Handelingen 13
Barnabas en Saulus worden uitgezonden: Cyprus en Antiochië in Pisidië
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De gemeente in Antiochië zendt Barnabas en Saulus uit
Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië.
Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd.
Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië.
Zie Cyrene: Cyrene was de hoofdstad van Cyrenaica, in het noordoosten van het huidige Libië.
Er woonde een grote Joodse gemeenschap.
Ἀντιόχεια (Antiocheia), ‘Antiochië’: de stad aan de Orontes in Syrië, nu Antakya in Turkije.
Er is nog een Antiochië, in Pisidië (vers 14). κατὰ τὴν οὖσαν ἐκκλησίαν (kata ten ousan ekklesian), ‘in de gemeente die daar was’. Νίγερ (Niger) is een Latijnse bijnaam en betekent ‘donker’. σύντροφος (syntrophos), ‘samen opgevoed’: iemand die met een ander is opgegroeid.
Herodes is Herodes Antipas (Luc. 3:1).
Over deze mannen weten wij niet meer dan de tekst zegt.
Zie ook Hand. 11:19–26; Luc. 3:1.
κύριος (kyrios), ‘Heer’: Lucas noemt Yeshua in de verteltekst vaak zo (vergelijk Luc. 7:13); wij schrijven ‘de Heer’ met hoofdletter.
Waar Handelingen het Oude Testament citeert of een vaste uitdrukking daaruit gebruikt, schrijven wij κύριος als ‘Yahweh’ (vergelijk Luc. 1:11).
Of met ‘de Heer’ hier Yeshua of Yahweh bedoeld is, laat de tekst open.
λειτουργέω (leitourgeo), ‘dienen’: de openbare dienst aan Elohim; hier de eredienst van de gemeente. ἀφορίζω (aforizo), ‘afzonderen’: voor een taak apart zetten; vergelijk Rom. 1:1.
De Heilige Geest spreekt hier zelf. Wij zetten Zijn woorden rood, omdat de Geest Elohim is. Hoe de Geest sprak, zegt de tekst niet.
ἐπιτίθημι τὰς χεῖρας (epitithemi tas cheiras), ‘de handen opleggen’: de handoplegging, een teken van zegen en van toewijding aan een taak.
Vergelijk Num. 27:18–23, waar Mozes zijn handen op Jozua legt.
Zie ook Num. 27:18–23.
Op Cyprus
Zie Seleucië (haven van Antiochië): Seleucië (Seleukeia Pieria) was de haven van Antiochië aan de Orontes, aan de kust van het huidige Zuid-Turkije, bij Çevlik.
Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije.
Barnabas kwam er vandaan.
ἐκπέμπω (ekpempo), ‘uitsturen’: een samenstelling van πέμπω (pempo), ‘sturen’.
De gemeente laat hen gaan (vers 3); de Heilige Geest stuurt hen uit. Σελεύκεια (Seleukeia) was de havenstad van Antiochië. Κύπρος (Kypros), ‘Cyprus’, is een eiland in de Middellandse Zee; Barnabas komt er vandaan (Hand. 4:36).
Zie ook Hand. 4:36.
Zie Salamis: Salamis lag aan de oostkust van Cyprus, bij het huidige Famagusta.
Het was de grootste havenstad van het eiland.
Σαλαμίς (Salamis) lag aan de oostkant van Cyprus.
Het Grieks heeft ‘in de synagogen’ in het meervoud: er waren meer synagogen. ὑπηρέτης (hyperetes), ‘bediende’: iemand die helpt en opdrachten uitvoert; wij vertalen het zo ook in de evangeliën.
Deze Johannes is Johannes Markus.
Zie ook Hand. 12:12; Hand. 12:25; Hand. 15:37.
Sergius Paulus en Elymas
Zie Pafos (Nea Pafos): Pafos was de hoofdstad van Cyprus, waar de stadhouder zetelde.
Nea Pafos (Kato Pafos) lag aan de westkust; Oud-Pafos (Kouklia) lag ongeveer 15 km zuidoostelijker.
Hier is Nea Pafos aangehouden.
