Luister naar Mij: Sion wordt getroost en de arm van Yahweh wordt wakker
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Kijk naar de rots en naar Abraham
1„Luister naar Mij, jullie die de gerechtigheid najagen, die Yahweh zoeken. Kijk naar de rots waaruit jullie gehouwen zijn, en naar de holte van de put waaruit jullie gegraven zijn.
שִׁמְע֥וּ
(shimu)
luistert
אֵלַ֛י
(elay)
naar Mij
רֹ֥דְפֵי
(rodefei)
die najagen
צֶ֖דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
מְבַקְשֵׁ֣י
(mevaqshei)
die zoeken
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הַבִּ֨יטוּ֙
(habitu)
kijkt
אֶל
(el)
naar
צ֣וּר
(tsur)
de rots
חֻצַּבְתֶּ֔ם
(chutsavtem)
waaruit jullie gehouwen zijn
וְאֶל
(veel)
en naar
מַקֶּ֥בֶת
(maqevet)
holte van
בּ֖וֹר
(bor)
put
נֻקַּרְתֶּֽם
(nuqartem)
waaruit jullie gegraven zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier begint een toespraak van Yahweh (51:1–8).
Zijn woorden staan rood.
Hij spreekt tot ‘jullie die de gerechtigheid najagen’, de trouwe rest van het volk.
צוּר (tsur), ‘rots’, en בּוֹר (bor), ‘put’: de ‘rots’ is Abraham en de ‘put’ is Sara (vers 2). Het volk komt van hen voort, zoals steen uit een groeve komt.
מַקֶּבֶת (maqqevet), ‘holte’: het woord komt weinig voor en betekent een uitgeholde plek.
2Kijk naar Abraham, jullie vader, en naar Sara, die jullie met weeën gebaard heeft. Want toen hij nog alleen was, heb Ik hem geroepen. Ik heb hem gezegend en hem talrijk gemaakt.
הַבִּ֨יטוּ֙
(habitu)
kijkt
אֶל
(el)
naar
אַבְרָהָ֣ם
(avraham)
Abraham
אֲבִיכֶ֔ם
(avikhem)
jullie vader
וְאֶל
(veel)
en naar
שָׂרָ֖ה
(sara)
Sara
תְּחוֹלֶלְכֶ֑ם
(techolelkhem)
die jullie met weeën heeft gebaard
כִּי
(ki)
want
אֶחָ֣ד
(echad)
alleen
קְרָאתִ֔יו
(qerativ)
heb Ik hem geroepen
וַאֲבָרְכֵ֖הוּ
(vaavarekhehu)
en Ik heb hem gezegend
וְאַרְבֵּֽהוּ
(vearbehu)
en Ik heb hem talrijk gemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶחָד (echad), ‘alleen’: letterlijk ‘één’.
Abraham was nog maar één man, zonder kinderen, toen Yahweh hem riep; zie Gen. 12:1–3.
תְּחוֹלֶלְכֶם (techolelkhem), ‘die jullie met weeën gebaard heeft’: het werkwoord חוּל (chul) betekent ‘in barensweeën zijn’.
3Want Yahweh heeft Sion getroost. Hij heeft al haar ruïnes getroost. Hij heeft haar woestijn gemaakt als Eden en haar steppe als de tuin van Yahweh. Blijdschap en vreugde zullen daarin gevonden worden, dank en de klank van een lied.
כִּֽי
(ki)
want
נִחַ֨ם
(nicham)
heeft getroost
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
צִיּ֗וֹן
(tsiyon)
Sion
נִחַם֙
(nicham)
heeft getroost
כָּל
(kal)
al
חָרְבֹתֶ֔יהָ
(charevoteiha)
haar ruïnes
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en Hij heeft gemaakt
מִדְבָּרָהּ֙
(midbarah)
haar woestijn
כְּעֵ֔דֶן
(keeden)
als Eden
וְעַרְבָתָ֖הּ
(vearvatah)
en haar steppe
כְּגַן
(kegan)
als de tuin van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׂשׂ֤וֹן
(sason)
blijdschap
וְשִׂמְחָה֙
(vesimcha)
en vreugde
יִמָּ֣צֵא
(yimatse)
zal gevonden worden
בָ֔הּ
(bah)
daarin
תּוֹדָ֖ה
(toda)
dank
וְק֥וֹל
(veqol)
en klank van
זִמְרָֽה
(zimra)
een lied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
נִחַם (nicham), ‘heeft getroost’: de voltooide tijd drukt uit dat het zeker is; zie ook 49:13.
