω (ekzeteo), ‘zoeken’: met nadruk, ‘opzoeken’. μισθαποδότης (misthapodotes), ‘beloner’: verwant met μισθαποδοσία (misthapodosia), ‘beloning’ in 10:35 en 11:26.

Zie ook Jer. 29:13; Deut. 4:29; Hebr. 10:35.

7Door geloof bouwde Noach, gewaarschuwd over wat nog niet gezien werd, uit ontzag een ark tot redding van zijn huis. Daardoor veroordeelde hij de wereld, en hij werd erfgenaam van de gerechtigheid die naar het geloof is.
πίστει
(pistei)
door geloof
χρηματισθεὶς
(chrematistheis)
gewaarschuwd
Νῶε
(Noe)
Noach
περὶ
(peri)
over
τῶν
(ton)
de
μηδέπω
(medepo)
nog niet
βλεπομένων
(blepomenon)
geziene dingen
εὐλαβηθεὶς
(eulabetheis)
uit ontzag
κατεσκεύασεν
(kateskeuasen)
bouwde
κιβωτὸν
(kiboton)
ark
εἰς
(eis)
tot
σωτηρίαν
(soterian)
redding
τοῦ
(tou)
van het
οἴκου
(oikou)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
δι’
(di’)
door
ἧς
(hes)
welke
κατέκρινεν
(katekrinen)
veroordeelde hij
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
καὶ
(kai)
en
τῆς
(tes)
van de
κατὰ
(kata)
naar
πίστιν
(pistin)
geloof
δικαιοσύνης
(dikaiosynes)
gerechtigheid
ἐγένετο
(egeneto)
werd
κληρονόμος
(kleronomos)
erfgenaam
Bron: SBLGNT
Uitleg

Gen. 6:9–22; 7:1. χρηματίζω (chrematizo), ‘waarschuwen’: zoals in 8:5. εὐλαβέομαι (eulabeomai), ‘uit ontzag handelen, voorzichtig zijn’.

‘Hij veroordeelde de wereld’: zijn handelen stond tegenover dat van de wereld.

‘De gerechtigheid die naar het geloof is’: δικαιοσύνη κατὰ πίστιν (dikaiosyne kata pistin); Gen. 6:9 noemt Noach ‘rechtvaardig’.

Zie ook Gen. 6:9; Gen. 6:13–22; Gen. 7:1.

Abraham en Sarah, vreemdelingen op weg naar de stad

8Door geloof gehoorzaamde Abraham, toen hij geroepen werd, door uit te gaan naar een plaats die hij als erfenis zou ontvangen. Hij ging uit zonder te weten waarheen hij ging.
Πίστει
(Pistei)
door geloof
καλούμενος
(kaloumenos)
geroepen wordend
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
ὑπήκουσεν
(hypekousen)
gehoorzaamde
ἐξελθεῖν
(exelthein)
uit te gaan
εἰς
(eis)
naar
τόπον
(topon)
plaats
ὃν
(hon)
die
ἤμελλεν
(emellen)
hij zou
λαμβάνειν
(lambanein)
ontvangen
εἰς
(eis)
als
κληρονομίαν
(kleronomian)
erfenis
καὶ
(kai)
en
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
μὴ
(me)
niet
ἐπιστάμενος
(epistamenos)
wetend
ποῦ
(pou)
waarheen
ἔρχεται
(erchetai)
hij gaat
Bron: SBLGNT
Uitleg

Gen. 12:1–4.

De brief gebruikt de naam Abraham, die hij pas in Gen. 17:5 krijgt (daarvoor heet hij Abram). κληρονομία (kleronomia), ‘erfenis’.

Het Grieks heeft ‘gehoorzaamde door uit te gaan’ (ὑπήκουσεν ἐξελθεῖν, hypekousen exelthein).

Zie ook Gen. 12:1–5; Gen. 17:5; Hand. 7:2–4.

Lezing

De SBLGNT markeert bij Πίστει (Pistei), ‘Door geloof’, en bij τόπον (topon), ‘plaats’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

9Door geloof verbleef hij als vreemdeling in het land van de belofte, als in een land dat niet van hem was. Hij woonde in tenten, met Isaak en Jakob, de mede-erfgenamen van dezelfde belofte.
πίστει
(pistei)
door geloof
παρῴκησεν
(parokesen)
verbleef als vreemdeling
εἰς
(eis)
in
γῆν
(gen)
land
τῆς
(tes)
van de
ἐπαγγελίας
(epangelias)
belofte
ὡς
(hos)
als
ἀλλοτρίαν
(allotrian)
vreemd
ἐν
(en)
in
σκηναῖς
(skenais)
tenten
κατοικήσας
(katoikesas)
wonend
μετὰ
(meta)
met
Ἰσαὰκ
(Isaak)
Isaak
καὶ
(kai)
en
Ἰακὼβ
(Iakob)
Jakob
τῶν
(ton)
de
συγκληρονόμων
(synkleronomon)
mede-erfgenamen
τῆς
(tes)
van de
ἐπαγγελίας
(epangelias)
belofte
τῆς
(tes)
de
αὐτῆς
(autes)
dezelfde
Bron: SBLGNT
Uitleg

παροικέω (paroikeo), ‘als vreemdeling verblijven’: ‘vreemdeling en bijwoner’ is wat Abraham zich in Gen. 23:4 noemt. σκηναῖς (skenais), ‘tenten’: gewone tenten, anders dan de σκηνή van 8:2. συγκληρονόμοι (synkleronomoi), ‘mede-erfgenamen’.

Zie ook Gen. 12:8; Gen. 13:18; Gen. 23:4; Gen. 26:3; Gen. 35:12.

10Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan Elohim de ontwerper en bouwer is.
ἐξεδέχετο
(exedecheto)
verwachtte hij
γὰρ
(gar)
want
τὴν
(ten)
de
τοὺς
(tous)
die
θεμελίους
(themelious)
fundamenten
ἔχουσαν
(echousan)
heeft
πόλιν
(polin)
stad
ἧς
(hes)
waarvan
τεχνίτης
(technites)
ontwerper
καὶ
(kai)
en
δημιουργὸς
(demiourgos)
bouwer
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

θεμέλιοι (themelioi), ‘fundamenten’: tegenover de tenten van vers 9. τεχνίτης (technites), ‘ontwerper, vakman’, δημιουργός (demiourgos), ‘bouwer, maker’.

De stad is die van vers 16: het hemelse Jeruzalem (12:22) en de toekomstige stad (13:14).

Zie ook Hebr. 12:22; Hebr. 13:14.

11Door geloof ontving ook Sarah zelf kracht om zaad te ontvangen. Dat was zelfs voorbij de tijd van haar leeftijd, omdat zij Hem die beloofd had, trouw achtte.
πίστει
(pistei)
door geloof
καὶ
(kai)
ook
αὐτῇ
(aute)
zelf
Σάρρᾳ
(Sarra)
Sarah
δύναμιν
(dynamin)
kracht
εἰς
(eis)
tot
καταβολὴν
(katabolen)
ontvangen
σπέρματος
(spermatos)
van zaad
ἔλαβεν
(elaben)
ontving
καὶ
(kai)
en
παρὰ
(para)
voorbij
καιρὸν
(kairon)
de tijd
ἡλικίας
(helikias)
van leeftijd
ἐπεὶ
(epei)
omdat
πιστὸν
(piston)
trouw
ἡγήσατο
(hegesato)
zij achtte
τὸν
(ton)
Hem die
ἐπαγγειλάμενον
(epangeilamenon)
beloofd had
Bron: SBLGNT
Uitleg

καταβολὴ σπέρματος (katabole spermatos), ‘het ontvangen van zaad’: letterlijk ‘het leggen van zaad’, dat is: zwanger worden.

Het Grieks heeft ‘Sarah zelf’ in de derde naamval (αὐτῇ Σάρρᾳ, aute Sarra); daardoor kan de zin ook gelezen worden als: Abraham kreeg kracht ‘met Sarah zelf’.

Wij nemen Sarah als onderwerp. ἡλικία (helikia), ‘leeftijd’.

Zie Gen. 17:17; 18:11–14; 21:1–2.

Zie ook Gen. 17:17; Gen. 18:11–14; Gen. 21:1–2; Rom. 4:19.

Lezing

De SBLGNT markeert bij αὐτῇ Σάρρᾳ (aute Sarra), ‘Sarah zelf’, een variant en bij ἡλικίας (helikias), ‘leeftijd’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

12Daarom zijn er ook uit één man, en dan nog een verstorven man, mensen geboren. Zij zijn zo talrijk als de sterren van de hemel en als het ontelbare zand aan de oever van de zee.
διὸ
(dio)
daarom
καὶ
(kai)
ook
ἀφ’
(aph’)
uit
ἑνὸς
(henos)
één
ἐγεννήθησαν
(egennethesan)
werden geboren
καὶ
(kai)
en
ταῦτα
(tauta)
dat
νενεκρωμένου
(nenekromenou)
verstorven
καθὼς
(kathos)
zoals
τὰ
(ta)
de
ἄστρα
(astra)
sterren
τοῦ
(tou)
van de
οὐρανοῦ
(ouranou)
hemel
τῷ
(to)
in
πλήθει
(plethei)
menigte
καὶ
(kai)
en
ὡς
(hos)
als
ἡ
(he)
het
ἄμμος
(ammos)
zand
ἡ
(he)
dat
παρὰ
(para)
aan
τὸ
(to)
de
χεῖλος
(cheilos)
oever
τῆς
(tes)
van de
θαλάσσης
(thalasses)
zee
ἡ
(he)
dat
ἀναρίθμητος
(anarithmetos)
ontelbaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

νενεκρωμένος (venekromenos), ‘verstorven’: zoals Rom. 4:19.

Zo talrijk als de sterren en het zand: Gen. 15:5; 22:17; 32:13. χεῖλος (cheilos), ‘lip, oever’: ‘de lip van de zee’ is de oever.

Zie ook Gen. 15:5; Gen. 22:17; Gen. 32:13; Rom. 4:19.

13In het geloof zijn dezen allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen. Zij hebben ze van verre gezien en begroet, en zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners zijn op de aarde.
Κατὰ
(Kata)
volgens
πίστιν
(pistin)
geloof
ἀπέθανον
(apethanon)
stierven
οὗτοι
(houtoi)
dezen
πάντες
(pantes)
allen
μὴ
(me)
niet
λαβόντες
(labontes)
ontvangen hebbend
τὰς
(tas)
de
ἐπαγγελίας
(epangelias)
beloften
ἀλλὰ
(alla)
maar
πόρρωθεν
(porrothen)
van verre
αὐτὰς
(autas)
ze
ἰδόντες
(idontes)
gezien hebbend
καὶ
(kai)
en
ἀσπασάμενοι
(aspasamenoi)
begroet hebbend
καὶ
(kai)
en
ὁμολογήσαντες
(homologesantes)
beleden hebbend
ὅτι
(hoti)
dat
ξένοι
(xenoi)
vreemdelingen
καὶ
(kai)
en
παρεπίδημοί
(parepidemoi)
bijwoners
εἰσιν
(eisin)
zijn
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
Bron: SBLGNT
Uitleg

Κατὰ πίστιν (kata pistin), ‘in het geloof’: volgens het geloof; anders dan Πίστει (Pistei), ‘Door geloof’, in de andere verzen.