Πάφος (Pafos) lag aan de westkant van Cyprus. μάγος (magos), ‘magiër’: hetzelfde woord als in Matt. 2:1; hier iemand die zich met toverkunst en voorspellingen bezighoudt. ψευδοπροφήτης (pseudoprofetes), ‘valse profeet’. Βαριησοῦς (Bariesous), ‘Bar-Yeshua’: Aramees voor ‘zoon van Yeshua’.
Yeshua was een gewone Joodse naam, dezelfde als van de Messias (Matt. 1:21).
ἀνθύπατος (anthypatos), ‘proconsul’: de Romeinse bestuurder van een provincie die onder de senaat viel. Σέργιος Παῦλος (Sergios Paulos), ‘Sergius Paulus’, is een Romein en niet dezelfde man als Saulus, die in vers 9 ook Paulus genoemd wordt. ἐπιζητέω (epizeteo), ‘verlangen’: ernstig willen.
Ἐλύμας (Elymas): het Grieks zegt dat dit de vertaling van zijn naam is, maar noemt het oorspronkelijke woord niet.
Wij laten het zo. διαστρέφω (diastrefo), ‘afbrengen’: van de goede richting wegdraaien; hetzelfde werkwoord staat in vers 10 (‘verdraaien’). πίστις (pistis), ‘geloof’.
Σαῦλος (Saulos) is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Sjaoel (Saul). Παῦλος (Paulos) is een Romeinse naam (Latijn Paulus, ‘klein’).
Veel Joden hadden naast hun Hebreeuwse naam een Griekse of Romeinse naam.
Het Grieks heeft ὁ καὶ Παῦλος (ho kai Paulos), ‘die ook Paulus’; wij vullen ‘heet’ aan, omdat het Nederlands een werkwoord nodig heeft.
Tot hier noemt Lucas hem Saulus; vanaf hier noemt hij hem Paulus, en wij doen dat ook.
διάβολος (diabolos), ‘duivel’: letterlijk ‘lasteraar’, iemand die verdeelt.
‘Zoon van de duivel’ is een scheldwoord voor wie het werk van de duivel doet; vergelijk Joh. 8:44. ὁδοὺς κυρίου τὰς εὐθείας (hodous kyriou tas eutheias), ‘de rechte wegen van Yahweh’: κύριος is hier vertaald als Yahweh, naar de uitdrukking in Hos. 14:10, ‘recht zijn de wegen van Yahweh’.
Zie ook Hos. 14:10; Joh. 8:44.
χεὶρ κυρίου (cheir kyriou), ‘hand van Yahweh’: een uitdrukking uit het Oude Testament voor Zijn ingrijpen (bijvoorbeeld Richt. 2:15; 1 Sam. 5:6).
Wij schrijven daarom Yahweh. ἀχλύς (achlys), ‘waas’: een nevel voor de ogen. χειραγωγός (cheiragogos), ‘handleider’: iemand die een blinde bij de hand neemt.
Vergelijk Hand. 9:8, waar Saulus zelf bij de hand wordt geleid.
Zie ook Richt. 2:15; 1 Sam. 5:6; Hand. 9:8.
διδαχή (didache), ‘onderwijs’.
Het Grieks laat open of dit het onderwijs ‘van’ of ‘over’ de Heer is. ἐκπλήσσομαι (ekplessomai), ‘versteld staan’: zoals in Matt. 7:28.
Van Perge naar Antiochië in Pisidië
Zie Pafos (Nea Pafos): Pafos was de hoofdstad van Cyprus, waar de stadhouder zetelde.
Nea Pafos (Kato Pafos) lag aan de westkust; Oud-Pafos (Kouklia) lag ongeveer 15 km zuidoostelijker.
Hier is Nea Pafos aangehouden.
Zie Perge: Perge was de hoofdstad van Pamfylië, ongeveer 15 km ten noordoosten van het huidige Antalya.
Zie Pamfylië (ongeveer): Pamfylië was de kuststreek in het zuiden van het huidige Turkije, rond de baai van Antalya.
De grenzen zijn bij benadering.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
οἱ περὶ Παῦλον (hoi peri Paulon), letterlijk ‘die rond Paulus’: Paulus en de mensen die bij hem waren.
