Elohim Bijbel

Psalmen 35

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Een bede om recht tegen valse vijanden

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh, voer mijn strijd

1Van David. Twist, Yahweh, met wie met mij twisten. Vecht tegen wie tegen mij vechten.
לְדָוִ֨ד
(ledavid)
van David
רִיבָ֣ה
(riva)
twist
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יְרִיבַ֑י
(yerivay)
mijn tegenstanders
לְ֝חַ֗ם
(lecham)
vecht
אֶת
(et)
(obj.)
לֹֽחֲמָֽי
(lochamay)
mijn bestrijders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִיבָה (rivah), ‘twist’: het woord uit het recht.

De dichter ziet zijn nood tegelijk als een rechtszaak en als een gevecht.

Vergelijk ‘mijn rechtszaak’ in vers 23.

2Grijp het kleine en het grote schild en sta op om mij te helpen.
הַחֲזֵ֣ק
(hachazeq)
grijp
מָגֵ֣ן
(magen)
klein schild
וְצִנָּ֑ה
(vetsina)
en groot schild
וְ֝ק֗וּמָה
(vequma)
en sta op
בְּעֶזְרָתִֽי
(beezrati)
tot mijn hulp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Trek de speer en sluit de weg af voor mijn vervolgers. Zeg tegen mijn ziel: „Ik ben je redding.”
וְהָ֘רֵ֤ק
(vehareq)
trek
חֲנִ֣ית
(chanit)
speer
וּ֭סְגֹר
(usegor)
en sluit af
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
רֹדְפָ֑י
(rodefay)
mijn vervolgers
אֱמֹ֥ר
(emor)
zeg
לְ֝נַפְשִׁ֗י
(lenafshi)
tot mijn ziel
יְֽשֻׁעָתֵ֥ךְ
(yeshuatekh)
je redding
אָֽנִי
(ani)
ik
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: de levende mens met zijn adem en verlangen.

Waar de zin het vraagt, vertalen wij ‘leven’ (vers 4 en 7).

Zeg tegen mijn ziel: de dichter vraagt Yahweh dit te zeggen. Het is een gevraagde uitspraak en geen uitspraak van Yahweh zelf; daarom staat ze niet in het rood.

Lezing

וּסְגֹר (usegor) is in de Masoretische tekst een gebiedende wijs, ‘sluit af’: sluit de weg voor de vervolgers.

Sommige uitleggers lezen het als een wapen, ‘strijdbijl’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

4Mogen zij beschaamd en vernederd worden, die mijn leven zoeken. Mogen zij achteruit wijken en schaamrood worden, die kwaad tegen mij beramen.
יֵבֹ֣שׁוּ
(yevoshu)
mogen beschaamd worden
וְיִכָּלְמוּ֮
(veyikalemu)
en vernederd worden
מְבַקְשֵׁ֪י
(mevaqshei)
zoekers van
נַ֫פְשִׁ֥י
(nafshi)
mijn leven
יִסֹּ֣גוּ
(yisogu)
mogen wijken
אָח֣וֹר
(achor)
achteruit
וְיַחְפְּר֑וּ
(veyachperu)
en schaamrood worden
חֹ֝שְׁבֵ֗י
(choshevei)
bedenkers van
רָעָתִֽי
(raati)
mijn kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Mogen zij zijn als kaf voor de wind, terwijl de engel van Yahweh hen wegdrijft.
יִֽהְי֗וּ
(yihyu)
mogen zij zijn
כְּמֹ֥ץ
(kemots)
als kaf
לִפְנֵי
(lifnei)
voor
ר֑וּחַ
(ruach)
wind
וּמַלְאַ֖ךְ
(umalakh)
en engel van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
דּוֹחֶֽה
(doche)
wegdrijvend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלְאַךְ יְהוָה (malach Yahweh), ‘engel van Yahweh’: hier een bode die Yahwehs strijd uitvoert.