‘Dezen allen’ zijn Abel tot en met Sarah (verzen 4–12). ξένοι καὶ παρεπίδημοι (xenoi kai parepidemoi), ‘vreemdelingen en bijwoners’: in ons OT ‘vreemdeling en bijwoner’ (Gen. 23:4; Ps. 39:13; 1 Kron. 29:15). ἀσπάζομαι (aspazomai), ‘begroeten’.

Zie ook Gen. 23:4; Ps. 39:13; 1 Kron. 29:15; 1 Petr. 2:11.

Lezing

De SBLGNT markeert bij λαβόντες (labontes), ‘ontvangen hebbend’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

14Want wie zulke dingen zeggen, maken duidelijk dat zij een vaderland zoeken.
οἱ
(hoi)
zij die
γὰρ
(gar)
want
τοιαῦτα
(toiauta)
zulke dingen
λέγοντες
(legontes)
zeggend
ἐμφανίζουσιν
(emphanizousin)
maken duidelijk
ὅτι
(hoti)
dat
πατρίδα
(patrida)
vaderland
ἐπιζητοῦσιν
(epizetousin)
zoeken
Bron: SBLGNT
Uitleg

πατρίς (patris), ‘vaderland’. ἐμφανίζω (emfanizo), ‘duidelijk maken, aan het licht brengen’: zoals in 9:24.

15En als zij nog dachten aan het land waaruit zij vertrokken waren, zouden zij gelegenheid hebben gehad terug te keren.
καὶ
(kai)
en
εἰ
(ei)
als
μὲν
(men)
wel
ἐκείνης
(ekeines)
aan dat
μνημονεύουσιν
(mnemoneuousin)
denken zij
ἀφ’
(aph’)
uit
ἧς
(hes)
welke
ἐξέβησαν
(exebesan)
zij vertrokken
εἶχον
(eichon)
hadden zij
ἂν
(an)
zouden
καιρὸν
(kairon)
gelegenheid
ἀνακάμψαι
(anakampsai)
terug te keren
Bron: SBLGNT
Uitleg

μνημονεύω (mnemoneuo), ‘denken aan, gedenken’.

Het Grieks heeft de tegenwoordige tijd; de zin zegt: als zij nog dachten aan het land waaruit zij waren vertrokken, zouden zij gelegenheid hebben gehad terug te keren.

Dat zij dat niet deden, laat zien waar zij naar uit zagen (vers 16).

Zie ook Gen. 24:6–8.

Lezing

De SBLGNT markeert bij μνημονεύουσιν (mnemoneuousin), ‘denken aan’, en bij ἐξέβησαν (exebesan), ‘zij vertrokken’, varianten.

Wij volgen de SBLGNT.

16Nu streven zij echter naar een beter land, dat wil zeggen een hemels. Daarom schaamt Elohim Zich er niet voor hun Elohim genoemd te worden, want Hij heeft een stad voor hen gereedgemaakt.
νῦν
(nyn)
nu
δὲ
(de)
maar
κρείττονος
(kreittonos)
naar een beter
ὀρέγονται
(oregontai)
streven zij
τοῦτ’
(tout’)
dit
ἔστιν
(estin)
is
ἐπουρανίου
(epouraniou)
naar een hemels
διὸ
(dio)
daarom
οὐκ
(ouk)
niet
ἐπαισχύνεται
(epaischynetai)
schaamt zich
αὐτοὺς
(autous)
zich voor hen
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
θεὸς
(theos)
Elohim
ἐπικαλεῖσθαι
(epikaleisthai)
genoemd te worden
αὐτῶν
(auton)
hun
ἡτοίμασεν
(hetoimasen)
heeft gereedgemaakt
γὰρ
(gar)
want
αὐτοῖς
(autois)
voor hen
πόλιν
(polin)
stad
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὀρέγομαι (oregomai), ‘streven naar’. κρείττων (kreitton), ‘beter’: het Grieks zegt niet wat er beter is; wij vullen ‘land’ aan, naar vers 14 (‘vaderland’). ἐπαισχύνομαι (epaischynomai), ‘zich schamen’.

‘Hun Elohim genoemd worden’: Exod. 3:6 en 3:15 (‘de Elohim van Abraham, de Elohim van Isaak en de Elohim van Jakob’). ἑτοιμάζω (hetoimazo), ‘gereedmaken’.

‘De stad’: zie bij vers 10.

Zie ook Exod. 3:6; Exod. 3:15; Hebr. 12:22; Hebr. 13:14.

De offering van Isaak

17Door geloof heeft Abraham, op de proef gesteld, Isaak aangeboden. Hij die de beloften had ontvangen, bood zijn enige zoon aan,
Πίστει
(Pistei)
door geloof
προσενήνοχεν
(prosenenochen)
heeft aangeboden
Ἀβραὰμ
(Abraam)
Abraham
τὸν
(ton)
de
Ἰσαὰκ
(Isaak)
Isaak
πειραζόμενος
(peirazomenos)
op de proef gesteld
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
μονογενῆ
(monogene)
enige
προσέφερεν
(prosepheren)
bood aan
ὁ
(ho)
hij die
τὰς
(tas)
de
ἐπαγγελίας
(epangelias)
beloften
ἀναδεξάμενος
(anadexamenos)
ontvangen had
Bron: SBLGNT
Uitleg

Gen. 22:1–19. πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: zoals in Gen. 22:1.

Het Grieks heeft twee tijden: προσενήνοχεν (prosenenochen), ‘heeft aangeboden’ (voltooide tijd), en προσέφερεν (prosferen), ‘bood aan’ (onvoltooide tijd, ‘was bezig aan te bieden’): Abraham heeft Isaak niet werkelijk geofferd (Gen. 22:12). μονογενής (monogenes), ‘enige’: Gen. 22:2 heeft ‘je enige’. ἀναδέχομαι (anadechomai), ‘ontvangen, op zich nemen’.