Vanaf hier staat Paulus voorop; eerder stond Barnabas voorop (vers 1–7). Πέργη (Perge) lag in Pamfylië, aan de zuidkust van het huidige Turkije.
Waarom Johannes terugkeerde, zegt de tekst niet; zie Hand. 15:38.
Zie ook Hand. 15:38.
Zie Perge: Perge was de hoofdstad van Pamfylië, ongeveer 15 km ten noordoosten van het huidige Antalya.
Zie Antiochië in Pisidië: Antiochië in Pisidië lag bij het huidige Yalvaç, in het binnenland van Zuid-Turkije, aan de grens van Frygië en Pisidië.
Het is een ander Antiochië dan dat in Syrië.
Zie Pisidië (ongeveer): Pisidië was het bergachtige gebied ten noorden van Pamfylië, in het zuidwesten van het huidige Turkije.
De grenzen zijn bij benadering.
Ἀντιόχεια ἡ Πισιδία (Antiocheia he Pisidia), ‘Antiochië in Pisidië’: een andere stad dan het Antiochië in Syrië van vers 1.
Pisidië is een landstreek in het zuiden van het huidige Turkije.
Het Grieks noemt geen bode; wij vullen ‘een bode’ aan. ἀρχισυνάγωγος (archisynagogos), ‘synagogeleider’: wie de dienst in de synagoge regelt. ἄνδρες ἀδελφοί (andres adelfoi), ‘mannen, broers’: een gewone aanspreking onder Joden; wij schrijven ‘broers’, zoals in de evangeliën. λόγος παρακλήσεως (logos parakleseos), ‘woord van bemoediging’: ook ‘troost’ of ‘vermaning’; vergelijk Luc. 2:25.
De toespraak van Paulus in de synagoge
φοβούμενοι τὸν θεόν (phoboumenoi ton theon), ‘godvrezenden’: niet-Joden die Elohim vereren en de synagoge bezoeken, zonder volledig Joods te worden.
Het Grieks heeft ook σεβόμενοι (sebomenoi, vers 43 en 50).
Wij schrijven overal ‘godvrezenden’.
Een προσήλυτος (proselytos), ‘proseliet’, is een niet-Jood die zich bij het Joodse volk heeft aangesloten (vers 43).
Vergelijk Hand. 10:2.
De toespraak van Paulus loopt van vers 16 tot en met vers 41.
Zie ook Hand. 10:2.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
ὑψόω (hypsoo), ‘verhogen’: wij vertalen dit werkwoord overal zo.
Hier gaat het om het groot en sterk worden van het volk; vergelijk Exod. 1:7. παροικία (paroikia), ‘verblijf als vreemdeling’. βραχίων ὑψηλός (brachion hypselos), ‘verheven arm’: het Hebreeuws zegt ‘uitgestrekte arm’ (Exod. 6:6; Deut. 5:15); de Griekse tekst heeft ‘verheven arm’.
Zie ook Exod. 1:7; Exod. 6:6; Deut. 5:15.
ἐτροποφόρησεν (etropoforesen), ‘verdroeg hun gedrag’: van τρόπος (tropos), ‘manier van leven’, en φέρω (fero), ‘dragen’.
Sommige handschriften hebben bijna dezelfde vorm, ἐτροφοφόρησεν (etrofoforesen), ‘Hij droeg hen als een verzorger’.
Dat klinkt als Deut. 1:31, waar Yahweh Zijn volk droeg zoals een man zijn zoon draagt.
Wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Deut. 1:31.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
καθαιρέω (kathaireo), ‘vernietigen’: letterlijk ‘neerhalen’. κατακληρονομέω (katakleronomeo), ‘als erfdeel geven’.
De zeven volken staan in Deut. 7:1; het erfdeel wordt verdeeld in Joz. 14:1.
Zie ook Deut. 7:1; Joz. 14:1.
In de SBLGNT horen de ‘ongeveer 450 jaar’ bij de tijd van de uitverkiezing van de vaders tot het in bezit nemen van het land; daarna volgen de rechters.