Zie ook Ps. 34:8.

6Moge hun weg duisternis en gladheid zijn, terwijl de engel van Yahweh hen achtervolgt.
יְֽהִי
(yehi)
moge zijn
דַרְכָּ֗ם
(darkam)
hun weg
חֹ֥שֶׁךְ
(choshekh)
duisternis
וַחֲלַקְלַקּ֑וֹת
(vachalaqlaqot)
en gladheid
וּמַלְאַ֥ךְ
(umalakh)
en engel van
יְ֝הוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
רֹדְפָֽם
(rodefam)
hun vervolger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Want zonder reden hebben zij hun net voor mij verborgen in een kuil. Zonder reden hebben zij een kuil gegraven voor mijn leven.
כִּֽי
(ki)
want
חִנָּ֣ם
(chinam)
zonder reden
טָֽמְנוּ
(tamenu)
zij verborgen
לִ֭י
(li)
voor mij
שַׁ֣חַת
(shachat)
kuil
רִשְׁתָּ֑ם
(rishtam)
hun net
חִ֝נָּ֗ם
(chinam)
zonder reden
חָפְר֥וּ
(chaferu)
zij groeven
לְנַפְשִֽׁי
(lenafshi)
voor mijn leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Moge verwoesting hem overvallen zonder dat hij het weet. Moge zijn net, dat hij verborg, hem vangen. Moge hij erin vallen, in de verwoesting.
תְּבוֹאֵ֣הוּ
(tevoehu)
moge komen over hem
שׁוֹאָה֮
(shoa)
verwoesting
לֹֽא
(lo)
niet
יֵ֫דָ֥ע
(yeda)
hij weet
וְרִשְׁתּ֣וֹ
(verishto)
en zijn net
אֲשֶׁר
(asher)
dat
טָמַ֣ן
(taman)
hij verborg
תִּלְכְּד֑וֹ
(tilkedo)
moge vangen hem
בְּ֝שׁוֹאָ֗ה
(beshoa)
in verwoesting
יִפָּל
(yipal)
moge hij vallen
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Maar mijn ziel zal jubelen in Yahweh. Zij zal zich verheugen in Zijn redding.
וְ֭נַפְשִׁי
(venafshi)
en mijn ziel
תָּגִ֣יל
(tagil)
zal jubelen
בַּיהוָ֑ה
(baYahweh)
in Yahweh
תָּ֝שִׂישׂ
(tasis)
zal zich verheugen
בִּישׁוּעָתֽוֹ
(bishuato)
in Zijn redding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Al mijn beenderen zullen zeggen: „Yahweh, wie is zoals U? U bevrijdt de ellendige van wie sterker is dan hij; U bevrijdt de ellendige en de arme van wie hem berooft.”
כָּ֥ל
(kal)
al
עַצְמוֹתַ֨י
(atsmotay)
mijn beenderen
תֹּאמַרְנָה֮
(tomarna)
zullen zeggen
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
מִ֥י
(mi)
wie
כָ֫מ֥וֹךָ
(kamokha)
zoals U
מַצִּ֣יל
(matsil)
bevrijder van
עָ֭נִי
(ani)
ellendige
מֵחָזָ֣ק
(mechazaq)
van sterker
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
dan hij
וְעָנִ֥י
(veani)
en ellendige
וְ֝אֶבְי֗וֹן
(veevyon)
en arme
מִגֹּזְלֽוֹ
(migozelo)
van zijn berover
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Kwaad voor goed

11Getuigen van geweld staan op. Zij ondervragen mij over dingen die ik niet weet.
יְ֭קוּמוּן
(yequmun)
zij staan op
עֵדֵ֣י
(edei)
getuigen van
חָמָ֑ס
(chamas)
geweld
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לֹא
(lo)
niet
יָ֝דַ֗עְתִּי
(yadati)
ik wist
יִשְׁאָלֽוּנִי
(yishaluni)
zij ondervragen mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֵדֵי חָמָס (edei chamas), ‘getuigen van geweld’: valse getuigen die met geweld een zaak winnen.

