Elohim Bijbel

Psalmen 79

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150

Klaagzang om de verwoesting van Jeruzalem

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Volken in Uw erfdeel

1Een psalm van Asaf. Elohim, volken zijn in Uw erfdeel gekomen. Zij hebben Uw heilige tempel onrein gemaakt; zij hebben Jeruzalem tot puinhopen gemaakt.
מִזְמ֗וֹר
(mizmor)
een psalm
לְאָ֫סָ֥ף
(leasaf)
van Asaf
אֱֽלֹהִ֡ים
(Elohim)
Elohim
בָּ֤אוּ
(bau)
zijn gekomen
גוֹיִ֨ם
(goyim)
volken
בְּֽנַחֲלָתֶ֗ךָ
(benachalatekha)
in Uw erfdeel
טִ֭מְּאוּ
(timeu)
hebben onrein gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
הֵיכַ֣ל
(heikhal)
tempel van
קָדְשֶׁ֑ךָ
(qadeshekha)
Uw heiligdom
שָׂ֖מוּ
(samu)
hebben gemaakt
אֶת
(et)
(obj.)
יְרוּשָׁלִַ֣ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לְעִיִּֽים
(leiyim)
tot puinhopen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

הֵיכַל (hekal), ‘tempel’: het heiligdom in Jeruzalem.

De psalm noemt niet welke verwoesting van Jeruzalem bedoeld is.

נַחֲלָה (nachalah), ‘erfdeel’: het land dat Elohim aan Zijn volk gaf.

2Zij hebben de lijken van Uw dienaren als voedsel gegeven aan de vogels van de hemel. Het vlees van Uw getrouwen gaven zij aan de wilde dieren van de aarde.
נָֽתְנ֡וּ
(natenu)
zij hebben gegeven
אֶת
(et)
(obj.)
נִבְלַ֬ת
(nivlat)
lijken van
עֲבָדֶ֗יךָ
(avadeikha)
Uw dienaren
מַ֭אֲכָל
(maakhal)
als voedsel
לְע֣וֹף
(leof)
aan de vogel van
הַשָּׁמָ֑יִם
(hashamayim)
de hemel
בְּשַׂ֥ר
(besar)
vlees van
חֲ֝סִידֶ֗יךָ
(chasideikha)
Uw getrouwen
לְחַיְתוֹ
(lechayto)
aan de dieren van
אָֽרֶץ
(arets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲסִידִים (chasidim), ‘getrouwen’: mensen die trouw (chesed) bewijzen en aan wie Yahweh trouw bewijst.

3Zij hebben hun bloed als water vergoten rondom Jeruzalem, en er was niemand om te begraven.
שָׁפְכ֬וּ
(shafekhu)
zij hebben vergoten
דָמָ֨ם
(damam)
hun bloed
כַּמַּ֗יִם
(kamayim)
als water
סְֽבִ֘יב֤וֹת
(sevivot)
rondom
יְֽרוּשָׁלִָ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is er
קוֹבֵֽר
(qover)
begraver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Niet begraven worden gold als een grote schande.

Zie ook vers 2.

4Wij zijn een smaad geworden voor onze buren, een spot en een hoon voor wie rondom ons zijn.
הָיִ֣ינוּ
(hayinu)
wij zijn geworden
חֶ֭רְפָּה
(cherpa)
smaad
לִשְׁכֵנֵ֑ינוּ
(lishkheneinu)
voor onze buren
לַ֥עַג
(laag)
spot
וָ֝קֶ֗לֶס
(vaqeles)
en hoon
לִסְבִיבוֹתֵֽינוּ
(lisvivoteinu)
voor wie rondom ons zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Hoe lang nog, Yahweh?

5Hoe lang nog, Yahweh? Zult U voor altijd toornen? Zal Uw ijver branden als vuur?
עַד
(ad)
tot
מָ֣ה
(ma)
wanneer
יְ֭הוָה
(Yahweh)
Yahweh
תֶּאֱנַ֣ף
(teenaf)
zult U toornen
לָנֶ֑צַח
(lanetsach)
voor altijd
תִּבְעַ֥ר
(tivar)
zal branden
כְּמוֹ
(kemo)
als
אֵ֝֗שׁ
(esh)
vuur
קִנְאָתֶֽךָ
(qinatekha)
Uw ijver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Stort Uw woede uit over de volken die U niet kennen, en over de koninkrijken die Uw naam niet hebben aangeroepen.
שְׁפֹ֤ךְ
(shefokh)
stort uit
חֲמָתְךָ֨
(chamatekha)
Uw woede
אֶֽל
(el)
over
הַגּוֹיִם֮
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֪ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
יְדָ֫ע֥וּךָ
(yedaukha)
U kennen
וְעַ֥ל
(veal)
en over
מַמְלָכ֑וֹת
(mamlakhot)
koninkrijken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּ֝שִׁמְךָ֗
(beshimkha)
Uw naam
לֹ֣א
(lo)
niet
קָרָֽאוּ
(qarau)
hebben aangeroepen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De verzen 6–7 komen bijna woordelijk voor in Jer. 10:25.

7Want hij heeft Jakob verslonden, en zij hebben zijn woonplaats verwoest.
כִּ֭י
(ki)
want
אָכַ֣ל
(akhal)
hij heeft verslonden
אֶֽת
(et)
(obj.)
יַעֲקֹ֑ב
(yaaqov)
Jakob
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
נָוֵ֥הוּ
(navehu)
zijn woonplaats
הֵשַֽׁמּוּ
(heshamu)
hebben zij verwoest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het werkwoord ‘hebben verwoest’ staat in het meervoud, terwijl ‘heeft verslonden’ in het enkelvoud staat.

Wij laten dat zo staan: de vijand wordt eerst als één geheel genoemd, daarna als meerdere.