De tekst telt de jaren niet voor; vergelijk 1 Kon. 6:1 (480 jaar) en Gen. 15:13 (400 jaar).
In sommige handschriften staat het omgekeerd: ‘daarna gaf Hij rechters, ongeveer 450 jaar lang’.
Wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Gen. 15:13; 1 Kon. 6:1.
Het volk vroeg om een koning (1 Sam. 8:5).
Saul, de zoon van Kis, was een Benjaminiet (1 Sam. 9:1–2).
De 40 jaar van Saul staan niet in onze Hebreeuwse tekst; zie de voetnoot bij 1 Sam. 13:1.
Zie ook 1 Sam. 8:5; 1 Sam. 9:1–2; 1 Sam. 13:1.
De woorden die Elohim hier zegt, zijn samengesteld uit drie plaatsen: Ps. 89:21 (‘Ik heb David, Mijn dienaar, gevonden’), 1 Sam. 13:14 (‘een man naar Zijn hart’) en Jes. 44:28 (‘heel Mijn wil volbrengen’, gezegd over Kores).
Omdat de tekst zegt dat Elohim dit zei, zetten wij de woorden rood. μεταστήσας (metastesas), ‘afzetten’: letterlijk ‘verplaatsen’. Ἰεσσαί (Iessai), ‘Isaï’: de vader van David (1 Sam. 16:12). μαρτυρήσας εἶπεν (martyresas eipen), ‘getuigend zei Hij’: wij schrijven ‘getuigde Hij’.
Het Grieks heeft ‘David, de (zoon) van Isaï’; ‘zoon’ vullen wij aan.
Zie ook Ps. 89:21; 1 Sam. 13:14; Jes. 44:28.
σπέρμα (sperma), ‘nageslacht’: de belofte aan David staat in 2 Sam. 7:12–16. σωτήρ (soter), ‘Redder’. Ἰησοῦς (Iesous), ‘Yeshua’, betekent ‘Yahweh redt’ (Matt. 1:21).
Zie ook 2 Sam. 7:12–16; Matt. 1:21.
δρόμος (dromos), ‘loop’: een beeld uit de wedloop voor de taak die iemand moet afleggen; vergelijk Hand. 20:24.
De woorden van Johannes komen overeen met Luc. 3:15–16; Mark. 1:7 en Joh. 1:20, 1:27.
Zie ook Luc. 3:15–16; Mark. 1:7; Joh. 1:27; Hand. 20:24.
De dood en de opstanding van Yeshua
ἐξαποστέλλω (exapostello), ‘zenden’: van ἀποστέλλω (apostello), ‘zenden’, met het voorvoegsel ἐξ-.
In sommige handschriften staat ‘aan jullie’; de SBLGNT heeft ‘aan ons’.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
ἀγνοέω (agnoeo), ‘niet kennen’.
Het Grieks is hier kort.
Wij lezen: zij kenden Hem niet, en door Hem te veroordelen hebben zij vervuld wat de profeten zeiden. φωνή (fone), ‘stem’.
αἰτία θανάτου (aitia thanatou), ‘reden voor de dood’: een grond voor de doodstraf. ἀναιρέω (anaireo), ‘doden’: letterlijk ‘wegnemen’.
Pilatus vond geen schuld in Hem (Luc. 23:4, 23:14, 23:22).
Zie ook Luc. 23:13–25; Joh. 19:4–6.
ξύλον (xylon), ‘hout’: de kruisboom.
Vergelijk Deut. 21:22–23, waar een gedode die aan een boom hangt een vervloeking van Elohim is.
Het Grieks heeft hier hetzelfde onderwerp ‘zij’; volgens de evangeliën begroef Jozef van Arimatea Hem (Luc. 23:50–53).
Zie ook Deut. 21:22–23; Luc. 23:50–53.
Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.
Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
ὤφθη (ophthe), ‘verscheen’: hetzelfde woord als in Luc. 24:34.
Hand. 1:3 noemt een periode van veertig dagen.
Zie ook Luc. 24:34; Hand. 1:3.
εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’: wij vertalen dit werkwoord overal zo.
Het Grieks heeft in vers 33 ‘dat’ (ὅτι): de goede boodschap is dat Elohim de belofte heeft vervuld.
