Efeziërs 6
Kinderen en ouders, knechten en heren, de wapenrusting van Elohim, Tychicus en de slotzegen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Kinderen en vaders
Met ‘de huishoudregels’ (5:22–6:9) gaat Paulus verder over de verhoudingen in het huis: vrouwen en mannen, kinderen en vaders, knechten en heren. τέκνον (teknon), ‘kind’; γονεῖς (goneis), ‘ouders’. ὑπακούω (hypakouo), ‘gehoorzamen’. δίκαιος (dikaios), ‘juist’: ook ‘rechtvaardig’.
Vergelijk Kol. 3:20.
Zie ook Ef. 5:22; Kol. 3:20.
Aanhaling van Exod. 20:12 en Deut. 5:16.
Ons Hebreeuws heeft in Exod. 20:12: ‘Eer je vader en je moeder, opdat je lang leeft in het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft’; in Deut. 5:16: ‘… zoals Yahweh, je Elohim, je geboden heeft.
Zo leef je lang en gaat het goed met je in het land …’.
Wat de Griekse tekst hier citeert, volgt het meest Deut. 5:16 (lang leven en welzijn). ἐπαγγελία (epangelia), ‘belofte’.
‘Het eerste gebod met een belofte’: de tekst zegt niet welke geboden hieraan voorafgaan.
Het citaat staat zwart: Paulus haalt het aan.
Zie ook Exod. 20:12; Deut. 5:16.
De Griekse tekst heeft ‘op de aarde’ (ἐπὶ τῆς γῆς, epi tes ges); het Griekse γῆ (ge) betekent ‘aarde’ en ‘land’.
De woorden ‘het land dat Yahweh, je Elohim, je geeft’ uit het Hebreeuws staan er niet. μακροχρόνιος (makrochronios), ‘langlevend’.
Zie ook Exod. 20:12; Deut. 5:16.
παροργίζω (parorgizo), ‘tot toorn prikkelen’; verwant aan παροργισμός in 4:26. ἐκτρέφω (ektrefo), ‘opvoeden, voeden’: zie 5:29. παιδεία (paideia), ‘opvoeding’: ook ‘tucht’; νουθεσία (nouthesia), ‘terechtwijzing’.
‘Van de Heer’ (κυρίου): de opvoeding en terechtwijzing die de Heer geeft of waarin Hij centraal staat.
Zie ook Kol. 3:21.
Knechten en heren
δοῦλος (doulos), ‘knecht’: in het Grieks een slaaf, iemand die het eigendom van zijn heer is; wij vertalen δοῦλοι met ‘knechten’ en κύριοι met ‘heren’, zonder oordeel, zoals de tekst het zegt. κατὰ σάρκα (kata sarka), ‘naar het vlees’: aardse heren, tegenover de Heer in de hemel (vers 9). φόβος (fobos), ‘vrees’; τρόμος (tromos), ‘beven’. ἁπλότης (haplotes), ‘oprechtheid’: een ongedeeld hart.
De SBLGNT markeert de woordvolgorde ‘naar het vlees heren’ als variant.
Vergelijk Kol. 3:22.
Zie ook Kol. 3:22.
ὀφθαλμοδουλία (ofthalmodoulia), ‘oogdienst’: alleen werken als de heer kijkt; ἀνθρωπάρεσκος (anthroparesko), ‘mensenbehager’. ἐκ ψυχῆς (ek psyches), ‘uit de ziel’: van harte.
De SBLGNT markeert bij δοῦλοι een variant.
εὔνοια (eunoia), ‘goede wil, welwillendheid’. δουλεύω (douleuo), ‘als knecht dienen’.
‘Als voor de Heer’: de Heer is hier Yeshua.
ἀνίημι (aniemi), ‘nalaten, loslaten’; ἀπειλή (apeile), ‘dreiging’. προσωπολημψία (prosopolempsia), ‘het voortrekken van personen’: iemand beoordelen naar zijn rang of afkomst; vergelijk Gal. 2:6 en Deut. 10:17 (‘die niemand voortrekt’).
De heren hebben zelf een Heer in de hemelen.
De SBLGNT markeert hier een variant, bij ‘hun en jullie’ (αὐτῶν καὶ ὑμῶν).
Zie ook Gal. 2:6; Deut. 10:17; Kol. 3:25; Kol. 4:1.
De wapenrusting van Elohim
Met dit vers begint de laatste vermaning. ἐνδυναμόω (endynamoo), ‘sterk worden’: kracht krijgen. κράτος (kratos), ‘macht’; ἰσχύς (ischys), ‘sterkte’: zie 1:19.
De SBLGNT markeert bij Τοῦ λοιποῦ een variant.
Zie ook Ef. 1:19.
πανοπλία (panoplia), ‘wapenrusting’: de volledige uitrusting van een zwaar bewapende soldaat.
‘De wapenrusting van Elohim’: de uitrusting die Elohim geeft; in de profeten draagt Elohim zelf wapens: vergelijk Jes. 59:17 (‘Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en een helm van redding op Zijn hoofd’). μεθοδεία (methodeia), ‘list’: zie 4:14. διάβολος (diabolos), ‘duivel’: zie 4:27.
Zie ook Jes. 59:17; Ef. 4:14; Ef. 4:27.
πάλη (pale), ‘worsteling’: een kamp van man tegen man. αἷμα καὶ σάρξ (haima kai sarx), ‘bloed en vlees’: mensen. ἀρχαί (archai), ‘heerschappijen’; ἐξουσίαι (exousiai), ‘gezagsmachten’: zoals in 1:21 en 3:10; κοσμοκράτορες (kosmokratores), ‘wereldheersers’: heersers over de wereld, hier ‘van dit duister’. τὰ πνευματικὰ τῆς πονηρίας (ta pneumatika tes ponerias), letterlijk ‘het geestelijke van de boosheid’: wij vertalen ‘de boze geestenmachten’. τὰ ἐπουράνια: ‘de hemelse gewesten’, zie 1:3.