Zie ook Gen. 22:1–19; Jak. 2:21.

18tot wie gezegd was: „In Isaak zal jouw zaad genoemd worden.”
πρὸς
(pros)
tot
ὃν
(hon)
wie
ἐλαλήθη
(elalethe)
was gezegd
ὅτι
(hoti)
dat
Ἐν
(En)
in
Ἰσαὰκ
(Isaak)
Isaak
κληθήσεταί
(klethesetai)
zal worden genoemd
σοι
(soi)
voor jou
σπέρμα
(sperma)
zaad
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Gen. 21:12.

Ons Hebreeuws heeft: ‘door Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden’.

De Griekse tekst heeft ‘In Isaak zal jouw zaad genoemd worden’, zoals ook Rom. 9:7.

De woorden worden hier door de brief aangehaald, zonder eerste persoon: zwart.

Zie ook Gen. 21:12; Rom. 9:7.

19Hij rekende erop dat Elohim zelfs uit de doden kan opwekken. Vandaar kreeg hij hem ook terug, in beeldspraak.
λογισάμενος
(logisamenos)
redenerend
ὅτι
(hoti)
dat
καὶ
(kai)
ook
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
ἐγείρειν
(egeirein)
op te wekken
δυνατὸς
(dynatos)
machtig
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
ὅθεν
(hothen)
vandaar
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
ook
ἐν
(en)
in
παραβολῇ
(parabole)
beeldspraak
ἐκομίσατο
(ekomisato)
ontving hij terug
Bron: SBLGNT
Uitleg

λογίζομαι (logizomai), ‘redeneren, rekenen op’. ἐν παραβολῇ (en parabole), ‘in beeldspraak’: ook ‘als voorafbeelding’; zoals in 9:9. ἐκομίσατο (ekomisato), ‘ontving terug’.

De brief ziet in het behoud van Isaak een beeld van opstanding.

Zie ook Gen. 22:5; Gen. 22:12–13; Rom. 4:17.

Isaak, Jakob en Jozef

20Door geloof zegende Isaak ook Jakob en Ezau, met het oog op wat komen zou.
Πίστει
(Pistei)
door geloof
καὶ
(kai)
ook
περὶ
(peri)
over
μελλόντων
(mellonton)
komende dingen
εὐλόγησεν
(eulogesen)
zegende
Ἰσαὰκ
(Isaak)
Isaak
τὸν
(ton)
de
Ἰακὼβ
(Iakob)
Jakob
καὶ
(kai)
en
τὸν
(ton)
de
Ἠσαῦ
(Esau)
Ezau
Bron: SBLGNT
Uitleg

Gen. 27:27–40.

Het Grieks heeft ‘over komende dingen’ (περὶ μελλόντων, peri mellonton): met het oog op de toekomst van beiden.

Zie ook Gen. 27:27–29; Gen. 27:39–40.

Lezing

De SBLGNT markeert bij καί (kai), ‘ook’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

21Door geloof zegende Jakob, stervend, elk van de zonen van Jozef, en hij boog zich neer op de top van zijn staf.
πίστει
(pistei)
door geloof
Ἰακὼβ
(Iakob)
Jakob
ἀποθνῄσκων
(apothneskon)
stervend
ἕκαστον
(hekaston)
elk
τῶν
(ton)
van de
υἱῶν
(huion)
zonen
Ἰωσὴφ
(Ioseph)
Jozef
εὐλόγησεν
(eulogesen)
zegende
καὶ
(kai)
en
προσεκύνησεν
(prosekynesen)
boog zich neer
ἐπὶ
(epi)
op
τὸ
(to)
de
ἄκρον
(akron)
top
τῆς
(tes)
van de
ῥάβδου
(rhabdou)
staf
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Gen. 48:8–20 en 47:31.

Ons Hebreeuws heeft in Gen. 47:31 ‘Israël boog zich neer aan het hoofdeinde van het bed’; de Griekse tekst heeft ‘op de top van zijn staf’.

Het Hebreeuwse woord voor ‘bed’ (מִטָּה, mittah) en dat voor ‘staf’ (מַטֶּה, matteh) hebben dezelfde medeklinkers. προσκυνέω (proskuneo), ‘zich neerbuigen’.

Jakob heet hier met zijn eigen naam; in het Hebreeuws heet hij daar Israël.

Zie ook Gen. 47:29–31; Gen. 48:15–20.

22Door geloof sprak Jozef, stervend, over de uittocht van de zonen van Israël en gaf hij bevel over zijn beenderen.
πίστει
(pistei)
door geloof
Ἰωσὴφ
(Ioseph)
Jozef
τελευτῶν
(teleuton)
stervend
περὶ
(peri)
over
τῆς
(tes)
de
ἐξόδου
(exodou)
uittocht
τῶν
(ton)
van de
υἱῶν
(huion)
zonen
Ἰσραὴλ
(Israel)
Israël
ἐμνημόνευσεν
(emnemoneusen)
sprak
καὶ
(kai)
en
περὶ
(peri)
over
τῶν
(ton)
de
ὀστέων
(osteon)
beenderen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐνετείλατο
(eneteilato)
gaf bevel
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔξοδος (exodos), ‘uittocht’.

Jozef gaf bevel over zijn beenderen: Gen. 50:24–25; ze werden meegenomen, Exod. 13:19, en begraven in Joz. 24:32.

Zie ook Gen. 50:24–26; Exod. 13:19; Joz. 24:32.