De woorden over Yahweh in de derde persoon blijven Zijn woorden, daarom rood.
עֵדֶן (Eden) en גַּן־יְהוָה (gan-Yahweh), ‘de tuin van Yahweh’: vergelijk Gen. 2:8 en Gen. 13:10. De verwoeste plaats wordt weer een tuin.
4Let op Mij, mijn volk, en luister naar Mij, mijn natie. Want een wet zal van Mij uitgaan, en Mijn recht zal Ik vestigen als licht voor de volken.
הַקְשִׁ֤יבוּ
(haqshivu)
let op
אֵלַי֙
(elay)
op Mij
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
וּלְאוּמִּ֖י
(uleumi)
en mijn natie
אֵלַ֣י
(elay)
naar Mij
הַאֲזִ֑ינוּ
(haazinu)
luistert
כִּ֤י
(ki)
want
תוֹרָה֙
(tora)
wet
מֵאִתִּ֣י
(meiti)
van Mij
תֵצֵ֔א
(tetse)
zal uitgaan
וּמִשְׁפָּטִ֔י
(umishpati)
en Mijn recht
לְא֥וֹר
(leor)
als licht van
עַמִּ֖ים
(amim)
volken
אַרְגִּֽיעַ
(argia)
zal Ik vestigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תּוֹרָה (torah), ‘wet’: ook ‘onderwijs’.
אַרְגִּיעַ (argia), ‘Ik zal vestigen’: letterlijk ‘Ik zal doen rusten’. Yahweh laat Zijn recht neerdalen en rusten, als licht voor de volken. Vergelijk 49:6.
5Mijn gerechtigheid is nabij. Mijn redding is uitgegaan, en Mijn armen zullen recht spreken over de volken. Op Mij hopen de kustlanden, en op Mijn arm wachten zij.
קָר֤וֹב
(qarov)
nabij
צִדְקִי֙
(tsidqi)
Mijn gerechtigheid
יָצָ֣א
(yatsa)
is uitgegaan
יִשְׁעִ֔י
(yishi)
Mijn redding
וּזְרֹעַ֖י
(uzeroay)
en Mijn armen
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
יִשְׁפֹּ֑טוּ
(yishpotu)
zullen recht spreken
אֵלַי֙
(elay)
op Mij
אִיִּ֣ים
(iyim)
kustlanden
יְקַוּ֔וּ
(yeqauu)
hopen
וְאֶל
(veel)
en op
זְרֹעִ֖י
(zeroi)
Mijn arm
יְיַחֵלֽוּן
(yeyachelun)
wachten zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִשְׁפֹּטוּ (yishpotu), ‘zullen recht spreken’: zoals in 2:4.
6Sla jullie ogen op naar de hemel en kijk naar de aarde beneden. Want de hemel zal als rook verdwijnen, de aarde zal als een kleed verslijten, en haar bewoners zullen evenzo sterven. Maar Mijn redding zal voor eeuwig zijn, en Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
שְׂאוּ֩
(seu)
slaat op
לַשָּׁמַ֨יִם
(lashamayim)
naar de hemel
עֵֽינֵיכֶ֜ם
(eineikhem)
jullie ogen
וְֽהַבִּ֧יטוּ
(vehabitu)
en kijkt
אֶל
(el)
naar
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
de aarde
מִתַּ֗חַת
(mitachat)
beneden
כִּֽי
(ki)
want
שָׁמַ֜יִם
(shamayim)
hemel
כֶּעָשָׁ֤ן
(keashan)
als rook
נִמְלָ֨חוּ֙
(nimlachu)
zal verdwijnen
וְהָאָ֨רֶץ֙
(vehaarets)
en de aarde
כַּבֶּ֣גֶד
(kabeged)
als een kleed
תִּבְלֶ֔ה
(tivle)
zal verslijten
וְיֹשְׁבֶ֖יהָ
(veyosheveiha)
en haar bewoners
כְּמוֹ
(kemo)
zoals
כֵ֣ן
(ken)
zo
יְמוּת֑וּן
(yemutun)
zullen sterven
וִישֽׁוּעָתִי֙
(vishuati)
en Mijn redding
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
תִּֽהְיֶ֔ה
(tihye)
zal zijn
וְצִדְקָתִ֖י
(vetsidqati)
en Mijn gerechtigheid
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵחָֽת
(techat)
zal verbroken worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כְּמוֹ כֵן (kemo-ken), ‘evenzo’: de betekenis is niet zeker.