Zie ook Exod. 23:1.

12Zij vergelden mij kwaad voor goed. Mijn ziel is beroofd.
יְשַׁלְּמ֣וּנִי
(yeshalemuni)
zij vergelden mij
רָ֭עָה
(raa)
kwaad
תַּ֥חַת
(tachat)
in plaats van
טוֹבָ֗ה
(tova)
goed
שְׁכ֣וֹל
(shekhol)
verlies
לְנַפְשִֽׁי
(lenafshi)
voor mijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁכוֹל (shekol), ‘verlies’: eigenlijk het verlies van kinderen.

Het woord beschrijft hier de leegte die de dichter voelt.

13Maar ik droeg een rouwkleed toen zij ziek waren. Ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde terug in mijn boezem.
וַאֲנִ֤י
(vaani)
en ik
בַּחֲלוֹתָ֡ם
(bachalotam)
toen zij ziek waren
לְב֬וּשִׁי
(levushi)
mijn kleed
שָׂ֗ק
(saq)
rouwkleed
עִנֵּ֣יתִי
(ineiti)
ik kwelde
בַצּ֣וֹם
(batsom)
met vasten
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn ziel
וּ֝תְפִלָּתִ֗י
(utefilati)
en mijn gebed
עַל
(al)
op
חֵיקִ֥י
(cheiqi)
mijn boezem
תָשֽׁוּב
(tashuv)
keerde terug
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Alsof het mijn vriend en mijn broer was, liep ik rond. Als iemand die rouwt om zijn moeder, boog ik mij, in het zwart gehuld.
כְּרֵֽעַ
(kerea)
als vriend
כְּאָ֣ח
(keach)
als broer
לִ֭י
(li)
voor mij
הִתְהַלָּ֑כְתִּי
(hithalakhti)
ik liep rond
כַּאֲבֶל
(kaavel)
als rouwende om
אֵ֝֗ם
(em)
moeder
קֹדֵ֥ר
(qoder)
in het zwart
שַׁחֽוֹתִי
(shachoti)
ik boog mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Maar bij mijn val verheugden zij zich en kwamen samen. Aanvallers kwamen samen tegen mij, zonder dat ik het wist. Zij scheurden en zwegen niet.
וּבְצַלְעִי֮
(uvetsali)
en bij mijn val
שָׂמְח֪וּ
(samechu)
zij verheugden zich
וְֽנֶאֱ֫סָ֥פוּ
(veneesafu)
en verzamelden zich
נֶאֶסְפ֬וּ
(neesfu)
zij verzamelden zich
עָלַ֣י
(alay)
tegen mij
נֵ֭כִים
(nekhim)
aanvallers
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָדַ֑עְתִּי
(yadati)
ik wist
קָֽרְע֥וּ
(qareu)
zij scheurden
וְלֹא
(velo)
en niet
דָֽמּוּ
(damu)
zij zwegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נֵכִים (nekim), ‘aanvallers’: het woord is zeldzaam en de betekenis onzeker.

Het komt van het werkwoord ‘slaan’.

צֶלַע (tsela), ‘val’: een misstap of struikeling. Het woord staat ook in Ps. 38:18.

16Met onheilige spotters, om een koek, knarsen zij met hun tanden tegen mij.
בְּ֭חַנְפֵי
(bechanfei)
met onheiligen
לַעֲגֵ֣י
(laagei)
spotters van
מָע֑וֹג
(maog)
koek
חָרֹ֖ק
(charoq)
knarsen
עָלַ֣י
(alay)
tegen mij
שִׁנֵּֽימוֹ
(shineimo)
hun tanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

לַעֲגֵי מָעוֹג (la’agei ma’og), letterlijk ‘spotters van een koek’.

De betekenis is onzeker.