Mozes

23Door geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden verborgen door zijn ouders, omdat zij zagen dat het kind mooi was. Zij waren niet bang voor het bevel van de koning.
Πίστει
(Pistei)
door geloof
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
γεννηθεὶς
(gennetheis)
geboren zijnd
ἐκρύβη
(ekrybe)
werd verborgen
τρίμηνον
(trimenon)
drie maanden
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
πατέρων
(pateron)
ouders
αὐτοῦ
(autou)
zijn
διότι
(dioti)
omdat
εἶδον
(eidon)
zij zagen
ἀστεῖον
(asteion)
mooi
τὸ
(to)
het
παιδίον
(paidion)
kind
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἐφοβήθησαν
(ephobethesan)
zij vreesden
τὸ
(to)
het
διάταγμα
(diatagma)
bevel
τοῦ
(tou)
van de
βασιλέως
(basileos)
koning
Bron: SBLGNT
Uitleg

Exod. 2:1–3; 1:22. πατέρες (pateres), ‘vaders’: hier de ouders, vader en moeder; Exod. 2:2 noemt de moeder, die haar zoon verborg. ἀστεῖος (asteios), ‘mooi’: ons Hebreeuws heeft in Exod. 2:2 ‘goed’; zo ook Hand. 7:20. διάταγμα (diatagma), ‘bevel’: het bevel van de farao in Exod. 1:22.

Zie ook Exod. 1:22; Exod. 2:2; Hand. 7:20.

24Door geloof weigerde Mozes, toen hij groot geworden was, zoon van de dochter van Farao genoemd te worden.
πίστει
(pistei)
door geloof
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
μέγας
(megas)
groot
γενόμενος
(genomenos)
geworden
ἠρνήσατο
(ernesato)
weigerde
λέγεσθαι
(legesthai)
genoemd te worden
υἱὸς
(huios)
zoon
θυγατρὸς
(thygatros)
van de dochter
Φαραώ
(Pharao)
van Farao
Bron: SBLGNT
Uitleg

Exod. 2:10–12.

De brief zegt ‘groot geworden’ (μέγας γενόμενος, megas genomenos), zoals Exod. 2:11.

Het Grieks heeft ‘Farao’ als eigennaam.

Zie ook Exod. 2:10–12.

25Hij koos er liever voor met het volk van Elohim mee te lijden dan voor korte tijd het genot van de zonde te hebben.
μᾶλλον
(mallon)
liever
ἑλόμενος
(helomenos)
gekozen hebbend
συγκακουχεῖσθαι
(synkakoucheisthai)
mee te lijden
τῷ
(to)
met het
λαῷ
(lao)
volk
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἢ
(e)
dan
πρόσκαιρον
(proskairon)
voor korte tijd
ἔχειν
(echein)
te hebben
ἁμαρτίας
(hamartias)
van zonde
ἀπόλαυσιν
(apolausin)
genot
Bron: SBLGNT
Uitleg

συγκακουχέομαι (synkakoucheomai), ‘mee mishandeld worden, mee lijden’. πρόσκαιρος (proskairos), ‘voor korte tijd’. ἀπόλαυσις (apolausis), ‘genot’.

Zie ook Exod. 2:11.

Zie ookEx 2:11
26Hij achtte de smaad van de Messias een grotere rijkdom dan de schatten van Egypte, want hij zag uit naar de beloning.
μείζονα
(meizona)
grotere
πλοῦτον
(plouton)
rijkdom
ἡγησάμενος
(hegesamenos)
achtend
τῶν
(ton)
dan de
Αἰγύπτου
(Aigyptou)
van Egypte
θησαυρῶν
(thesauron)
schatten
τὸν
(ton)
de
ὀνειδισμὸν
(oneidismon)
smaad
τοῦ
(tou)
van de
Χριστοῦ
(Christou)
Messias
ἀπέβλεπεν
(apeblepen)
hij zag uit
γὰρ
(gar)
want
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
μισθαποδοσίαν
(misthapodosian)
beloning
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

ὀνειδισμός (oneidismos), ‘smaad’. Χριστός (Christos), ‘Messias, Gezalfde’: de brief zegt niet hoe Mozes de ‘smaad van de Messias’ droeg; Ps. 89:51–52 spreekt van de smaad van Yahweh’s gezalfde. μισθαποδοσία (misthapodosia), ‘beloning’: zoals in 10:35.

Zie ook Ps. 89:51–52; Hebr. 10:35; Hebr. 13:13.

27Door geloof verliet hij Egypte, zonder de woede van de koning te vrezen. Want hij hield vol, alsof hij de Onzienlijke zag.
πίστει
(pistei)
door geloof
κατέλιπεν
(katelipen)
verliet hij
Αἴγυπτον
(Aigypton)
Egypte
μὴ
(me)
niet
φοβηθεὶς
(phobetheis)
vrezend
τὸν
(ton)
de
θυμὸν
(thymon)
woede
τοῦ
(tou)
van de
βασιλέως
(basileos)
koning
τὸν
(ton)
de
γὰρ
(gar)
want
ἀόρατον
(aoraton)
Onzienlijke
ὡς
(hos)
alsof
ὁρῶν
(horon)
ziend
ἐκαρτέρησεν
(ekarteresen)
hield hij vol
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Het Grieks laat open welk vertrek uit Egypte bedoeld is: Exod. 2:14–15 vertelt dat Mozes bang werd en vluchtte; Exod. 12:37 vertelt de uittocht van het volk.

De brief zegt dat hij de woede van de koning niet vreesde. τὸν ἀόρατον (ton aoraton), ‘de Onzienlijke’: Elohim, zoals Kol. 1:15 Hem noemt. καρτερέω (kartereo), ‘volhouden, standvastig zijn’.

Zie ook Exod. 2:14–15; Exod. 12:37; Kol. 1:15.