Wij splitsen de zin in tweeën.
ἀναστήσας (anastesas), ‘laten opstaan’: het Grieks kan hier ‘laten optreden’ betekenen (zoals in Hand. 3:22) of ‘opwekken uit de doden’.
Vers 34 begint met ‘maar dat Hij Hem uit de doden liet opstaan’.
Wij vertalen het woord letterlijk.
‘De tweede psalm’ is Ps. 2.
Het Hebreeuws van Ps. 2:7 spreekt de koning aan met ‘jij’; in de psalm zijn het de woorden van Yahweh.
Hier haalt Paulus ze aan als geschreven woord, daarom staan ze zwart.
Hier is het op Yeshua toegepast, die wij met ‘U’ aanspreken, zoals in Luc. 3:22.
In sommige handschriften staat ‘aan ons, hun kinderen’; de SBLGNT heeft ‘aan onze kinderen’.
Zie ook Ps. 2:7; Hand. 3:22; Luc. 3:22.
διαφθορά (diaphthora), ‘bederf’: het vergaan van een lichaam in het graf.
Dit is Jes. 55:3.
Het Hebreeuws heeft ‘de betrouwbare blijken van trouw aan David’ (חַסְדֵי דָוִד, chasdei David); de Griekse tekst heeft τὰ ὅσια Δαυὶδ τὰ πιστά (ta hosia David ta pista), ‘de heilige dingen van David, de betrouwbare’. ὅσιος (hosios) is een ander woord dan ἅγιος (hagios), ‘heilig’; het staat ook in vers 35.
Het Grieks heeft ‘Dat Hij Hem uit de doden liet opstaan, … heeft Hij zo gezegd’, zonder onderwerp.
Uit vers 33 weten wij dat Elohim bedoeld is; wij noemen Hem erbij en splitsen de zin.
Omdat het citaat wordt ingeleid met ‘zo heeft Hij gezegd’, zetten wij het rood.
Zie ook Jes. 55:3.
Dit is Ps. 16:10.
Het Hebreeuws heeft ‘Uw getrouwe’ (חָסִיד, chasid) en ‘de kuil’ (שַׁחַת, shachat); de Griekse tekst heeft τὸν ὅσιόν σου (ton hosion sou), ‘Uw Heilige’, en διαφθορά, ‘bederf’.
Het Grieks noemt bij ‘zegt’ geen onderwerp en geen psalm; wij schrijven ‘staat er … in een andere psalm’.
Paulus past het woord toe op Yeshua; daarom staat ‘Heilige’ met hoofdletter.
Petrus haalt hetzelfde vers aan in Hand. 2:27.
Zie ook Ps. 16:10; Hand. 2:27.
ἰδίᾳ γενεᾷ ὑπηρετήσας τῇ τοῦ θεοῦ βουλῇ (idia genea hyperetesas te tou theou boule): het Grieks kan ook gelezen worden als ‘nadat hij zijn eigen generatie gediend had door het plan van Elohim’. βουλή (boule), ‘plan’: zoals in Luc. 7:30. ἐκοιμήθη (ekoimethe), ‘ontslapen’: een beeld voor sterven.
‘Bij zijn vaders gelegd’ komt overeen met 1 Kon. 2:10.
Het Grieks heeft in de laatste zin geen onderwerp; wij schrijven ‘David’, zodat het niet op Elohim lijkt te slaan.
Zie ook 1 Kon. 2:10; Luc. 7:30.
Vergeving van zonden en een waarschuwing
δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardigen’: voor Elohim als rechtvaardig gelden.
Het is verwant aan δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’. ἐν νόμῳ (en nomo) is letterlijk ‘in de wet’; wij schrijven ‘door’. ἄφεσις ἁμαρτιῶν (afesis hamartion), ‘vergeving van zonden’: zoals in Luc. 24:47.
Zie ook Luc. 24:47.
Dit is Hab. 1:5, een van ‘de profeten’ (vers 40).