Sommigen verstaan het als ‘als muggen’.
נִמְלָחוּ (nimlachu), ‘zal verdwijnen’: het werkwoord is zeldzaam. Het beeld is rook die verwaait.
7Luister naar Mij, jullie die gerechtigheid kennen, volk in wiens hart Mijn wet is. Wees niet bang voor de smaad van mensen, en word niet ontsteld door hun hoon.
שִׁמְע֤וּ
(shimu)
luistert
אֵלַי֙
(elay)
naar Mij
יֹ֣דְעֵי
(yodeei)
die kennen
צֶ֔דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
עַ֖ם
(am)
volk van
תּוֹרָתִ֣י
(torati)
Mijn wet
בְלִבָּ֑ם
(belibam)
in hun hart
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאוּ֙
(tireu)
weest bang
חֶרְפַּ֣ת
(cherpat)
voor de smaad van
אֱנ֔וֹשׁ
(enosh)
mensen
וּמִגִּדֻּפֹתָ֖ם
(umigidufotam)
en voor hun hoon
אַל
(al)
niet
תֵּחָֽתּוּ
(techatu)
wordt ontsteld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱנוֹשׁ (enosh), ‘mens’: de zwakke, sterfelijke mens.
8Want de mot zal hen opeten als een kleed, en de wolmot zal hen opeten als wol. Maar Mijn gerechtigheid zal voor eeuwig zijn, en Mijn redding van geslacht tot geslacht.”
כִּ֤י
(ki)
want
כַבֶּ֨גֶד֙
(kabeged)
als een kleed
יֹאכְלֵ֣ם
(yokhlem)
zal hen opeten
עָ֔שׁ
(ash)
mot
וְכַצֶּ֖מֶר
(vekhatsemer)
en als wol
יֹאכְלֵ֣ם
(yokhlem)
zal hen opeten
סָ֑ס
(sas)
wolmot
וְצִדְקָתִי֙
(vetsidqati)
en Mijn gerechtigheid
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
תִּֽהְיֶ֔ה
(tihye)
zal zijn
וִישׁוּעָתִ֖י
(vishuati)
en Mijn redding
לְד֥וֹר
(ledor)
van geslacht tot
דּוֹרִֽים
(dorim)
geslacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Word wakker, word wakker, bekleed je met kracht, arm van Yahweh. Word wakker zoals in de dagen van weleer, in de geslachten van lang geleden. Ben jij niet degene die Rahab in stukken hakte en de draak doorboorde?
עוּרִ֨י
(uri)
word wakker
עוּרִ֤י
(uri)
word wakker
לִבְשִׁי
(livshi)
bekleed je met
עֹז֙
(oz)
kracht
זְר֣וֹעַ
(zeroa)
arm van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
ע֚וּרִי
(uri)
word wakker
כִּ֣ימֵי
(kimei)
zoals de dagen van
קֶ֔דֶם
(qedem)
weleer
דֹּר֖וֹת
(dorot)
geslachten van
עוֹלָמִ֑ים
(olamim)
eeuwen
הֲל֥וֹא
(halo)
niet
אַתְּ
(at)
jij
הִ֛יא
(hi)
is het
הַמַּחְצֶ֥בֶת
(hamachtsevet)
die in stukken hakte
רַ֖הַב
(rahav)
Rahab
מְחוֹלֶ֥לֶת
(mecholelet)
die doorboorde
תַּנִּֽין
(tanin)
de draak
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier spreekt de profeet (of het volk) tot de ‘arm van Yahweh’.
Zijn woorden staan zwart.
De arm wordt toegesproken met ‘je’ en ‘jij’.
רַהַב (Rahab) en תַּנִּין (tannin), ‘draak’: namen van de zeemacht uit de oude verhalen over de schepping; zie Job 26:12 en Ps. 89:11.
10Ben jij niet degene die de zee heeft doen opdrogen, de wateren van de grote oervloed? Die de diepten van de zee tot een weg heeft gemaakt, zodat de verlosten konden overgaan?