28Door geloof heeft hij het Pesach gehouden en het bloed gesprenkeld, opdat de verderver de eerstgeborenen van hen niet zou aanraken.
πίστει
(pistei)
door geloof
πεποίηκεν
(pepoieken)
heeft gehouden
τὸ
(to)
het
πάσχα
(pascha)
Pesach
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
πρόσχυσιν
(proschysin)
sprenkeling
τοῦ
(tou)
van het
αἵματος
(haimatos)
bloed
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
ὁ
(ho)
de
ὀλοθρεύων
(olothreuon)
verderver
τὰ
(ta)
de
πρωτότοκα
(prototoka)
eerstgeborenen
θίγῃ
(thige)
aanraakt
αὐτῶν
(auton)
van hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Exod. 12:1–13 en 12:21–23. πάσχα (pascha), ‘Pesach’. πρόσχυσις (proschysis), ‘sprenkeling’: het uitgieten van het bloed op de deurposten. ὁ ὀλοθρεύων (ho olothreuon), ‘de verderver’: zo ook Exod. 12:23. πρωτότοκα (prototoka), ‘eerstgeborenen’.

Zie ook Exod. 12:21–23.

De zee, Jericho en Rachab

29Door geloof trokken zij door de Rietzee als over droog land. Toen de Egyptenaren dat probeerden, werden zij verzwolgen.
Πίστει
(Pistei)
door geloof
διέβησαν
(diebesan)
trokken door
τὴν
(ten)
de
Ἐρυθρὰν
(Erythran)
Rode
Θάλασσαν
(Thalassan)
zee
ὡς
(hos)
als
διὰ
(dia)
over
ξηρᾶς
(xeras)
droog
γῆς
(ges)
land
ἧς
(hes)
waarvan
πεῖραν
(peiran)
poging
λαβόντες
(labontes)
ondernomen hebbend
οἱ
(hoi)
de
Αἰγύπτιοι
(Aigyptioi)
Egyptenaren
κατεπόθησαν
(katepothesan)
werden verzwolgen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Rietzee: De Rietzee (Hebreeuws: Yam Suf) wordt gezocht in het gebied van de Bittermeren en de Golf van Suez.

De precieze plaats van de doortocht is niet zeker.

Uitleg

Exod. 14:21–31. Ἐρυθρὰ Θάλασσα (Erythra Thalassa) betekent ‘Rode Zee’; in ons OT heet de zee in de vertelling van de uittocht de Rietzee, naar het Hebreeuws; wij houden ‘Rietzee’, zoals in Hand. 7:36. πεῖραν λαμβάνω (peiran lambano), ‘een poging doen, het proberen’. καταπίνω (katapino), ‘verzwelgen’.

Zie ook Exod. 14:21–31; Exod. 15:4; Hand. 7:36.

Lezing

De SBLGNT markeert bij γῆς (ges), ‘land’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

30Door geloof vielen de muren van Jericho, nadat men zeven dagen rondom ze had gelopen.
πίστει
(pistei)
door geloof
τὰ
(ta)
de
τείχη
(teiche)
muren
Ἰεριχὼ
(Iericho)
Jericho
ἔπεσαν
(epesan)
vielen
κυκλωθέντα
(kyklothenta)
omringd zijnd
ἐπὶ
(epi)
gedurende
ἑπτὰ
(hepta)
zeven
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

Joz. 6:1–20. κυκλόω (kykloo), ‘omringen, rondtrekken’.

Zeven dagen: Joz. 6:3–4, 14–15, 20.

Zie ook Joz. 6:1–21.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἔπεσαν (epesan), ‘vielen’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

31Door geloof kwam Rachab, de hoer, niet om met de ongehoorzamen, omdat zij de verkenners in vrede ontving.
πίστει
(pistei)
door geloof
Ῥαὰβ
(Rhaab)
Rachab
ἡ
(he)
de
πόρνη
(porne)
hoer
οὐ
(ou)
niet
συναπώλετο
(synapoleto)
kwam mee om
τοῖς
(tois)
met de
ἀπειθήσασιν
(apeithesasin)
ongehoorzamen
δεξαμένη
(dexamene)
ontvangen hebbend
τοὺς
(tous)
de
κατασκόπους
(kataskopous)
verkenners
μετ’
(met’)
met
εἰρήνης
(eirenes)
vrede
Bron: SBLGNT
Uitleg

Joz. 2 en 6:22–25.

Rachab: de spelling van Joz. 2. πόρνη (porne), ‘hoer’: Joz. 2:1. ἀπειθέω (apeitheo), ‘ongehoorzaam zijn’: de inwoners van Jericho, die de aankondiging van de ondergang niet geloofden. κατάσκοπος (kataskopos), ‘verkenner, spion’.

Zie ook Joz. 2:1–21; Joz. 6:22–25; Jak. 2:25.

Zij die door geloof overwonnen en zij die leden

32En wat zal ik nog zeggen? De tijd zou mij tekortschieten als ik vertelde over Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuël en de profeten.
Καὶ
(Kai)
en
τί
(ti)
wat
ἔτι
(eti)
nog
λέγω
(lego)
zeg ik
ἐπιλείψει
(epileipsei)
zal tekortschieten
με
(me)
mij
γὰρ
(gar)
want
διηγούμενον
(diegoumenon)
vertellend
ὁ
(ho)
de
χρόνος
(chronos)
tijd
περὶ
(peri)
over
Γεδεών
(Gedeon)
Gideon
Βαράκ
(Barak)
Barak
Σαμψών
(Sampson)
Simson
Ἰεφθάε
(Iephthae)
Jefta
Δαυίδ
(Dauid)
David
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
en
Σαμουὴλ
(Samouel)
Samuël
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
de
προφητῶν
(propheton)
profeten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft ‘Gideon, Barak, Simson, Jefta’: niet in de volgorde van het boek Richteren, waar Barak (Richt. 4–5) vóór Gideon (Richt. 6–8) komt.

‘David en Samuël en de profeten’ staan er naast. διηγέομαι (diegeomai), ‘vertellen’.

De tijd zou de schrijver tekortschieten: hij geeft slechts een opsomming.