Het Hebreeuws heeft ‘Kijk onder de volken’ (בַגּוֹיִם, bagoyim) en ‘sta versteld’; de Griekse tekst heeft οἱ καταφρονηταί (hoi kataphronetai), ‘de verachters’, en ἀφανίσθητε (afanisthete), ‘verdwijn’.
In Habakuk spreekt Yahweh in de eerste persoon.
Hier staat het zwart, omdat Paulus uit de profeten aanhaalt.
Zie ook Hab. 1:5.
Na de toespraak
Het Grieks noemt geen onderwerp bij ‘vroeg men’. τὸ μεταξὺ σάββατον (to metaxy sabbaton): de sabbat daarna, of ‘de tussentijd’.
In sommige handschriften staat dat de volken dit vroegen toen de Joden de synagoge verlieten; de SBLGNT heeft alleen ‘terwijl zij naar buiten gingen’.
προσήλυτος (proselytos), ‘proseliet’: een niet-Jood die zich bij het Joodse volk heeft aangesloten; vergelijk Matt. 23:15. σεβόμενοι (sebomenoi), ‘godvrezend’: zie vers 16. χάρις (charis), ‘genade’.
De volgende sabbat
ὁ λόγος τοῦ κυρίου (ho logos tou kyriou), ‘het woord van de Heer’: de boodschap die Paulus en Barnabas brengen.
Het Grieks gebruikt ‘woord van de Heer’ (vers 44, 48, 49) en ‘woord van Elohim’ (vers 5, 7, 46) naast elkaar.
Wij schrijven ‘de Heer’, zoals in vers 2.
In sommige handschriften staat ‘het woord van Elohim’; de SBLGNT heeft ‘de Heer’.
ζῆλος (zelos), ‘ijver’: hier in slechte zin, ‘naijver’; in Joh. 2:17 staat hetzelfde woord in goede zin.
Het zijn niet alle Joden: velen volgden Paulus (vers 43). βλασφημέω (blasfemeo), ‘lasteren’.
Paulus en Barnabas keren zich tot de volken
παρρησιάζομαι (parrhesiazomai), ‘openlijk spreken’: vrijmoedig, zonder angst; verwant aan παρρησία (parresia), ‘openlijk’.
Paulus gaat eerst naar de Joden en wendt zich dan tot de volken; vergelijk Hand. 18:6 en 28:28. ἀπωθέω (apotheo), ‘afwijzen’: letterlijk ‘wegduwen’.
Zie ook Hand. 18:6; Hand. 28:28.
Dit is Jes. 49:6.
Het Hebreeuws heeft ‘om Mijn redding te zijn tot het einde van de aarde’; de Griekse tekst heeft ‘zodat je tot redding zult zijn tot het einde van de aarde’.
In Jesaja spreekt Yahweh tot Zijn Knecht; Paulus en Barnabas passen het toe op hun eigen opdracht (vergelijk Luc. 2:32).
Omdat het citaat wordt ingeleid met ‘wat de Heer ons heeft geboden’ en Yahweh in de eerste persoon spreekt, zetten wij het rood. κύριος is hier vertaald als Yahweh.
Zie ook Jes. 49:6; Luc. 2:32.
τεταγμένοι (tetagmenoi), ‘bestemd’: van τάσσω (tasso), ‘plaatsen, aanwijzen’.
De vorm kan lijdend zijn (‘aangewezen’) of een middelvorm (‘zich opgesteld hebbend’); de tekst zegt niet door wie. δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’.
Vervolging en vertrek naar Ikonium
παροτρύνω (parotryno), ‘ophitsen’. εὐσχήμων (euschemon), ‘van aanzien’. ὅρια (horia), ‘gebied’: letterlijk ‘grenzen’.
De vrouwen worden ‘godvrezend’ genoemd: zie vers 16.
Zie Ikonium: Ikonium is het huidige Konya, in het binnenland van Zuid-Turkije.
ἐκτινάσσω (ektinasso), ‘afschudden’: het stof afschudden is een teken dat men met een plaats niets meer te maken wil hebben; vergelijk Luc. 9:5. Ἰκόνιον (Ikonion), ‘Ikonium’, is het huidige Konya in Turkije.
Zie ook Luc. 9:5; Matt. 10:14; Mark. 6:11.