הֲל֤וֹא
(halo)
niet
אַתְּ
(at)
jij
הִיא֙
(hi)
is het
הַמַּחֲרֶ֣בֶת
(hamacharevet)
die liet opdrogen
יָ֔ם
(yam)
zee
מֵ֖י
(mei)
wateren van
תְּה֣וֹם
(tehom)
oervloed
רַבָּ֑ה
(raba)
grote
הַשָּׂ֨מָה֙
(hasama)
die maakte
מַֽעֲמַקֵּי
(maamaqei)
de diepten van
יָ֔ם
(yam)
zee
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
tot een weg
לַעֲבֹ֥ר
(laavor)
om over te gaan
גְּאוּלִֽים
(geulim)
de verlosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers verwijst naar de doortocht door de Rietzee; zie Exod. 14:21–22.
תְּהוֹם (tehom), ‘oervloed’: het diepe water uit Gen. 1:2.
גְּאוּלִים (ge’ulim), ‘de verlosten’: van גָּאַל (ga’al), ‘verlossen’.
11De vrijgekochten van Yahweh keren terug. Zij komen met gejuich naar Sion, met eeuwige vreugde op hun hoofd. Blijdschap en vreugde grijpen zij, en verdriet en zuchten vluchten weg.
וּפְדוּיֵ֨י
(ufeduyei)
en de vrijgekochten van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
יְשׁוּב֗וּן
(yeshuvun)
keren terug
וּבָ֤אוּ
(uvau)
en komen
צִיּוֹן֙
(tsiyon)
Sion
בְּרִנָּ֔ה
(berina)
met gejuich
וְשִׂמְחַ֥ת
(vesimchat)
en vreugde van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwig
עַל
(al)
op
רֹאשָׁ֑ם
(rosham)
hun hoofd
שָׂשׂ֤וֹן
(sason)
blijdschap
וְשִׂמְחָה֙
(vesimcha)
en vreugde
יַשִּׂיג֔וּן
(yasigun)
grijpen zij
נָ֖סוּ
(nasu)
vluchten weg
יָג֥וֹן
(yagon)
verdriet
וַאֲנָחָֽה
(vaanacha)
en zuchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Dit vers is bijna gelijk aan 35:10.
Daarom is ook de vertaling gelijk.
פְּדוּיֵי (peduyei), ‘de vrijgekochten’: van פָּדָה (padah), ‘vrijkopen’; zie 50:2.
13Je vergeet Yahweh, je Maker, die de hemel uitspant en de aarde grondvest. Je bent voortdurend bang, de hele dag, voor de woede van de onderdrukker, alsof hij klaarstaat om te vernietigen. Waar is dan de woede van de onderdrukker?
וַתִּשְׁכַּ֞ח
(vatishkach)
en je vergeet
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
עֹשֶׂ֗ךָ
(osekha)
je Maker
נוֹטֶ֣ה
(note)
die uitspant
שָׁמַיִם֮
(shamayim)
hemel
וְיֹסֵ֣ד
(veyosed)
en die grondvest
אָרֶץ֒
(arets)
aarde
וַתְּפַחֵ֨ד
(vatefached)
en je bent bang
תָּמִ֜יד
(tamid)
voortdurend
כָּל
(kal)
de hele
הַיּ֗וֹם
(hayom)
dag
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
voor
חֲמַ֣ת
(chamat)
woede van
הַמֵּצִ֔יק
(hametsiq)
de onderdrukker
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
כּוֹנֵ֖ן
(konen)
hij klaarstaat
לְהַשְׁחִ֑ית
(lehashchit)
om te vernietigen
וְאַיֵּ֖ה
(veaye)
en waar
חֲמַ֥ת
(chamat)
is de woede van
הַמֵּצִֽיק
(hametsiq)
de onderdrukker
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲמַת (chamat), ‘woede van’: hetzelfde woord als ‘woede van Yahweh’ in vers 17, 20 en 22.
עֹשֶׂךָ (osekha), ‘je Maker’: het werkwoord is עָשָׂה (asah), ‘maken’.
16Ik heb Mijn woorden in je mond gelegd. In de schaduw van Mijn hand heb Ik je bedekt, om de hemel te planten en de aarde te grondvesten, en om tegen Sion te zeggen: ‘Mijn volk ben jij.’”