Waarschijnlijk zijn het mensen die voor een maaltijd spot drijven.

Wij vertalen letterlijk.

Hoelang kijkt U toe?

17Mijn Heer, hoelang kijkt U toe? Breng mijn ziel terug van hun verwoestingen, mijn enige van de jonge leeuwen.
אֲדֹנָי֮
(adonay)
mijn Heer
כַּמָּ֪ה
(kama)
hoelang
תִּ֫רְאֶ֥ה
(tire)
kijkt U toe
הָשִׁ֣יבָה
(hashiva)
breng terug
נַ֭פְשִׁי
(nafshi)
mijn ziel
מִשֹּׁאֵיהֶ֑ם
(mishoeihem)
van hun verwoestingen
מִ֝כְּפִירִ֗ים
(mikefirim)
van jonge leeuwen
יְחִידָתִֽי
(yechidati)
mijn enige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: een aanspreking van Yahweh.

יְחִידָתִי (yechidati), ‘mijn enige’: het leven dat niet te vervangen is. Zie ook Ps. 22:21.

18Ik zal U loven in de grote vergadering. Onder een machtig volk zal ik U prijzen.
א֭וֹדְךָ
(odekha)
ik zal U loven
בְּקָהָ֣ל
(beqahal)
in vergadering
רָ֑ב
(rav)
grote
בְּעַ֖ם
(beam)
onder volk
עָצ֣וּם
(atsum)
machtig
אֲהַֽלְלֶֽךָּ
(ahalleka)
ik zal U prijzen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Laat mijn vijanden, die met leugen tegen mij zijn, zich niet over mij verheugen. Laat mijn haters, zonder reden, niet met het oog knipogen.
אַֽל
(al)
niet
יִשְׂמְחוּ
(yismechu)
laten zich verheugen
לִ֣י
(li)
over mij
אֹיְבַ֣י
(oyevay)
mijn vijanden
שֶׁ֑קֶר
(sheqer)
leugen
שֹׂנְאַ֥י
(soneay)
mijn haters
חִ֝נָּ֗ם
(chinam)
zonder reden
יִקְרְצוּ
(yiqretsu)
laten knipogen
עָֽיִן
(ayin)
oog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Want zij spreken geen vrede. Tegen de rustigen van het land bedenken zij woorden van bedrog.
כִּ֤י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁל֗וֹם
(shalom)
vrede
יְדַ֫בֵּ֥רוּ
(yedaberu)
zij spreken
וְעַ֥ל
(veal)
en tegen
רִגְעֵי
(rigei)
rustigen van
אֶ֑רֶץ
(erets)
het land
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
מִ֝רְמוֹת
(mirmot)
bedrog
יַחֲשֹׁבֽוּן
(yachashovun)
zij bedenken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Zij sperren hun mond wijd tegen mij open. Zij zeggen: „Aha, aha! Onze ogen hebben het gezien.”
וַיַּרְחִ֥יבוּ
(vayarchivu)
en zij sperren open
עָלַ֗י
(alay)
tegen mij
פִּ֫יהֶ֥ם
(pihem)
hun mond
אָ֭מְרוּ
(ameru)
zij zeggen
הֶאָ֣ח
(heach)
aha
הֶאָ֑ח
(heach)
aha
רָאֲתָ֥ה
(raata)
heeft gezien
עֵינֵֽינוּ
(eineinu)
onze ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Doe mij recht, Yahweh