De SBLGNT markeert bij σκότους een variant.
Zie ook Ef. 1:3; Ef. 1:21; Ef. 3:10; Kol. 2:15.
ἀναλαμβάνω (analambano), ‘opnemen’, ‘aannemen’. ἀνθίστημι (anthistemi), ‘weerstand bieden’.
‘De boze dag’ (ἡ ἡμέρα ἡ πονηρά): de tekst zegt niet welke dag bedoeld is. κατεργάζομαι (katergazomai), ‘volbrengen’; het Grieks kan ook ‘overwinnen’ betekenen. πονηρός (poneros), ‘boos’: zie 5:16.
Zie ook Ef. 5:16.
περιζώννυμι (perizonnymi), ‘omgorden’; ὀσφύς (osfys), ‘lenden’; θώραξ (thorax), ‘pantser’.
Vergelijk Jes. 11:5 (‘Gerechtigheid zal de gordel van zijn heupen zijn’) en Jes. 59:17 (‘gerechtigheid als een pantser’). δικαιοσύνη (dikaiosyne), ‘gerechtigheid’.
Zie ook Jes. 11:5; Jes. 59:17.
ὑποδέω (hypodeo), ‘schoeien’. ἑτοιμασία (hetoimasia), ‘bereidheid’: gereedheid, ook ‘vaste ondergrond’; het Griekse woord wordt verschillend verstaan.
Vergelijk Jes. 52:7: ‘Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van de boodschapper die vrede laat horen’.
Zie ook Jes. 52:7.
θυρεός (thyreos), ‘groot schild’: het lange schild van een soldaat, dat het hele lichaam dekt. πεπυρωμένα (pepyromena), ‘brandend’: pijlen die in vuur gezet zijn. ὁ πονηρός (ho poneros), ‘de boze’: de duivel van vers 11; het Griekse woord kan ook ‘het kwade’ betekenen.
De SBLGNT markeert hier twee varianten, bij ‘ἐν’ en ‘πονηροῦ’.
περικεφαλαία (perikefalaia), ‘helm’; σωτήριον (soterion), ‘redding’: vergelijk Jes. 59:17, ‘een helm van redding op Zijn hoofd’. μάχαιρα (machaira), ‘zwaard’.
‘Het zwaard van de Geest, dat is het woord van Elohim’: ῥῆμα (rhema) is ‘gesproken woord’.
De SBLGNT markeert bij δέξασθε een variant.
Zie ook Jes. 59:17.
προσευχή (proseuche), ‘gebed’; δέησις (deesis), ‘smeking’; ἀγρυπνέω (agrypneo), ‘waakzaam zijn, wakker blijven’; προσκαρτέρησις (proskarteresis), ‘volharding’. ἐν πνεύματι (en pneumati), ‘in de Geest’: zie 5:18. ἅγιοι: ‘heiligen’, zie 1:1.
De SBLGNT markeert bij αὐτό een variant.
Zie ook Ef. 5:18; Ef. 1:1.
πρεσβεύω (presbeuo), ‘gezant zijn’: een gezant spreekt namens een koning. ἅλυσις (halysis), ‘keten’: Paulus is gevangen; vergelijk Hand. 28:20. ἐν αὐτῷ (en auto), ‘daarin’: in de goede boodschap; het kan ook ‘in Hem’ zijn. παρρησιάζομαι (parresiazomai), ‘vrijmoedig spreken’.
Zie ook Hand. 28:20; Kol. 4:3.
Tychicus en de slotzegen
Τυχικός (Tychikos), Tychicus: hij komt ook voor in Hand. 20:4 (‘uit Asia Tychicus en Trofimus’) en in Kol. 4:7–8. τὰ κατ᾿ ἐμέ (ta kat’ eme), ‘wat mij betreft’. ἀγαπητὸς ἀδελφός (agapetos adelfos), ‘geliefde broer’; διάκονος (diakonos), ‘dienaar’.
De SBLGNT markeert in dit vers twee varianten.
Zie ook Hand. 20:4; Kol. 4:7.
ἔπεμψα (epempsa), ‘ik stuurde’: een verleden tijd die vanuit het gezichtspunt van de lezers geschreven is; ‘ik stuur hem’ is ook mogelijk. παρακαλέω (parakaleo), ‘vertroosten’: zie 4:1, waar wij ‘aansporen’ kozen; het woord omvat beide.
Vergelijk Kol. 4:8.
Zie ook Ef. 4:1; Kol. 4:8.
ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat in de gemeente ook de zusters. εἰρήνη (eirene), ‘vrede’; ἀγάπη (agape), ‘liefde’; πίστις (pistis), ‘geloof’.
‘Van Elohim, de Vader, en de Heer Yeshua de Messias’: zoals in 1:2.
Zie ook Ef. 1:2.
Het Grieks heeft geen werkwoord: ‘de genade met allen …’. ἀφθαρσία (aftharsia), ‘onvergankelijkheid’: ook ‘onverderfelijkheid’.
‘In onvergankelijkheid’ kan bij ‘liefhebben’ horen (met een liefde die niet vergaat) of bij ‘de genade’; wij houden de Griekse volgorde.
De SBLGNT markeert hier een variant.
Vergelijk de slotgroet van Gal. 6:18.
Zie ook Gal. 6:18.