וָאָשִׂ֤ים
(vaasim)
en Ik heb gelegd
דְּבָרַי֙
(devaray)
Mijn woorden
בְּפִ֔יךָ
(befikha)
in je mond
וּבְצֵ֥ל
(uvetsel)
en in de schaduw van
יָדִ֖י
(yadi)
Mijn hand
כִּסִּיתִ֑יךָ
(kisitikha)
heb Ik je bedekt
לִנְטֹ֤עַ
(lintoa)
om te planten
שָׁמַ֨יִם֙
(shamayim)
hemel
וְלִיסֹ֣ד
(velisod)
en te grondvesten
אָ֔רֶץ
(arets)
aarde
וְלֵאמֹ֥ר
(velemor)
en om te zeggen
לְצִיּ֖וֹן
(letsiyon)
tegen Sion
עַמִּי
(ami)
mijn volk
אָֽתָּה
(ata)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
לִנְטֹעַ (lintoa), ‘te planten’: letterlijk ‘de hemel te planten’; dit is een beeld voor het uitspannen van de hemel, zoals in vers 13.
17Word wakker, word wakker, sta op, Jeruzalem, jij die uit de hand van Yahweh de beker van Zijn woede gedronken hebt. De kelk, de beker van de wankeling, heb je gedronken en leeggezogen.
הִתְעוֹרְרִ֣י
(hitoreri)
word wakker
הִֽתְעוֹרְרִ֗י
(hitoreri)
word wakker
ק֚וּמִי
(qumi)
sta op
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁתִ֛ית
(shatit)
gedronken hebt
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
כּ֣וֹס
(kos)
de beker van
חֲמָת֑וֹ
(chamato)
Zijn woede
אֶת
(et)
(obj.)
קֻבַּ֜עַת
(qubaat)
kelk van
כּ֧וֹס
(kos)
beker van
הַתַּרְעֵלָ֛ה
(hatarela)
de wankeling
שָׁתִ֖ית
(shatit)
heb je gedronken
מָצִֽית
(matsit)
heb je leeggezogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Hier spreekt de profeet tot Jeruzalem.
Zijn woorden staan zwart.
קֻבַּעַת (qubba’at), ‘kelk’: een zeldzaam woord voor een beker.
תַּרְעֵלָה (tar’elah), ‘wankeling’: de beker van Yahweh’s oordeel laat wankelen als wijn.
18Er is niemand die haar leidt van al de zonen die zij gebaard heeft. Er is niemand die haar bij de hand neemt van al de zonen die zij heeft grootgebracht.
אֵין
(ein)
niet is er
מְנַהֵ֣ל
(menahel)
die leidt
לָ֔הּ
(lah)
haar
מִכָּל
(mikal)
van al
בָּנִ֖ים
(banim)
de zonen
יָלָ֑דָה
(yalada)
die zij heeft gebaard
וְאֵ֤ין
(veein)
en niet is er
מַחֲזִיק֙
(machaziq)
die vasthoudt
בְּיָדָ֔הּ
(beyadah)
haar hand
מִכָּל
(mikal)
van al
בָּנִ֖ים
(banim)
de zonen
גִּדֵּֽלָה
(gidela)
die zij heeft grootgebracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Twee dingen zijn je overkomen — wie heeft medelijden met je? — verwoesting en breuk, en honger en zwaard. Hoe zou ik je troosten?
שְׁתַּ֤יִם
(shetayim)
twee
הֵ֨נָּה֙
(hena)
zie
קֹֽרְאֹתַ֔יִךְ
(qoreotayikh)
zijn je overkomen
מִ֖י
(mi)
wie
יָנ֣וּד
(yanud)
heeft medelijden
לָ֑ךְ
(lakh)
met je
הַשֹּׁ֧ד
(hashod)
verwoesting
וְהַשֶּׁ֛בֶר
(vehashever)
en breuk
וְהָרָעָ֥ב
(veharaav)
en honger
וְהַחֶ֖רֶב
(vehacherev)
en zwaard
מִ֥י
(mi)
wie
אֲנַחֲמֵֽךְ
(anachamekh)
zou ik je troosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁתַּיִם הֵנָּה (shetayim hennah), ‘twee dingen’: de twee paren zijn ‘verwoesting en breuk’ en ‘honger en zwaard’.
De zin staat in het Hebreeuws in deze volgorde.