22U hebt het gezien, Yahweh. Zwijg niet. Mijn Heer, wees niet ver van mij.
רָאִ֣יתָה
(raita)
U hebt gezien
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
אַֽל
(al)
niet
תֶּחֱרַ֑שׁ
(techerash)
zwijg
אֲ֝דֹנָ֗י
(adonay)
mijn Heer
אֲל
(al)
niet
תִּרְחַ֥ק
(tirchaq)
wees ver
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Word wakker en ontwaak voor mijn recht, mijn Elohim en mijn Heer, voor mijn rechtszaak.
הָעִ֣ירָה
(haira)
word wakker
וְ֭הָקִיצָה
(vehaqitsa)
en ontwaak
לְמִשְׁפָּטִ֑י
(lemishpati)
voor mijn recht
אֱלֹהַ֖י
(elohay)
mijn Elohim
וַֽאדֹנָ֣י
(vadonay)
en mijn Heer
לְרִיבִֽי
(lerivi)
voor mijn rechtszaak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, Yahweh, mijn Elohim. Laat hen zich niet over mij verheugen.
שָׁפְטֵ֣נִי
(shafeteni)
doe mij recht
כְ֭צִדְקְךָ
(ketsidqekha)
naar Uw gerechtigheid
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֗י
(elohay)
mijn Elohim
וְאַל
(veal)
en niet
יִשְׂמְחוּ
(yismechu)
laten zij zich verheugen
לִֽי
(li)
over mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Laat hen niet in hun hart zeggen: „Aha, ons verlangen!” Laat hen niet zeggen: „Wij hebben hem verslonden.”
אַל
(al)
niet
יֹאמְר֣וּ
(yomru)
laten zij zeggen
בְ֭לִבָּם
(belibam)
in hun hart
הֶאָ֣ח
(heach)
aha
נַפְשֵׁ֑נוּ
(nafshenu)
ons verlangen
אַל
(al)
niet
יֹ֝אמְר֗וּ
(yomru)
laten zij zeggen
בִּֽלַּעֲנֽוּהוּ
(bilaanuhu)
wij hebben hem verslonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Mogen zij samen beschaamd en schaamrood worden, die zich over mijn ongeluk verheugen. Mogen zij die zich tegen mij groot maken, met schande en smaad bekleed worden.
יֵ֘בֹ֤שׁוּ
(yevoshu)
mogen beschaamd worden
וְיַחְפְּר֨וּ
(veyachperu)
en schaamrood worden
יַחְדָּו֮
(yachdav)
samen
שְׂמֵחֵ֪י
(semechei)
zich verheugenden over
רָעָ֫תִ֥י
(raati)
mijn ongeluk
יִֽלְבְּשׁוּ
(yilbeshu)
mogen zij zich kleden in
בֹ֥שֶׁת
(boshet)
schande
וּכְלִמָּ֑ה
(ukhelima)
en smaad
הַֽמַּגְדִּילִ֥ים
(hamagdilim)
de zich groot makenden
עָלָֽי
(alay)
tegen mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Mogen zij jubelen en zich verheugen, die mijn gerechtigheid wensen. Mogen zij steeds zeggen: „Groot is Yahweh, die vrede wenst voor Zijn dienaar.”
יָרֹ֣נּוּ
(yaronu)
mogen zij jubelen
וְיִשְׂמְחוּ֮
(veyismechu)
en zich verheugen
חֲפֵצֵ֪י
(chafetsei)
wensers van
צִ֫דְקִ֥י
(tsidqi)
mijn gerechtigheid
וְיֹאמְר֣וּ
(veyomru)
en mogen zij zeggen
תָ֭מִיד
(tamid)
steeds
יִגְדַּ֣ל
(yigdal)
is groot
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הֶ֝חָפֵ֗ץ
(hechafets)
die wenst
שְׁל֣וֹם
(shelom)
vrede van
עַבְדּֽוֹ
(avdo)
Zijn dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Dan zal mijn tong over Uw gerechtigheid spreken, de hele dag over Uw lof.
וּ֭לְשׁוֹנִי
(uleshoni)
en mijn tong
תֶּהְגֶּ֣ה
(tehge)
zal mompelen
צִדְקֶ֑ךָ
(tsidqekha)
Uw gerechtigheid
כָּל
(kal)
heel
הַ֝יּוֹם
(hayom)
de dag
תְּהִלָּתֶֽךָ
(tehilatekha)
Uw lof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)