Zie ook Richt. 4:6; Richt. 6:11; Richt. 11:1; Richt. 13:24; 1 Sam. 16:13; 1 Sam. 3:20.

Lezing

De SBLGNT markeert bij με γάρ (me gar), ‘mij want’, een variant en bij Σαμψών (Sampson), ‘Simson’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

33Zij hebben door geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid gewrocht, beloften verkregen en de muilen van leeuwen gesloten.
οἳ
(hoi)
die
διὰ
(dia)
door
πίστεως
(pisteos)
geloof
κατηγωνίσαντο
(kategonisanto)
overwonnen
βασιλείας
(basileias)
koninkrijken
εἰργάσαντο
(eirgasanto)
werkten
δικαιοσύνην
(dikaiosynen)
gerechtigheid
ἐπέτυχον
(epetychon)
verkregen
ἐπαγγελιῶν
(epangelion)
beloften
ἔφραξαν
(ephraxan)
sloten
στόματα
(stomata)
muilen
λεόντων
(leonton)
van leeuwen
Bron: SBLGNT
Uitleg

κατηγωνίσαντο (katagonisanto), ‘overwonnen’: ook ‘bestreden’. εἰργάσαντο δικαιοσύνην (eirgasanto dikaiosynen), ‘gerechtigheid gewrocht’: recht gedaan.

De brief noemt hier geen namen; bij de ‘muilen van leeuwen’ past bijvoorbeeld Dan. 6:23, bij de koninkrijken en de gerechtigheid 2 Sam. 8:1–15.

Zie ook Dan. 6:23; Richt. 14:5–6; 1 Sam. 17:34–36; 2 Sam. 8:15.

34Zij doofden de kracht van vuur, ontkwamen aan de scherpte van het zwaard, kregen kracht uit zwakheid en werden sterk in de oorlog. Zij deden legers van vreemden wijken.
ἔσβεσαν
(esbesan)
doofden
δύναμιν
(dynamin)
kracht
πυρός
(pyros)
van vuur
ἔφυγον
(ephygon)
ontvluchtten
στόματα
(stomata)
scherpte
μαχαίρης
(machaires)
van het zwaard
ἐδυναμώθησαν
(edynamothesan)
werden krachtig gemaakt
ἀπὸ
(apo)
uit
ἀσθενείας
(astheneias)
zwakheid
ἐγενήθησαν
(egenethesan)
werden
ἰσχυροὶ
(ischyroi)
sterk
ἐν
(en)
in
πολέμῳ
(polemo)
oorlog
παρεμβολὰς
(parembolas)
legers
ἔκλιναν
(eklinan)
deden wijken
ἀλλοτρίων
(allotrion)
van vreemden
Bron: SBLGNT
Uitleg

De brief noemt geen namen.

‘De kracht van vuur’: vergelijk Dan. 3:19–27. στόματα μαχαίρης (stomata machaires), ‘scherpte van het zwaard’: letterlijk ‘mond van het zwaard’, een uitdrukking voor de snede.

‘Kracht uit zwakheid’: vergelijk Richt. 16:28–30. παρεμβολή (parembole), ‘leger, legerkamp’; ἀλλότριοι (allotrioi), ‘vreemden’.

Zie ook Dan. 3:19–27; Richt. 16:28–30; Richt. 7:21; 1 Sam. 14:20.

Lezing

De SBLGNT markeert bij μαχαίρης (machaires), ‘zwaard’, en bij ἐδυναμώθησαν (edynamothesan), ‘werden krachtig gemaakt’, varianten.

Wij volgen de SBLGNT.

35Vrouwen kregen hun doden terug door opstanding. Anderen werden gemarteld. Zij namen de loskoping niet aan, om een betere opstanding te verkrijgen.
ἔλαβον
(elabon)
kregen terug
γυναῖκες
(gynaikes)
vrouwen
ἐξ
(ex)
door
ἀναστάσεως
(anastaseos)
opstanding
τοὺς
(tous)
de
νεκροὺς
(nekrous)
doden
αὐτῶν
(auton)
hun
ἄλλοι
(alloi)
anderen
δὲ
(de)
maar
ἐτυμπανίσθησαν
(etympanisthesan)
werden gemarteld
οὐ
(ou)
niet
προσδεξάμενοι
(prosdexamenoi)
aannemend
τὴν
(ten)
de
ἀπολύτρωσιν
(apolytrosin)
loskoping
ἵνα
(hina)
opdat
κρείττονος
(kreittonos)
betere
ἀναστάσεως
(anastaseos)
opstanding
τύχωσιν
(tychosin)
zij verkrijgen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vrouwen kregen hun doden terug: vergelijk 1 Kon. 17:17–24 en 2 Kon. 4:32–37. ἐτυμπανίσθησαν (etympanisthesan), ‘werden gemarteld’: van τύμπανον (tympanon), ‘trom, slagwerktuig’; het werkwoord betekent ‘slaan, folteren’. ἀπολύτρωσις (apolytrosis), ‘loskoping’: hier de vrijlating die hun geboden werd, als zij hun geloof zouden opgeven. κρείττων ἀνάστασις (kreitton anastasis), ‘betere opstanding’: tegenover de terugkeer in dit leven.

Zie ook 1 Kon. 17:17–24; 2 Kon. 4:32–37; Hebr. 9:15.

36Weer anderen ondergingen bespotting en geseling, en bovendien boeien en gevangenis.
ἕτεροι
(heteroi)
weer anderen
δὲ
(de)
maar
ἐμπαιγμῶν
(empaigmon)
van bespottingen
καὶ
(kai)
en
μαστίγων
(mastigon)
van geseling
πεῖραν
(peiran)
ervaring
ἔλαβον
(elabon)
kregen
ἔτι
(eti)
bovendien
δὲ
(de)
maar
δεσμῶν
(desmon)
van boeien
καὶ
(kai)
en
φυλακῆς
(phylakes)
van gevangenis
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐμπαιγμός (empaigmos), ‘bespotting’; μάστιξ (mastix), ‘geseling’; δεσμά (desma), ‘boeien’; φυλακή (fylake), ‘gevangenis’.