מִי אֲנַחֲמֵךְ (mi anachamekh), ‘Hoe zou ik je troosten?’: letterlijk ‘wie zal ik je troosten’. Het Hebreeuws is ongewoon. Het kan ook gelezen worden als ‘wie kan je troosten?’.
Lezing
Sommige oude vertalingen lezen hier anders.
Wij volgen de Masoretische tekst, in de eerste persoon.
20Je zonen zijn bezweken. Zij liggen op de hoek van alle straten, als een wilde os in een net. Zij zijn vol van de woede van Yahweh, van de bestraffing van je Elohim.
בָּנַ֜יִךְ
(banayikh)
je zonen
עֻלְּפ֥וּ
(ulefu)
zijn bezweken
שָׁכְב֛וּ
(shakhevu)
liggen
בְּרֹ֥אשׁ
(berosh)
op de hoek van
כָּל
(kal)
alle
חוּצ֖וֹת
(chutsot)
straten
כְּת֣וֹא
(keto)
als een wilde os
מִכְמָ֑ר
(mikhmar)
van een net
הַֽמְלֵאִ֥ים
(hamleim)
die vol zijn
חֲמַת
(chamat)
van de woede van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
גַּעֲרַ֥ת
(gaarat)
bestraffing van
אֱלֹהָֽיִךְ
(elohayikh)
je Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תוֹא (to), ‘wilde os’: hetzelfde dier als in Deut. 14:5 (te’o).
De betekenis is niet helemaal zeker.
גַּעֲרַת (ga’arat), ‘bestraffing’: van גָּעַר (ga’ar), ‘bestraffen’.
22Zo zegt je Heer, Yahweh, en je Elohim, die voor Zijn volk een rechtszaak voert: „Zie, Ik neem de beker van de wankeling uit je hand, de kelk, de beker van Mijn woede. Je zult die niet meer drinken.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנַ֣יִךְ
(adonayikh)
je Heer
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וֵאלֹהַ֨יִךְ֙
(velohayikh)
en je Elohim
יָרִ֣יב
(yariv)
voert een rechtszaak
עַמּ֔וֹ
(amo)
voor Zijn volk
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
לָקַ֛חְתִּי
(laqachti)
Ik neem
מִיָּדֵ֖ךְ
(miyadekh)
uit je hand
אֶת
(et)
(obj.)
כּ֣וֹס
(kos)
de beker van
הַתַּרְעֵלָ֑ה
(hatarela)
de wankeling
אֶת
(et)
(obj.)
קֻבַּ֨עַת֙
(qubaat)
kelk van
כּ֣וֹס
(kos)
beker van
חֲמָתִ֔י
(chamati)
Mijn woede
לֹא
(lo)
niet
תוֹסִ֥יפִי
(tosifi)
zul je blijven
לִשְׁתּוֹתָ֖הּ
(lishtotah)
om het te drinken
עֽוֹד
(od)
nog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנַיִךְ (Adonayikh), ‘je Heer’: Adonai staat hier met een achtervoegsel, tegen Jeruzalem.
Het volgt op ‘Zo zegt’ en gaat voor ‘Yahweh’.
יָרִיב עַמּוֹ (yariv ammo), ‘die voor Zijn volk een rechtszaak voert’: Yahweh is de verdediger van Zijn volk. Het werkwoord is hetzelfde als in 49:25.
23Ik zal haar leggen in de hand van wie je kwellen, die tegen je zeiden: ‘Buig je neer, dan lopen wij over je heen.’ Dan maakte je je rug als de grond, als de straat voor wie eroverheen liepen.”
וְשַׂמְתִּ֨יהָ֙
(vesamtiha)
en Ik zal haar leggen
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
מוֹגַ֔יִךְ
(mogayikh)
wie je kwellen
אֲשֶׁר
(asher)
die
אָמְר֥וּ
(ameru)
zeiden
לְנַפְשֵׁ֖ךְ
(lenafshekh)
tegen je
שְׁחִ֣י
(shechi)
buig je neer
וְנַעֲבֹ֑רָה
(venaavora)
en laten wij overgaan
וַתָּשִׂ֤ימִי
(vatasimi)
en je maakte
כָאָ֨רֶץ֙
(kaarets)
als de grond
גֵּוֵ֔ךְ
(gevekh)
je rug
וְכַח֖וּץ
(vekhachuts)
en als de straat
לַעֹבְרִֽים
(laoverim)
voor wie overgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)