Bevrijd ons omwille van Uw naam

8Gedenk ons de schulden van de vroegeren niet. Laat Uw ontferming ons snel tegemoetkomen, want wij zijn zeer zwak geworden.
אַֽל
(al)
niet
תִּזְכָּר
(tizkar)
gedenk
לָנוּ֮
(lanu)
ons
עֲוֺנֹ֪ת
(avonot)
schulden van
רִאשֹׁ֫נִ֥ים
(rishonim)
de vroegeren
מַ֭הֵר
(maher)
snel
יְקַדְּמ֣וּנוּ
(yeqademunu)
laten tegemoetkomen ons
רַחֲמֶ֑יךָ
(rachameikha)
Uw ontferming
כִּ֖י
(ki)
want
דַלּ֣וֹנוּ
(dalonu)
wij zijn zwak geworden
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רִאשֹׁנִים (rishonim), ‘de vroegeren’: de woorden kunnen zowel de voorouders als eerdere schulden bedoelen.

Wij houden ‘de vroegeren’ aan.

9Help ons, Elohim van onze redding, om de heerlijkheid van Uw naam. Bevrijd ons en doe verzoening voor onze zonden, omwille van Uw naam.
עָזְרֵ֤נוּ
(azerenu)
help ons
אֱלֹ֘הֵ֤י
(elohei)
Elohim van
יִשְׁעֵ֗נוּ
(yishenu)
onze redding
עַל
(al)
om
דְּבַ֥ר
(devar)
de zaak van
כְּבֽוֹד
(kevod)
heerlijkheid van
שְׁמֶ֑ךָ
(shemekha)
Uw naam
וְהַצִּילֵ֥נוּ
(vehatsilenu)
en bevrijd ons
וְכַפֵּ֥ר
(vekhaper)
en doe verzoening
עַל
(al)
voor
חַ֝טֹּאתֵ֗ינוּ
(chatoteinu)
onze zonden
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
שְׁמֶֽךָ
(shemekha)
Uw naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּפֵּר (kapper), ‘doe verzoening’: bedek en wis de schuld uit.

10Waarom zouden de volken zeggen: „Waar is hun Elohim?” Laat de wraak voor het vergoten bloed van Uw dienaren voor onze ogen onder de volken bekend worden.
לָ֤מָּה
(lama)
waarom
יֹאמְר֣וּ
(yomru)
zouden zeggen
הַגּוֹיִם֮
(hagoyim)
de volken
אַיֵּ֪ה
(aye)
waar is
אֱֽלֹהֵ֫יהֶ֥ם
(eloheihem)
hun Elohim
יִוָּדַ֣ע
(yivada)
laat bekend worden
בַּגּוֹיִ֣ם
(bagoyim)
onder de volken
לְעֵינֵ֑ינוּ
(leeineinu)
voor onze ogen
נִ֝קְמַ֗ת
(niqmat)
wraak voor
דַּֽם
(dam)
bloed van
עֲבָדֶ֥יךָ
(avadeikha)
Uw dienaren
הַשָּׁפֽוּךְ
(hashafukh)
dat vergoten is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is בגיים (bagayim), een schrijfvorm voor ‘onder de volken’.

De te lezen vorm (qere) is בַּגּוֹיִם (baggoyim), ‘onder de volken’.

Wij volgen de qere.

11Laat het zuchten van de gevangene voor Uw aangezicht komen. Laat naar de grootte van Uw arm de zonen van de dood overblijven.
תָּ֤ב֣וֹא
(tavo)
laat komen
לְפָנֶיךָ֮
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
אֶנְקַ֪ת
(enqat)
het zuchten van
אָ֫סִ֥יר
(asir)
de gevangene
כְּגֹ֥דֶל
(kegodel)
naar de grootte van
זְרוֹעֲךָ֑
(zeroakha)
Uw arm
ה֝וֹתֵ֗ר
(hoter)
laat overblijven
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
תְמוּתָֽה
(temuta)
dood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי תְמוּתָה (bene temutah), ‘zonen van de dood’: mensen die ter dood veroordeeld zijn.

De dichter vraagt dat zij in leven blijven.

12Geef onze buren zevenvoudig in hun boezem terug de smaad waarmee zij U hebben gesmaad, mijn Heer.
וְהָ֘שֵׁ֤ב
(vehashev)
en geef terug
לִשְׁכֵנֵ֣ינוּ
(lishkheneinu)
aan onze buren
שִׁ֭בְעָתַיִם
(shivatayim)
zevenvoudig
אֶל
(el)
in
חֵיקָ֑ם
(cheiqam)
hun boezem
חֶרְפָּ֘תָ֤ם
(cherpatam)
hun smaad
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
waarmee
חֵרְפ֣וּךָ
(cherefukha)
zij U hebben gesmaad
אֲדֹנָֽי
(adonay)
mijn Heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘mijn Heer’: wij laten het zo staan, zoals in Genesis.

Wij zullen U loven

13Wij, Uw volk en de kudde van Uw weide, zullen U voor eeuwig loven; van generatie op generatie vertellen wij van Uw lof.
וַאֲנַ֤חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
עַמְּךָ֨
(amekha)
Uw volk
וְצֹ֥אן
(vetson)
en kudde van
מַרְעִיתֶךָ֮
(maritekha)
Uw weide
נ֤וֹדֶ֥ה
(node)
zullen loven
לְּךָ֗
(lekha)
U
לְע֫וֹלָ֥ם
(leolam)
voor eeuwig
לְדֹ֥ר
(ledor)
van generatie
וָדֹ֑ר
(vador)
en generatie
נְ֝סַפֵּ֗ר
(nesaper)
wij vertellen
תְּהִלָּתֶֽךָ
(tehilatekha)
Uw lof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)