De brief noemt geen namen; vergelijk 1 Kon. 22:26–27, Jer. 20:2 en Jer. 37:15.

Zie ook 1 Kon. 22:26–27; Jer. 20:2; Jer. 37:15.

37Zij werden gestenigd, in tweeën gezaagd, door het zwaard gedood. Zij zwierven rond in schapenvachten en geitenvellen, in gebrek, verdrukt, mishandeld.
ἐλιθάσθησαν
(elithasthesan)
werden gestenigd
ἐπρίσθησαν
(epristhesan)
werden doormidden gezaagd
ἐν
(en)
door
φόνῳ
(phono)
moord
μαχαίρης
(machaires)
van het zwaard
ἀπέθανον
(apethanon)
stierven
περιῆλθον
(perielthon)
zwierven rond
ἐν
(en)
in
μηλωταῖς
(melotais)
schapenvachten
ἐν
(en)
in
αἰγείοις
(aigeiois)
van geiten
δέρμασιν
(dermasin)
vellen
ὑστερούμενοι
(hysteroumenoi)
gebrek lijdend
θλιβόμενοι
(thlibomenoi)
verdrukt
κακουχούμενοι
(kakouchoumenoi)
mishandeld
Bron: SBLGNT
Uitleg

Gestenigd: vergelijk 2 Kron. 24:20–22.

‘In tweeën gezaagd’: ἐπρίσθησαν (epristhesan), van πρίζω, ‘zagen’; de brief noemt geen naam of bron.

‘Door het zwaard gedood’: vergelijk 1 Kon. 19:10 en Jer. 26:23. μηλωτή (melote), ‘schapenvacht’; αἴγειον δέρμα (aigeion derma), ‘geitenvel’: vergelijk 2 Kon. 1:8 en Zach. 13:4. ὑστερέομαι (hysteromai), ‘gebrek lijden’; κακουχέομαι (kakoucheomai), ‘mishandeld worden’.

Zie ook 2 Kron. 24:20–22; Jer. 26:23; 1 Kon. 19:10; 2 Kon. 1:8; Zach. 13:4.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἐπρίσθησαν (epristhesan), ‘werden gezaagd’, en bij μαχαίρης (machaires), ‘zwaard’, varianten.

Wij volgen de SBLGNT.

38De wereld was hen niet waardig. Zij dwaalden rond in woestenijen en bergen en spelonken en de holen van de aarde.
ὧν
(hon)
van wie
οὐκ
(ouk)
niet
ἦν
(en)
was
ἄξιος
(axios)
waardig
ὁ
(ho)
de
κόσμος
(kosmos)
wereld
ἐπὶ
(epi)
in
ἐρημίαις
(eremiais)
woestenijen
πλανώμενοι
(planomenoi)
dwalend
καὶ
(kai)
en
ὄρεσι
(oresi)
bergen
καὶ
(kai)
en
σπηλαίοις
(spelaiois)
spelonken
καὶ
(kai)
en
ταῖς
(tais)
de
ὀπαῖς
(opais)
holen
τῆς
(tes)
van de
γῆς
(ges)
aarde
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐρημία (eremia), ‘woestenij, verlaten streek’; σπήλαιον (spelaion), ‘spelonk’; ὀπή (ope), ‘gat, hol’.

Vergelijk 1 Kon. 18:4 en 19:9.

‘De wereld was hen niet waardig’: de wereld die hen verstootte, was hun niet waard.

Zie ook 1 Kon. 18:4; 1 Kon. 19:9.

Lezing

De SBLGNT markeert bij ἐπί (epi), ‘in’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

39En al dezen, die door het geloof getuigenis ontvangen hebben, hebben de belofte niet verkregen,
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
allen
μαρτυρηθέντες
(martyrethentes)
getuigenis gekregen hebbend
διὰ
(dia)
door
τῆς
(tes)
het
πίστεως
(pisteos)
geloof
οὐκ
(ouk)
niet
ἐκομίσαντο
(ekomisanto)
ontvingen
τὴν
(ten)
de
ἐπαγγελίαν
(epangelian)
belofte
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Getuigenis ontvangen’: zoals in vers 2.

‘De belofte niet verkregen’: zoals in vers 13; de belofte is de volle vervulling, zie 6:12–15 en 10:36.

Zie ook Hebr. 6:12; Hebr. 10:36; Hebr. 11:13.

Lezing

De SBLGNT markeert bij καί (kai), ‘en’, een variant.

Wij volgen de SBLGNT.

40omdat Elohim iets beters voor ons tevoren had uitgezien, opdat zij niet zonder ons volmaakt zouden worden.
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
περὶ
(peri)
over
ἡμῶν
(hemon)
ons
κρεῖττόν
(kreitton)
beter
τι
(ti)
iets
προβλεψαμένου
(problepsamenou)
tevoren had uitgezien
ἵνα
(hina)
opdat
μὴ
(me)
niet
χωρὶς
(choris)
zonder
ἡμῶν
(hemon)
ons
τελειωθῶσιν
(teleiothosin)
zij worden volmaakt
Bron: SBLGNT
Uitleg

προβλέπω (problepo), ‘tevoren uitzien, tevoren voorzien’. τελειόω (teleioo), ‘volmaken’: zoals in 9:9, 10:1 en 10:14.

‘Zij’ zijn de gelovigen van vers 39.

Het ‘betere’ wordt niet verder genoemd; vergelijk 12:23 (‘de geesten van de rechtvaardigen die volmaakt zijn gemaakt’).

Zie ook Hebr. 10:14; Hebr. 12:23.